Openbaring

Hoofdstuk 1

1:1

Openbaring van Jezus Christus, die Hij van God ontving om aan de dienaren van God te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet.
Hij heeft zijn engel deze openbaring laten meedelen aan zijn dienaar Johannes.

Grondtekst: Openbaring van Jezus Christus die heeft gegeven aan Hem God (om te) tonen aan de dienstknechten van Hem (dingen) moeten gebeuren met spoed en heeft medegedeeld gezonden hebbende door de engel van Hem aan de dienstknecht van Hem Johannes,

Openbaring van Jezus Christus!
Met deze woorden krijgen we direct te maken met nog verborgen toekomstige ontwikkelingen die Jezus Christus vanaf nu bekend gaat maken.

Openbaren is een andere uitdrukking voor ont-hullen, ont-dekken of ont-sluieren.
We kunnen daarbij denken aan het wegschuiven van een gordijn, waardoor we zicht krijgen op een andere werkelijkheid.
Dat is het doel van deze openbaring: ons geloof dat misschien omgeven wordt door onkunde en onzekerheid, kan zich nu richten op weidse, concrete geestelijke vergezichten!

Ook tijdens zijn leven op aarde laat Jezus de verborgen dingen uit die andere, geestelijke werkelijkheid of dimensie zien.
Hij haalt de eeuwenoude sluier van onkunde weg die bij mensen ligt over het koninkrijk van de hemel, het machtsgebied in de geestelijke wereld.
Als natuurlijk gerichte gelovigen hebben veel mensen er nauwelijks enig idee van wat zich daar afspeelt en welke invloed dat ‘koninkrijk’ heeft, kan en nog zal hebben op hun bestaan.
Als we dit voor onszelf willen ontdekken is het zeker nodig dat we ons erin gaan verdiepen en er tijd en energie voor overhebben.
Niets gaat vanzelf en schatgraven kost inderdaad moeite, maar het resultaat zal ernaar zijn!

In dit laatste Bijbelboek wordt voor ons de sluier of het gordijn verwijderd, waardoor we zicht krijgen op de historie en de toekomst van de gemeente van Jezus Christus.
Maar ook op die van de schijngemeente, ook wel genoemd: valse kerk.
‘Vals’ in de zin van niet echt; denk aan een vals bankbiljet.
Jezus heeft, als eerste mens, van God de Vader inzicht gekregen in Gods herstelplan.
En door zijn engel geeft Hij dit op zijn beurt door aan Johannes die het ook opschrijft.
Zo kunnen ook wij als gelovigen weten wat er binnenkort gaat gebeuren, al gebeurd is of inmiddels bezig is te gebeuren.

De Vader doet niets buiten zijn Zoon en zijn zonen om, wat in lijn is met wat staat in Amos 3:7:
Zo doet God, de Heer, niets zonder dat Hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten.
Jezus is op de hoogte van dit herstelplan van God, want Hij is de uitvoerder ervan.
Daarom heeft God aan Jezus alle (vol)macht gegeven, zowel in de geestelijke als in de natuurlijke wereld.

Maar wannéér bepaalde gebeurtenissen zullen plaatsvinden, weet alleen de Vader.
Handelingen 1:7:
Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden.
Matteüs 24:36:
Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het.

Bij de uitleg van het boek Openbaring hoeven we dus niet te speculeren over bepaalde tijdstippen.
In elke eeuw hebben mensen geprobeerd dit boek in hun eigen tijd te dateren, maar dit is steeds onjuist gebleken.
We kunnen nu wél zien wat er intussen al uitgekomen ís.
Zo kunnen we bijvoorbeeld weten dat we leven in de tijd van de late regen, dus van de verzegeling van de gelovigen met de geest van God.
Maar we weten niet hoe lang deze periode duren zal.

De Vader heeft de ontwikkeling van zijn plan aan de Zoon duidelijk gemaakt.
Dit herstelplan is als een plant die langzaam groeit en vrucht gaat zetten, zoals we kunnen lezen in Marcus 4:26-29:
En Hij zei: Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe.
De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar en dan het rijpe graan in de aar.
Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst.

In Jacobus 5:7 lezen we:
Heb geduld, broeders en zusters, tot de Heer komt.
Denk eens aan de boer die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land, tot de regens van najaar en voorjaar zijn gevallen.

Als er staat dat God aan Johannes laat zien wat er binnenkort gaat gebeuren, betekent dit dat er inmiddels ongetwijfeld al het een en ander van uitgekomen is.
We zullen dit verderop in deze studie zien.
Daarom wordt ons eerst getoond hoe de Heer zich bevindt tussen de lampenstandaards (kandelaars, luchters): dit zijn de gemeenten (zie de verzen 12 en 13).
Daarna worden deze eerste gemeenten zelf toegesproken en later zien we God op de troon.
Hij geeft aan Jezus de boekrol (het boek) waarin de ontsluiering van de toekomstige gebeurtenissen staat beschreven (zie Openbaring 5:7).

Deze openbaring wordt doorgegeven aan Johannes, de geliefde apostel van Jezus.
Hij is op zijn oude dag verbannen naar Patmos (zie vers 9).
Daar krijgt hij door een engel de visioenen die in dit boek beschreven zijn.
Er is sprake van ‘zijn’ engel, dat wil zeggen van de engel van God of van Jezus, die in Openbaring 10 nader voor het voetlicht komt.

1:2

Johannes maakt bekend wat God gesproken heeft en waarvan Jezus Christus heeft getuigd; dit heeft hij allemaal gezien.

Grondtekst: die heeft getuigd het woord van God en het getuigenis van Jezus Christus alle (dingen) die hij heeft gezien.

Johannes heeft al eerder bekendgemaakt wat God gezegd heeft; hij is de evangelist die schrijft in Johannes 1:1:
In het begin was het woord, het woord was bij God en het woord was God.
Hij heeft de verhouding tussen de Vader en zijn Zoon duidelijk weergegeven; zij verhouden zich tot elkaar als spreker staat tot woord.
Johannes ziet bij het begin van zijn boek ook weer Jezus Christus die de hele openbaring over het herstelplan van zijn Vader krijgt en deze aan Johannes doorgeeft.

Dit woord (of plan) van God, in Jezus Christus zichtbaar geworden, is de uitvoerder van Gods plan, want de ruiter op het witte paard trekt op als een overwinnaar de overwinning tegemoet (zie Openbaring 6:2).
Dit woord zal niet zonder resultaat of vrucht naar God terugkeren, niet zonder eerst te doen wat God wil en dat uit te voeren waarvoor God opdracht gegeven heeft.
Jesaja 55:11:
Zo geldt dit ook voor het woord
dat voortkomt uit mijn mond:
het keert niet vruchteloos naar Mij terug,
niet zonder eerst te doen wat Ik wil en te volbrengen wat Ik gebied.

Het is een levend woord, een door God uitgesproken gedachte die ons het echte, meest zinvolle leven geeft dat we ons ooit kunnen voorstellen.
Dát is het leven waar het in essentie om gaat: voor altijd en eeuwig in optimale verbinding leven met God!
Dit is het woord dat Jezus Christus heeft gebracht en ook heeft laten zien.
Johannes begrijpt dit en hij kan dit nu door de gave van profetie aan ons uitleggen (zie ook Openbaring 19:10).

In het door hem geschreven evangelie is hij de leerling die van dit alles getuigt en het ook heeft opgeschreven (zie Johannes 21:24).
Hierom is hij dus ook gevangengenomen (zie vers 9).

Zijn eerste rondschrijfbrief begint hij met de woorden:
Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het woord dat leven is (1 Johannes 1:1).

In het bovenstaande ziet hij veel in de zichtbare wereld en hij vertelt er nauwkeurig over.
Nu gaat hij zorgvuldig opschrijven wat de engel hem laat zien in en over de onzichtbare wereld.

1:3

Gelukkig is wie dit voorleest en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat hier gezegd wordt.
Want de tijd is nabij.

Grondtekst: Zalig de voorlezende en de luisterende naar de woorden van de profetie en (de) bewarenden de in haar geschreven (dingen) de want tijd (is) dichtbij.

De Openbaring is een heel belangrijk boek.
Door de woorden in dit vers wordt het direct erkend als het woord van God, want Jezus zegt in Lucas 11:28:
Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven.
Dit boek wordt in de gemeenten voorgelezen, want niet alle mensen in de tijd van Johannes kunnen lezen.
Maar men moet deze woorden niet alleen lezen of aanhoren, maar ze ook ter harte nemen en ernaar gaan handelen, dus er vanuit gaan leven.

Het begin van de uitwerking van deze woorden staat er in de dagen van Johannes al aan te komen.
Voor veel gelovigen is dit boek eeuwenlang gesloten gebleven, zelfs tot nu toe.
Dit komt doordat zij de gaven van de geest van God (zie 1 Korintiërs 12 en 14) kwijtgeraakt zijn, geen visioenen krijgen en (daardoor) de strijd en de overwinning in de geestelijke wereld niet kennen.

Het begin en het eind van het boek komen overeen.
Het eerste en het laatste hoofdstuk vormen als het ware een lijst waarbinnen de profetieën en de visioenen over de gemeente geplaatst zijn.
Zo staat er in (het laatste) hoofdstuk, 22:7:
Gelukkig is wie zich houdt aan de profetie van dit boek.
Vergelijk hiermee ook een ander kader, Openbaring 1:8:
Ik ben de alfa en de omega zegt God, de Heer, Ik ben het die is, die was en die komt, de Almachtige, en Openbaring 22:13:
Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde.

1:4

Van Johannes, aan de zeven gemeenten in Asia.
Genade zij u en vrede van Hem die is, die was en die komt en van de zeven geesten voor zijn troon,

Grondtekst: Johannes aan de zeven gemeenten de (zijnde) in Asia: genade (zij) aan jullie en vrede van de Zijnde en de (gene die) Was en de Komende en van de zeven geesten die zijn voor het aangezicht van de troon van Hem.

Als beeld van de gemeente van alle tijden en plaatsen worden de zeven gemeenten in Klein-Azië genomen.
Zij zijn het symbool van de gemeente van Jezus Christus, zoals deze door de eeuwen heen te herkennen is.
Al vanaf haar ontstaan heeft deze gemeente te maken met de verleiding, de infiltratie en de onderdrukking door de demonen.
Het boek Openbaring is dus bestemd voor de gemeenten, zoals dit vers aangeeft.

Ook in Openbaring 22:16 zien we ditzelfde, want Jezus zegt hier:
Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten.
Hier zien we weer het kader waarin de Openbaring ‘verpakt’ is: dit boek is bestemd voor de gemeenten.
En die bestaan uit gelovigen die zich (willen) verdiepen in het woord van God.
Wie niet met hart en ziel deze Openbaring wil overdenken, zal deze ook nooit begrijpen en er dus geen voordeel van hebben.

Dan volgt een groet van Johannes, waarmee hij de lezers en hoorders genade (= liefde van God) en vrede toewenst.
Hierdoor wijst hij op de schuldvergeving en de vrede met God, die samen de basis vormen van het leven en de ontwikkeling van de gemeenten.
De Vader geeft ons deze genade en vrede als ‘loon’ op het werk van Jezus Christus in het herstelplan van God.
Daarna werkt de geest van God deze dingen verder uit in ons leven.

De Vader wordt hier genoemd met de naam: die is, die was en die komt.
‘Die is en die was’ wijst op zijn eeuwige en onveranderlijke bestaan en wezen en ‘die komt’ op zijn verhouding tot de mens.
Hij komt door zijn woord om onze zonden te vergeven, om ons te redden uit de macht van de duisternis door ons vrij te maken van de (invloed van de) demonen.
Hij komt door zijn geest aan ons te geven, om zo in onze innerlijke mens te ‘wonen’, zodat we deel kunnen krijgen aan de ‘Goddelijke natuur’.
Hij komt in of met de gemeente van Jezus Christus, uitgebeeld door ‘wolken’, om door haar opnieuw en volledig herstel op de aarde te brengen.
Zo blijft Hij ‘komende’, tot Hij alles in allen zal zijn (zie 1 Korintiërs 15:28 NBG).

De zeven geesten van God worden over de hele aarde gestuurd (zie Openbaring 5:6).
Zij zijn symbool van de heilige geest van God en zij bieden krachtige hulp aan de zeven gemeenten.
2 Kronieken 16:9:
De Heer laat immers voortdurend zijn ogen over de aarde rondgaan en biedt iedereen hulp die Hem met heel zijn hart is toegedaan.

1:5

en van Jezus Christus, de betrouwbare getuige, de eerstgeborene van de doden, de heerser over de vorsten van de aarde.
Aan Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft bevrijd door zijn bloed,

Grondtekst: En van Jezus Christus, de Getuige de getrouwe, de Eerstgeborene uit de doden en de Vorst van de koningen van de aarde; aan de liefgehad hebbende ons en gewassen hebbende ons van de zonden van ons in/door het bloed van Hem.

Jezus Christus, het woord van God dat mens geworden is, wordt hier de betrouwbare getuige genoemd.
Want Hij geeft nauwkeurig weer wat het wezen van de Vader is en Hij beeldt de bedoeling van God met de mens uit.
Zo voert Hij Gods plan uit en bouwt Hij aan zijn geestelijke tempel, de gemeente, het geestelijke Israël van God.
In Openbaring 19:11 staat van Jezus dat Hij trouw en betrouwbaar heet.
Hij is trouw aan Wie Hem aangesteld heeft bij het bouwen van het huis van God: de geestelijke tempel (zie Hebreeën 3), de gemeente.

We kunnen altijd op Hem aan en we hoeven er door Hem niet aan te twijfelen of het plan van God wel wordt uitgevoerd.
Jezus is de eerste die geboren (= zichtbaar geworden) is in de nieuwe schepping, Hij is de mens zoals God deze vanaf het begin van de schepping voor ogen heeft.
Zo wil God dat ook wij worden!
Jezus is de eerste van deze nieuwe schepping die vanuit het rijk van de dood is opgestaan met een verheerlijkt lichaam.
Het opstandingslichaam.
Dit is een lichaam van vlees en bloed, maar onderworpen aan ‘geestelijke wetten’ in plaats van aan die van de natuur.
Uit de dood komt zo een eeuwig levend mens tevoorschijn.

Jezus is de heerser over de vorsten van de aarde.
Dit zijn niet de machthebbers van deze wereld, maar de mensen die Hij voor God gekocht heeft en die door Hem verheven zijn tot koninklijke priesters.
In Openbaring 19:16 heeft Hij de naam:
Koning van de koningen en Heer van de heren of ook ‘Hoogste Heer en Koning’.
Deze koningen of machthebbers regeren nu nog niet op aarde, maar zij zijn van de aarde losgekocht om later als koningen met Jezus Christus ook op aarde te regeren (zie Openbaring 20:6).
Losgekocht van de aarde wil zeggen: niet meer onder invloed staan van satan en zijn demonen.

Hij heeft ons lief, zoals onder andere staat in Johannes 15:13:
Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden.
Zijn liefde komt ook duidelijk tot uiting voor mensen die zondaars zijn.
In Lucas 5:32 zegt Jezus:
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.

Om dat mogelijk te maken heeft Jezus eerst de zondeschuld van de mensen moeten betalen door zijn leven hiervoor te geven.
Zo worden zondaars rechtvaardigen en kunnen ze vrij van aanklacht en zonde in nauwe verbinding met God gaan leven.
Voor eeuwig en altijd!
Jezus heeft ons vrijgekocht uit de macht van satan en zijn handlangers, zodat zij geen recht meer hebben om ons te verleiden, te misleiden en te onderdrukken.
De zaken zijn nu omgedraaid: doordat wij in dienst van God gekomen zijn, hebben wij het recht gekregen te heersen over de demonen van leugen, zonde, ziekte, geweld en dood.

1:6

die een koninkrijk uit ons gevormd heeft en ons heeft gemaakt tot priesters voor God, zijn Vader – aan Hem komt de eer toe en de macht, tot in eeuwigheid. Amen.

Grondtekst: En Hij heeft gemaakt ons koningen en priesters voor God en voor (de) Vader van Hem; aan Hem (zij) de heerlijkheid en de kracht tot in de eeuwen van de eeuwen. Amen.

We kunnen door het werk van Jezus functioneren als koningen en priesters.
Als koningen in de zin van: heersen over de demonen en als priesters door tussenpersoon te zijn tussen God en mensen.
Door de doop in de geest van God worden wij hiervoor ‘gezalfd’, dat wil zeggen: we krijgen hiervoor van Jezus de volmacht en ook de mogelijkheden tot uitvoering.
De kracht, de liefde en de wijsheid van God vullen ons leven steeds meer en zo kunnen wij, net als Jezus, actief in de geestelijke wereld optreden.
Zo verwijderen we de invloed van de demonen uit het leven van mensen, die vooral bestaat uit ziekte, verslaving, misleiding, zonde en allerlei andere vormen van kwaad en demonie.

Jezus heeft van de Vader de volmacht gekregen om zo uitwerking te geven aan het herstelplan van God.
Zoals Hij zegt in Lucas 10:22:
Alles is Mij toevertrouwd door mijn Vader en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is en wie de Vader is weet alleen de Zoon en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.
Het woord ‘toevertrouwd’ kan ook vertaald worden met overgedragen, overgegeven.
Verder zegt Jezus dat Hij ons laat delen in de grootheid die God Hem gegeven heeft.
Jezus is de doper in de geest van God en aan Hem komt dus alle eer en macht toe, zoals dat past bij een Koning als Hij.

Het is ons grote verlangen om in ons eigen leven hiervan steeds meer te gaan ervaren, om zo samen met Jezus een onlosmakelijke eenheid te vormen.
Tot in eeuwigheid, dus voor altijd!
Amen wil zeggen: dit zal zeker gebeuren, het is volstrekt geen
fata morgana,
maar het zal uitmonden in een
metamorfose!

1:7

Hij komt te midden van de wolken en dan zal iedereen Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben.
Alle volken op aarde zullen over Hem weeklagen.
Ja, amen.

Grondtekst: Zie, Hij komt met de wolken en zal zien Hem elk oog en/ook die Hem doorstoken hebben; en zij zullen zich (op de borst) slaan over Hem alle stammen van de aarde. Ja, amen.

Een wolk is een uitbeelding van de gemeente.
Een wolk bestaat uit miljoenen waterdruppels; zo wordt de gemeente gevormd door ontelbaar veel gelovigen.
Waterdruppels verdampen door de warmte van de zon en zo vormen zij wolken.
Gelovigen die zich verbinden met God, door zijn geest, verwarmen zich in zijn liefde en stijgen op naar grote geestelijke hoogte.
Samen vormen deze gelovigen van alle tijden en plaatsen zo een grote geestelijke wolk of wolkenformatie.
De ‘wolk van getuigen’.

Jezus wordt voor alle mensen zichtbaar in en door middel van zijn gemeente, zoals staat in 2 Tessalonicenzen 1:10 NBG:
… wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen die tot geloof gekomen zijn.
De vijanden, dus de demonen die Jezus hebben laten kruisigen, zullen zich van spijt op de borst slaan, zoals letterlijk in de grondtekst staat.
Satan en zijn trawanten hebben namelijk niet geweten wat de gevolgen zijn van het sterven van Jezus.

1 Korintiërs 2:6-9 zegt:
Toch is wat wij verkondigen wijsheid voor wie volwassen is in het geloof.
Het is echter niet de wijsheid van deze wereld en haar machthebbers, die ten onder zullen gaan.

Waar wij over spreken is Gods verborgen en geheime wijsheid, een wijsheid waarover God vóór alle tijden besloten heeft dat wij door haar zouden delen in zijn luister.

Geen van de machthebbers van deze wereld heeft die wijsheid gekend; zouden ze haar wel hebben gekend, dan zouden ze de Heer die deelt in Gods luister niet hebben gekruisigd.

Maar het is zoals geschreven staat:
Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie Hem liefheeft.

‘In de geest’ ziet Johannes hoe het voor iedereen zichtbaar en herkenbaar zal zijn dat de gelovigen aan Jezus Christus gelijkvormig zijn geworden.
De verbasterde of valse kerk of schijngemeente zal dan ook moeten erkennen dat zij op een fout spoor zit door het verwerpen van de doop in en de vervulling met de geest van God.
Zoals altijd verzet zij zich hiertegen (zie Handelingen 7:51).
Dat komt omdat ze zich laat leiden door religieuze demonen.
Deze schijngemeente heeft zich gericht op uiterlijke en natuurlijke dingen en zij is niet eerst op zoek gegaan naar het koninkrijk van God (zie Matteüs 6:33).

Ook zij heeft spijt als haren op haar hoofd dat ze de verkeerde keus heeft gemaakt.
Zie ook Matteüs 24:30:
Dan zal aan de hemel het teken zichtbaar worden dat de komst van de Mensenzoon aankondigt en alle stammen (volken) op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister.

Met ‘alle volken op aarde’ worden niet bedoeld Chinezen, Egyptenaren, Mexicanen of Nederlanders, maar wel de mensen die bij de schijngemeente van alle tijden en plaatsen horen.
‘Op aarde’ wil zeggen dat zij gericht zijn op het zichtbare en zo het slachtoffer zijn geworden van hun misleiders.
Deze gemeente bestaat als een heel grote stad, zoals onder andere staat in Openbaring 18:2:
Met een krachtige stem riep hij:
Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad!
Ze is een woonplaats voor demonen geworden, ze biedt onderdak aan elke onreine geest, elke onreine vogel en elk onrein, afschuwelijk dier.

De schijngemeente heeft altijd onderwezen dat de gelovigen ‘zondaar blijven tot hun dood aan toe’ en dat zij dus nooit kunnen overwinnen.
Laat staan dat ze kunnen doorgroeien tot de gelijkvormigheid aan of het geestelijke niveau van Jezus Christus!
Zij heeft altijd geleerd:
‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw als de Heer terugkomt.’
Ze heeft niet begrepen dat het juist andersom is:
de Heer komt pas terug in zijn heiligen als zij daar rijp voor zijn, als zij Hem gelijkvormig zijn geworden!
Deze schijngemeente zal dan moeten erkennen dat de echte zonen van God zichtbaar zijn geworden.
Net zoals de Romeinse officier en zijn manschappen die Jezus bewaken bij de kruisiging:
Toen de centurio en degenen die met hem Jezus bewaakten de aardbeving voelden en merkten wat er gebeurde, werden ze door een hevige angst overvallen en zeiden:
Hij was werkelijk Gods Zoon
(Matteüs 27:54).

Nu volgt nog een dubbele bevestiging, namelijk: ja en amen.

1:8

‘Ik ben de alfa en de omega,’ zegt God, de Heer, ‘Ik ben het die is, die was en die komt, de Almachtige.’

Grondtekst: Ik ben de Alfa en de Omega, Begin en Einde, zegt de Heer, de Zijnde en de (gene die) Was en de Komende, de Almachtige.

De alfa en de omega zijn de eerste en de laatste letters van het Griekse alfabet, symbool van het begin en het einde, de oorsprong en de voltooiing van alle dingen.
God de Vader is de oorsprong en ook het doel van de schepping.
Maar Hij heeft het herstelplan om dit doel te bereiken in handen gegeven van Jezus, samen met zijn gemeente.
Daarom zegt Jezus dat Hij de eerste en de laatste is van de nieuwe schepping.
Jezus is de mens zoals God zich die vanaf het begin van de schepping heeft voorgesteld.
En Hij zal ook de schepping tot volmaaktheid brengen, dat wil zeggen dat uiteindelijk God alles zal zijn in allen.
Ook in Openbaring 22:13 zegt Jezus dat Hij de alfa en de omega is en dat Hij binnenkort zal komen, in gezelschap van zijn ‘loon’ (= de volmaakte gemeente) om iedereen te belonen naar zijn daden.
Deze daden of ‘werken’ bestaan uit hetzelfde wat Jezus op aarde heeft gedaan: bekendmaken van het koninkrijk van God en herstellen van de mens naar geest, ziel en lichaam.

God de Vader is de ‘Ik ben die Ik ben’ en Hij komt, dat wil zeggen: Hij wordt via Jezus en zijn gemeente zichtbaar in de hele schepping.
Hij is de Almachtige, omdat niets van wat in dit boek beschreven staat, buiten Hem omgaat, maar zich uitsluitend door zijn macht ontwikkelt.

1:9

Ik, Johannes, uw broeder, die net als u in ellende verkeer, maar ook door Jezus met u deel in het koninkrijk en in standvastigheid – ik was op het eiland Patmos omdat ik over God had gesproken en van Jezus had getuigd.

Grondtekst: Ik, Johannes, de ook broer van jullie en mededeelgenoot in de verdrukking en in het koninkrijk en in (het) verwachten van Jezus Christus was op het eiland het genoemd wordende Patmos vanwege het woord van God en vanwege het getuigenis van Jezus Christus.

Johannes richt zich tot zijn geestelijke broers en zussen die net als hij onderdrukt worden.
Dit laatste is altijd verbonden met het binnengaan in het koninkrijk van God, omdat satan ons dat uit alle macht wil verhinderen.
Zie ook Handelingen 14:22:
… maar wezen hun erop ‘dat wij pas na veel beproevingen het koninkrijk van God binnen kunnen gaan.’

De gelovigen hebben, door te geloven in de woorden van Jezus, deel aan het koninkrijk van God, dat gekenmerkt wordt door liefde, vrede, vreugde en kracht.
Om dat vast te houden moeten ze doorzetten en zich niet door satan omver laten praten met zijn ondermijnende gedachten of zwichten door druk of geweld van buitenaf.
Zo wordt in hun leven waar:
Blijf juist volharden, want als u de wil van God doet, zult u ontvangen wat u beloofd is (Hebreeën 10:36).
Ook Johannes zet door, Hij houdt vast aan wat Jezus tegen hem zegt:
Blijf in Mij, dan blijf Ik in jullie (zie Johannes 15:4).

Johannes is verbannen naar Patmos, een eilandje tegenover Klein-Azië, de regio waarin de zeven gemeenten liggen.
Hij zit gevangen omdat hij het woord van God brengt en omdat hij vertelt wat hij van Jezus weet en ook zelf heeft meegemaakt.
Want alleen dan kun je een getuige zijn.
Hij zegt dan ook in 1 Johannes 1:1:
Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij:
het woord dat leven is.

1:10-11

Op de dag van de Heer raakte ik in vervoering.
Ik hoorde achter me een luide stem, die klonk als een bazuin en die tegen me zei:
‘Schrijf alles wat je ziet in een boek en stuur dat naar de zeven gemeenten, naar Efeziërs, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea.’

Grondtekst: Ik raakte in (de) geest op de bij de Heer behorende dag en ik hoorde achter mij (een) stem groot als van (een) bazuin, zeggende wat je ziet schrijf (het) in (een) boek en zend (het) aan de [zeven] gemeenten naar Efeziërs en naar Smyrna en naar Pergamum en naar Tyatira en naar Sardes en naar Filadelfia en naar Laodicea.

Johannes ‘raakt in de geest’, evenals Paulus wordt ‘weggevoerd tot in de derde hemel’ (zie 2 Korintiërs 12:2).
Petrus komt in geestvervoering als hij de hemel open ziet en een voorwerp ziet neerdalen in de vorm van een groot laken.
Handelingen 10:11:
Hij zag hoe vanuit de geopende hemel een voorwerp dat op een groot linnen kleed leek aan vier punten op de aarde werd neergelaten.
In Openbaring 4:2 zegt Johannes opnieuw dat hij in geestvervoering komt, waarbij hij, geleid door de geest van God, de dingen in de geestelijke wereld rechtstreeks kan zien, horen en begrijpen.

Hij komt in deze situatie op de dag van de Heer, waarmee de periode wordt aangegeven waarin de Heer zijn speciale werk van herschepping en herstel uitvoert.
Hij doet dit in en door zijn gemeente die in deze tijd tot volmaaktheid komt.
Met deze dag wordt uiteraard niet de zondag bedoeld, want die heeft als menselijk bedenksel geen enkele betekenis in het eeuwige plan van God.

Johannes is in de geestelijke wereld en hij hoort met zijn geestelijk oor een luid klinkende stem die klinkt als een trompet of bazuin waarmee een duidelijk signaal wordt afgegeven.
Hierdoor wordt hij aangespoord om de gezichten (visioenen) die hij te zien krijgt, in een boek op te schrijven.
En dit moet hij sturen aan de gemeenten in Klein-Azië, waar hij volgens de ‘kerkgeschiedenis’ heeft gewerkt.

1:12-13

Ik draaide me om, om te zien welke stem er tegen mij sprak.
Toen zag ik zeven gouden lampenstandaards en daartussen iemand die eruitzag als een mens.
Hij was gekleed in een lang gewaad en had een gouden band om zijn borst.

Grondtekst: En ik keerde mij om (om te) zien de stem die [sprak] met mij; en mij omgekeerd hebbende zag ik zeven kandelaars gouden en in (het) midden van de kandelaars (een) gelijkende op van (een) mens, gekleed zijnde tot aan de voeten reikend en omgord zijnde om de borsten (met een) gordel (gouden).

Johannes ziet eerst wat er al is, namelijk de bestaande gemeenten, met Jezus die in hun midden verblijft.
Hij moet zich daarom omdraaien of terugkijken in de tijd om te zien van wie de stem is die hij hoort.
Johannes krijgt nu zijn eerste visioen en hij ziet de gemeenten uitgebeeld door zeven gouden lampenstandaards, kandelaars of luchters.
Deze zeven gemeenten vertegenwoordigen de gemeente van alle tijden en plaatsen.

In het oude verbond is de religie van het volk Israël gecentraliseerd in één tempeldienst, in één volk en in één staat.
Maar de gemeente van het nieuwe verbond vormt geen eenheid door uiterlijke vormen of organisaties.
Zij past zich in dit opzicht aan bij ieder ras en iedere cultuur.
Elk van deze zeven gemeenten heeft haar eigen kenmerkende eigenschappen, zoals ook de plaatselijke gemeenten die nu hebben.

Het beeld van de kandelaars is afkomstig van de tempeldienst.
De gemeenten die samen de tempel van God in het nieuwe verbond vormen, zijn nu de lichtdragers.
Zij zetten hun brandende lamp niet in een donkere nis, maar op de standaard, zodat ieder die (bij hen) binnenkomt het licht zal kunnen zien.
Lucas 11:33:
Wie een lamp aansteekt, zet hem niet weg in een donkere nis, maar plaatst hem op de standaard, zodat degenen die binnenkomen het licht kunnen zien.

Zij brengen het woord van God in al zijn facetten en werken zo mee aan de uitwerking van het plan van God:
Laten Wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken (Genesis 1:26).
Jezus is in hun midden aanwezig, Hij verzorgt hen en zuivert hen van verkeerde invloeden.
Zo kunnen ze het licht van God, zijn woord of plan, nog helderder laten schijnen en nog duidelijker aan mensen vertellen en uitleggen.

De olie in de kandelaars is het beeld van de heilige geest van God die het licht voedt dat de gemeenten uitstralen.
De begaafdheden of gaven van deze geest laten zien dat het woord van God waar is en ook uit de vrucht van de geest blijkt dat de gelovigen met de juiste Bron verbonden zijn.
Ze gaan steeds meer op Hem lijken!
Zo kunnen we gemakkelijk toetsen of een gemeente wel of niet uit het goede geestelijke hout gesneden is!
Het goud wijst op de zuiverheid, de puurheid en de duurzaamheid van leven, onderwijs en visie.

Door het woord van God worden de gemeenten gezuiverd van elke geestelijke vuilheid, als door een waterbad.
Zo kunnen ze zich, samen met Christus, als een bruid voorstellen aan God, ze hebben geen enkele vlek of rimpel of zoiets, ze zijn heilig en zuiver!
Efeziërs 5:26-27:
… om haar te heiligen, haar te reinigen met water en woorden en om haar in al haar luister bij zich te nemen, zodat ze zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zal zijn, heilig en zuiver.

De afbeelding die Johannes van Jezus ziet, is voor een deel dezelfde als die van Jezus tijdens zijn leven op aarde.
Maar nu ziet hij de Heer in zijn positie van overwinnaar en heerser.
Hij is gekleed in een lang kledingstuk dat tot aan zijn voeten reikt, als teken dat Hij geen dienend werk meer hoeft te doen.
Zo heeft Hij als teken hiervan ook geen riem meer om zijn middel, maar een gordel om zijn borst, als die van een koning die de overwinning heeft behaald.
Hij hoeft dan ook geen oorlog meer te voeren.

Deze gordel is een afbeelding van de rechtvaardigheid en de trouw, waarvan gesproken wordt in Jesaja 11:5:
Hij draagt gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen en trouw als een gordel om zijn heupen.
Hier wordt geprofeteerd over het komende vrederijk en de positie daarin van Jezus Christus en zijn geestelijke volk van het nieuwe verbond.
De profeten en zelfs de engelen hebben geprobeerd inzicht te krijgen in hun eigen voorzeggingen hierover.
Maar dit voorrecht is aan óns gegeven, die worden geleid door de geest van God (zie 1 Petrus 1:3-13).

De gordel geeft ook aan dat Jezus hier de hogepriester is, zoals Melchisedek, dat wil zeggen:
Hij is voor altijd de verbindingspersoon tussen God en mensen en zijn gemeente met Hem (zie Hebreeën 5:6 en 10, 6:20, 7:11 en 17).
Hij mag het geestelijke heiligdom binnengaan en daar putten uit de oneindige voorraad van Gods kracht, wijsheid en liefde en alle andere gaven en vruchten ten behoeve van zijn schepping.

1:14-15

Zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol of als sneeuw en zijn ogen waren als een vlammend vuur.
Zijn voeten gloeiden als brons in een oven.
Zijn stem klonk als het geluid van geweldige watermassa’s.

Grondtekst: Het nu hoofd van Hem en de haren witte [als] wol witte, als sneeuw; en de ogen van Hem als (een) vlam van vuur; en de voeten van Hem gelijkend op koperbrons als in (een) oven [brandende/gelouterd] en de stem van Hem als (het) geluid van wateren vele.

De witte kleur van hoofd en haren doet, evenals het goud, denken aan zuiverheid en puurheid.
Ook geeft de kleur een hoge leeftijd aan, dat wil zeggen dat God al van ver voor de schepping van hemel en aarde bestaat en altijd al van plan is geweest om deze mens te creëren.
Over hem, de mens, zoals God die bedoelt, staat in 1 Petrus 1:20:
Al voor de grondvesting van de wereld is Hij door God uitgekozen en nu is Hij, aan het einde van de tijd, verschenen omwille van u.
In onze ogen duurt de uitwerking van het plan van God misschien erg lang, maar ondanks dat kunnen we er zeker van zijn dat het uitgevoerd wordt.

Zijn ogen zijn als een vlammend vuur of een vuurvlam; dit wijst op de kracht en het licht van zijn wezen dat vol is van Gods geest.
Zijn voeten zijn als gloeiend brons (koper), uitbeelding van de macht om zijn vijanden, satan en zijn demonen, te verpletteren.
Zijn stem is het geluid van zijn machtig woord, waardoor alle tegenstemmen worden weggevaagd.
Met andere woorden: de enkelvoudige waarheid van God zal de leugen van satan in al zijn varianten tenietdoen.

1:16-18

In zijn rechterhand had Hij zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard.
Zijn gezicht schitterde als de felle zon.
Toen ik Hem zag viel ik als dood voor zijn voeten neer.
Maar Hij legde zijn rechterhand op me en zei:
Wees niet bang.
Ik ben de eerste en de laatste.
Ik ben degene die leeft; Ik was dood, maar Ik leef, nu en tot in eeuwigheid.
Ik heb de sleutels van de dood en van het rijk van de dood.

Grondtekst: En hebbende in de rechter hand [eigen] sterren zeven; en uit de mond van Hem (een) zwaard tweesnijdend scherp (er) uitkomende; en het gelaat/uiterlijk van Hem zoals de zon schijnt in de kracht van haar.
En toen ik zag Hem, viel ik aan de voeten van Hem als (een) dode; en [Hij legde] de rechter/[rechter(hand)] van Hem op mij zeggende niet vrees; Ik ben de Eerste en de Laatste en de Levende en Ik ben geweest dood en zie levend ben Ik tot in de eeuwen van de eeuwen en Ik heb de sleutels van de dood [en van het dodenrijk].

In zijn rechterhand heeft Hij zeven sterren; de verklaring hiervan vinden we in vers 20.
Zijn rechterhand is een symbool van de geest van God, waardoor Hij het plan van God uitvoert.
Het zwaard dat aan twee kanten scherp is, komt uit zijn mond en dat stemt overeen met wat in Hebreeën 4:12 staat:
Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden.

Door het woord van God kunnen we ons hele denken zuiveren en ontdoen van elke misleiding en verleiding van satan, die ons van God en zijn plan met ons, afleiden.
Dit geestelijke zwaard maakt een scheiding tussen waarheid en leugen en tussen rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid.
Ook in Openbaring 19:15 staat dat uit zijn mond een scherp zwaard komt, waarmee Hij de volken zal slaan.
Door zijn woord zal Hij de demonen machteloos maken, want de waarheid is altijd sterker dan de leugen.

Als Jezus voor Pilatus wordt gebracht, staat Hij daar met een kroon van dorens op zijn hoofd en een purperkleurige mantel aan.
Daar is Jezus de mens die wordt vernederd, gemarteld en vermoord door de invloed van religieuze demonen op en via de religieuze leiders van het volk.
Johannes, die Jezus in deze omstandigheden heeft meegemaakt, ziet Hem nu in zijn door God bedoelde positie.
Zijn gezicht, beter: zijn hele voorkomen schittert als de zon in haar hoogste stand en straalt daarmee optimaal zijn liefde en warmte uit naar de mensheid.
Het is geen wonder dat Johannes, die Jezus heeft meegemaakt in zijn diepe vernedering, als dood aan Jezus’ voeten valt, nu hij Hem in zijn hoge positie ziet.

Johannes heeft vaak gezien dat Jezus zijn handen op mensen legt om hen te genezen of te bevrijden van demonen.
De rechterhand van God is dus het symbool van de kracht en de werking van zijn heilige geest.
Door het woord worden de gedachten van God voor ons herkenbaar en door zijn arm, vinger, geest of rechterhand worden ze gerealiseerd.
Hieruit blijkt dat de geest van God niet een aparte persoon is, maar in feite God zelf die zich op diverse manieren manifesteert.
De heilige geest is de persoonlijkheid van God de Vader en daardoor ook zijn scheppende en herstellende kracht.
Dat Gods geest ‘heilig’ genoemd wordt, wil zeggen dat hij gericht is op de heling van de gelovige mens, op zijn herstel naar geest, ziel en lichaam.
En dat herstel gaat door totdat deze mens gelijkvormig is geworden aan Jezus Christus.
Dit is het einddoel van het plan van God en (dus) ook van ons geloof.

Als Jesaja vraagt: aan wie is de arm van de Heer geopenbaard? (zie Jesaja 53:1 NBG), betekent dit: wie van ons kent en ervaart de kracht van God?
Alleen door Gods geest wordt waarheid: en het voornemen (het plan) van de Heer zal door zijn hand voortgang hebben (zie Jesaja 53:10 NBG).
Jezus zegt, als Hij bezig is een demon uit een mens te werpen:
Maar als Ik door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God over u gekomen (Lucas 11:20 NBG).
We zien dat in de NBV-Bijbel deze begrippen in feite zijn ‘wegvertaald’.

Jezus legt zijn hand op Johannes om zijn angst weg te nemen en hem sterk te maken.
Zo zijn ook de profeten van het oude verbond aangeraakt en gesterkt.
De kracht van Gods heilige geest verdrijft elke angst, want hij (Gods geest) die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst (satan) (zie 1 Johannes 4:4).

Jezus noemt zichzelf de eerste en de laatste, evenals de Vader dit doet (zie vers 8).
Want Hij is al van vóór de schepping in de gedachte van de Vader en Hij is het ook die deze gedachte, dit plan, in al zijn volheid zal uitwerken.
Dan beschrijft de Heer wat tussen dit ‘eerste’ en ‘laatste’ is gebeurd.
Hij is op aarde een gewoon mens geweest, als mens gestorven en als mens opgestaan uit de dood.
Nu leeft Hij als volmaakt mens tot in eeuwigheid, oneindig in tijd, in de luister van God.

Tijdens dit proces van leven en opstaan uit de dood heeft Hij de sleutels van de dood en het rijk van de dood bemachtigd.
Hij is in aanraking geweest met de machthebber over de dood, Apollyon en zijn knechten, de doodsmachten.
Jezus heeft hen overwonnen door de kracht van Gods geest.
Romeinen 8:11:
Want als de geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn geest, die in u leeft.

Daarmee heeft Hij aangetoond dat de poorten van het rijk van de dood de gemeente niet kunnen overweldigen.
Matteüs 16:18:
En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen en de poorten van het rijk van de dood zullen haar niet kunnen overweldigen.
De poorten van dit rijk van de dood bestaan met name uit: zonde, ziekte, gebondenheid, misleiding, verleiding en geweld.
Door de kracht van Gods geest kan de gemeente, kunnen wij, deze toegangen sluiten, zowel voor onszelf als ook voor anderen.
Door deze geest van God hebben ook wij deze sleutels gekregen.

1:19

Schrijf daarom op wat je gezien hebt, wat er nu is en wat hierna zal gebeuren.

Grondtekst: Schrijf [dan] welke (dingen) je ziet en welke (dingen) zijn en welke (dingen) zullen [gebeuren] na deze (dingen).

In zijn evangelie schrijft Johannes:
Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het woord dat leven is (1 Johannes 1:1).
Nu moet hij opschrijven wat hij ziet, gezien heeft en wat er gaat gebeuren in de geestelijke wereld.
Hij ziet alles in een visioen, dus gaat het nu niet meer over zichtbare zaken.
In het bovenstaande is al beschreven wat hij ziet: de zeven gouden luchters, de mens Jezus in zijn luister, het dubbelsnijdend scherp zwaard en de zeven sterren.
Later zal hij nog meer gaan zien, maar bovenal zal hij beschrijven hoe de oorspronkelijk goed begonnen gemeente is verworden tot de grote schijngemeente.
Ze krijgt als naam: Babylon.
Dit is de stad die in grote geestelijke verwarring is en vol van afgoderij en geweld.

1:20

Dit is de betekenis van de zeven sterren die je in mijn rechterhand zag en van de zeven gouden lampenstandaards:
de zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenten en de zeven standaards zijn de zeven gemeenten zelf.

Grondtekst: Het geheimenis van de zeven sterren [die] je zag op de rechter(hand) van Mij en de zeven kandelaars de gouden, de zeven sterren engelen van de zeven gemeenten zijn; en de kandelaars [de zeven] (de) zeven gemeenten zijn.

Eeuwenlang heeft de mens niet kunnen ontdekken wat het plan van God inhoudt.
Wat betreft religie is er wereldwijd een wirwar aan stromingen en dwalingen ontstaan, vaak in de meest absurde en afschuwelijke vormen.
Hierin is de invloed van satan en zijn trawanten duidelijk herkenbaar, namelijk: chaos, ellende, geweld en afbraak.

In Efeziërs 3:8-11 beschrijft Paulus hoe hij als eerste de ‘verborgen’ waarheid van en over God aan het licht mag brengen!
Verborgen door leugen en misleiding van satan.
Mij, de allerminste van alle heiligen, is de genade geschonken om de heidenen de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus te verkondigen en voor allen in het licht te stellen hoe het mysterie dat in alle eeuwen verborgen was in God, de schepper van het al, werkelijkheid wordt.
Zo zal nu door de gemeente de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen, naar het eeuwenoude plan dat hij heeft verwezenlijkt in Christus Jezus, onze Heer …
(zie in dit verband ook de uitleg bij Openbaring 1:12-13).

De zeven gouden lampenstandaards, kandelaars of luchters zijn symbool van de gemeenten van alle tijden en plaatsen, die lichtdragers zijn in het koninkrijk van God.
Deze gemeenten worden hierbij gesteund door heilige engelen die hiervoor een speciale opdracht hebben.
Hebreeën 1:14:
Zijn zij niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding?
‘Redding’ betekent vooral ook: totaal hersteld worden om zo het doel van God te kunnen bereiken.

Men zegt wel eens dat met de engel van de gemeente de voorganger bedoeld wordt.
In de eerste plaats komt in het boek Openbaring het woord ‘ster’ nergens in deze betekenis voor.
In de tweede plaats moet er dan sprake zijn van een dubbelbeeld.
Een ster moet dan een engel voorstellen en die engel is dan weer een beeld van de voorganger.
Ook is het in strijd met de symmetrie als er staat: de zeven sterren zijn de engelen en de kandelaren zijn de gemeenten.
Iedere gelovige heeft zijn engel (zie Matteüs 18:10) en ook Jezus heeft zijn engel.
In een gemeente zijn dus veel engelen actief en boven hen staat de engel van de gemeente.
Zo is in het oude testament wel sprake van engelen over landen en volken (zie Daniël 10:13 en 12:1).

Hoofdstuk 2

2:1

Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeziërs:
"Dit zegt Hij die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt en tussen de zeven gouden lampenstandaards verblijft:

Grondtekst: Aan de engel van de Efezische gemeente schrijf deze (dingen) zegt de vasthoudende de zeven sterren in de rechter(hand).

Wat de voorganger van de gemeente op aarde is, is de engel van de gemeente in de geestelijke wereld.
De voorganger is een leider en beschermer die zich in dienst van de gemeente stelt om deze naar de volmaaktheid te begeleiden.
Zo dient de engel van de gemeente deze in de hemelse regionen of zoals de NBG-vertaling zegt: hemelse gewesten.
Beiden hebben ze hetzelfde doel en samen met alle gemeenteleden zetten zij zich in voor de groei en de ontwikkeling van het lichaam van Christus: de gemeente.

Efeziërs 4:15-16 zegt in dit verband:
Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toegroeien naar Hem die het hoofd is: Christus.
Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden.
Ieder deel draagt naar vermogen bij aan de groei van het lichaam dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.

De engel van de gemeente krijgt assistentie van een groot aantal engelen die als taak hebben om hen die hersteld worden, te ondersteunen.
Hebreeën 1:14:
Zijn zij niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding?
De engel van de gemeente staat tot de voorganger als de onzichtbare gemeente staat tot de zichtbare.
We kunnen hiermee de verhouding tussen onze innerlijke en uiterlijke mens vergelijken.
Ze zijn wel van elkaar onderscheiden, maar niet van elkaar gescheiden en ze beïnvloeden elkaar.

De engel van de gemeente wordt als leider van de dienende engelen op de hoogte gebracht van de toestand in de gemeente, zowel van het positieve als van het negatieve.
Op basis hiervan kan hij zijn inzet en die van de andere engelen vormgeven.
Zo is hij een beschermer van de gemeente en werkt hij eraan mee dat de demonen op een afstand worden gehouden.
Psalm 34:8:
De engel van de Heer waakt over wie Hem vrezen en bevrijdt hen.
De Vader heeft tijdelijk zijn macht aan de Zoon gegeven, dus heeft deze nu de leiding over het hele leger van de heilige engelen.
Daarom is de engel van de Heer nu de engel van Jezus.

Efeze is de eerste gemeente die door Johannes als ‘ziener’ of profeet wordt aangeschreven.
In deze gemeente heeft Paulus een paar jaar gewerkt.
De gemeente is op een hoog geestelijk peil gekomen en Paulus complimenteert haar vooral om haar geloof en liefde.
In zijn brieven aan de Efeziërs kan Paulus dan ook zijn inzicht in de geestelijke wereld en het plan van God goed kwijt.

De Heer richt zich door middel van zijn engel tot Johannes, die wat gezegd wordt opschrijft en doorgeeft aan de gemeente.
Bij het begin van iedere brief wordt steeds een van de kenmerken van Jezus, zoals deze in het eerste hoofdstuk beschreven worden, naar voren gebracht.
De keus is niet willekeurig, maar zij houdt verband met de inhoud van de brieven.

Hier wordt de Heer beschreven als iemand die door Gods geest de engelen aanstuurt.
Hij bevindt zich daarbij in het centrum van de gemeente, daar waar de broers en zussen in de meest directe verbondenheid met, door en voor Hem leven.
Zo kan de gemeente lichtdrager zijn, dat wil zeggen dat door haar de werken van de duisternis vernietigd worden.
Waar het licht verschijnt, het duister verdwijnt!

Zij zal daarom de werken van Jezus doen.
Die bestaan uit: het brengen van het woord van God, genezing van zieken, bevrijding van gebonden mensen, doop in water en in de geest van God, ontwikkelen van de liefde en de gaven van Gods geest.
Dit alles om de mensen op het niveau te brengen van Jezus Christus.
Dát is het plan van God met ons, hét einddoel van ons geloof!

Jezus zegt tegen de gelovigen dan ook dat zij het licht van de wereld zijn.
En dat hun licht moet schijnen voor de mensen, zodat zij hun goede daden (dezelfde als die van Jezus) zien en daardoor de Vader in de hemel zullen eren.
Matteüs 5:14 en 16:
Jullie zijn het licht in de wereld.
Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.
Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.

De lampenstandaard, de kandelaar of de luchter draagt het licht uit in de wereld, dat bestaat uit dezelfde daden van herstel als die van Jezus.

2:2-3

Ik weet wat u doet, hoe u zich inzet en standhoudt en dat u boosdoeners niet verdraagt.
Zo hebt u mensen die beweren dat ze apostelen zijn, op de proef gesteld en als leugenaars ontmaskerd.
U bent standvastig en hebt veel verdragen omwille van mijn naam, zonder te verslappen.

Grondtekst: Ik ken de werken van u en de inspanning van u en de volharding van u en dat u niet kunt verdragen (de) bozen en u hebt op de proef gesteld de bewerenden (te) zijn apostelen en niet zij zijn en u hebt gevonden hen leugenaars.
En u hebt (het) verdragen en volharding u hebt en vanwege de naam van Mij hebt u zich ingespannen en niet u bent moe geworden.

De Heer weet dat de Efeziërs zich volledig inzetten en ook doorzetten.
In alle opzichten zijn ze actief, ook in het ontmaskeren van schijnapostelen.
Ze willen leven en leer zuiver houden.
Daarom accepteren ze niet zo maar alles wat in de gemeente wordt binnengebracht door rondreizende ‘godsmannen’, maar ze toetsen hun woorden aan het plan van God.
Ze letten niet alleen goed op de woorden van deze bedriegers, maar ook op hun leven.
Want aan de vruchten kennen ze de boom.

De Efeziërs leggen het bijltje er niet bij neer als ze worden onderdrukt en vervolgd, maar ze blijven vasthouden aan het oneindig prachtige plan van God.
Ze zijn uit hetzelfde geestelijke hout gesneden als de Hebreeën en ook van hen kan gezegd worden:
Herinner u de dagen van weleer, toen u, door het licht beschenen, in een moeizame worsteling met het lijden hebt standgehouden:
enerzijds kreeg u publiekelijk smaad en beproevingen te verduren, anderzijds was u solidair met hen die hetzelfde moesten doormaken.
U hebt meegeleefd met de gevangenen onder u en toen u van uw bezittingen beroofd werd, hebt u dat in vreugde aanvaard, in de wetenschap dat u iets beters bezit, een blijvend bezit voor uzelf
(Hebreeën 10:32-34).

Ook Johannes zelf is waarschijnlijk in Efeze vervolgd en als gevolg hiervan verbannen naar Patmos (zie Openbaring 1:9).

2:4-5

Maar dit heb ik tegen u: u hebt de liefde van weleer opgegeven.
Bedenk van welke hoogte u gevallen bent.
Breek met het leven dat u nu leidt en doe weer als vroeger.
Anders kom Ik naar u toe en neem Ik, als u geen berouw toont, uw lampenstandaard van zijn plaats.

Grondtekst: Maar Ik heb tegen u dat de liefde van u de eerste u hebt losgelaten.
Herinner u dan waar u uitgevallen bent en bekeer u en de eerste werken doe als maar niet, Ik kom tot u spoedig en verplaats de kandelaar van u van de plaats van hem als niet u zich zult bekeren.

Toch moet de Heer hen wijzen op iets wat niet klopt.
Ze zijn namelijk de eerste liefde kwijt, dat wil zeggen Gods liefde die door zijn geest, waarin ook zij gedoopt zijn na hun bekering, in hun hart is uitgegoten.
Romeinen 5:5:
Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige geest, die ons gegeven is.
Ze zijn zo druk bezig voor de Heer en de gemeente dat ze het persoonlijke contact met Hem kwijtraken.
Ook jagen zij de liefde niet meer na en richten ze zich niet meer op de gaven van de geest om die liefde uit te kunnen werken.
1 Korintiërs 14:1: Jaag de liefde na en streef naar de gaven van de geest, vooral naar die van de profetie.

Zo wordt de Goddelijke liefde in hun midden niet meer gevoed en worden ze van geestelijk gerichte christenen, gelovigen die vooral of alleen nog bezig zijn met uiterlijke dingen.
Ze zijn zo gericht op het bestrijden van dwalingen en het inrichten van de gemeente, dat ze geen oog meer hebben voor het grootse plan van God.
Ze zijn dan ook vanuit de hemel op de aarde terechtgekomen.
Laat ze daar eens goed over nadenken, zegt de Heer!

In het werk van en voor de Heer kunnen bijvoorbeeld (onderwijs-)methodes, organisatie en financiën erg veel aandacht vragen.
Zo veel zelfs dat het leven, gebaseerd op de liefde van en voor God en de naaste erbij inschiet.
Maar alleen die liefde, gekoppeld aan de gaven van Gods geest, bouwt de gemeente op.
Daarbij zijn ook geestelijk denken en leven vanuit het koninkrijk en het doel van God onmisbaar!

In 1 Korintiërs 9:26 zegt Paulus:
Daarom ren ik niet als iemand die geen doel heeft, vecht ik niet als een vuistvechter die in de lucht slaat.
In dit verband gaat het om het deel krijgen aan de belofte van het evangelie (zie vers 23) en die bestaat niet uit een vergankelijke erekrans (zie vers 25) (uiterlijke, tijdelijke dingen).
Maar die bestaat uit een onvergankelijke (geestelijke, eeuwige) erekrans: namelijk van hetzelfde geestelijke niveau worden als Jezus Christus!
Er is niets hogers voor een mens om in zijn leven na te streven en te bereiken!

De Efeziërs zijn van een hoogte neergestort, namelijk vanuit de onzichtbare wereld naar de zichtbare.
Ze dreigen dus christenen te worden die alleen nog maar met uiterlijke dingen bezig zijn.
En dit ondanks al hun serieuze inspanning en inzet.
Ze verliezen hierdoor het zicht op het plan van God.
De Heer raadt hun aan zich ervan bewust te worden welke veranderingen er plaatsgehad hebben.
Ze leven niet meer vanuit de liefde en de kracht van God, maar ze zijn op een aards niveau van denken en doen beland.
Hij raadt hen aan zich te herbezinnen en opnieuw hun licht te laten schijnen door goede werken, namelijk die van Jezus, te doen, zoals in het begin.
Dan zal ook hun gemeente als het echte lichaam van Christus groeien, want dat wordt alleen opgebouwd in en door deze Goddelijke liefde.

Als ze niet op deze woorden van de Heer ingaan, zullen ze geen lichtdragers meer kunnen zijn, wát ze in feite al niet meer zijn!
Ze zullen moeten terugkeren naar het oorspronkelijke model, zoals de Heer dit bij het begin van het nieuwe verbond laat zien.
Hun kandelaar of luchter wordt van zijn plaats verwijderd, want de Heer kan zijn gemeente niet bouwen met onzuivere bestanddelen.
Hij kan niet werken waar de invloed van satan aanwezig is.
Het verwijderen van de kandelaar is niet een gerichte actie van de Heer zelf, maar een onvermijdelijk gevolg van het denken en doen van de Efeziërs.
Zij ‘doen zelf het licht uit’ en komen zo ‘automatisch’ in de duisternis terecht.

2:6

Het pleit echter voor u dat u net als Ik de praktijken van de Nikolaïeten verafschuwt.

Grondtekst: Maar dit hebt u dat u haat de werken van de Nikolaïeten die ook Ik haat.

Een positief punt waar de Heer hen voor prijst, is dat ze net als Hij, de werken van de Nikolaïten verafschuwen.
Deze misleiders vormen een groep leraars die de gemeente willen doen zondigen.
De Nikolaïeten worden in de kerkelijke traditie sinds Ireneüs gezien als de volgelingen van Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië.
Handelingen 6:5:
Alle leerlingen stemden met dit voorstel in.
Ze kozen Stefanus, een diepgelovig man, die vervuld was van de heilige geest en verder ook Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië.

Maar voor deze overlevering zijn geen vroege aanwijzingen te vinden.

Uit een vergelijking met Openbaring 2:14-16 komt naar voren dat de Nikolaïeten en de Bileamieten in de gemeente van Pergamum dezelfde ideeën hebben.
Verder blijkt uit Openbaring 2:20 (vgl. 2:14) dat de volgelingen van Izebel in Tyatira zich schuldig maken aan dezelfde overtredingen, wat erop wijst dat ook deze groep dezelfde leringen heeft als de Nikolaïeten.
Hun daden worden daar als volgt beschreven: zij eten afgodenoffers en plegen ontucht.
Met andere woorden: ze overtreden de hoofdgeboden die op het apostelconvent voor de ‘gelovige heidenen’ zijn uitgevaardigd.
Handelingen 15:29:
Onthoud u van offervlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, van bloed, van vlees waar nog bloed in zit en van ontucht.
Als u zich hieraan houdt, doet u wat juist is.

We zullen hier misschien moeten denken aan een vroeg-gnostische groep die zich beroept op een directe inspiratie door Gods geest en die zich afzet tegen het apostolische onderwijs.

De gnostische leer dat de materie slecht is, kan aan de ene kant leiden tot ascetisme, waarbij men het lichamelijke negeert of zelfs verafschuwt.
Maar aan de andere kant kan dit ook een ongekende onverschilligheid uitwerken wat betreft de zonde, omdat men stelt dat het lichamelijke er niet toe doet.
Dit laatste geldt voor de Nikolaïeten: ze leren en praktiseren immoreel gedrag als behorend bij de ‘christelijke vrijheid’.
Jezus moet niets hebben van hun praktijken, want deze worden geïnspireerd door satan.

2:7

Wie oren heeft, moet horen wat de geest tegen de gemeenten zegt.
Wie overwint zal Ik laten eten van de levensboom die in Gods paradijs staat.

Grondtekst: De hebbende (een) oor hij moet luisteren naar wat de geest zegt aan de gemeenten, aan de overwinnende zal Ik geven aan hem (om) (te) eten van de boom van het leven die is in (het) midden van het paradijs van God.

De stem van de geest van God kunnen we alleen horen in de geestelijke wereld, alleen daar kunnen we opvangen wat God tegen ons te zeggen heeft.
Maar daarvoor zijn geestelijke oren nodig, zoals Jezus zelf een paar keer aangeeft in de evangeliën:
Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren (b.v. Marcus 4:9).
We moeten de dingen horen (en zien) ‘achter de dingen’.
We moeten proberen te doorgronden hoe de geestelijke wereld werkt en in elkaar zit, welke invloed zij op ons heeft en hoe we daar zelf kunnen functioneren.

Door zijn geest geeft God aanwijzingen en bemoedigingen door aan zijn gemeente.
De geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle(dige) waarheid.
Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat
(Johannes 16:13).

In iedere brief aan de gemeenten wordt deze opwekking om naar Gods geest te luisteren, herhaald.
Het is daarom ook voor ons van groot belang om ook nu naar de stem van de geest te luisteren.
Want hij laat zien welke gebreken er in de gemeenten zijn, maar hij prijst ook wat daarin goed is.
Het gaat er niet alleen om de profetieën te horen, maar ook dat ze ons tot steun zijn in onze geestelijke strijd.
1 Timoteüs 1:18-19 ged.:
Timoteüs, mijn kind, ik vertrouw je deze opdracht toe op grond van de profetische woorden die destijds over jou zijn uitgesproken.
Laten die je tot steun zijn in de goede strijd die je, toegerust met geloof en een zuiver geweten, moet voeren.

Iedere brief sluit af met een belofte ‘voor wie overwint’.
Overwinning is het positieve resultaat van een strijd.
De Openbaring kent alleen onze worsteling tegen satan en zijn demonen en dus niet tegen mensen.
Ook niet tegen jezelf.
Het is de bedoeling van de Heer dat iedere gelovige triomfeert en vrij wordt van elke duistere geest.
Alleen zo zal ook de hele gemeente vrij worden.
De belofte aan de overwinnaars in deze brief is dat zij mogen eten van de Levensboom die in het paradijs van God staat.
Dit beeld is ontleend aan de levensboom in de hof van Eden.

Hier wordt met de levensboom Jezus Christus bedoeld.
Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven (Johannes 6:51).
Het paradijs van God is een beschrijving van de woning van God in de geestelijke wereld en het is dus de afbeelding van de voltooide gemeente.
Het wordt ook uitgebeeld als het geestelijke Jeruzalem, waar de Levensboom in het centrum staat (zie verder bij Openbaring 22:2).
Johannes wordt later in de geest weggevoerd en hij ziet dan deze heilige stad die uit de geestelijke wereld neerdaalt, bij God vandaan.

Ook Paulus is eenmaal in de geest opgetrokken geweest en ook hij ziet dan het uiteindelijke resultaat waar het verheugende nieuws over het koninkrijk van God in uitmondt.
Bij het zien van deze luister wordt hij zo overweldigd, dat hij haar niet kan weergeven.

2:8

Schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna: "Dit zegt Hij die de eerste en de laatste is, die dood was en nu leeft:

Grondtekst: En aan de engel van de gemeente van de Smyrneeërs schrijf, deze dingen zegt de eerste en de laatste, die is geweest dood en leefde.

Smyrna is in die tijd een plaats ten noorden van Efeze met een goede haven, mooie gebouwen en een rijke bevolking.
Het is niet bekend wie daar het evangelie gebracht heeft, want de naam Smyrna wordt verder nergens in de Bijbel genoemd.
We zien dat de gemeente daar onder zware vervolging leeft.
Daarom stelt Jezus zichzelf aan hen voor als de blijvende en de onveranderlijke, de vaste rots.
Maar ook als Hij die dood geweest is, dus die zware onderdrukking heeft ondervonden.
Filippenzen 2:8:
En als mens verschenen, heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.
Maar Hij is het ook die de dood overwonnen heeft en die weer levend geworden is!

2:9

Ik weet van de ellende en de armoede waarin u verkeert, hoewel u rijk bent.
Ik weet hoe u belasterd wordt door mensen die zich Joden noemen en het niet zijn, maar bij satan horen.

Grondtekst: Ik ken van u de werken en de verdrukking en de armoede, rijk maar u bent en het lasteren van de zeggende Joden (te) zijn zichzelf en niet zij zijn maar (een) synagoge van de satan.

De Heer heeft het lijden van de gemeente in Smyrna gezien.
Deze vervolging gaat uit van de (religieuze) Joden die door hun gelaster de ongelovigen opruien om de christenen het leven moeilijk te maken.
Ook de apostel Paulus heeft dit tijdens zijn zendingsreizen vaak meegemaakt.
Het gevolg is dat deze gelovigen van hun bezittingen beroofd worden en in armoede moeten leven.

Voor hen gelden de woorden uit Hebreeën 10:34:
U hebt meegeleefd met de gevangenen onder u en toen u van uw bezittingen beroofd werd, hebt u dat in vreugde aanvaard, in de wetenschap dat u iets beters bezit, een blijvend bezit voor uzelf.
Want de leden van deze gemeente zijn rijk wat hun innerlijke mens betreft.
Zij verzamelen schatten in de hemel, waar geen mot of roest ze wegvreten en waar geen dieven inbreken om ze te stelen (zie Matteüs 6:20).

Jezus kent ook de lasterlijke aantijgingen van de aanklagers die zeggen Joden - dat zijn godlovers - of de echte nakomelingen van Abraham te zijn, maar het in wezen niet zijn.
Integendeel: zij zijn uit hún vader, satan (zie Johannes 8:44) en zo vormen zij samen een synagoge of een gemeente van satan.
Zij zijn dezelfde nakomelingen van slangen, beeld van volgelingen van demonen, die de Heer al eerder ontmoet heeft.
Zie b.v. Matteüs 23:33:
Slangen zijn jullie, addergebroed, hoe denken jullie te kunnen ontkomen aan een veroordeling tot de Gehenna?
Niet voor niets neemt Johannes in zijn evangelie afstand van zijn volksgenoten met de woorden: De Joden dan …
In de waarde die zij aan hun Jood-zijn hechten, is hij ver van hen komen af te staan.

2:10

Wees niet bang voor wat u nog te wachten staat.
Sommigen van u zullen door de duivel in de gevangenis worden gegooid en zo op de proef worden gesteld; tien dagen lang zult u het zwaar te verduren hebben
(of: zullen jullie een onderdrukking hebben).
Wees trouw tot in de dood, dan zal Ik u als lauwerkrans het leven geven.

Grondtekst: In geen opzicht vrees welke (dingen) u zult lijden.
Zie, zal werpen (sommigen) van jullie de duivel in (de) gevangenis opdat jullie op de proef gesteld worden en jullie zullen hebben verdrukking van dagen tien.
Wees trouw tot aan/in (de) dood en Ik zal geven aan u de krans van het leven.

De Heer zegt niet dat Hij het lijden direct zal doen ophouden, maar Hij roept de gemeente op er niet bang voor te zijn.
Want in de vervolging en in de onderdrukking die zij te doorstaan hebben, zal de Heer hun kracht zijn.
Gods heilige geest zal hen sterk maken en leiden.
Jezus zegt al bij voorbaat dat satan gebruik zal maken van mensen om sommigen van hen in de gevangenis te gooien om hen op de proef te stellen.
Hiermee wil satan bereiken dat zij hun Meester zullen afvallen.
Hun lijden zal niet lang duren, maar begrensd worden door een periode van tien dagen, dus een bepaalde korte tijd.

Zo zal iedere gemeente, ook in onze tijd, zo’n periode van geestelijke druk en vervolging meemaken.
Hierdoor zullen zij kunnen aantonen bestand te zijn tegen de verleiding en de onderdrukking door satan.

We merken op dat hier sprake is van een strijd in de hemelse regionen, de geestelijke wereld.
Deze gaat niet tegen mensen van vlees en bloed, want dezen zijn alleen maar instrumenten in de hand van satan.
Opgeroepen wordt in deze strijd tot het laatste toe vol te houden, dus trouw te blijven tot de dood, zoals ook hun Heer trouw geweest is.
Ze zullen dan in de geestelijke wereld een lauwerkrans krijgen, dat wil zeggen dat hun overwinning beloond wordt met de kroon van het leven.
De bekroning van ons leven houdt in: het hoogste bereiken wat er te bereiken valt, namelijk het niveau van Jezus Christus.
Dát is onze onvergankelijke, eeuwige erekrans!

2:11

Wie oren heeft, moet horen wat de geest tegen de gemeenten zegt.
Wie overwint zal van de tweede dood geen schade ondervinden.

Grondtekst: De hebbende (een) oor hij moet luisteren naar wat de geest zegt aan de gemeenten.
De overwinnende geenszins zal schade lijden van de dood tweede.

Ook deze gemeente moet luisteren naar de profetie die zij krijgt.
De overwinnaars krijgen langs deze weg de belofte dat, hoe het ook in het natuurlijke leven met hen afloopt, zij eeuwig leven hebben in de geestelijke wereld.
Misschien wordt het onderdrukking tot de dood erop volgt, dus misschien moeten ze lijden als martelaar.
Maar ze mogen er zeker van zijn dat de tweede dood hen geestelijk niet kan beschadigen.
De tweede dood, ook wel de vuurpoel genoemd, is de concentratie van de demonen die gebonden zijn door Jezus en zijn gemeente.
Wanneer de gemeente trouw en vastberaden is, zal zelfs geen geallieerde aanval van duistere geesten haar kunnen beschadigen.
Zelfs wanneer sommige leden van de gemeente in natuurlijk opzicht moeten sterven, zullen zij met hun innerlijke mens onbeschadigd verder leven.

2:12

Schrijf aan de engel van de gemeente in Pergamum:
Dit zegt Hij die het scherpe, tweesnijdende zwaard heeft:

Grondtekst: En aan de engel van de in Pergamum gemeente schrijf deze dingen zegt de hebbende het zwaard tweesnijdende scherpe.

Efeze, Smyrna en Pergamum zijn in die tijd de belangrijke steden in Klein-Azië.
We zien dat de gemeenten in die grote steden ontstaan als middelpunt van een hele regio.
Dit geldt ook voor Jeruzalem, Antiochië, Thessalonika, Korinte, Athene en Rome.
Ook in Pergamum dat in die tijd met Efeze wedijvert om de grootste stad in Klein-Azië te zijn, is een gemeente gevestigd.
De gemeenten in deze steden bevinden zich in verschillende situaties en staan aan verschillende gevaren bloot en zij hebben elk een eigen karakter.

De inhoud van de brief aan Pergamum lijkt min of meer op die aan de Efeziërs: eerst een woord van waardering en later woorden van waarschuwing en aansporing.
Alleen schijnen de gevaren en verleidingen hier groter te zijn.
Om zich te identificeren noemt de Heer het scherpe zwaard dat aan twee kanten snijdt, hier als kenmerkend onderdeel van de beschrijving uit Openbaring 1.
Het is het woord van God dat levend is en sterk.
Dit wordt gebracht in Pergamum, zodat men ook daar zal weten wat men vasthouden en geloven moet.
Maar dit woord wordt ook gebracht om scheiding te maken tussen wat in de gemeente van de Heer is en wat van satan is, tussen rechtvaardigheid en zonde, tussen waarheid en dwaling.

2:13

Ik weet waar u woont, namelijk waar satans troon staat.
U bent mijn naam trouw gebleven en hebt uw geloof in Mij niet verloochend, ook niet toen Antipas, mijn betrouwbare getuige, werd gedood in uw stad, waar ook satan woont.

Grondtekst: Ik ken de werken van u en waar u woont, waar de troon van de satan (is), en u houdt vast de naam van Mij en niet hebt u verloochend het geloof in Mij ook in de dagen in welke Antipas de getuige van Mij de trouwe die gedood werd bij jullie, waar woont de satan.

De Heer kent de omstandigheden waaronder de gemeente in Pergamum leven moet.
Het is een stad vol grote afgoderij, bekend om haar dienst aan de afgod Asclepius die de bijnaam heeft van sotèr, dit wil zeggen: heiland, helper of hersteller.
Een slang is het symbool waarmee zijn macht om ziekten weg te nemen, wordt aangeduid.
Het is dezelfde afbeelding die artsen in onze tijd gebruiken.

Om tot geloof te komen, moeten de nieuwe gelovigen in deze gemeente hun oude manier van denken en leven helemaal loslaten.
En daarna moeten ze het geloof en het vertrouwen in de macht en de kracht van Jezus Christus onwrikbaar vasthouden.
Pergamum wordt door de Heer de stad genoemd waar de troon van satan staat, waar deze op directe en indirecte manier grote macht uitoefent.
Maar in de gemeente erkent men alleen Jezus als Heer.
Namens Hem wordt Gods woord gebracht, wordt gedoopt in water en in Gods geest en volgens zijn opdracht wordt zijn autoriteit gebruikt tegen demonen van dwaling, ziekte en zonde.

De haat die hierdoor bij buitenstaanders wordt opgewekt, is erg groot.
Zo groot zelfs dat een van de gemeenteleden, een betrouwbare getuige van Jezus Christus, met de naam Antipas (dit betekent: die tegen allen is) zijn leven als martelaar moet eindigen.
Nogmaals wordt eraan herinnerd dat satan in Pergamum een vaste woonplaats heeft.
Want deze plaats is niet alleen het middelpunt van verering van Asclepius, maar er is ook een tempel gewijd aan de ‘goddelijke’ keizer Augustus.
Deze wordt daar vereerd en aanbeden, samen met de godin Rome.

Zo krijgt satan de gelegenheid om zich te hechten aan de geest van deze mensen en zelfs in hen te komen wonen.
Samen vormt deze groep satanaanbidders zo een woonplaats voor de demonen.
Zie hiervoor ook de verklaring bij Openbaring 18:2:
Ze is een woonplaats voor demonen geworden, ze biedt onderdak aan elke onreine geest, elke onreine vogel en elk onrein, afschuwelijk dier.
We kunnen goed begrijpen aan welke gevaren deze jonge gemeente blootstaat, als ze niets te maken wil hebben met de daar heersende demonische gebruiken.

2:14

Maar enkele dingen heb Ik tegen u: sommigen houden vast aan de leer van Bileam, die Balak liet weten hoe hij voor de Israëlieten een val moest opzetten, waardoor ze heidens offervlees zouden gaan eten en ontucht zouden plegen.

Grondtekst: Maar Ik heb tegen u enkele dingen, dat u heeft daar vasthoudende de leer van Bileam, die leerde Balak (te) spannen (een) strik voor het aangezicht van de zonen van Israël, (om te) eten afgodenoffers en (om te) hoereren.

Toch zijn er sommigen in de gemeente van Pergamum die niet totaal en radicaal met het verleden gebroken hebben en die de Heer niet in alle opzichten volgen.
Zij hebben namelijk een compromis gesloten met hun vroegere afgodendienst.
In de geestelijke wereld plegen zij nog steeds overspel door afgodenoffers te eten, waardoor ze deel hebben aan de maaltijd van de demonen.
1 Korintiërs 10:21:
U kunt niet drinken uit de beker van de Heer en ook uit die van demonen, u kunt niet deelnemen aan de maaltijd van de Heer en ook aan die van demonen.

Het boek Openbaring is een boek dat gaat over geestelijke ontwikkelingen.
Het eten van offervlees moet in dit licht dan ook gezien worden als het in zich opnemen en het zich eigen maken van demonische leringen.
1 Timoteüs 4:1:
Maar de geest zegt nadrukkelijk dat in de laatste tijd sommigen het geloof zullen verlaten, doordat ze luisteren naar dwaalgeesten en naar wat demonen hun leren.

Deze goddeloze vermenging die ontrouw tot gevolg heeft, wordt door de Heer verbonden aan de leer of de raad van Bileam.
Want deze geeft aan koning Balak van de Moabieten het advies om het volk van God op zijn zondige feestpartijen te nodigen en huwelijken te laten sluiten tussen de zonen van Israël en de dochters van de Moabieten.
Deze zonde van het oude volk Israël heeft vreselijke gevolgen (zie Numeri 22-25 en 31:16).

Zoals satan hierdoor greep krijgt op het oude verbondsvolk, zo zal dit ook gebeuren met hen die op deze manier ontrouw zijn aan het evangelie van God.
Het is niet zo dat God hen straft, want Hij is uitsluitend licht en liefde.
Maar doordat zij zelf actief contact zoeken met de demonen, gaan dezen over hen heersen en hen ‘besmetten’ met hun eigen klimaat.
Dit bestaat uit duisternis: zonde, ziekte, verleiding, misleiding, geweld en uiteindelijk de eeuwige dood.
Eeuwig dood zijn houdt in: het voor altijd gescheiden zijn van God.

2:15-16

Zo is het ook bij u: sommigen houden op dezelfde manier vast aan de leer van de Nikolaïeten.
Breek toch met het leven dat u nu leidt, anders kom Ik binnenkort naar u toe en zal Ik hen met het zwaard uit mijn mond bestrijden.

Grondtekst: Zo heeft ook u vasthoudende de leer van de Nikolaïeten, die Ik haat.
Bekeer u als maar niet, Ik kom tot u spoedig en Ik zal oorlog voeren met hen en met het zwaard van de mond van Mij.

Niet alleen de zonde van het compromis zal afschuwelijke gevolgen hebben, maar ook het vasthouden aan de visie van de Nikolaïeten; voor een verdere uitleg hiervan zie bij Openbaring 2:6.
Ook hierdoor wordt het gemeenteleven in groot gevaar gebracht.
Tegen de gemeente in Efeze zegt de Heer dat zij deze visie verafschuwt en het is dan ook heel opvallend dat sommigen in Pergamum zich hiertoe wél hebben laten overhalen.
Zo slaat satan op verschillende plaatsen zijn slag, maar alleen daar waar hij daarvoor van de gelovigen zelf de gelegenheid krijgt.
Gebrek aan kennis van het woord van God én van een diepgaand contact met God zijn daarvan de oorzaak.
Hosea 4:6:
Mijn volk komt om doordat het met Mij niet vertrouwd is.
De NBG-vertaling zegt: Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis (van God).

Jezus dringt met klem aan om volledig te breken met deze demonische invloed.
Als ze dit niet willen, zal zijn woord, het zwaard uit zijn mond, scheiding maken.
Scheiding tussen hen die zuiver leven en hen die van twee walletjes blijven eten of die twee soorten zaad op hun (geestelijke) grond blijven strooien.
Radicaal zijn is geen wet, maar wel een noodzaak!

Zoals al eerder aangegeven: dit geestelijke zwaard maakt een scheiding tussen waarheid en leugen en tussen rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid.
Ook in Openbaring 19:15 staat dat uit zijn mond een scherp zwaard komt, waarmee Hij de volken zal slaan.
Door zijn woord zal Hij de demonen machteloos maken, want de waarheid is altijd sterker dan de leugen.
Wie verbonden wil blijven met de demonen, zal dan ook steeds verder in de duisternis wegzakken en daarin uiteindelijk ten onder gaan.

2:17

Wie oren heeft, moet horen wat de geest tegen de gemeenten zegt.
Wie overwint zal Ik van het verborgen manna geven en ook een wit steentje waarop een nieuwe naam staat die niemand kent, behalve degene die het ontvangt.

Grondtekst: De hebbende (een) oor hij moet luisteren naar wat de geest zegt aan de gemeenten; aan de overwinnende Ik zal geven aan hem (te) eten van het manna verborgen en Ik zal geven aan hem (een) steen witte en op de steen (een) naam nieuwe geschreven, die niemand kent behalve de ontvangende (hem).

Het woord van God houdt in dat Hij mensen wil laten opgroeien tot het geestelijke niveau van Jezus Christus.
Dit is het wat de geest (dus God zelf) de gemeenten steeds weer voorhoudt.
Daarover gaat alles, altijd en alleen maar in de huidige fase van het plan van God!

‘Wie oren heeft’ betekent het in geestelijk opzicht kunnen horen en luisteren en wel naar welke aanwijzingen en adviezen God ons in verband met zijn plan geeft.
Wij willen ons hiervoor openstellen.
En dat kan doordat wij Gods geest de ruimte geven om zich in ons te ontwikkelen in liefde, wijsheid en gaven.
Dit gaat dan zelfs zover dat wij de diepste gedachten van God kunnen leren kennen.
1 Korintiërs 2:10:
God heeft ons dit geopenbaard door de geest, want de geest doorgrondt alles, ook (of: zelfs) de diepten van God!

Om het doel van God te bereiken moeten we overwinnen op elke vorm van duisternis in ons leven.
De beloning hiervoor of het resultaat hiervan is het verkrijgen van het verborgen manna.
Het natuurlijke volk Israël heeft in de natuurlijke woestijn zichtbaar brood uit de zichtbare wereld gekregen.
Zo krijgen wij als geestelijk volk van God in onze strijd om ons geestelijke bestaan brood uit de hemel, uit de verborgen, onzichtbare wereld.
Wie brood eet, wordt hier één mee, doordat het onderdeel wordt van zijn lichaam.

Met het geestelijke brood, de diepste gedachten van God, mag de overwinnaar zijn innerlijke mens voeden en versterken en zich er zo in zijn geest en gedachten één mee maken.

Wie niet overwint blijft met de duisternis verbonden en komt niet of onvoldoende in het licht van God te staan om de gedachten van God volledig in zich te kunnen opnemen.

De overwinnaars krijgen ook een wit steentje of een witte kiezel.
In de Griekse en Romeinse rechtspraak worden in die tijd twee stenen gebruikt: een witte die de beschuldigde vrijspreekt en een zwarte die de veroordeelde aanwijst.
Wanneer de overwinnaars een witte steen krijgen, is dit dus een bewijs van hun onschuld.
Ze worden totaal vrijgesproken van aanklacht én beloond met een zeer belangrijke functie in de tempel van God.
Wie in Christus is, is een nieuwe schepping.
Hierbij hoort een nieuwe naam die de functie aangeeft die de drager ervan in de geestelijke wereld heeft.

Deze positie hangt heel nauw samen met de speciale roeping van de gelovige, zoals Paulus schrijft:
Met een beroep op de genade die mij geschonken is … (zie Romeinen 12:3).
Een voorbeeld van zo’n functie vinden we in Openbaring 3:12: een zuil in de tempel van God.
Ook Johannes de Doper heeft het over een bijzondere roeping.
Johannes 3:27:
Een mens kan alleen ontvangen wat hem door de hemel gegeven wordt.
Gods geest zal ons duidelijk maken wat ónze roeping is.
Maar in elk geval geldt voor de hele gemeente: overwinnaar zijn!

De nieuwe naam sluit aan bij het innerlijk van hem die deze krijgt.
Hij wordt gegeven aan hen die in hun bijzondere roeping hebben overwonnen, die deze uitgevoerd hebben naar de wil van God die geroepen heeft.
Zo hebben voorganger en oudsten vaak een andere soort strijd te voeren dan gemeenteleden of een evangelist.

Jacob krijgt de nieuwe naam Israël na zijn nachtelijke strijd aan de rivier de Jabbok.
Hij wordt daar de vorst van God genoemd, waarvoor de Heer hem heeft geroepen.
Niemand anders kent onze nieuwe naam, omdat een speciale roeping sterk persoonlijk is.
Onze roeping sluit aan bij onze persoonlijkheid, onze inzet, ons geloof, onze omvang van liefde, onze ervaring, onze kennis, kortom bij alles wat van belang is in het koninkrijk van God.
Alleen de geroepene zelf weet in hoeverre hij zijn roeping wat dit betreft heeft waargemaakt of bezig is deze te realiseren.

Het overwinnaarsloon van de gemeente bestaat dus uit:

2:18-19

Schrijf aan de engel van de gemeente in Tyatira: "Dit zegt de Zoon van God, die ogen heeft als vlammend vuur en voeten als brons:
Ik weet wat u doet, hoe liefdevol, gelovig, hulpvaardig en standvastig u bent; u doet nu zelfs meer dan vroeger.

Grondtekst: En aan de engel van de in Tyatira gemeente schrijf, deze dingen zegt de Zoon van God, de hebbende de ogen van Hem als (een) vlam van vuur en de voeten van Hem gelijkend op koperbrons.
Ik ken van u de werken en de liefde en het dienen en het geloof en de volharding van u en de werken van u en de laatste (te zijn) meer dan de eerste.

De genoemde vier plaatsen zijn kleiner dan Efeze, Smyrna en Pergamum.
Tyatira is een industriecentrum met vakbonden die op heidense leest geschoeid zijn.
Als christen is het niet mogelijk lid van deze organisaties te blijven en daaraan mee te doen.
Dit veroorzaakt uiteraard veel problemen en strijd.

Hier noemt Jezus zich direct de Zoon van God en de wezenskenmerken die daarbij behoren.
Ogen als vuurvlammen wijzen op het vol-zijn met Gods heilige geest en kracht.
Zijn voeten zijn als brons, dus die van een heerser die in staat is zijn duistere geestelijke vijanden te verpletteren.

Hij is heel goed op de hoogte van deze gemeente, wat blijkt uit al het goede van hen dat Hij noemt.
Hij ziet hoe haar leden bezig zijn en Hij weet uit welke gezindheid van hart hun daden voortkomen.
Zij doen werken die getuigen van hun grote liefde voor God en voor hun naasten.
Hun werken komen overeen met de daden die Jezus zelf op aarde heeft verricht.
Ze vinden hun oorsprong in geloof aan zijn woord en in het navolgen van zijn voorbeeld.

De Heer ziet dat deze christenen goed toegerust zijn om in zijn dienst te werken en te functioneren.
Dit alles en alleen maar om zijn lichaam, het lichaam van Christus, op te bouwen.
Efeziërs 4:12:
Om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst.
Zo bereikt de gemeente het niveau van Christus.
Zij hebben de gezindheid elkaar verder te helpen op de weg naar het totale herstel, door elkaar te ondersteunen met de geestelijke gaven en de Goddelijke liefde.
Hun gerichte wil en inzet hebben niets te maken met een tijdelijke opwelling, want ze blijven doorzetten.
Het gevolg hiervan is: een doorgaande groei in deze kleine gemeente.
Niet alleen een groei in aantal, maar vooral in kracht, zodat hun werken (van herstel) van nu intussen meer zijn dan die van het begin.

2:20-22

Maar dit heb Ik tegen u: u laat die Izebel, die zichzelf profetes noemt, haar gang gaan terwijl ze mijn dienaren met haar uitspraken tot ontucht en het eten van heidens offervlees verleidt.
En hoewel Ik haar de tijd heb gegeven om te breken met het leven dat ze leidt, weigert ze haar ontuchtig gedrag op te geven.
Ik zal haar ziek maken en hen die overspel met haar plegen in ellende storten, tenzij ze met haar breken;

Grondtekst: Maar Ik heb tegen u enige dingen dat u laat begaan de vrouw Izebel, de noemende zichzelf profetes, (te) leren en (te) misleiden mijn dienstknechten (om) (te) hoereren en afgodenoffers (te) eten.
En Ik heb gegeven haar tijd opdat zij zich bekeert van de hoererij van haar en niet zij zich heeft bekeerd.
Zie, Ik werp haar op (een) bed en de overspel bedrijvenden met haar in verdrukking grote, als niet zij zich zullen bekeren van de werken van hen.

Er zijn maar twee namen van personen uit Tyatira bekend en wat opvalt: van twee vrouwen.
De eerste is Lydia die handelt in kostbare purperen stoffen.
De tweede is een (schijn-)profetes die door de Heer Izebel wordt genoemd.
Deze naam herinnert ons aan de vrouw van koning Achab, die door woord en voorbeeld haar man en met hem Israël verleidt om de afgoden te dienen.
Bovendien heeft deze koningin de profeten gedood en op haar initiatief wordt de gelovige Naboth gestenigd.

In Tyatira is een vrouw die als profetes in de gemeente optreedt en die door haar invloed veel christenen intimideert.
Wat zij profeteert is in elk geval niet positief gericht en het is dan ook totaal tegengesteld aan wat staat in 1 Korintiërs 14:3:
Maar iemand die profeteert spreekt tot mensen en wat hij zegt is opbouwend, troostend en bemoedigend.
Want zij spreekt vanuit haar zeer actieve contact met de demonen (het zich verdiepen in de verborgenheden van satan – zie vers 24) en ze probeert zo de leden van de gemeente van het geloof te laten afvallen.
En dat niet alleen, ook spoort ze hen aan om met haar (dezelfde) ontucht in de geestelijke wereld te plegen.

Deze ongetwijfeld vooraanstaande vrouw probeert ook als leraar in de gemeente leiding te geven, maar ze stort iedereen die naar haar luistert, hierdoor in het verderf.
Zij is een voorbeeld van mensen die ‘met Gods geest beginnen en met het vlees eindigen’.
Volgens Galaten 5:19 zijn deze werken van het vlees:
ontucht, zedeloosheid en losbandigheid, afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras- en slemppartijen en nog meer van dat soort dingen.
Dus daden die duidelijk geïnspireerd worden vanuit het rijk van de duisternis.

Ondanks dat de Heer haar waarschuwt, misschien via andere profeten, gaat ze toch door met haar heilloze profetieën.
Ze zit zo vast aan haar duistere inspirators, dat ze er niet meer los van kan komen.
Ze is blijkbaar zo overtuigd van haar gelijk, dat ze zich niet wil schikken naar het woord van God en vasthoudt aan haar dwalingen.
Dit is het probleem van veel mensen met een uitgesproken eigen visie: ondanks Bijbelse argumenten zijn ze niet of nauwelijks tot andere en betere gedachten te brengen.

Johannes krijgt nu de opdracht haar te waarschuwen voor de gevolgen van haar zondige leven.
Dit is bedoeld als voorbeeld voor alle mensen die in de gemeente belangrijk willen zijn, ondanks dat duidelijk is dat ze niet worden geleid door Gods heilige geest, maar door demonen.
Het gevolg is dat ze ziek wordt, dat wil zeggen dat haar innerlijke mens wordt aangetast door de demonen, waardoor al het licht uit haar leven zal verdwijnen.
Ze kan geestelijk niet meer functioneren zoals ze zelf wil, net als een ziek lichaam dat beperkt is in zijn functies en ook lijdt onder de ziekte.
Ook zij die naar haar luisteren, zullen hetzelfde lot ondergaan, maar ze kunnen er nog mee breken!
Belangrijk is daarom dat in de gemeente het woord van God zuiver en volledig wordt gebracht, zodat alle gelovigen een heldere spiegel wordt voorgehouden.

Handelingen 10:37-38 zegt:
U weet wat er in heel het Joodse land is gebeurd, hoe het begon in Galilea, hoe God, na de doop waartoe Johannes opriep, Jezus uit Nazaret met de heilige geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed.
Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij.

Jezus is niet veranderd en Hij zal ook niet veranderen.
Hebreeën 13:8:
Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid.
Onlogisch is het dan ook om te denken dat Jezus (of de Vader) mensen ziek maakt of in de ellende stort, ook al zijn ze nog zo slecht en hardleers.
Het loon van de zonde is de dood, (zie Romeinen 6:23) het voor altijd gescheiden zijn God!
God is voor alle mensen een liefdevolle Vader, Hij is uitsluitend licht en Hij straft niet.
Laat staan dat ziekte en dood van Hem afkomstig kunnen zijn!
Want ook voor Hem zelf geldt: …overwin het kwade door het goede (zie Romeinen 12:21).

2:23

haar kinderen zal Ik laten sterven aan een dodelijke ziekte.
Laat elke gemeente beseffen dat Ik het ben die hart en ziel van de mens doorgrondt en dat Ik ieder van u zal belonen naar zijn daden.

Grondtekst: En de kinderen van haar Ik zal ombrengen in/door (de) dood en zullen weten al de gemeenten dat Ik ben de doorzoekende nieren en harten en Ik zal geven aan jullie ieder overeenkomstig de werken van jullie.

Johannes is nog altijd bezig met het opschrijven van het visioen dat hij krijgt en de uitleg (openbaring) daarvan door Jezus Christus.
Een visioen is hier alleen van toepassing op geestelijke zaken en deze lijn moeten we dan ook het hele boek door vasthouden.
Als het in deze tekst gaat over kinderen, dan worden hiermee de gelovigen bedoeld die zij (Izebel) geestelijk opvoedt en die dus haar visie volgen.
Zij sterven aan een dodelijke ziekte, ze worden dus totaal gescheiden van God.
Hier zien we hoe afschuwelijk de gevolgen zijn van de invloed van religieuze demonen, de wolven in schaapskleren.
Het lijkt allemaal heel vroom en religieus wat er in de gemeente gebeurt, maar het voert wél af van het plan van God en van het persoonlijke contact met Hem!

Ook het tweede deel van de tekst klinkt dreigend, maar het is wel een geestelijke realiteit.
God waarschuwt niet voor niets voor de negatieve gevolgen van dwalingen en zonden in de gemeente!
Waar zijn woord - Genesis 1:26: Laten Wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken - wordt losgelaten, gaat het mis.
We zullen alleen nog een religieus besef overhouden dat een schijn (uiterlijke vorm) heeft van Godsvrucht, maar dat geen rekening houdt met de kracht ervan.
2 Timoteüs 3:5:
Ze zullen de schijn van vroomheid ophouden, maar de kracht ervan miskennen.

God doorgrondt het innerlijk van de mens en Hij weet wat zijn motieven zijn.
Het kan zijn dat mensen ongewild en onwetend in dwalingen verstrikt raken.
Maar toch, als ze zuiver van hart zijn, zal de Heer voor hen stralen als het licht in het duister, genadig, liefdevol en rechtvaardig (zie Psalm 112:4).
Dat zal hun ‘loon’ zijn, het gevolg van hun zuivere instelling.

2:24-25

Tegen de rest van u in Tyatira, al degenen die haar leer niet aanhangen en die zich niet hebben verdiept in de zogenaamde verborgenheden van satan, zeg Ik:
‘Ik leg u maar één last op: houd vast aan wat u hebt, totdat Ik kom’.

Grondtekst: Tot jullie nu zeg Ik en tot (de) overigen in Thyatira, zo velen als niet hebben de leer deze en die niet kennen de diepten van de satan, zoals zij zeggen, niet Ik zal werpen op jullie (een) andere last.
Maar wat jullie hebben houd (het) vast, totdat Ik zal komen.

Deze vrouw leert dat men de diepten, diepste gedachten of verborgenheden van satan moet kennen om de weg naar volledig herstel te kunnen gaan.
Zo verdiepen veel mensen zich vandaag in allerlei vreemde religies, waarvan zij denken dat die hen de hoogste vorm van geluk brengen.
Ze beseffen vaak niet dat ze met handen en voeten gebonden raken aan demonen die hen bedriegen.
Maar wat God tegen ons zegt is oneindig zuiverder en mooier:
Maar het is zoals geschreven staat:
Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie Hem liefheeft.
God heeft ons dit geopenbaard door de geest, want de geest doorgrondt alles, ook de diepten van God.
Wie is in staat de mens te kennen, behalve de geest van de mens?
Zo is alleen de geest van God in staat om God te kennen.
Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de geest die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in zijn goedheid
(of: blijk van liefde) heeft geschonken (1 Korintiërs 2:9-12).
Dit spreekt voor zich!

Jezus legt maar één last op, maar die is zo licht, dat we er geen last van hebben, in tegendeel!
Zijn last geeft echte rust:
Kom naar Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal Ik jullie rust geven.
Neem mijn juk op je en leer van Mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart.
Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht
(Matteüs 11:28-30).

Jezus wil graag dat we ons houden aan maar één ‘last’ (of regel, verplichting) en dat is:
vasthouden aan zijn woord, dat inhoudt dat Hij komt of zichtbaar wordt in zijn heiligen:
… wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn (2 Tessalonicenzen 1:10 NBG).
Verder legt God ons maar één (dubbel)gebod op en dat is:
… heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.
En: Heb uw naaste lief als uzelf.
Er zijn geen geboden belangrijker dan deze
(Marcus 12:30-31).
Alles wat daar niet mee overeenstemt of daaraan niet bijdraagt is geestelijke humbug, die we zo snel mogelijk uit ons eigen en gemeenteleven moeten bannen!

Het komt later vaak voor dat de kandelaar van zijn plaats genomen wordt omdat een gemeente de leer van de apostelen loslaat.
Maar dit evangelie verandert niet, het wordt nooit aangepast aan tijden of omstandigheden.
Iedere gelovige zal het moeten vasthouden totdat het volledig tot vrucht komt in zijn leven.
Dit zal zo blijven tot de voltooiing van de gemeente in de herstelperiode waarin we nu leven.
In deze tijd zal alles volgroeid raken, want ook hier geldt Hebreeën 13:8:
Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid!.

2:26-27

Wie overwint en Mij navolgt tot het einde, zal Ik macht geven over alle volken.
Met een ijzeren herdersstaf zal hij hen hoeden, als aardewerk worden ze verbrijzeld.

Grondtekst: En de overwinnende en de bewarende tot (het) einde de werken van Mij, Ik zal geven aan hem (vol)macht over de volken.
En hij zal hoeden hen met (een) staf ijzeren, als de vaten pottenbakkers- zij worden verbrijzeld zoals ook Ik heb ontvangen van de Vader van Mij.

Wie blijft staan in de strijd tegen de demonen van zonde, ziekte en leugen en dit doorzet totdat het einddoel in zijn leven bereikt wordt, is overwinnaar.
Ieder zal op zijn niveau overwinnaar kunnen zijn naarmate hij de geest van God in zijn leven de ruimte geeft om (door) te werken.
Lees in dit verband ook eens de vergelijking van de talenten (zie Matteüs 25:14-30).
Deze geeft aan dat wie zich in het koninkrijk van God volledig inzet met wat hij heeft, met veel meer dan zijn inzet beloond zal worden.
Voor wie Mij navolgt tot het einde, staat in de grondtekst: ‘mijn werken bewakende of bewarende tot het einde’.

Jezus zegt in Johannes 5:17 NBG:
Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.
De Vader is voortdurend bezig de schepping te herstellen, die door de demonen misleid, onderdrukt en beschadigd is.
De werken van Jezus zijn ook alle op dit herstel gericht en Hij belooft de overwinnaars hetzelfde gezag en dezelfde macht over de duistere geesten te geven als Hijzelf bezit.

Wie deze werken van Jezus doet, doet de daden (werken) van satan hiermee teniet.
1 Johannes 3:8:
De Zoon van God is dan ook verschenen om de daden van de duivel teniet te doen.
Wie deze daden verricht, heeft daarvoor de macht gekregen door de gaven van Gods heilige geest, om te heersen over de volken: dat zijn de demonen.
De Heer zal de overwinnaars voorzien van een ijzeren staf die ook Hij zelf heeft gehanteerd om de duistere machten te verdrijven en te binden in het rijk van de dood, namelijk de kracht van de geest van God.
Onder andere Matteüs 12:28 zegt:
Maar als ik door de geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen.

Alleen zo wordt, door deze ijzeren staf, de vijand als aardewerk verbrijzeld.
Kapotgeslagen aardewerk is waardeloos geworden voor gebruik en zo wordt satan onttroond.
Ook in Openbaring 19:15 komt deze ijzeren staf aan de orde, waarmee de Heer in Harmagedon zijn (geestelijke) vijanden verplettert.

2:28-29

Ik geef hem macht, zoals mijn Vader die aan Mij heeft gegeven.
En Ik zal hem ook de morgenster geven.
Wie oren heeft, moet horen wat de geest tegen de gemeenten zegt.

Grondtekst: En Ik zal geven aan hem de ster morgen.
De hebbende (een) oor hij moet luisteren naar wat de geest zegt aan de gemeenten.

Jezus wordt de blinkende morgenster genoemd (zie Openbaring 22:16) die door zijn licht en luister de nieuwe dag, het nieuwe tijdperk aankondigt.
Ook de overwinnaars, de zonen van God, die hetzelfde geestelijke niveau als van Jezus bereikt hebben en Hem in alle opzichten volgen, zullen met dit heerlijke licht overstraald worden.
En op hun beurt kunnen zij dit licht doorgeven aan anderen.
Want hun zichtbaar worden als zonen van God is hét signaal dat het nieuwe tijdperk aankondigt, dat uitloopt op een volledig herstel van de hele schepping.

Ook nu wordt de opwekking herhaald om te luisteren naar de stem van de geest van God die de gemeente door profetie opbouwt, troost en bemoedigt.
1 Korintiërs 14:3:
Maar iemand die profeteert spreekt tot mensen en wat hij zegt is opbouwend, troostend en bemoedigend.
Ook door middel van deze openbaring van Jezus aan Johannes, die gelijk is aan profetie (zie o.a. Openbaring 1:3).

Hoofdstuk 3

3:1

Schrijf aan de engel van de gemeente in Sardes:
"Dit zegt Hij die de zeven geesten van God en de zeven sterren heeft: Ik weet wat u doet; overal wordt beweerd dat u het leven hebt, terwijl u dood bent.

Grondtekst: En aan de engel van de in Sardes gemeente schrijf deze (dingen) zegt de hebbende de geesten van God en de zeven sterren: Ik ken van u de werken, dat de naam u hebt dat u leeft, en dood u bent.

Sardes is de hoofdstad van Lydië op ongeveer 75 kilometer van Smyrna, met een gemeente die haar eigen karakter heeft en die te maken heeft met ‘eigen’ opvallende verleidingen.
Ook hier zien we dat de Heer nergens die ene ‘algemene gemeente van de hele wereld’ aanspreekt, maar alleen de plaatselijke manifestatie of openbaring van zijn gemeente.
Zo worden ook de leden hiervan door Hem afzonderlijk benaderd, want zij vormen de levende stenen van de tempel van God.

De zeven geesten van God zijn een symbool van zijn heilige geest die in de zeven gemeenten aanwezig is doordat hij woont in hun individuele leden.
Er bestaat geen ‘algemeen aanwezig zijn’ van de geest van God in een gemeente, dat is een misvatting.
De ene wereldomvattende gemeente openbaart zich dus in veel plaatselijke gemeenten en iedere gemeente heeft haar specifieke verleidingen en beproevingen, haar sterke en zwakke kanten.
Het idee dat iemand alleen bij de grote algemene gemeente horen kan, zonder een levend onderdeel te zijn van een plaatselijke gemeente, is dus niet in lijn met de Bijbel.

Het is ook erg risicovol om als oprecht lid van het lichaam van Christus deel uit te maken van een afvallige, zondige gemeente, wat duidelijk uit deze brieven naar voren komt.
De Heer benadrukt heel sterk om oude slechte gedachten en zondige gewoonten op te ruimen en een nieuw, vreugdevol en vrij leven te gaan leiden.
De gemeente kan dan feestvieren vanuit een zuivere denkwereld en van daaruit zuivere daden verrichten.
In 1 Korintiërs 5:7-8 adviseert Paulus aan de gemeente:
Doe de oude desem weg en wees als nieuw deeg.
U bent immers als ongedesemd brood omdat ons pesachlam, Christus, is geslacht.
Laten we daarom het feest niet vieren
(grondtekst: niet feestvieren) met de oude desem van kwaad en ontucht, maar met het ongedesemde brood van reinheid en waarheid.

Aan Sardes stelt de Heer zich voor als Hij die de beschikking heeft over de heilige geest van God.
Want de Vader heeft de uitvoering van zijn herstelplan in handen van Jezus gelegd, die dat niet kan zonder de hulp van Gods geest.
Deze geest gaat uit van de Vader en Jezus zendt hem ook aan ons om van Hem te getuigen.
Johannes 15:26:
Wanneer de pleitbezorger (of: plaatsvervanger van Jezus) komt die Ik van de Vader naar jullie zal zenden, de geest van de waarheid die van de Vader komt, zal die over Mij getuigen.
Dat wil zeggen dat de geest van God ons duidelijk maakt wie Jezus precies is en hoe ook wij zijn geestelijke niveau kunnen bereiken.
Niet de paus is de plaatsvervanger van Christus op aarde, maar Gods heilige geest die in de gelovigen woont, die (dus) in deze geest gedoopt zijn!

De zeven engelen ondersteunen en beschermen ons bij dit groeiproces, want ook zij worden daarvoor uitgezonden.
Hebreeën 1:14:
Zijn zij (de engelen, zie vers 13) niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding?
Redding moet ruimer uitgelegd worden, want het betekent ook en vooral: herstel of luister.
Welke luister?
We moeten op grond van alles wat de Bijbel hierover op veel plaatsen zegt, blijven herhalen: ons doel als christenen is het bereiken van het niveau van of de gelijkvormigheid aan Jezus Christus!
Jezus heeft dus ook het gezag over deze engelen en stuurt hen aan, waarbij al hun inspanning gericht is op het genoemde einddoel.

Ik weet wat u doet, of: Ik weet hoe actief jullie zijn.
Aan de buitenkant kan het allemaal nog zo mooi en religieus lijken, maar voor (hun leven met) God heeft dit geen enkele waarde.
Het lijkt een levendige en sociale gemeente, met veel muziek en aanbidding.
Ook worden de armen en de zwakkeren door haar niet vergeten.
In haar omgeving staat deze gemeente dan ook heel goed bekend:
"Dát zijn pas christenen!"

Maar God kan de vrucht van zijn geest in haar niet oogsten, omdat ze de liefde niet najaagt en niet streeft naar de gaven (begaafdheden) van zijn heilige geest, vooral naar het profeteren (zie 1 Korintiërs 14:1).
Ook streeft ze niet naar heiliging en zo zal de openbaring van de Heer in het leven van haar leden niet plaatsvinden.
Hebreeën 12:14:
Streef ernaar in vrede te leven met allen en leid een heilig leven; wie dat niet doet zal de Heer niet zien.
Kortom: ze is aardsgericht en uiterlijk religieus bezig, zonder echt verbonden te zijn met de levende Heer; dus is ze geestelijk vrijwel dood.

3:2

Word wakker, versterk uw laatste krachten: u bent op sterven na dood.
Want ik merk dat uw gedrag tekortschiet in Gods ogen.

Grondtekst: Word wakende en versterk de overige (dingen), die op het punt staan (te) sterven niet namelijk heb Ik gevonden van u de werken vol gemaakt zijnde voor het aangezicht van (de) God.

Ontwaak uit uw slaap, sta op uit de dood en Christus zal over u stralen (zie Efeziërs 5:14).
Door het wakker worden zal men gaan inzien dat men bezig is met ‘de vruchteloze praktijken van de duisternis’ en zo zal men deze kunnen ontmaskeren.
Achter een masker van vroomheid namelijk bevinden zich de demonische inspirators die hen aansporen een schijnreligie te volgen.
Waar het niet lukt om de gemeente met geweld te stoppen, brengt satan haar op dwaalwegen met mooiklinkende theorieën en uiterlijk vertoon.
Wakker worden betekent: weer gaan zien en horen in de geestelijke wereld, in het koninkrijk van God.
Dit aspect staat bij hen op het punt te sterven, zoals in de grondtekst staat.
Het scheelt niet veel of men is met alle facetten van het geloof uit de hemel op de aarde gevallen, men is van geestelijk christen een natuurlijk ingesteld religieus mens geworden.

Zoals het nu is, dragen ze geestelijk geen vrucht en zijn hun religieuze activiteiten voor God van nauwelijks of geen belang.
Hij herkent, ondanks al hun uiterlijke religie, in hen niet de ontwikkeling tot zonen van God, op wie de schepping met groot verlangen wacht.
Romeinen 8:19:
De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen (grondtekst: zonen) zijn.
Hun religieus bezig zijn is geestelijk leeg (niet vol), dus voegt het niets toe aan het streven om het einddoel van het geloof te bereiken.

De Heer heeft ook deze gemeente voor God gekocht en Hij wil haar aan de Vader voorstellen en haar in al haar luister bij zich nemen, zodat ze zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zal zijn, heilig en zuiver (zie Efeziërs 5:27).
Maar met gelovigen van dit (on)geestelijke of misschien beter gezegd: aardsgerichte niveau kan Hij niet in de nabijheid van God komen, die geest en zuiver licht is.

3:3

Herinner u dat u de boodschap hebt ontvangen en begrepen.
Houd eraan vast en breek met het leven dat u nu leidt.
Maar als u niet wakker wordt, kom Ik onverwacht als een dief, op een tijdstip dat u niet kent.

Grondtekst: Herinner u dus hoe u heeft ontvangen en u heeft gehoord en bewaar en bekeer u.
Als dan niet, u zult waken, Ik zal komen tot u als (een) dief en zeker niet u weet (op) welk uur Ik zal komen tot u.

Ook in Sardes is men, evenals in de gemeenten in Galatië, begonnen onder de leiding van de geest van God, maar tenslotte in het zichtbare uitgekomen.
Galaten 3:3:
Bent u werkelijk zo dwaas weer op uw eigen kracht te vertrouwen en niet langer op de geest?
Of zoals de NBG aangeeft:
Zijn jullie zó onverstandig?
Jullie zijn begonnen met de geest, eindigen jullie nu met het vlees?

Ze moeten weer terug naar het begin: opnieuw (geestelijk) horen en aannemen, zich losmaken van hun dwalingen en het in hen geplante woord van God zuiver vasthouden.
Ze moeten zich weer richten op het doel: het worden van mensen zoals door God bedoeld.
Ze moeten zich ontdoen van allerlei religieuze franje die hen het zicht op dit doel ontneemt.
Zij moeten weer in en vanuit het (geestelijke) koninkrijk van God gaan leven en daarbij de liefde en de begaafdheden van zijn heilige geest in zichzelf en in de gemeente ontwikkelen.
Maar als ze doorgaan met de uiterlijkheden waar ze nu mee bezig zijn, zal hun gemeente in niets meer verschillen van andere religies.
En zullen ze zich ook niet op de komst van Christus in zijn gelovigen kunnen voorbereiden.

Voor geestelijk gerichte gelovigen komt de Heer niet als een dief!
Maar u, broeders en zusters, u leeft niet in de duisternis, zodat de dag van de Heer u zou kunnen overvallen als een dief, want u bent allen kinderen (grondtekst: zonen) van het licht en van de dag.
Wij behoren niet toe aan de nacht en de duisternis
(1 Tessalonicenzen 5:4-5).

De komst van Christus in zijn gelovigen houdt voor deze gemeente de lakmoesproef in.
Voor hun eigen idee zijn ze fijn bezig: hun religieuze gevoel wordt bevredigd en ze denken God zó gunstig te kunnen stemmen.
Dat moet allemaal voor wijsheid doorgaan, maar het is zelfbedachte godsdienst, zelfvernedering en verachting van het lichaam; het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging (Kolossenzen 2:23).

Veel van hen menen wel zo te kunnen doorgaan.
Maar omdat ze door hun uiterlijke gerichtheid niet in het volle licht leven, hebben ze geen oog voor de ontwikkeling van Gods plan in hun tijd.
De Heer komt voor zulke mensen wel plotseling, op een ogenblik dat ze het niet verwachten: het gaat langs hen heen.
Zo komt er in de geestelijke wereld een scheiding tussen hen en het echte Lichaam van Christus

3:4-6

Maar enkelen in Sardes hebben hun kleren schoon gehouden.
Zij zullen bij Me zijn in het wit gekleed
(NBG: zij zullen met Mij in witte kleren wandelen), want ze verdienen het.
Wie overwint zal zich ook in het wit kleden.
Ik zal zijn naam niet uit het boek van het leven schrappen, maar juist voor hem getuigen ten overstaan van mijn Vader en zijn engelen.
Wie oren heeft, moet horen wat de geest tegen de gemeenten zegt.

Grondtekst: U heeft enkele namen ook in Sardes, die niet hebben bevlekt de klederen van hen.
En zij zullen wandelen met Mij in witte (kleren), omdat waard zij zijn (het).
De overwinnende deze zal gekleed worden in kleren witte; en in geen geval zal Ik uitwissen de naam van hem uit het boek van het leven en Ik zal belijden de naam van hem voor het aangezicht van de Vader van Mij en voor het aangezicht van de engelen van Hem.
De hebbende (een) oor hij moet luisteren naar wat de geest zegt aan de gemeenten.

Een paar mensen in de gemeente van Sardes hebben zich niet besmet door mee te doen met de meerderheid.
Ze zijn blijven leven en denken vanuit het koninkrijk van God en vergroten nog steeds dáár hun geestelijke rijkdom.
Zij weven aan hun witte kleren door het doen van rechtvaardige daden.
In hun leven proberen ze zo te leven en te denken als Jezus en ze doen ook wat Hij graag wil dat ze doen: mensen herstellen naar geest, ziel en lichaam.
Johannes 14:12:
Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie op Mij vertrouwt zal hetzelfde doen als Ik, (NBG: de werken die Ik doe) en zelfs meer dan dat, Ik ga immers naar de Vader.

Doordat ze satan op alle fronten overwinnen, kunnen ze vrij van negatieve invloeden toegroeien naar het niveau van Jezus Christus.
Niet in spanning en kramp, want Jezus zegt dat ze met Hem tijdens dit proces mogen ‘wandelen’.
Dit houdt in: rust en ontspanning en doelgericht bezig zijn.
Hun witte kleren zijn een symbool van een zuiver leven en van daden die door de Heer geïnspireerd en ondersteund worden.

Ieder mens krijgt in zijn leven ‘loon naar werken’.
Wat we ook doen of niet doen: alles heeft iets tot gevolg.
Zo is het ook in geestelijk opzicht.
In de Bijbel staan hierover veel teksten, maar in het volgende vers vinden we beide aspecten bij elkaar:
Romeinen 6:23:
Het loon van de zonde is de dood, maar het geschenk van God is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer.

Doen we dingen die hun inspiratie vinden in het rijk van de duisternis, dan is het resultaat het klimaat van dit rijk.
Als gevolg daarvan gaan we geestelijk dood, want in duisternis kan niets leven.
We staan dan niet meer in contact met God en we kunnen ons niet meer geestelijk ontwikkelen.

Maar wat Gód geeft is onze heiliging, dus ons totale herstel, met als resultaat voor altijd en eeuwig met Hem verbonden zijn in licht en liefde.
Zie ook Romeinen 6:22, waar gesproken wordt over het in dienst van God gekomen zijn, waar dus die ‘beloning’ aan verbonden is.

Als we zo leven wordt onze naam niet verwijderd uit het boek van het leven.
We kunnen zeggen: we blijven ingeschreven als burger van het koninkrijk van God.
Maar wie in religieus opzicht bewust ‘op de aarde woont’, heeft geen deel aan dat geestelijke rijk van God, dat vol is van zijn luister.
Want hij laat zich niet leiden door het woord en de geest van God, maar hij laat zich door de tegenpartij inspireren en wordt zo slachtoffer van de concentratie van demonen (zie Openbaring 20:15).

Om overwinnaar te worden zal de gelovige in de naam of in de autoriteit van Jezus Christus moeten geloven en deze volmacht ook hanteren.
Het gevolg ervan is dat Jezus zowel voor de Vader als de engelen ook van zo iemand getuigen zal als van één die bij Hem hoort.
Dit houdt concreet in dat er een onbeperkte stroom van liefde, wijsheid en kracht van de Vader en de Zoon uitgaat naar deze overwinnaar.
Want door te overwinnen wordt de duisternis opgeruimd en de weg vrijgemaakt voor het licht.
Dit gebeurt door de gaven en de vrucht van Gods geest.
Zo kunnen ook de heilige engelen vrijuit hun beschermende en ondersteunende taak voor deze gelovige verrichten.

Om dit alles te kunnen begrijpen zijn geopende geestelijke oren nodig, een juiste gerichtheid en een diep verlangen.

3:7

Schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia:
"Dit zegt Hij die heilig en betrouwbaar is, die de sleutel van David heeft – wanneer Hij opendoet, kan niemand sluiten, wanneer Hij sluit, kan niemand openen:

Grondtekst: En aan de engel van de in Filadelfia gemeente schrijf deze (dingen) zegt de Heilige, de Waarachtige, de hebbende de sleutel van David, de openende en niemand sluit en Hij sluit en niemand opent.

Filadelfia, ‘broederliefde’, is een stad in het binnenland van Klein-Azië, die ligt aan de weg van Sardes naar Kolosse.
Hier bevindt zich een kleine, trouwe christengemeente die misschien van de zeven gemeenten het langst standgehouden heeft.
Daarom benadert zij het meest de volmaakte gemeente van de herstelperiode.
Evenals bij de gemeente in Smyrna vindt de Heer het niet nodig haar te corrigeren of bij te sturen, maar net als in Smyrna hebben ze ook hier te lijden van vervolging en onderdrukking.

In de eerste plaats stelt de Heer zich aan de gemeente voor zoals Hij werkelijk is.
Hij is de heilige, de volmaakte, de echte, die volledig afgezonderd is van kwaad en duisternis.
Jezus is, zoals de Vader:
alléén licht, alléén waarheid, alléén trouw, alléén heilig en geen enkele vlek of ook maar iets onzuivers wordt bij Hem gevonden.
Hij noemt zich ook de Waarachtige, de Echte.
Tijdens zijn leven op aarde zegt Hij: Ik ben de waarheid (zie Johannes 14:6).
Johannes zegt eerder over Hem: … het ware licht dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam (zie Johannes 1:9).
Hij is de mens naar Gods hart, zoals God ook ons uiteindelijk stuk voor stuk voor ogen heeft.

Hij is in het bezit van de sleutel van David.
We zien hier in geestelijk opzicht de realisatie van de profetie in Jesaja 22:22:
Ik zal Hem de sleutel overhandigen van het huis van David; wanneer Hij opendoet, kan niemand sluiten, wanneer Hij sluit, kan niemand openen.
In Jesaja wordt hier aan Eljakim het beheer van de schatkamer van het huis van David toevertrouwd.

In het nieuwe testament zien we drie keer dat Jezus sleutels bezit, maar dat de ‘theologen’ van die tijd deze weggenomen hebben.
Een sleutel is het middel om een deur van het slot te doen en om daarna ergens naar binnen te kunnen gaan.
Jezus heeft de sleutel van het huis van David, een uitbeelding van het geestelijke koninkrijk van God.
Hij heeft kennis van en inzicht in alles wat dit koninkrijk betreft en daardoor kan Hij het aan ons uitleggen en als geestelijke werkelijkheid voor ons openen.

Onder andere door de vergelijkingen die Jezus heeft verteld, krijgen ook wij inzicht in dit onzichtbare rijk van vrede, blijdschap, gerechtigheid en kracht.
En zo kunnen wij er ook binnengaan en zijn klimaat met de hiervoor genoemde kenmerken gaan ervaren.
We lezen in de evangeliën dat van het koninkrijk van de hemel wordt gezegd:
lijkt op, het is met het koninkrijk van de hemel als, het is als met … of zoals de NBG aangeeft: is gelijk aan …
Door middel van natuurlijke symbolen legt Jezus ons uit hoe de geestelijke wereld eruitziet.

In het boekje Het Koninkrijk der Hemelen, te vinden op de website www.rhemaprint.nl, worden een aantal vergelijkingen van Jezus besproken.
Van veel vergelijkingen is helaas geen toelichting bewaard gebleven.
Maar de schrijver heeft op een logische manier de mogelijke betekenis van deze vergelijkingen uitgewerkt.
Dit naar analogie van de verklaringen van Jezus in de evangeliën en vanuit de kennis van het koninkrijk van de hemelen die de apostelen ons overgedragen hebben.

Jezus verlangt ernaar de deur van de geestelijke schatkamer voor ons te openen.
We vinden hierin de schatten die Gods heilige geest aan ons geeft: zijn begaafdheden, zijn vrucht en uiteindelijk hierdoor de volmaaktheid naar geest, ziel en lichaam.
Op de website www.kracht-en-liefde.nl vinden we hierop een gedetailleerde toelichting.

Jezus heeft ook de sleutels van de dood en van het rijk van de dood.
Hij kent het rijk van de duisternis tot in zijn diepste diepten, omdat Hij er geweest is na zijn lichamelijke dood.
En Hij geeft ons deze kennis door, want Hij laat ons in de Bijbel rechtstreeks en duidelijk zien wie onze tegenstanders zijn, namelijk: satan en zijn demonen.
Zo geeft Jezus ons ook inzicht in de plannen van satan, in zijn manier van werken en het doel dat hij nastreeft.
1 Korintiërs 2:11:
We moeten er namelijk voor oppassen dat satan ons niet gebruikt; zijn plannen kennen we maar al te goed.

Hoe komt een mens in dat rijk van de dood?
Via de poorten ervan, die vooral bestaan uit: zonde, ziekte, leugen, verleiding en geweld.
Jezus wil deze poorten voor ons sluiten, want: Hij vergeeft onze zonden, geneest de zieken, Hij is en brengt de waarheid, Hij overwint op al zijn en onze vijanden en uiteindelijk op de dood.
En Hij doet dit samen met ons, zijn gemeente, zoals staat in Efeziërs 3:10 NBG (en in andere teksten met vergelijkbare strekking):
… opdat nu door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekend zou worden …

De sleutels van het koninkrijk van de hemel bestaan dus uit de sleutel van het huis van David en de sleutels van de dood en het rijk van de dood.
Jezus opent het koninkrijk van God voor hen die de Vader Hem gegeven heeft, dit wil zeggen: die een nieuw leven gaan leiden (zich bekeren) en zijn offer van schuldvergeving en de beloofde heilige geest van God aannemen.
Zijn koninkrijk is niet toegankelijk voor hen die zijn evangelie verwerpen en voor mensen die via een andere weg de geestelijke wereld proberen binnen te komen.

Veel mensen doen dit door het actief volgen van demonische religies, waardoor zij goden dienen die het niet zijn.
Galaten 4:8:
Toen u God nog niet kende, was u onderworpen aan goden die helemaal geen goden zijn.
Zij vallen in de handen van satan en zijn handlangers.
Jezus Christus, dus het in de mens zichtbaar geworden woord of plan van God, is de enige juiste en veilige wegwijzer naar en in de geestelijke dimensie.

3:8

Ik weet wat u doet.
Ik heb ervoor gezorgd dat de deur voor u openstaat, zonder dat iemand hem kan sluiten.
Want ook al hebt u weinig invloed
(kracht), u bent trouw gebleven aan wat Ik heb gezegd en hebt mijn naam niet verloochend.

Grondtekst: Ik ken van u de werken. Zie, Ik heb gegeven voor het aangezicht van u (een) deur openstaande en niemand kan sluiten haar.
Want weinig u heeft kracht en u hebt bewaard van Mij het woord en niet u hebt verloochend de naam van Mij.

Ook hier begint Jezus met: Ik weet wat u doet, of: Ik weet hoe actief jullie zijn.
Want haar leden doen die werken die Jezus zelf ook op aarde gedaan heeft.
Zij spreken zijn woorden van ontferming en brengen in zijn naam bevrijding, genezing en herstel aan de mens in nood.
Zij kunnen dit niet doen door hun eigen menselijke kracht, want die is hiervoor te klein.

Maar Jezus heeft de schatkamer van het koninkrijk van God voor hen opengedaan en zij mogen zonder beperking de gaven nemen en gebruiken die Hij ter beschikking stelt.
Ze zijn serieus op zijn aanbod van herstel van de totale mens ingegaan.
En daarom … kan God ook bij en door hen tekenen en wonderen en allerlei grote daden verrichten, door de gaven van de heilige geest zoals Hij wil te verdelen (zie Hebreeën 2:4).

De gemeente van Filadelfia is wel in het bijzonder een beeld van de gemeente die de laatste fase van Gods herstelplan is ingegaan.
Zij krijgt, volgens de belofte van God, in het laatst van de dagen de kracht van Gods heilige geest met zijn gaven, die op een prachtige manier in haar geopenbaard worden.
Deze belofte staat onder andere in Joël 2:23-24:
En jullie, kinderen van Sion, wees blij en barst uit in gejubel om de Heer, jullie God, want Hij geeft regen om je te verkwikken, Hij laat de regen overvloedig op je neerdalen, vroege regen en late regen, elk op de juiste tijd.
De dorsvloeren liggen weer vol met graan, de perskuipen lopen over van wijn en olie.

Natuurlijk zal satan proberen deze schatten te roven en de deur van deze geestelijke schatkamer voor ons te sluiten.
Hij zal daarom de gemeente in een situatie van onderdrukking brengen en met foutieve leringen willen infiltreren.
Maar de gemeente van Filadelfia gaat door met aan de woorden van Jezus vast te houden en de leugens van satan niet te accepteren.
Ze blijft de naam, dit is de volmacht, van Jezus stellen tegenover de invloed van de demonen die haar bedreigen en ze treedt tegen hen op in de autoriteit van Jezus.
Zo blijft deze gemeente trouw aan God, wat aangeeft dat de vrucht van zijn geest in haar gevonden wordt.

3:9

Ik zal mensen laten komen die bij satan horen, leugenaars die zich Joden noemen en het niet zijn; zij zullen zich eerbiedig aan uw voeten neerwerpen en erkennen dat Ik u heb liefgehad.

Grondtekst: Zie, Ik geef uit de synagoge van de satan (enige) van de zeggenden zij Joden (te) zijn en niet zij zijn, maar zij liegen; zie, Ik zal maken hen dat zij komen en zich neerwerpen voor de voeten van u en zij weten dat Ik heb liefgehad u.

Er zijn gelovigen die niet weten wat Joden zijn.
Ze menen dat dit alle natuurlijke nakomelingen van Abraham zijn en dat dit op zijn beurt verbonden is met de wet (van de Sinaï) en haar ceremonies.
De apostel Paulus heeft met de zogenaamde Joden heel wat moeite gehad en ze hebben het evangelie dat hij aan de volken buiten Israël heeft gebracht, behoorlijk tegengewerkt.

Ook zogenaamde christelijke kerken eisen het predicaat ‘geestelijk Israël’ voor zich op.
Ze geven daarom een natuurlijke en wettische tint aan hun ‘christendom’.
Zij dopen (beter: besprenkelen) kleine en onwetende kinderen.
Ook voelen ze zich geestelijk heel nauw verbonden met hun voorgeslacht.
Ze hechten waarde aan de wetsvoorlezing of het houden van de sabbat of zondag en ze persen het geloofsleven in een keurslijf van instellingen, tradities en systemen.

Jezus heeft het hier over een synagoge van satan, dat is een schijn- of tegengemeente die door leugengeesten of religieuze demonen geleid wordt.
Paulus stelt dan ook heel duidelijk:
Jood is men niet door zijn uiterlijk en de besnijdenis is geen lichamelijke besnijdenis.
Jood is men door zijn innerlijk en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis.
Het is het werk van de geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God
(Romeinen 2:28-29).

In de stad Filadelfia zien veel mensen die zich volgens hun traditie Jood noemen of voelen, dat de zonen van God zichtbaar worden in deze vroegchristelijke gemeente.
Ze zien voor hun ogen de ontwikkeling van Gods volk tot elk goed werk volmaakt toegerust (zie 2 Timoteüs 3:17) plaatsvinden.
Dit volk krijgt uit de schatkamer van Gods heilige geest de ene liefdegave van God na de andere en ontwikkelt deze.

De Joden die eerlijk zijn komen tot de overtuiging: niet wat wij hebben is juist, maar dít is het!
Vanuit dit nieuwe inzicht gaan ze over tot actie!
Ze erkennen dat ze verblind zijn door de dwalingen van het jodendom.
En in hun honger en dorst naar dezelfde rechtvaardigheid en heerlijkheid van de christelijke gemeente laten ze zich aan de voeten vallen van deze mensen die bij God horen.
Zo laten ze zien dat ze inzien en erkennen dat in deze zonen van God zijn liefde openbaar geworden is.
En daarvoor hebben ze diep ontzag!
Voor hen wordt Psalm 5:8 realiteit:
Maar ik mag door uw grote liefde uw huis binnengaan, van ontzag vervuld mij buigen naar uw heilige tempel.

3:10

Omdat u trouw bent gebleven aan mijn gebod om stand te houden, zal Ik u ook trouw zijn wanneer binnenkort de tijd van de beproeving aanbreekt, als heel de aarde en de mensen die er leven op de proef worden gesteld.

Grondtekst: Omdat u bewaard hebt het woord van de volharding van Mij, ook Ik u zal bewaren uit het uur van de beproeving zullende komen over de bewoonde wereld gehele, (om) op de proef (te) stellen de wonenden op de aarde.

Omdat zij trouw zijn aan de opdracht van Jezus om door te zetten (te volharden), kan ook Hij zijn trouw aan hen waarmaken.
Als wij niet trouw zijn aan het plan van God, blijft Hij ons wel trouw, maar Hij kan dit dan niet (in ons) uitwerken, omdat wij een keus gemaakt hebben voor de duisternis.
God dwingt niemand om voor Hem te kiezen, Hij verlokt ons door het evangelie!

Standhouden betekent: op de plaats blijven staan waar we staan, het geeft daarbij niet met welke soort tegenstand(er) we te maken hebben:
misleiding, verleiding, zonde, ziekte, pressie, geweld, vervolging, onderdrukking, teleurstelling, verbittering en noem maar op.
Het staat zo prachtig in Jakobus 1:2-4:
Het moet u tot grote blijdschap stemmen, broeders en zusters, als u allerlei beproevingen ondergaat.
Want u weet: wanneer uw geloof op de proef wordt gesteld, leidt dat tot standvastigheid.
Als die standvastigheid ook daadwerkelijk blijkt, zult u volmaakt en volkomen zijn, zonder enige tekortkoming.

Standhouden of volharden staat meestal in verband met onderdrukking.
In Romeinen 5:3-4 schrijft Paulus:
… we prijzen ons zelfs gelukkig onder alle ellende, omdat we weten dat ellende tot volharding leidt … (in de grondtekst staat voor ellende: onderdrukking), volharding tot betrouwbaarheid, en betrouwbaarheid tot hoop.
In 2 Korintiërs 1:6 wordt gesproken over het volharden in hetzelfde lijden dat ook Paulus ondergaat.
Hij heeft het hier ook over een situatie van onderdrukking.

Johannes is naar het eiland Patmos verbannen om zijn volharding in de onderdrukking (Openbaring 1:9 grondtekst).
Jezus heeft niet alleen de opdracht gegeven om het evangelie aan te nemen, maar ook om te volharden in of vast te houden aan het woord van God.
Als dan onderdrukking en vervolging komen, kan satan het goede zaad (= het juiste inzicht in het plan van God) niet wegroven uit ons hart.
Hij kan ons niet misleiden of pressen om andere, foutieve gedachten te ontwikkelen of deze na te volgen.

De gemeente in Filadelfia voldoet met heel haar hart aan deze opdracht of dit advies van Jezus.
Zij heeft het evangelie en de liefdegaven van God niet alleen gekregen, maar ook vastgehouden en verder ontwikkeld, ook tijdens de onderdrukking die gekomen is.
Zij heeft de naam en de kracht van de Heer er niet bij laten zitten (vers 8) en daarom zal de Heer haar ook niet loslaten, maar beschermen.
De gemeenteleden moeten de beproeving of de onderdrukking niet als iets vreemds zien, want deze gaat over de hele wereld, zoals Petrus zegt:
Stel u tegen hem (satan) teweer, gesterkt door uw geloof, in het besef dat uw broeders en zusters, waar ook ter wereld, onder hetzelfde leed (of: lijden) gebukt gaan (1 Petrus 5:9).

Heeft de Heer zelf niet gezegd:
Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld …? (zie Johannes 16:33).
Leert Paulus ons niet dat wij pas na veel beproevingen (of: onderdrukking) het koninkrijk van God binnen kunnen gaan? (zie Handelingen 14:22).
Deze onderdrukking wordt hier genoemd: de tijd van beproeving of verzoeking.

We zien dat hier niet speciaal gesproken wordt over de grote onderdrukking (of: verdrukking) aan het einde van de dagen waarover Jezus spreekt:
Want het zal een tijd zijn van enorme verschrikkingen, (of: onderdrukking, verdrukking) zoals er sinds het ontstaan van de wereld tot nu nooit geweest zijn en er ook niet meer zullen komen (Matteüs 24:21).
Hier gaat het over de onderdrukking die alle gelovigen van alle tijden en plaatsen ondervinden en waarin zij niet moeten toegeven aan de druk van de tegenstander.
Maar ze moeten het woord van God en de hoop op het eeuwige kwaliteitsleven, die hierdoor ontstaat, tot het einde toe (wanneer men de komst van de Heer in de gelovigen verwacht) onwrikbaar vasthouden.
Jezus belooft hier dat Hij de gelovigen in verzoeking of beproeving ook beschermen zal, want Hij is hen trouw.

De vraag is: hoe doet Hij dit?
Paulus schrijft:
U hebt geen beproevingen te doorstaan die niet voor mensen te dragen zijn.
God is trouw en zal niet toestaan dat u boven uw krachten wordt beproefd:
Hij geeft u mét de beproeving
(beter: verzoeking) ook de uitweg, zodat u haar kunt doorstaan (1 Korintiërs 10:13).
Dit kan alleen als wij ook trouw zijn aan God, dat wil zeggen als wij ons in alle omstandigheden door Hem laten leiden.
Hoe?
Vooral door de liefde na te jagen en te streven naar (= ontwikkelen van) de gaven van de geest (zie 1 Korintiërs 14:1).

Ook door ons met blijdschap en verlangen te blijven verdiepen in Gods woord en de uitwerking daarvan in ons leven, zoals David zegt in Palm 119:16:
Ik verheug mij in uw wetten, uw woord zal ik niet vergeten, of zoals de NBG hier zegt: In uw inzettingen zal ik mij verlustigen!

Jezus heeft de Vader niet gevraagd om zijn volgelingen uit de wereld weg te nemen, maar wel of Hij hen beschermen wil tegen satan (zie Johannes 17:15).
Hij adviseert zijn leerlingen de wereld niet in te trekken (Jeruzalem niet te verlaten) voordat zij voorzien zullen zijn van de belofte van de Vader: zijn heilige geest (zie Handelingen 1:4).

Sommigen maken uit de tekst op dat Jezus zijn gemeente vóór de wereldwijde onderdrukking zal wegnemen.
Maar hier is geen sprake van deze grote onderdrukking, maar alleen van een beproeving van het volk van God van alle tijden en alle plaatsen en hier speciaal van de gemeente in Filadelfia.
Jezus is trouw aan zijn gemeente wanneer de tijd van de beproeving aanbreekt.
Dat houdt in dat de gemeente de steun van Jezus mag ervaren in deze periode van grote strijd.
Ze wordt er bovendien sterk door en de strijd wordt zeker in haar voordeel beslecht!

Gelovigen die strijd en verzoeking meemaken en daarin standhouden, zullen in de oorlog sterk (of: machtige helden) worden en vijandige legers op de vlucht doen slaan (zie Hebreeën 11:34).
God neemt zijn keurtroepen niet van de aarde weg voordat de definitieve worsteling met satan begint, maar Hij zet ze juist in om door middel van hen de totale eindoverwinning te behalen!

3:11

Ik kom spoedig.
Houd vast aan wat u hebt, dan zal niemand u de lauwerkrans
(of: kroon) kunnen afnemen.

Grondtekst: Zie, Ik kom spoedig; houd vast wat u heeft opdat niemand neemt de krans van u.

De Heer belooft deze gemeente dat het niet lang meer duurt voordat Hij in haar zichtbaar wordt en zó zal komen.
Hij ondersteunt haar en laat haar kracht toenemen door Gods heilige geest (zie ook vers 8).
Zij zal dan, net als Jezus zelf, de totale overwinning behalen op iedere vorm van duisternis en zó de luister van God verkrijgen.
Zoals bijvoorbeeld staat in 2 Tessalonicenzen 1:10 NBG:
… om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen die tot geloof gekomen zijn.
Mensen uit de synagoge van satan hebben dit inderdaad, toen al, vol verbazing opgemerkt.

Een lauwerkrans wordt alleen uitgereikt na een gevecht mét overwinning.
In 2 Timoteüs 4:7-8 zegt Paulus:
Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden.
Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op de grote dag;
en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien.

Ook in Jakobus 1:12 is sprake van de levenskroon voor hen die in de verzoeking volharden en de proef doorstaan.
Diezelfde kroon wordt in Openbaring 2:10 beloofd aan hen die na veel lijden, onderdrukking en vervolging het woord van God (= Laten wij mensen maken …) tot aan het eind van hun leven vasthouden.
Zij zullen het hoogste bereiken wat er voor een mens te bereiken valt: het geestelijke niveau van Jezus Christus.
Dít is de eeuwige erekrans die nooit vergaat!
Als ze dít vasthouden, zal geen mens of macht deze ooit van hen kunnen afnemen!

3:12-13

Wie overwint maak Ik tot een zuil in de tempel van mijn God.
Daar zal hij voor altijd blijven staan.
Ik zal op hem de naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen en ook mijn eigen nieuwe naam.
Wie oren heeft, moet horen wat de geest tegen de gemeenten zegt.

Grondtekst: De overwinnende Ik zal maken hem (een) pilaar in de tempel van de God van Mij en eruit zeker niet hij zal uitgaan meer en Ik zal schrijven op hem de naam van de God van Mij en de naam van de stad van de God van Mij, het nieuwe Jeruzalem, het (Jeruzalem) neerkomende uit de hemel van de God van Mij en de naam van Mij nieuwe.
De hebbende (een) oor hij moet luisteren naar wat de geest zegt aan de gemeenten.

Wie in de beproeving, door (de invloed van) satan en de demonen overwint, krijgt loon.
Iedere gelovige namelijk in wie de geest van God woont en die deze activeert door liefde en gaven, wordt een levende steen genoemd in de tempel van God.
Dat is de gemeente.
1 Petrus 2:5:
… en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel.
Vorm een heilig priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn.

Er zijn grote en kleine stenen.
Is een gelovige een volwassen zoon van God geworden, heeft hij het geestelijke niveau van Jezus Christus bereikt, dan wordt hij zelfs een zuil of steunpilaar genoemd.
Dan is voor hem of haar waarheid geworden wat staat in Efeziërs 4:13:
… totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.
Wie vers 14 opzoekt, ziet dat de in vers 13 genoemde volmaaktheid al in dít leven bereikt kan worden en niet pas wordt gerealiseerd in het ‘hiernamaals’.

In Galaten 2:9 zegt Paulus van Jakobus, Céfas en Johannes dat zij als steunpilaren of zuilen gelden.
Het beeld van de gemeente als een tempel is ontleend aan het heiligdom in Jeruzalem.
Deze tempel heeft aan de oostkant de zuilengalerijen of hallen van Salomo (zie Johannes 10:23 en Handelingen 3:11).

De overwinnaar is onaantastbaar geworden voor de demonen van zonde, ziekte en misleiding door de kracht en de wijsheid van Gods geest die in hem woont.
Daarom staat er dat hij voor altijd in deze geestelijke tempel zal blijven, dus er onderdeel van zal blijven uitmaken.
Hij blijft eeuwig met Jezus en zijn gemeente verbonden en is daarin vanuit zijn optimale liefde en ontferming van onschatbare waarde en steun voor zijn medegelovigen.
En daarnaast voor de hele schepping.

Hij is een heilige priester geworden, in hem wordt geen spoortje duisternis meer gevonden en zo kan hij geestelijke offers brengen, zoals bijvoorbeeld staat in 1 Petrus 2:5:
En laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.

Dan volgt een nieuw beeld.
De overwinnaars vormen een geheiligd of hersteld volk, waarop God zijn zegel gedrukt heeft.
Zij zijn speciaal afgezonderd voor zijn dienst en daarbij volmaakt aan Hem toegewijd.
Daarom dragen zij de naam of hebben zij de autoriteit van God.
Dit is mogelijk omdat ze onafscheidelijk, dag en nacht met Hem verbonden leven.
En dit kan alleen door zijn geest die hun geest helemaal doordrenkt heeft met zijn heilig wezen, zoals een spons water in zich opneemt.

Ze zijn ook afgezonderd voor een speciale koninklijke taak in dienst van het nieuwe (geestelijke of hemelse) Jeruzalem.
Want ze zullen in het duizendjarige rijk de schepping herstellen en na de tweede opstanding de hele stad van God (alle gelovigen in wie God woont door zijn geest) naar de volmaaktheid (bege)leiden.
Hebreeën 11:40:
… omdat God voor ons iets beters had voorzien en Hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken.

Zij doen hun dienst in de geestelijke tempel (de gemeente), waarin ze onmisbare steunpilaren zijn en ze staan daarbij onder leiding van hun hoofd Jezus Christus, de Hogepriester van het hemelse heiligdom en de Koning van de koningen.
Ten behoeve van de gemeente hebben ze autoriteit in de geestelijke wereld over de duistere demonen die de gemeente willen aantasten en zo van het woord van God willen afleiden.

Zo werken de overwinnaars eraan mee dat het nieuwe Jeruzalem uit de hemel kan neerdalen.
Dat wil zeggen dat op aarde zichtbaar wordt wat het betekent dat God in al zijn volheid in mensen komt wonen.

Eerder is al aangegeven dat iedere gelovige een nieuwe naam zal krijgen die past bij zijn wezen, plaats en taak in het koninkrijk van God (zie Openbaring 2:17).
Ook Jezus zelf krijgt een nieuwe naam die verband houdt met zijn overwinning, wanneer alle tegenkrachten en antimachten aan Hem onderworpen zijn en zijn herstelwerk voltooid is.
De naam van Jezus, die redding, herstel en genezing inhoudt, hoort dan bij een afgelopen tijdperk.
Met zijn nieuwe naam is Hij weer de eerste van veel geestelijke broers en zussen.

Tot slot wordt ook deze gemeente met haar hoge roeping aangespoord om te letten op wat door deze profetie wordt gezegd.
Amos 3:7:
Zo doet God, de Heer niets zonder dat Hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten.
Wie oren heeft om te kunnen horen en het woord van God nauwkeurig onderzoekt, zal daardoor een diepe vreugde ervaren en zijn als een boom aan stromend water, die op zijn tijd zijn vrucht geeft.
Psalm 1:2-3:
… maar vreugde vindt in de wet van de Heer en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.
Hij zal zijn als een boom, geplant aan stromend water.
Op tijd draagt hij vrucht, zijn bladeren verdorren niet.
Alles wat hij doet komt tot bloei!

3:14

Schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea:
"Dit zegt Amen, de trouwe en betrouwbare getuige, het begin van Gods schepping:

Grondtekst: En aan de engel van de gemeente van de Laodicenzen schrijf deze dingen zegt de Amen, de getuige de trouwe en waarachtige, het begin van de schepping van God.

Laodicea en Efeze zijn de enige van de zeven gemeenten die ook in de brieven van Paulus genoemd worden.
Laodicea is in die tijd een rijke stad in het westen van Klein-Azië en zij ligt dicht bij Kolosse.
Zo te zien hebben deze gemeenten veel met elkaar te maken, want Paulus schrijft dat men de brief aan Kolosse ook in Laodicea moet voorlezen, terwijl een brief aan Laodicea ook gericht is aan Kolosse (zie Kolossenzen 4:16).

Alles wat Paulus aan de Kolossenzen schrijft, geldt dus ook voor de Laodicenzen.
Paulus dankt de Vader voor deze gemeente om haar geloof en liefde.
Laodicea is met Kolosse een vruchtdragende gemeente, waarin echt christelijk leven gevonden wordt.
Haar leden zijn vrijgemaakt uit de macht van de duisternis, dus van de (invloed van de) demonen van zonde, ziekte en misleiding.

Ze zijn daardoor overgeplaatst in het koninkrijk van de Zoon van Gods liefde, waar ze de vrede, de blijdschap, de rechtvaardigheid en de kracht van Gods geest ervaren.
Toch heeft de apostel nog wel het een en ander voor hen te vragen aan God, zoals hij schrijft in Kolossenzen 1:9-10:
Daarom bidden wij onophoudelijk voor u, vanaf de dag dat we dat gehoord hebben.
We vragen dat u Gods wil ten volle mag leren kennen door de wijsheid die en het inzicht dat zijn geest u schenkt.
Dan zult u leven zoals het past tegenover de Heer, Hem volkomen welgevallig.
U zult vrucht dragen door al het goede dat u doet, uw kennis van God zal groeien.

Johannes begint nu deze brief met het voorstellen van Jezus als de Amen.
Hij is de mens naar Gods hart in wie alle mogelijkheden van herstel en het deel krijgen aan Gods grootheid volmaakt vastliggen.
Daarom wordt Hij de trouwe (of: geloofwaardige) en betrouwbare getuige genoemd, evenals in Openbaring 1:5.
Doordat Hij als mens het plan van God nauwgezet uitwerkt totdat het einddoel bereikt is, geeft Hij hiermee aan of getuigt Hij dat het plan van God betrouwbaar en haalbaar is voor mensen.
Dit doel lijkt voor de mens op zich misschien te hoog gegrepen, maar het is met de hulp van Gods geest werkelijk in hem te realiseren.

Wanneer Jezus het begin van Gods schepping genoemd wordt, verwijst deze naam naar de brief aan de Kolossenzen, waar Hij ook ‘eerstgeborene van de hele schepping’ heet.
Dat wil zeggen: de eerste mens van de schepping die de volmaaktheid heeft bereikt en die door zijn geestelijke status óp de troon van God mag zitten.
Kolossenzen 1:15:
Beeld van God, de onzichtbare, is Hij, eerstgeborene van heel de schepping
en vers 18:
Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente.
Oorsprong is Hij, eerstgeborene van de doden, om in alles de eerste te zijn.

Hier wordt onze Heer dus zowel het begin als de amen, dit is het einddoel van Gods schepping genoemd.
Dit betekent hetzelfde als in Openbaring 22:13:
Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde (of: de voltooiing).
Hij is de reden van het bestaan van de zichtbare en de onzichtbare schepping en ook het doel ervan!
En voor ons geldt wat staat in 2 Korintiërs 5:17:
Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping.
Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen.

God ziet ‘in Christus’ dus ook ons omdat we één met Hem zijn door zijn geest die in ons woont.
1 Korintiërs 12:13:
Wij zijn allen gedoopt in één geest en zijn daardoor één lichaam geworden, wij zijn allen van één geest doordrenkt, of we nu Joden of Grieken zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn.
Dus samen met Hem zijn ook wij de reden van het bestaan van Gods schepping!
Daarom zijn ook wij kostbaar in Gods oog en door Hem hooggeschat! (zie Jesaja 43:4).

3:15-17

Ik weet wat u doet, hoe u niet koud bent en niet warm.
Was u maar koud of warm!
Maar nu u lauw bent in plaats van warm of koud, zal Ik u uitspuwen.
U zegt dat u rijk bent, dat u alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt.
U beseft niet hoe ongelukkig u bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt.

Grondtekst: Ik ken van u de werken, dat noch koud u bent noch heet; och dat koud u was of heet.
Zo omdat u lauw bent en noch koud noch heet, Ik zal u uitbraken en uit de mond van Mij.
Omdat u zegt: rijk ik ben en ik heb me verrijkt en aan niets behoefte ik heb en niet u weet: u bent de ellendige en meelijwekkende en arm en blind en naakt.

Helaas moet Jezus vaststellen dat de Laodicenzen niet koud of warm zijn.
In de grondtekst staat voor warm: kokend heet.
Dit blijkt uit hun activiteiten, waar ze als gemeente mee bezig zijn en die bij de Heer best bekend zijn.
Ze zijn niet koud of onverschillig, maar ze zijn ook niet heet, of vurig van geest.
Ze zijn heel ijverig met allerlei dingen te organiseren, mede om hun samenkomsten ermee op te fleuren.
Ze zingen veel aanbiddingsliederen, begeleid door prachtige muziek en zorgen voor een vriendelijke sfeer in hun gemeente waarin iedereen zich direct thuis voelt.
Ze geven Bijbelstudies, houden bidstonden en doen veel andere activiteiten in het zichtbare.
Het zijn heel aardige en goedwillende mensen die zich op hun manier volledig inzetten voor het evangelie.

Jezus zegt niet dat ze hierdoor zondigen; als dat het geval is, zullen ze gemakkelijker te overtuigen zijn dat het niet goed met hen zit.
Nu zeggen ze van zichzelf: Ik ben rijk, ik heb overvloed en heb niets meer nodig.

Op hen lijkt eigenlijk van toepassing wat Paulus aan de Korintiërs schrijft:
Door hem bent u in elk opzicht rijk geworden.
Alles wat u zegt en al uw kennis bewijst dat het getuigenis over Christus bij u verankerd is en hierdoor ontbreekt het u terwijl u op de komst van onze Heer Jezus Christus wacht, aan geen enkele gave van de geest
(1 Korintiërs 1:5-7).

Ze zijn mensen van wie hun schuld vergeven is en die bevrijd zijn van demonen, die gedoopt zijn in Gods heilige geest en door wie de gaven van de geest werken.
Ook zijn ze christenen met een toekomstverwachting, want ze verwachten de komst van de Heer.
In een rustige tijd kunnen ze, terwijl ze zo actief en met veel inzet doorgaan, het een heel eind brengen.
Hun gemeente zal in aantal blijven groeien en ze zullen in hun omgeving goed bekend staan.
Maar Laodicea is een type van de gemeente in de periode van de grote onderdrukking.

Filadelfia heeft de toezegging van Jezus dat zij beschermd zal worden in de periode van de verzoeking, maar van Laodicea lezen we, wat er van haar verwácht wordt om staande te kunnen blijven.
Zij zal haar in geestelijk opzicht niet-actieve levenshouding moeten loslaten en ‘kokend heet’ moeten worden, dit wil zeggen vol worden van de kracht en de liefde van de geest van God.
Voor hen geldt:
Laat uw enthousiasme niet bekoelen, maar laat u aanvuren door de geest en dien de Heer of zoals de NBG vertaalt: … in ijver onverdroten, vurig van geest … (zie Romeinen 12:11).

In de geestelijke wereld zijn ze niet actief, ze hebben geen inzicht in deze dimensie, ze strijden daar niet tegen demonen en ze overwinnen dus ook niet.
Hoewel ze (bepaalde) gaven van Gods geest prachtig vinden (vooral geestelijke talen en genezing) en deze ook een plaats geven in hun samenkomsten, begrijpen ze de bedoeling ervan niet of maar voor een deel.
Uiterlijk zijn ze een boeiende en bloeiende gemeente, maar geestelijk gezien zijn ze geen smaakmakers.
Hun geestelijke zout, hun inzet, heeft zijn kracht verloren en wordt dan ook als afval weggegooid.
Niemand kan er iets mee doen.
Ze voegen geen smaak toe aan het koninkrijk van God, dat is: ze bewerken geen blijvende vrede, blijdschap, gerechtigheid en kracht, zoals Jezus dat doet.

Smakeloos, ongezouten eten spuwen we uit onze mond.
Zo is het ook met de gelovige die niet geestelijk gericht en bezig is: voor God heeft hij geen eeuwigheidswaarde, hij kan niet meewerken aan de realisatie van zijn plan: de mens op zijn troon.
God verstoot nooit mensen, maar door hun eigen verkeerde keuzes plaatsen ze zichzelf buiten spel.

In de laatste tijd zullen de demonen in de eerste plaats hén aanvallen die Jezus volgen.
Het is daarom van het hoogste belang in deze donkere periode de complete geestelijke wapenrusting te gebruiken.
Efeziërs 6:11-13:
Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel.
Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen.
Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, om goed voorbereid stand te kunnen houden.

Jezus waarschuwt de gemeente in Laodicea dat ze onbeschermd is en dus toegankelijk voor de rovende en plunderende demonen uit het rijk van de duisternis.
Ze is ongelukkig of zoals staat in de grondtekst: de ellendige of wie zich aftobt.
Ze werkt hard en doet in het zichtbare haar uiterste best, maar het levert geestelijk niet veel of eigenlijk niets op.
Ze is armzalig of beklagenswaardig want ze is beroofd van de kracht van Gods heilige geest.
Ze is berooid of arm, een bedelaar; ze heeft een groot tekort aan geestelijke rijkdommen.
Ze is blind, want ze heeft geen inzicht in de geestelijke wereld.
Ze is naakt of slecht gekleed, want ze heeft geen geestelijke bedekking die gevormd wordt door de rechtvaardige daden van de heiligen.

Zo wordt zij door de geestelijke dieven en rovers geplunderd, verwond en beschadigd.

3:18

Daarom raad Ik u aan: koop van mij goud dat in het vuur gelouterd is, en u zult rijk zijn; witte kleren om u te kleden en uw naaktheid te bedekken, zodat u zich niet meer hoeft te schamen; zalf voor uw ogen, zodat u weer kunt zien.

Grondtekst: Ik raad u aan (te) kopen van Mij goud gelouterd uit/door vuur, opdat u rijk wordt en kleren witte, opdat u bekleed wordt en niet openbaar wordt de schande van de naaktheid van u; en ogenzalf smeer op de ogen van u opdat u ziet.

Maar de Heer biedt de mogelijkheid om te ontsnappen uit deze ellendige situatie.
Want ze kunnen bij Hem gezuiverd goud kopen.
Dat is geloof dat in het vuur van de beproeving gezuiverd is van alle bestanddelen (= verkeerde ideeën over het plan van God, dwalingen) die er niet bij horen.
Kopen betekent dat er een prestatie tegenover staat: ze moeten hun geloof vasthouden onder de aanvallen van satan, onder alle omstandigheden.

Wanneer de leugengeesten hen de rechtvaardigheid, verkregen door hun geloof, willen ontfutselen, moeten ze die vasthouden, omdat het woord van God de waarheid is.
Ze moeten dan standhouden, zoals bijvoorbeeld Job:
Ik blijf bij mijn rechtschapenheid, tot het einde toe, over mijn leven heb ik mijzelf niets te verwijten (Job 27:6).
Uiteindelijk zullen ook zij kunnen uitroepen en ervaren:
Want de aanklager van onze broeders en zusters, die hen dag en nacht bij onze God aanklaagde, is ten val gebracht (zie Openbaring 12:10).

Zoals bij de toelichting op Openbaring 3:5 staat, kunnen ze weven aan hun witte kleren door het doen van rechtvaardige daden.
Ze moeten dan zo leven en denken als Jezus en daarbij ook doen wat Hij graag wil dat ze doen: mensen herstellen naar geest, ziel en lichaam.
Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie op Mij vertrouwt zal hetzelfde doen als Ik, (NBG: de werken die Ik doe) en zelfs meer dan dat, Ik ga immers naar de Vader (Johannes 14:12).
Zo verzamelen ze geestelijke rijkdommen en geen zichtbare, zoals Jezus ook adviseert in Matteüs 6:19:
Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen.

2 Korintiërs 5:2-4 zegt:
Wij zuchten in onze aardse tent en zouden willen dat onze hemelse woning er nu al over wordt aangetrokken.
Zolang we in onze aardse tent verblijven, zuchten we onder een zware last, omdat we niet willen dat deze kleding wordt uitgetrokken; we willen dat er nieuwe over wordt aangetrokken, zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden.
Hiervoor heeft God zelf ons gereedgemaakt, door ons de geest als onderpand te geven.

Het nieuwe kleed dat wordt aangetrokken is het gelijkvormig worden aan Jezus Christus.
Dit wordt ook wel het aantrekken van de nieuwe mens genoemd:
… en dat u de nieuwe mens moet aantrekken, die naar Gods wil geschapen is in waarachtige rechtvaardigheid en heiligheid (zie Efeziërs 4:24).

Zó zijn we bezig met de realisatie van het plan van God in ons leven.
Waar niets van deze nieuwe mens in ons leven zichtbaar wordt, heeft de oude mens dus de overhand en dat is bepaald geen reden om blij mee en trots op te zijn.
We moeten die oude mens (als een kledingstuk) afleggen, want hij gaat tegronde aan bedrieglijke begeerten, aan verlangens waarmee we bedrogen uitkomen (zie Efeziërs 4:22).
Ook in Kolossenzen 3:9-10 wordt gesproken over dit afleggen van deze oude mens en het aantrekken van de nieuwe:
Bedrieg elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd hebt en de nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het beeld van zijn Schepper en zo tot inzicht komt.

Zo kopen we bij de Heer ogenzalf, dus een geneesmiddel om onze zieke en slechtziende ogen te herstellen.
We zijn dan niet meer geestelijk blind, maar we krijgen inzicht in de bedoeling van God met ons.
Efeziërs 1:17-19:
Moge de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader van alle luister, u een geest van inzicht schenken in wat geopenbaard is, opdat u Hem zult kennen.
Moge uw hart verlicht worden, zodat u zult zien waarop u hopen mag nu Hij u geroepen heeft, hoe rijk de luister is die de heiligen zullen ontvangen en hoe overweldigend groot de krachtige werking van Gods macht is voor ons die geloven.

3:19

Iedereen die Ik liefheb wijs Ik terecht en bestraf Ik.
Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu leidt.

Grondtekst: Ik zovelen als Ik liefheb bestraf Ik en tuchtig Ik; wees ijverig dan en krijg berouw.

Ook al heeft de Heer ons lief en wij Hem, dan nog kan Hij ons de geestelijke strijd niet besparen.
God kan niet ingrijpen door geweld, want ook Hij overwint het kwade door het goede (zie Romeinen 12:21).
Wij overwinnen alleen door de kracht van Gods heilige geest en met de wapens van het licht.
Romeinen 13:12:
De nacht loopt ten einde, de dag nadert al.
Laten we ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapens van het licht.

En zo geeft de Heer, met de verzoeking die trouwens nooit van onze uitsluitend liefdevolle God komt, ons altijd een uitweg.

Hebreeën 12:5-6:
Kennelijk bent u de bemoediging vergeten die tot u als tot kinderen wordt gericht:
Mijn zoon, je mag een vermaning van de Heer nooit terzijde schuiven en nooit opgeven als je door Hem terechtgewezen wordt, want de Heer berispt wie Hij liefheeft, straft elke zoon van wie Hij houdt.

Zoals wij niet altijd alle problemen voor onze kinderen kunnen wegnemen, zo kan de Heer dat ook niet voor ons doen.
Hij blijft ons overtuigen en opvoeden, zoals beter vertaald kan worden dan bestraffen en terechtwijzen.
God kan niet straffen, omdat Hij uitsluitend goed en licht en liefde is.
Onze ‘straf’ bestaat uit de aanvallen van de duivel en zijn trawanten en alleen daardoor hebben wij te maken met beproeving en verzoeking.
God doet niet nog een schepje bovenop het kwaad en Hij kan en wil dat trouwens ook helemaal niet!

Dat God straft is een oudtestamentisch idee, waaruit blijkt dat men geen inzicht heeft in het echte wezen van God en in de geestelijke wereld.

De oproep is: laten we ons ontdoen van de praktijken van de duisternis (= breken met het leven dat we nu hebben) en ons volledig inzetten of ijverig zijn (= omgorden met de wapens van het licht).
Laten we veranderen van levenshouding.
Van passieve verwachter (stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw …) tot een actieve medewerker aan het zichtbaar worden van Jezus Christus in ons leven.
Zo kan Hij (opnieuw) in deze wereld komen!
Parousia.
‘Wederkomst’!

3:20

Ik sta voor de deur en klop aan.
Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik binnenkomen en we zullen samen eten, Ik met hem en hij met Mij.

Grondtekst: Zie, Ik sta bij de deur en Ik klop. Indien iemand hoort de stem van Mij en opent de deur, Ik zal binnenkomen bij hem en Ik zal maaltijd houden met hem en hij met Mij.

Veel mensen menen dat de gemeente van Filadelfia het hoogste heeft bereikt wat het nieuwe verbond kan geven.
Maar de beloften aan de gemeente van Laodicea reiken veel hoger.
Ze zijn bestemd voor hen die zich naar het volledige herstel en de volmaakte luister van God in hun leven uitstrekken.
De zeven brieven eindigen niet met een neergang, maar met een opgang, een climax.
Want de vrouw van het Lam (de gemeente) wordt in Openbaring 19:7-8 samen met Jezus voorgesteld als de bruid van de Vader, stralend, zonder vlek of rimpel.
Samen met Jezus als haar hoofd mag zij naast God óp zijn troon zitten (zie vers 21).

In de periode van de voltooiing van het plan van God gaat de gemeente door de grote onderdrukking.
Juist dan zijn nodig:
onwankelbaar geloof,
kennis en
inzicht en
volharding
om te blijven staan en dan is de tijd aangebroken dat Jezus zegt:
Zie, Ik sta voor de deur en Ik klop aan.
In Jakobus 5:8-9 staat onder andere:
Wees net zo geduldig en houd moed, want de Heer zal spoedig komen … Bedenk dat de rechter voor de deur staat.

Deze rechter komt bij hén binnen die zijn stem horen en de deur van hun innerlijk vrijwillig voor Hem opendoen.
Hij komt niet om te veroordelen, maar om hun recht te doen in hun geschil met hun tegenstander (zie Lucas 18:3).
De rechter oordeelt, dat wil zeggen: hij brengt in ons de volledige scheiding aan tussen goed en kwaad.
Hij wil binnenkomen, zoals de late regens diep in de uitgedroogde grond dringen en zo de kostbare vrucht van het land helemaal rijp doen worden (zie Jakobus 5:7).

De Heer spreekt recht, zoals in de vergelijking van de corrupte rechter gebeurt met de weduwe.
De gelovigen hebben doorgezet en geduld gehad en hun gedachten en gevoelens in de Heer sterk gemaakt.
Ze hebben gewacht op zijn komst door zijn geest in hen, die hun de beloofde kracht geeft om tegen de geestelijke druk van de tegenstander bestand te zijn.
Wanneer deze tijd gekomen is, horen ze zijn stem, want ze kennen deze.
Ze kennen zijn stem, zoals schapen die van hun liefdevolle herder kennen.
Johannes 10:4:
Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen.

Ze openen hun innerlijk en de Heer komt binnen om ‘in de geest’ gemeenschap met hen te hebben door samen te eten van het levende brood.
Dit als beeld van: de gedachten van God samen bespreken en overdenken.
Wie kent deze ervaring niet uit zijn eigen leven?
Dit samen eten wijst op een versterking en verfrissing die de menselijke geest in verbondenheid met Gods geest kan krijgen.

Hoewel de pressie groot is, kunnen Gods zonen dan zeggen dat er tijden van verkwikking, opluchting of verademing komen (zie Handelingen 3:19, grondtekst).
Het zijn de dagen van bloed, vuur en rook, maar tegelijk is het grote pinksterfeest gekomen, waarvan Petrus zegt:
Wat hier nu gebeurt, is aangekondigd door de profeet Joël:
Aan het einde van de tijden, zegt God, zal Ik over alle mensen mijn geest uitgieten.
Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren,
jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten
(Handelingen 2:16-17).

3:21-22

Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit.
Wie oren heeft, moet horen wat de geest tegen de gemeenten zegt.

Grondtekst: De overwinnende Ik zal geven hem (te) zitten met Mij op de troon van Mij, zoals ook Ik heb overwonnen en ben gaan zitten met de Vader van Mij op de troon van Hem.
De hebbende (een) oor hij moet luisteren naar wat de geest zegt aan de gemeenten.

Het is niet eenvoudig om in deze gigantische strijd overwinnaar op de aanrukkende demonen van de hel te zijn en te blijven.
Dit kan alleen door de kracht van Gods geest (in ons) en een rotsvast vertrouwen in het woord van God.
Deze belofte die aan de overwinnaars gegeven wordt, houdt het hoogste in, namelijk het zitten óp de troon van God, samen met Jezus!
Dit betekent aan de ene kant macht en autoriteit hebben over de demonen: hun invloed in alle opzichten uit het leven van mensen verwijderen en demonen zó machteloos maken.
In de tweede plaats betekent het zitten op de troon: met alle liefde, wijsheid en ontferming van God de gelovigen begeleiden tot het bereiken van het niveau van de volmaakte mens Jezus Christus.

Wij moeten op dezelfde manier overwinnen als Jezus dat doet en heeft gedaan:
U weet wat er in heel het Joodse land is gebeurd, hoe het begon in Galilea, hoe God, na de doop waartoe Johannes opriep, Jezus uit Nazaret met de heilige geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed.
Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij
(Handelingen 10:37-38).

Ook deze gemeente met haar hoge roeping wordt aangespoord om goed te letten op wat door deze profetie wordt uitgesproken.
Als God nu zelf heel duidelijk zegt dat overwinning mogelijk is, moet zij nadrukkelijk afstand nemen van de dwaling dat gelovigen zondaar blijven tot hun dood aan toe.
Dat wil dus zeggen: altijd slaven blijven van de demonen.
Maar Jezus zegt heel duidelijk:
Waarachtig, Ik verzeker u: iedereen die zondigt is een slaaf van de zonde.
Nu blijft een slaaf niet voor eeuwig in huis, maar de Zoon blijft wel voor eeuwig.
Dus wanneer de Zoon u vrij zal maken, zult u werkelijk vrij zijn
(Johannes 8:34-36).

Hoofdstuk 4

4:1

Hierna had ik een visioen.
Er stond een deur open in de hemel.
De stem die me eerder had toegesproken met het geluid van een bazuin, zei nu:
‘Kom hierboven, dan laat Ik je zien wat er hierna gebeuren moet.’

Grondtekst: Na deze (dingen) keek ik, en zie een deur geopend in de hemel, en de stem de eerste die ik hoorde (was) als van (een) bazuin sprekende met mij, zeggende kom omhoog hier en Ik zal tonen je welke (dingen) het is nodig (te) gebeuren na deze (dingen).

In de zeven brieven komt de ontwikkeling van de gemeenten aan de orde: hun strijd, hun nederlaag en hun overwinning.
Wat vóór de ‘laatste tijd’ op het christelijke erf allemaal aan geestelijke activiteit plaatsvindt, wordt in Openbaring 3:2 beschreven als niet-volmaakt, dus niet zoals God bedoeld heeft.
Hieruit blijkt dat de gelovigen het geestelijke niveau van Jezus Christus nog niet bereikt hebben.
In iedere gemeente zijn dingen te prijzen, maar er is ook vaak een ‘maar’.
Nu komt Johannes te weten wat hierna gebeuren moet.
Dus wat vastligt in het plan van God.

Zal het christendom na twintig eeuwen uitgaan als een kaars?
Want het lijkt toch geen stand te kunnen houden tegen de opkomende vloed van demonie?
Gelukkig kunnen we deze vragen ontkennend beantwoorden.
En wel omdat het boek Openbaring van Jezus Christus ons laat zien hoe Hij in de laatste tijd opnieuw op aarde verschijnt, maar dan in zijn gelovigen.
Dit is maar een betrekkelijk kleine groep mensen, maar zo is het in de geschiedenis altijd gegaan.
God kan helaas alleen maar een overschot, een rest, uit zijn schepping redden, zoals in de tijd van Noach en ook bij het volk Israël.
Het is altijd maar een (relatief) klein aantal mensen dat blijft geloven in het plan van God.
Zij volgen (als grote minderheid) de meerderheid in het kwaad niet.
Zij stellen hun geloof tegenover het ongeloof van de massa.

Noach en zijn familie worden in de zichtbare wereld gered uit de grote overstroming die over de aarde gaat.
Zo redt God in deze tijd een geestelijk volk uit het proces van zuivering dat een gevolg is van de toenemende zware pressie van het rijk van de duisternis, die over de hele wereld komt.

Jezus vertelt ons door de vergelijking van de tien verstandige meisjes dat zij juist met het oog op deze tijd van diepe duisternis hun olielampen in perfecte staat brengen (zie Matteüs 25:1-13).
Maar in deze periode verwachten ze dan ook de bruidegom, dit is een beeld van Jezus Christus die komt door volledig één te worden met zijn gemeente.

Het woord van God, profetieën en visioenen zijn in een geestelijk donkere wereld als lampen waarop we ons kunnen oriënteren.
Psalm 119:105:
Uw woord is een lamp voor mijn voet, een licht op mijn pad.
En 2 Petrus 1:19:
Ons vertrouwen in de woorden van de profeten is daardoor alleen maar toegenomen.
U doet er goed aan uw aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een lamp die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart.

Alsof we gebruik maken van gps-navigatie, zo kunnen we hierdoor de weg naar het eeuwige leven ongehinderd vinden en ook blijven volgen.
De wereld is een plaats van duisternis, dwaling en onkunde wat de eeuwige geestelijke dingen betreft.
En dus zijn we ‘verstandig’ als we het woord van God serieus onderzoeken, proberen de profetieën te begrijpen en vooral met ons hele wezen de bedoeling van God te omhelzen.
We moeten ons hier één mee maken en zo God (en zijn plan) lief krijgen met heel ons hart, onze ziel, ons verstand en onze kracht (zie o.a. Marcus 12:30).

Door Gods woord dat ons ook door de profetie duidelijk wordt, wordt ons gedachtenleven vernieuwd en richt het zich op het bereiken van de geestelijke volwassenheid.
Met hierbij als ons enige en grote voorbeeld: Jezus Christus.
Hiermee nemen wij de denkwereld van God over.
Daarom zullen we ook in onze gemeenten de geest van God niet uitdoven en de profetieën niet verachten die God ons ingeeft (zie 1 Tessalonicenzen 5:19-20).
Jezus zelf is het zuivere en volmaakte licht voor de wereld en dus ook voor ons, want Hij is de grootste profeet.
Zijn profeteren is volmaakt, want Hij kent de Vader zoals deze werkelijk is.

Hij is daarom de schitterende morgenster die de nieuwe dag of het nieuwe tijdperk vol leven en Goddelijke luister aankondigt.
Zijn komst in zijn gelovigen is de voorbode van die nieuwe toekomst, van de volmaakte dag waarop de zon van de gerechtigheid voorgoed zal opgaan.
Maleachi 4:2 NBG:
Maar voor u, die mijn naam vreest (= ontzag hebt voor), zal de zon van de gerechtigheid opgaan en er zal genezing zijn onder haar vleugels; u zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal.

Jezus (ver)schijnt in ons hart, beeld van onze innerlijke mens:
De God die heeft gezegd: Uit de duisternis zal licht schijnen, heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus (2 Korintiërs 4:6).
Het ópgaan van de morgenster wijst op een toenemende kennis en liefde van God in ons.
Als wij zó verlicht worden, denken we nooit dat we genoeg weten, maar zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toegroeien naar Hem die het hoofd is: Christus (zie Efeziërs 4:15).

Waar op de wereld vinden we zo’n onvoorstelbaar schitterend levensdoel?
Jesaja profeteert in verband met de laatste tijd over de rest van het volk:
Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer.
Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar
(Jesaja 60:1-2).

Op de grens van het tijdperk waarin wij leven, in het laatst van de dagen, zal God zijn geest uitgieten op al wat leeft, dus op iedereen die een levend contact met Hem onderhoudt.
Ondanks en middenin het geweld van de demonen, uitgebeeld door bloed, vuur en rook (zie Handelingen 2:19) zullen jullie zonen en dochters profeteren, jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten (zie Handelingen 2:17).

Jezus illustreert de ontwikkeling door de eeuwen heen van het koninkrijk van God met de vergelijking van zaad dat in de grond gebracht wordt.
Marcus 4:28-29:
De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar en dan het rijpe graan in de aar.
Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst.

Bij het sterven van Jezus wordt deze ‘graankorrel’ in de aarde gebracht.
Uit dit tarwegraan schiet de plant naar boven, eerst de halm en daarna de aar.
Beide zijn onmisbaar en toch zijn ze niet het doel.
Het gaat uiteindelijk om de vrucht die gelijk is aan wat in de grond gestopt is.
Zo zal de gemeente van de laatste tijd gelijkvormig worden aan Jezus Christus.
Maar deze kostbare opbrengst van het land komt pas dan als de vroege en de late regens gevallen zijn.
Jakobus 5:7:
Heb geduld, broeders en zusters, tot de Heer komt.
Denk eens aan de boer, die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land, tot de regens van najaar en voorjaar zijn gevallen.

We kunnen het laatste Bijbelboek zonder deze sleutelgedachte niet begrijpen.
Het gaat om een gigantische geestelijke strijd:
Aan de ene kant ontplooien satan en zijn demonen al hun krachten en willen ze zo de geestelijke en daarmee ook de wereldheerschappij grijpen.
Aan de andere kant openbaart zich de gemeente die gelijkvormig is geworden aan de Zoon door de kracht van Gods geest, die overvloedig in haar is uitgegoten.
Zij heeft het advies van Paulus opgevolgd, zoals staat in Efeziërs 3:18-19:
Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.
Wie dit nog meer tot zich wil laten doordringen, wordt geadviseerd heel dit prachtige hoofdstuk in de brief aan de Efeziërs te lezen!

In deze wereld heeft de Heer zich bekendgemaakt als de verkondiger van het evangelie van het koninkrijk, als de vergever van zonden, als de bevrijder van door demonen gebonden mensen en bezetenen en als de genezer van zieken.
Zo is Hij geweest op aarde en door de doop in Gods geest krijgen de gelovigen de mogelijkheid ook in dit opzicht gelijkvormig aan Hem te worden.

Maar het boek Openbaring behandelt in tegenstelling hiermee ook het zichtbaar worden van de wetteloze mens.
2 Tessalonicenzen 2:3:
Laat u door niemand misleiden, op geen enkele manier.
De dag van de Heer breekt niet aan voordat velen zich van het geloof hebben afgekeerd en de wetteloze mens verschenen is, hij die verloren zal gaan.
Wie vuil is, wordt nog vuiler; wie gebonden is, wordt nog meer gebonden.
Maar wie vrij is, wordt nog meer verlost van iedere band met de vijand.
Wie rechtvaardig is, openbaart nog meer rechtvaardigheid.

Door dit visioen krijgt Johannes nu met zijn geestesoog een rechtstreekse inkijk in de niet-zintuiglijk waarneembare wereld, de geestelijke dimensie.
Doordat hij ‘weggevoerd wordt in de geest’ wordt daar een deur voor hem opengedaan.
Opnieuw hoort hij de stem van Jezus, zoals in het begin in Openbaring 1:10.
Hij krijgt nu een nieuwe opdracht en daarvoor moet hij zijn geest losmaken van de aardse sfeer (‘kom hierboven’) en opstijgen naar de hemelse regionen.
Hij zal daar zien hoe de geschiedenis van de gemeente en de schijngemeente zich ontwikkelt.

Hij krijgt een toekomst ontsluierd waarin de problemen van de hele schepping opgelost worden.
Hij wordt bepaald bij de periode waarin zowel het onkruid als de tarwe tot volledige rijpheid komen.

4:2

Op hetzelfde moment raakte ik in vervoering .
Er stond een troon in de hemel en daarop zat iemand.

Grondtekst: En terstond raakte ik in (de) geest en zie, (een) troon stond in de hemel en op de troon (een) Zittende.

We kunnen niet langs natuurlijke weg in de geestelijke wereld komen, maar wel in en met onze geest die niet aan tijd of plaats gebonden is.
Johannes mag een blik slaan in deze tijdloze, geestelijke of immateriële wereld die met het natuurlijke oog niet te zien is.
Wanneer hij in vervoering raakt of met zijn geest belandt in deze geestelijke dimensie, kan hij daar (dingen) ‘zien’.
Ook Stefanus ziet, als hij vol van Gods geest is, deze geestelijke werkelijkheid.
Handelingen 7:55-56:
Maar vervuld van de heilige geest sloeg Stefanus zijn blik op naar de hemel en zag de luister van God, en Jezus, die aan Gods rechterhand stond, en hij zei:
Ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat.

Deze eerste christelijke martelaar ziet de poort van de hemel wijd open en de Mensenzoon staan aan de rechterhand van God.
Petrus raakt in zinsverrukking en:
Hij zag hoe vanuit de geopende hemel een voorwerp dat op een groot linnen kleed leek aan vier punten op de aarde werd neergelaten (Handelingen 10:11).
Paulus, die het over zichzelf heeft, zegt:
Ik ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd – in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen.
Maar ik weet dat deze man – in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen – werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken
(2 Korintiërs 12:2-4).
Dit zijn geestelijke zaken die hij niet kan vertalen in woorden en beelden uit de zichtbare wereld.
De hemelse dingen, van de geestelijke en eeuwige wereld, hebben geen aardse dimensie.

Als Johannes om zich heen kijkt in deze geestelijke wereld, worden hem beelden van deze werkelijkheid getoond die hij als mens wél beschrijven mag.
Zo kunnen wij nu kennis opdoen van deze visioenen in het boek Openbaring.
Maar het is niet altijd zo eenvoudig om vanuit deze beelden de geestelijke realiteit te vinden.
Veel mensen hebben geprobeerd dit boek te verklaren, maar onderling zijn er veel verschillen in uitleg.
De leiding en de wijsheid van Gods geest zijn hierbij onmisbaar.
1 Korintiërs 2:13:
Daarover (over wat God ons in zijn genade heeft gegeven) spreken wij, niet op een manier die ons door menselijke wijsheid is geleerd, maar zoals de geest het ons leert: wij verklaren het geestelijke met het geestelijke.

Mozes ziet de tabernakel van God die in de hemel is en hij moet deze in aardse vormen nabouwen.
In het nieuwe verbond begrijpen wij de bedoeling van de ceremonies van het oude verbond door het offer van Jezus Christus.
Wij kunnen deze overzetten vanuit het schaduwbeeld naar de hemelse werkelijkheid.
Kolossenzen 2:16-17:
Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is.

Op de Pinksterdag ontvangen de volgelingen van Jezus de belofte dat de zintuigen van de geestelijke mens zullen gaan functioneren.
De zonen en dochters horen de stem van God en geven deze door in profetieën.
De ogen van de jonge mensen worden geopend en zij krijgen ‘gezichten’.
De oude mensen gaan ‘dromen’, wat betekent dat hun aardse bewustzijn plaats maakt voor de dimensie van het onzichtbare.

We begrijpen misschien eigenlijk nog te weinig van de Openbaring omdat we zo sporadisch in geestvervoering zijn geweest.
Onze innerlijke mens moet nog groeien, sterker worden en in kracht, wijsheid en liefde toenemen en dan zullen we alles, ook van dit boek, begrijpen.
De prachtige wens (en belofte) in Efeziërs 3:16-19 zal ons dit mogelijk maken:
Moge Hij vanuit zijn rijke luister uw innerlijke wezen kracht en sterkte schenken door zijn geest, zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde.
Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.

Het is dus zó belangrijk om de liefde na te jagen en te streven naar de begaafdheden van de heilige geest van God (zie 1 Korintiërs 14:1).

Omdat we misschien soms nog zo weinig van het geestelijke begrijpen, is het moeilijk de afbeeldingen van de hemelse dingen helemaal goed te vertalen naar de onzichtbare werkelijkheid.
Daarom hebben de meeste christenen dan ook een voorstelling van de ‘hemel’, die niet veel anders is dan de gedachten van onze heidense voorouders met hun idee van het Walhalla als het toppunt van aardse genoegens.

Het komen in zinsverrukking of in de geest, in geestvervoering of buiten zichzelf zijn of in extase, het heeft allemaal niets te maken met een overstroming van het gevoelsleven, waar dit vaak mee wordt verward.
Paulus zegt in 2 Korintiërs 5:13:
Zijn we in extase, dan is het voor God; zijn we bij zinnen, dan is het voor u.
Met dit ‘buiten zichzelf zijn’ wordt een toestand van de geest bedoeld waarin er een intens contact met God is en waarin de buitenwereld als het ware even wordt vergeten.
Zo’n situatie kan zich voordoen tijdens het bidden of het bidden in een geestelijke taal, maar vooral bij het krijgen van een visioen of een openbaring van God.

Maar wie profeteert blijft altijd de macht over zijn eigen geest houden.
1 Korintiërs 14:32:
En wie profeteert heeft macht over zijn geest.
Bij religies waar demonen worden aanbeden, zien we dat dezen de menselijke geest hierdoor kunnen overweldigen.
Het gevolg hiervan bestaat vaak uit gruwelijke taferelen, waaronder zelfverminking, mensen- en kinderoffers en andere afschuwelijke zaken.

De geest van God, verbonden met onze menselijke geest, wil ons dingen laten zien en horen die van de geestelijke dimensie zijn, met name die van het koninkrijk van God.
Hij wil ook dat wij deze dingen bekend maken, dus uitspreken, om daarmee de komst van zijn koninkrijk te bevorderen.
En daarmee verbonden, te werken aan de opbouw van het lichaam van de Heer, de gemeente.

Omdat Johannes in geestvervoering is, kan hij ook de troon van God zien.
Deze troon moeten we ons uiteraard niet natuurlijk voorstellen als een kostbare en rijk met goud en edelstenen versierde stoel ergens in de kosmos, waarop God zit.
God is geest en zijn troon bevindt zich daarom in de onzichtbare, geestelijke wereld.
Deze troon is geen stoel, maar het symbool van de almacht en de hoogste autoriteit van de Schepper van hemel en aarde.

4:3

Degene die daar zat had een uiterlijk als van jaspis (of: diamant) en sarder (of: sardius) en rond de troon was een regenboog die eruitzag als smaragd.

Grondtekst: En de Zittende was gelijkende voor (het) aanzien op (een) steen jaspis- en carneool-; en (een) regenboog (was) rondom de troon lijkende voor (het) aanzien op smaragd.

In het oude verbond bestaat het dienen van God voor de meeste mensen uit het opvolgen van wetsvoorschriften en het uitvoeren van ceremonies.
Dit zijn aardsgerichte, zichtbare bezigheden, maar zo kan niemand God zien en ontdekken wie Hij exact is en wat Hij precies wil.
Maar Johannes ziet nu met zijn geestelijke ogen Hem die op de troon zit.
Wat hij ziet, lijkt op diamant en sardius.
De troon van God bestaat uit zuiver licht en er is een duizendvoudige en veelkleurige weerkaatsing te zien van de luister van God.

Licht en duisternis zijn symbolen uit de natuurlijke wereld; ze beelden leven of dood uit, b.v.:
In het woord was leven en het leven was het licht voor de mensen (Johannes 1:4) en
Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen (Matteüs 4:16).

Alles wat met God in verbinding staat is onaantastbaar en onbreekbaar en weerkaatst zijn luister als edelstenen.
Tegelijk is alles in de hemel transparant en veelkleurig omdat God niet gecompliceerd is en Hij een oneindige (veelkleurige) wijsheid bezit.

De bloedrode sardius is de uitbeelding van de vergeving van onze zondeschuld door het bloed van het Lam, dat met de Vader heeft plaatsgenomen op de troon en voor altijd zit aan de rechterhand van God.
Het licht dat van de Vader en de Zoon uitstraalt, weerkaatst tegen een wolk (beeld van de gemeente) en wordt gezien als een regenboog waarin de smaragdgroene kleur overheerst.
Deze regenboog symboliseert de veelkleurige wijsheid van God, die beschreven wordt in Efeziërs 3:10:
Zo zal nu door de gemeente de wijsheid van God in al haar schakeringen (grondtekst: zeer veelkleurige, zeer gevarieerde, zeer veelvoudige wijsheid) bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen …
Wat is het een voorrecht voor ons als gemeente om deze wijsheid in de geestelijke wereld bekend te mogen maken door Gods luister in ons midden te laten zien!

De regenboog is ook een beeld van de overeenkomst die God met de mens heeft gesloten onder het oude verbond na de grote overstroming.
Hier is hij het teken van de overeenkomst die God in Christus Jezus heeft vernieuwd onder het nieuwe verbond.
In Matteüs 24:30 zegt Jezus dat zijn teken in de hemel gezien zal worden, wanneer Hij op (of: in) de wolken van de hemel, dus in de gemeente, komt of zichtbaar wordt.
De groene kernkleur van de regenboog die nu domineert, is symbool van eeuwig leven, van Gods trouw en oneindige liefde.
Want Jezus geeft vorm aan de gemeente en door haar herstelt Hij de hele schepping.
Wie deel uitmaakt van deze gemeente zal niet omkomen in de grote geestelijke verdrukking die over de aardsgerichte mensheid zal komen (zie bij Openbaring 7:14).

4:4

Om de troon heen stonden vierentwintig andere tronen, waarop vierentwintig oudsten zaten.
Ze droegen witte kleren en hadden een gouden krans op hun hoofd.

Grondtekst: En rondom de troon tronen twintig en vier, en op de tronen zag ik de twintig en vier oudsten zittende, bekleed in/met kleren witte; en zij hadden op de hoofden van hen kransen gouden.

De troon van God is omringd door de 24 tronen van de vertegenwoordigers van een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht (zie 1 Petrus 2:9).
Zij vertegenwoordigen de gemeente van het oude en van het nieuwe verbond, vandaar hun aantal van 24:
het oude verbond met de twaalf stammen van het natuurlijke volk Israël en het nieuwe verbond dat gebaseerd is op de leer van de twaalf apostelen; samen vormen ze het nieuwe, geestelijke volk van God.
Het is een koninklijke en heilige groep van oudsten en dezen hebben een hoge (maar juist daardoor ook een dienende) positie.
Ze hebben veel kennis van God en ze worden door Johannes met eerbied aangesproken

In het nieuwe verbond zien we deze gekroonde priesters in dienst van de geestelijke tempel, de gemeente van Jezus Christus.
Hun kronen of kransen wijzen erop dat het woord van God in hen heeft overwonnen en zijn doel bereikt heeft:
Jezus is in hen zichtbaar geworden en zij zijn overwinnaar op elke vorm van duisternis.
Ze dragen witte mantels of witte kleren, namelijk die van herstel en rechtvaardigheid, waardoor zij aangeven dat hun daden in het teken staan van het plan van God (zie Openbaring 19:8).
Ze kunnen met Jesaja (61:10 NBG) zeggen:
Ik verblijd mij zeer in de Heer, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de kleren van het heil, met de mantel van de gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, zoals een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt en een bruid, die zich met haar versierselen tooit.

Alles in hen komt overeen met de bedoeling van God.
Deze nieuwe schepping vertelt in woord en wezen de luister van God: de mens die het niveau van de volmaakte mens Jezus Christus bereikt heeft.
Het beeld van de 24 tronen, teken van autoriteit en macht, die rondom de troon van God staan, laat ons zien wat het plan van God met de mensheid inhoudt.
Hoewel er gesproken wordt over aparte tronen, vormen ze toch een onderdeel van de zeer grote witte troon die in Openbaring 20:11 genoemd wordt.
Hierop zullen allen mogen zitten die in de strijd tegen de demonen uit het rijk van de duisternis net zo overwinnen als hun Heer (zie Openbaring 3:21).
Ze zijn géén zondaars of slaven van de zonde tot de dag van hun dood gebleven!
Zij zijn (zelfs meer dan) overwinnaars!

4:5-6

Van de troon gingen bliksemschichten uit en donderslagen en groot geraas (of: geluid van stemmen).
Voor de troon brandden zeven vurige fakkels; dat zijn de zeven geesten van God.
Ook lag er voor de troon iets als een zee van glas, van kristal.
Midden voor de troon en eromheen waren vier wezens, die van voren en van achteren een en al oog waren.

Grondtekst: En uit de troon komen uit bliksemflitsen en donderslagen en geluiden; en zeven fakkels van vuur brandende voor het aangezicht van de troon die zijn de zeven geesten van God.
En voor het aangezicht van de troon (een) zee glazen, gelijkend op kristal.
En in (het) midden van de troon en rondom de troon vier levende wezens vol zijnde met ogen van voor en van achter.

Voor de troon ligt een zee als van glas, dat lijkt op kristal.
De zee is het beeld van de geestelijke wereld die niet verbonden is met God.
Zij is een verzamelplaats met hoogten (eilanden) en diepten (diepste duisternis) waarin alle religieuze stromingen bij elkaar komen.
Dit is te vergelijken met een zichtbare zee waarin rivieren uitmonden.

Water van deze zee dat verwarmd en verlicht wordt door de zon, stijgt op en vormt wolken.
Dit is het beeld van de gemeente die bestaat uit mensen die zich koesteren in de Zon van de gerechtigheid, God.
Deze zee is hard als glas, ja zelfs als kristal, want hier regeren de demonen en de dood, hard en zonder medelijden.
Mensen moeten nauw met God verbonden zijn en blijven om hieruit te kunnen ontsnappen.

In de tijd van de grote vloed gaat de oude wereld ten onder in het water.
Alle mensen en landdieren verdrinken, behalve een aantal mensen en dieren in de ark van Noach.
Door hun geloof ontkomen deze mensen aan de ramp.
Het oude volk Israël trekt door de zee heen en ontkomt zo aan Egypte, beeld van de onderdrukking.
Zijn belagers, beeld van demonen, moeten hun prooi loslaten en komen zelf om in deze zee en zinken weg naar het rijk van de dood.

De zee als van glas en kristal met vuur vermengd (zie Openbaring 15:2) wijst op de geestelijke onderdrukking die over de wereld komt, die zonder God leeft, en intussen al voor het grootste deel gekomen is.
Dat kunnen we dagelijks en overal om ons heen zien.
In deze zee of concentratie van anti-Goddelijke gedachten, krachten en machten gaan de zondige mensen samen met de demonen ten onder.
Maar zij die door de Heer vrijgemaakt zijn van deze demonen en hun inspiraties komen niet om, maar ze worden gered door de kracht en de liefde van Gods geest die in hen woont.
Zij mogen het lied van Mozes, de dienaar van God en het lied van het Lam zingen (zie Openbaring 15:3).

De ondergang van de eerste wereld gaat gepaard met enorme natuurverschijnselen.
Ook bij de doortocht van het volk Israël door de Rode Zee lezen we in Psalm 77:18-21 over iets dergelijks:
De wolken stortten water, de hemel dreunde luid, uw pijlen flitsten heen en weer, uw donder rolde dreunend rond, bliksems verlichtten de wereld, de aarde trilde en schokte.
Door de zee liep uw weg, door de wijde wateren uw pad, maar uw voetsporen bleven onzichtbaar.
U leidde uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.

Zo zullen ook bij de voltooiing van het plan van God geestelijke bliksemflitsen, geraas en dreunende donderslagen de eindfase hiervan inluiden.
Satan zal zich letterlijk ‘met alle geweld’ in de geestelijke wereld tegen zijn nederlaag verzetten.
Hij weet dat hij niet veel tijd meer heeft.
De krachten van de onzichtbare wereld komen in beweging.
Op de Pinksterdag spreekt Petrus in dit verband over bloed, vuur en rook (zie Handelingen 2:19), maar tegelijk wijst deze apostel op de uitstorting van Gods geest.

Jezus zegt over deze tijd en de rol van de zee of de geestelijke wereld hierin:
Dan zullen er tekenen zijn aan de zon en de maan en de sterren en op aarde zullen de volken sidderen van angst voor het gebulder en het geweld van de zee; de mensen worden onmachtig van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemelse machten zullen wankelen.
Maar ook:
Maar dan zullen ze op (of: in) een wolk de Mensenzoon zien komen, bekleed met macht en grote luister.
Wanneer dat alles staat te gebeuren, richt je dan op en hef je hoofd, want jullie verlossing is nabij!
(Lucas 21:25-28).

Dan worden de luister en de kracht van de geest van God in de gemeente van de Heer in alle opzichten zichtbaar.
De zeven geesten van God zijn symbool van de volheid van zijn heilige geest, die in de zeven gemeenten, symbool van de gemeente van alle tijden en plaatsen, werkzaam is.
Ze verlichten dan als brandende toortsen of lampen de weg van de zonen van God, zoals bij de vlucht door de Rode Zee de lichtende vuurzuil of vuurkolom dit doet voor het natuurlijke volk Israël.
Door de onderdrukking heen wordt het geestelijke volk van God vrijgemaakt van al zijn bindingen met en inspiraties vanuit het rijk van de duisternis.

God is niet van zijn schepping te scheiden.
Vanuit zijn oneindige en veelkleurige wijsheid en oneindige liefde heeft God de Vader de macro- en microkosmos en mensen, planten, vissen, vogels en alle andere dieren geschapen.
In hun oneindige variatie en op een onbeschrijflijk schitterende manier vertellen zij door hun bestaan de onvoorstelbare grootheid van hun Schepper.
Sommige dieren en planten ervaren minder de invloed van de pressie van de demonen.
Maar andere zijn in hun wezen zo overweldigd dat ze alleen maar bruikbaar zijn voor het beschadigen en vernietigen van hun medeschepsels.

Als de eerste wereld in de grote overstroming ondergaat, worden de vertegenwoordigers van de schepping door de ark van Noach gered.
Zo blijft een restant van de levende schepping gespaard en wel door de gehoorzaamheid van Noach aan het woord van God.
Zo ook wordt de nieuwe schepping gered door de zonen van God.
De vier dieren, of beter: levende wezens, kunnen daarom in de ‘hemel’ gezien worden als de vertegenwoordigers van de nieuwe schepping.
Ze leven niet meer onder de heerschappij en de onderdrukking van de heerser over de demonen en over het ongehoorzame deel van de wereld.
Maar ze zijn nu onder het gezag en de bescherming van Jezus Christus gekomen.

De vier wezens staan in het centrum van de macht van God, dat wil zeggen: de hele levende schepping functioneert nu zoals het de bedoeling van God vanaf het begin geweest is.
De aarde en de hele schepping zijn gemaakt voor de mens om er te kunnen wonen.
Jesaja 45:18:
Dit zegt de Heer, die de hemel geschapen heeft – hij is God! –, die de aarde gemaakt en gevormd heeft en die haar heeft gegrondvest – niet als chaos schiep Hij de aarde, maar om te bewonen heeft Hij haar gevormd: Ik ben de Heer, er is geen ander.

Ook in de toekomst zal de schepping een rol blijven spelen in het leven van de mensheid.
Er zal bovenal rechtvaardigheid zijn op aarde, want er komt een nieuwe of vernieuwde aarde (zie Jesaja 65:17, 66:22, 1 Petrus 3:13 en Openbaring 21:1).
De nieuwe schepping is, evenals de nieuwe mens, uit de oude ontstaan.
De ogen aan de achterkant wijzen op de verbondenheid met het verleden en die aan de voorkant op het uitzicht op een onmeetbaar vreugdevolle toekomst.

Zoals de mens in geestelijk opzicht vooruit moet kijken om nuttig te kunnen zijn in het koninkrijk van God, zo heeft ook de levende schepping een nuttige en eeuwige toekomst.
Net zomin als wij ons de troon van God als een stoel in de hemel moeten voorstellen, zo moeten wij over deze dieren in de hemelse regionen ook niet in bepaalde aardse vormen denken.
Wat hier weergegeven wordt is een symbool van de levende schepping die met de aarde van nu en later verbonden is.
Dit geldt ook voor de 24 oudsten; we moeten ons hen uiteraard niet voorstellen als een soort oudere mannen, maar ze zien als een uitbeelding van de gemeente van alle tijden en plaatsen.
Hieruit ontstaan de eersten van de mensheid die aan het plan en het doel van God in alle opzichten beantwoorden.

4:7

Het eerste wezen zag eruit als een leeuw en het tweede als een jonge stier; het derde had een gezicht als een mens en het vierde leek een vliegende adelaar.

Grondtekst: En het levende wezen eerste (was) gelijkend (een) leeuw en het tweede levende wezen (was) gelijkend op (een) rund en het derde levende wezen hebbende het gezicht als (een) mens en het vierde levende wezen (was) gelijkend op (een) adelaar vliegende.

Hier zien we hier dus vier levende wezens als vertegenwoordigers van de hele schepping.
Het eerste dier lijkt op een leeuw, het roofdier dat eens stro zal eten als een rund (zie Jesaja 11:7).
Het tweede dier lijkt op een rund, een symbool van dieren die in de loop van de tijd tot huisdier gemaakt zijn, dat de mens eten geeft en ook door de mens gegeten wordt.
Het derde dier heeft het gezicht als van een mens; dit dier dat meestal in de bomen leeft en dat een gezicht heeft dat op dat van een mens lijkt, vertegenwoordigt de andere landdieren.
Het vierde dier, de adelaar, is de vertegenwoordiger van de vliegende dieren, de vogels.
Hoewel de zeedieren niet genoemd worden, vallen deze naar we mogen aannemen ook onder het bovenstaande.

Zoals we de kunstzinnigheid en -vaardigheid van een kunstenaar uit zijn kunstwerken kunnen herkennen, zo is de niet te meten grootheid van God op te maken uit wat Hij gemaakt heeft.
Romeinen 1:20:
Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar (of: te begrijpen).
Ons hoofdstuk eindigt met: … want U hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is.
Maar de Bijbel zegt ook dat zijn schepping nu nog niet aan haar doel beantwoordt en lijdt om de mens die in nood is.
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen (Romeinen 8:20).

Adam heeft door ongehoorzaam te zijn aan God zijn positie van heerser over de schepping aan satan overgedragen.
Jezus zegt: … iedereen die zondigt, is een slaaf van de zonde (zie Johannes 8:34).
De aarde is door deze daad van de mens in de macht van de duisternis gekomen.
Ze kan daardoor niet tot haar volle doel komen dat God met haar voorheeft.
Zo is zij aan de leegheid, de zinloosheid of de vruchteloosheid onderworpen en kan ze daardoor de luister van God niet in alle facetten laten zien.

Ook de mens die de schepping moet besturen en exploiteren, schiet hierin tekort omdat hij vaak wordt geïnspireerd door satan en zijn demonen.
De mens zelf kan zo niet tot volledige ontplooiing komen, maar hij blijft in de meeste gevallen steken op het aardse, zichtbare niveau.

Als de Heer Jezus aan het kruis hangt lopen de demonen op Hem storm.
Het gevolg hiervan wordt zelfs zichtbaar in de natuurlijke wereld, want de lucht wordt verduisterd.
Zo ligt de lijdende en zuchtende schepping onder de pressie van de demonen.
Romeinen 8:22:
Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt.
Het is niet vanzelfsprekend dat een leeuw zijn prooi zonder medelijden verscheurt en dat een slang zijn slachtoffer vergiftigt.
Zij zijn overweldigd en dit blijkt uit hun manier van leven.
Dit zien we ook bij miljoenen mensen van wie we ditzelfde kunnen zeggen.
Ze zijn dit in veel gevallen zelfs vrijwillig, omdat zij de duisternis liever hebben dan het licht.

Maar de schepping is niet vanuit haar eigen wil aan zinloosheid en lijden onderworpen, want zij heeft niet zelf kunnen kiezen.
Zij ligt als gevolg van de verkeerde keus van de mens onder de invloed van het rijk van de duisternis en ze verlangt daarom sterk naar het zichtbaar worden van de zonen van God.
Romeinen 8:19 NBG:
Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen van God.
Door de mens is zij in een toestand van slavernij gekomen, maar door mensen die zonen van God geworden zijn, zal zij ook bevrijd worden.

4:8

Elk van de vier wezens had zes vleugels, met overal ogen langs de randen en aan de binnenkant.
Dag en nacht herhalen ze: ‘Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.

Grondtekst: En vier levende wezens, één voor zich hadden ieder vleugels zes, rondom en vanbinnen vol zijnde met ogen, en rust niet zij hebben dag en nacht, zeggende: heilig, heilig, heilig (is)(de) Heer God de Almachtige, de was en de Zijnde en de Komende.

De aanwezigheid van vleugels wijst op bevrijde wezens.
Ze zijn aan de beperkingen van de invloed van de duisternis onttrokken en ze kunnen nu opstijgen tot grote hoogte in de geestelijke dimensie.
Ze kunnen tot hun volle doel komen.
Ze hebben rondom en vanbinnen ogen, dat wil zeggen: ze hebben uitzicht op een totaal herstel zowel van het uiterlijk van de schepping als van het innerlijk.
Want:
Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden.
Een koe en een beer grazen samen, hun jongen liggen bijeen;
een leeuw en een rund eten beide stro.
Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang
(Jesaja 11:6-8).

De wezens pauzeren nooit.
Dit is geen teken van onrust, maar de herstelde schepping functioneert nu zonder enige onderbreking naar de wil van God.
De invloed van het rijk van de duisternis is van de schepping weggenomen en haar ogen zien het totale herstel en hen door wie zij dit herstel krijgt: de zonen van God.
De wezens vereren de Heer die de beschadigingen en de pressie van hen weggenomen heeft.
Ze prijzen de eeuwige God die hen vrijgemaakt en hersteld heeft.
Hun volledige functioneren naar de wetmatigheden van God, in oneindige schoonheid en volmaaktheid, verheerlijkt de almachtige Schepper als de Heilige en Onaantastbare.
Hij is van vóór de oorsprong van alle dingen, Hij is altijd en overal aanwezig en Hij zal in al zijn volheid komen wonen in hen die in Hem geloven:
God alles in allen!

4:9-11

Telkens als deze wezens lof, eer en dank brengen aan degene die op de troon zit en die tot in eeuwigheid leeft, werpen de vierentwintig oudsten zich neer voor Hem die op de troon zit, en aanbidden Hem die leeft tot in eeuwigheid, en leggen hun kransen voor zijn troon met de woorden:
‘U komt alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God, want U hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is.’

Grondtekst: En (telkens) wanneer zullen geven de levende wezens heerlijkheid en eer en dank aan de Zittende op de troon, aan de levende tot in de eeuwen van de eeuwen, zullen vallen de twintig en vier oudsten voor het aangezicht van de Zittende op de troon, en zij aanbidden de Levende tot in de eeuwen van de eeuwen en zij werpen de kransen van hen voor het aangezicht van de troon, zeggende: waard U bent, Heer (om) te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de macht, omdat U hebt geschapen het panta (al/alle(dingen) en door de wil van U zijn zij en zijn zij geschapen.

Nu de schepping volledig hersteld is, looft en prijst ook de gemeente haar Schepper hiervoor.
Want door middel van haar heeft God de schepping hersteld.
En nu dit gebeurd is, geeft de gemeente onder dank en aanbidding de heerschappij over aan God, de Vader, de Schepper.
In dit verband kunnen we van Jezus Christus, haar hoofd, lezen:
En op het moment dat alles aan Hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan Hem die alles aan Hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren (NBG: opdat God zal zijn alles in allen) (1 Korintiërs 15:28).
Er zal een volmaakte harmonie zijn tussen de Schepper en zijn schepping.

De schepping is onvoorstelbaar blij en roemt stralend van leven en volmaakt goed functionerend, zoals in het begin, haar Schepper.
Om God, de eeuwig Levende, concentreert zich tenslotte alle aanbidding en dank.
De 24 oudsten hebben in de autoriteit van Jezus Christus, dit is: door de kracht, de wijsheid en de liefde van Gods heilige geest dit herstelwerk uitgevoerd.
Daarom ook hebben ze hun overwinningskransen gekregen, de bekroning van hun werk.
Deze leggen ze voor God neer als teken van het teruggeven van hun macht aan God, waardoor ze aangeven dat wat ze gedaan hebben, zuiver en alleen het werk van God is.
Ze voegen zich ook bij de aanbidding door de levende schepping en verheerlijken, als vaders in het geloof, hun God.
Ze hebben Hem leren kennen als Hij die er is van vóór de oorsprong van alle dingen en die voor altijd blijft leven.
Hij blijft voor altijd leven in en met hen die Hij liefheeft en die Hem liefhebben en die zijn woord in hun leven hebben waargemaakt.
Alleen daarom is alles geschapen!

Het brengen van lof, eer en dank eindigt met een erkenning van Gods scheppende en herstellende majesteit.
Alles is uit Hem ontstaan, alles is door Hem geschapen, alles heeft in Hem zijn doel.
Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen
(Romeinen 11:36).
God alles in allen!

Ook wij danken Hem als leden en vertegenwoordigers van de gemeente, want wij staan volledig achter wat Paulus zegt in Romeinen 8:18:
Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.
De overwinning is aan Gods kant en aan die van hen die (meer dan) overwinnaars zijn!

Hoofdstuk 5

5:1

Toen zag ik dit: degene die op de troon zat had in zijn rechterhand een boekrol die aan beide kanten beschreven was en met zeven zegels was verzegeld.

Grondtekst: En ik zag op/in de rechter (hand of – zijde) van de Zittende op de troon (een) boek beschreven van binnen en van achteren verzegeld met zegels zeven.

In de boekrol die de Vader in zijn rechterhand heeft, staat een beschrijving van dat deel van het plan van God dat nog uitgevoerd moet worden.
Bij het verbreken van iedere zegel wordt door visioenen iets van het oorspronkelijke ontwerp onthuld (vergelijk hiermee 2 Kronieken 24:13 NBG).
Als we leren deze beelden die gebruikt worden, in de geestelijke werkelijkheid te plaatsen, gaan we de gedachten van God begrijpen die Hij bezig is te realiseren.

Eén onderdeel wordt ons niet geopenbaard, namelijk:
Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden (Handelingen 1:7).
Deze heeft de Vader ons niet bekendgemaakt, maar ze blijven (nog) in Hem verborgen.
Het is als met een tekening of kaart waarvan wij de schaal of de verhouding tot de werkelijkheid niet kennen.
Ook in het boek van de Openbaring van Jezus Christus begrijpen we (nog) niet de betekenis van uren, dagen, maanden en jaren, soms wel ten opzichte van elkaar, maar nog niet in absolute zin.

Maar we weten dat ook deze dingen ons bekend gemaakt zullen worden door de geest van God die in ons woont.
Deze geest doorgrondt alles, ook de diepten (de diepste gedachten), plannen en eigenschappen van God.
1 Korintiërs 2:10:
God heeft ons dit geopenbaard door de geest, want de geest doorgrondt alles, ook de diepten van God.

De kenmerken van de tijd kunnen we aan de hand van deze visioenen wél onderscheiden, maar we kunnen in dit verband nog niet het exacte tijdstip aangeven waarin we nu leven.
We zien hoe in de rechterhand van God een boekrol ligt.
De rechterhand is het beeld van zijn heilige geest, waardoor Hij zijn plan uitwerkt.
Deze boekrol staat zó vol met toekomstige gebeurtenissen, dat niet zoals gebruikelijk alleen de binnenkant, maar ook de buitenkant ervan beschreven is.
De zegels zijn zo aangebracht dat steeds een deel van de rol gelezen kan worden als er één verbroken wordt.

5:2

Ik zag een machtige engel die met luide stem uitriep:
‘Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?’

Grondtekst: En ik zag (een) engel sterke verkondigende met (een) stem luide: wie is waardig (te) openen het boek en los (te) maken de zegels van het?

Johannes ziet een machtige of sterke engel, misschien de aartsengel Gabriël, die van zichzelf zegt: ‘Ik ben Gabriël, die altijd in Gods nabijheid is …’ (zie Lucas 1:19).
Deze engel is in de volheid of bij de voltooiing van de tijd (zie Efeziërs 1:10) de eerste die hoort van het begin van Gods plan met betrekking tot het herstel van de schepping en hij heeft dit ook mogen doorgeven.
Jezus wordt geboren en Hij zal zich laten zien als hersteller van mensen, zowel naar hun innerlijk als hun uiterlijk.
Volheid of voltooiing van de tijd kunnen we omschrijven als het beslissende, afsluitende moment van een periode in het plan van God.

Ook nu is er sprake van een nieuwe start, namelijk de openbaring van Jezus Christus in de gemeente.
Zij herstelt de hele schepping, net als Jezus zelf mensen geneest en herstelt tijdens zijn leven op aarde.
Gabriël is de wegbereider van de uitvoering van het plan van God: zowel in de volheid van de tijd als in de volheid van de tijden.
Efeziërs 1:9-10:
… dit mysterie onthuld: zijn voornemen om met Christus de voltooiing van de tijd te verwezenlijken en zijn besluit om alles in de hemel en op aarde onder één hoofd bijeen te brengen, onder Christus.

Nu stelt hij de indringende vraag wie er voldoet aan de eisen van God om uitvoerder te zijn van de verdere uitwerking van zijn plan.

Het losmaken van de zegels wijst op een toename van kennis over het plan van God en van kracht, liefde en wijsheid van de geest van God in zijn gemeente, waardoor er een nieuwe fase kan aanbreken.

5:3-5

Maar er was niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen en inzien.
Het deed me veel verdriet dat blijkbaar niemand het verdiende om de boekrol te openen en hem in te zien.
Toen zei een van de oudsten tegen mij:
‘Wees niet verdrietig. Want de leeuw uit de stam Juda, de telg van David, heeft de overwinning behaald en daarom mag Hij de boekrol met de zeven zegels openen.’

Grondtekst: En niemand kon in de hemel noch op de aarde, noch onder de aarde, openen het boek, noch inzien het.
En ik huilde vele (tranen) omdat niemand waard was gevonden (te) openen en (te) lezen het boek, noch (in)(te) zien het.
En één uit de oudsten zegt aan mij: huil niet, zie heeft overwonnen de Leeuw de zijnde uit de stam van Juda, de wortel van David (om) (te) openen het boek en los (te) maken de zeven zegels van het.

Op de vraag van de engel komt geen antwoord.
De hele schepping zwijgt omdat zij dit grootse werk niet kan begrijpen, laat staan uitvoeren.
Niemand in de onzichtbare of in de zichtbare wereld of onder de aarde (in het rijk van de dood) durft of kan de boekrol aannemen en inzien.
Dat doet Johannes veel verdriet en hij huilt bittere tranen, omdat hij vreest dat (hierdoor) de uitvoering van het plan van God ernstig wordt belemmerd.
Toch heeft ook hij grote verwachtingen van de toekomst.
Hij kent de profetieën met de belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Jesaja 65:17:
Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Wat er vroeger was raakt in vergetelheid,
het komt niemand ooit nog voor de geest.

Maar niemand van de profeten heeft ooit inzicht gekregen in de manier waarop dit tot stand zal komen.

Ja, zelfs tot nu aan toe geloven veel mensen, die zich christen noemen, dat dit herstel van de schepping ‘als bij toverslag’ gebeurt.
En dit ondanks het feit dat de hele zichtbare schepping van God het bewijs levert dat alles zich volgens vaste wetmatigheden en planmatig ontwikkelt.
Het verdriet van Johannes is hetzelfde als dat van de mensen die op weg zijn naar Emmaüs en die na het sterven van Jezus diep teleurgesteld klagen:
Wij leefden in de hoop dat Hij degene was die Israël zou bevrijden, maar intussen is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is (Lucas 24:21).

Zoals Jezus zelf de reizigers naar Emmaüs troost, zo komt hier een van de oudsten Johannes bemoedigen met de woorden:
Wees niet verdrietig of: Huil niet.
Hij wijst hem op Jezus, die hij de Leeuw uit Juda’s stam noemt en de nakomeling van David.
Jacob vergelijkt op zijn sterfbed in een profetie zijn zoon Juda met een jonge leeuw (zie Genesis 49:9-10).
Zijn grote Zoon (Silo of Heerser) wordt hier dus de Leeuw uit de stam van Juda genoemd.
Dit wijst op zijn menselijke afkomst, terwijl de uitdrukking: de wortel van David zijn geestelijke oorsprong aangeeft (zie verder bij Openbaring 22:16).

Van Jezus wordt getuigd dat Hij alle vijandige geestelijke machten hun wapenrusting (van ziekte, zonde, misleiding, verleiding, geweld en dood) heeft afgenomen en hierna heeft laten zien dat ze machteloos zijn.
Letterlijk staat er: hen in triomf heeft meegevoerd.
Kolossenzen 2:15:
Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd.
Dit betekent dat de demonen geen recht meer op ons hebben en dus geen grip meer op ons mogen houden.
Jezus ontleent hieraan zijn autoriteit, waardigheid en deskundigheid om de boekrol te openen en de zegels te verbreken.
Ook voor Hem geldt de regel: Wie overwint, hem zal Ik geven …!
Jezus is overwinnaar en zijn gemeente met Hem, dus zullen zij samen verdere uitvoering geven aan het plan van God.

5:6-7

Midden voor de troon, tussen de vier wezens en de oudsten, zag ik een Lam staan.
Het zag eruit alsof het geslacht was en het had zeven horens en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten van God die over de hele wereld zijn uitgestuurd.
Het Lam ging naar degene die op de troon zat en ontving de boekrol uit zijn rechterhand.

Grondtekst: En ik zag en zie, in (het) midden van de troon en van de vier levende wezens en in (het) midden van de oudsten (een) lam staande als geslacht, hebbende horens zeven en ogen zeven, die zijn de zeven van God, de geesten uitgezonden naar heel de aarde.
En Het kwam en heeft genomen het boek uit de rechter(hand) van de Zittende op de troon.

Dan ziet Johannes Jezus staan, uitgebeeld door een lam dat de kenmerken heeft van geslacht te zijn.
Alsof het geslacht was geeft aan dat Jezus zich vrijwillig opgeofferd heeft voor het voldoen van onze zondeschuld.
Zo is al het negatieve ‘loon van de zonde’, dat voor alle mensen bestemd is, in één keer aan Hem uitbetaald.
Het Lam staat daarom op de plaats die God hem gegeven heeft: in het centrum van Gods heerschappij en macht.
Dit sluit aan bij Filippenzen 2:8-11, waar van Jezus wordt gezegd:
En als mens verschenen, heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde en elke tong zal belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader.

En Hebreeën 1:3-4:
In Hem schittert Gods luister, Hij is zijn evenbeeld, Hij schraagt de schepping met zijn machtig woord;
Hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit, ver verheven boven de engelen omdat Hij een eerbiedwaardiger naam heeft ontvangen dan zij.

Ook staat Jezus tussen de vertegenwoordigers van de schepping die Hij herstellen gaat én die van de herstelde mensheid (de gemeente), met wie Hij samen deze herschepping begint en voltooit.
De Vader heeft Jezus (samen met zijn gemeente) gemaakt tot het middelpunt van hemel en aarde.
Nog eens wijzen wij erop dat we in de hemel Jezus wel zullen vinden als geestelijk mens, maar niet als geslacht lam.

Dit beeld is ontleend aan de oudtestamentische eredienst en het doet ons denken aan het plaatsvervangende lijden en sterven van onze Heer dat in de tijd van dit visioen inmiddels plaatsgevonden heeft.
Het Lam heeft zeven horens en zeven ogen en er wordt bijgevoegd: dit zijn de zeven geesten van God, die uitgestuurd zijn over de hele aarde.
Dit is een andere beschrijving van de geest van God die actief is in de zeven gemeenten, als beeld van de gemeente van God van alle tijden en plaatsen.
De horens symboliseren de kracht van deze heilige geest en de ogen weerspiegelen geestelijke kennis van en geestelijk inzicht in alle dingen.
Samen geven ze de werking weer van de geestelijke begaafdheden in de afzonderlijke leden van de gemeente en (zo) in de gemeente als geheel.

Jezus staat op, komt dichterbij en in volle waardigheid neemt Hij de boekrol uit de rechterhand van de Vader die op de troon zit.
Dit komt overeen met de woorden van Jezus in Lucas 10:22:
Alles is Mij toevertrouwd door mijn Vader en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is en wie de Vader is weet alleen de Zoon en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.

5:8

Op hetzelfde moment wierpen de vier wezens en de vierentwintig oudsten zich voor het Lam neer.
Ieder van hen had een lier en een gouden schaal vol wierook; dat zijn de gebeden van de heiligen.

Grondtekst: En toen Het nam het boek de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vielen voor het aangezicht van het Lam, hebbende ieder lieren en schalen gouden vol zijnde met reukwerk, die zijn de gebeden van de heiligen.

Jezus is als geestelijk lam voor de zondeschuld van alle mensen opgeofferd.
1 Petrus 1:19-20:
U weet immers dat u niet met zoiets vergankelijks als zilver of goud bent vrijgekocht uit het zinloze leven dat u van uw voorouders had geërfd, maar met kostbaar bloed, van een lam zonder smet of gebrek, van Christus.
Als de Vader de boekrol aan zijn Zoon overhandigt, geeft Hij daarmee aan dat Hij aan Jezus zijn goedkeuring en volmacht geeft voor de verdere uitvoering van zijn herstelplan.
Dit vertrouwen en deze overdracht van macht en autoriteit maken diepe indruk op de hele schepping.
De vertegenwoordigers ervan, samen met die van de herstelde mensheid, werpen zich daarom in liefdevol ontzag neer voor het Lam.
Dat wil zeggen: zij geven zich, zoals staat in Marcus 12:30, met heel hun hart, ziel, verstand en kracht over aan het plan van God.
Zij huldigen de Mens(enzoon) die het Goddelijke niveau heeft bereikt, zoals de leerlingen dit ook doen op de berg in Galilea, waar Jezus verklaart:
Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde (zie Matteüs 28:18).

In dit visioen ziet Johannes, die een van deze leerlingen is, nu in een beeld hoe deze overdracht van de macht heeft plaatsgevonden.

Bij de lofprijzing maken de oudsten gebruik van een lier, een snaarinstrument.
Dit is de oudtestamentische kinnôr, het instrument van David, dat vaak foutief met ‘harp’ wordt vertaald.
De klank van de lieren ondersteunt hun aanbidding en sluit prachtig aan bij Psalm 43:4, waar David zingt:
Dan zal ik naderen tot het altaar van God, tot God, mijn hoogste vreugde.
Dan zal ik u loven bij de lier, God, mijn God.

Ook de gouden schalen bepalen ons bij de tempeldienst; ze zijn vol reukwerk, beeld van de gebeden van de heiligen.
Dit doet ons denken aan de woorden van David:
Laat mijn gebed voor u zijn als reukwerk, mijn geheven handen als een avondoffer (Psalm 141:2).

5:9-10

En ze zetten een nieuw lied in: ‘U verdient het om de boekrol te ontvangen en zijn zegels te verbreken.
Want u bent geslacht en met uw bloed hebt U voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, van elke stam en taal.
U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd en hen tot priesters gemaakt.
Zij zullen als koningen heersen op aarde.’

Grondtekst: En zij zingen (een) lied nieuw, zeggende: waardig U bent (te) nemen het boek en (te) openen de zegels van het, omdat U geslacht bent en hebt gekocht voor God ons met het bloed van U, uit elke stam en taal en volk en natie.
En U hebt gemaakt ons voor de God van ons koningen en priesters en wij zullen regeren op de aarde.

Al eerder hoort de hemel de lofzang tot eer van God, de Vader, de Schepper (zie Openbaring 4:8-11).
Nu klinkt er een nieuw lied tot eer en lof van de Zoon, de Herschepper.
Eerst worden in dit lied het respect en het vertrouwen erkend dat de Zoon van de Vader gekregen heeft.
Duidelijk wordt meegedeeld op welke grond en op welk recht dit gebaseerd is.

Jezus heeft door het aanbod of het offer van zijn leven de mens(heid) volgens het hemelse recht vrijgekocht uit de heerschappij van satan.
Deze laatste heeft daardoor geen ‘wettige basis’ meer om de mens die gelooft in deze vergeving van zijn schuld, nog langer aan te klagen.
Verder heeft Jezus de eerste aanzet gegeven voor het herstel van de mens naar geest, ziel en lichaam en hiermee ook voor de vernieuwing van de hele schepping.
Dit gaat door totdat het doel van God is bereikt: de volmaaktheid.
God alles in allen.

Duidelijk komt hier ook naar voren dat het nieuwe verbond niet aan een bepaald volk of ras gebonden is.
De profeet Jesaja zegt:
Hij zei: Dat je mijn dienaar bent om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin.
Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die
(het heil dat) Ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt (Jesaja 49:6).
De profeten hebben geprofeteerd over het tonen van de liefde van God aan de gemeente van het nieuwe verbond.
1 Petrus 1:10:
Wat die redding (soteria = herstel) inhoudt, trachtten de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die ú ten deel zou vallen.

Deze gemeente bestaat uit een zeer groot aantal gelovigen, tot aan de uiteinden van de aarde, dus van over de hele wereld en van alle tijden.
Het herstelplan van God is het eerst in het land Israël begonnen, maar het is uiteindelijk bedoeld voor de hele mensheid.
Dit wordt nader uitgewerkt door het geestelijke volk van God, dit is de gemeente van Jezus Christus.
Naast deze gemeente is er geen andere gemeente en naast dit geestelijke volk is er geen ander volk (meer) dat een aparte rol speelt in het herstelplan van God.
De Bijbel zegt daar niets over!

De vertegenwoordigers van schepping en gemeente spreken niet alleen over de liefde van God omdat onze zondeschuld vergeven is door het offer van het Lam.
Ze hebben het ook over de geestelijke rijkdom en de overvloed van Gods liefde die hierna komt: de gelovigen krijgen de autoriteit om te heersen als koningen over iedere vorm van duisternis.

Bovendien kunnen zij als priesters optreden voor de mensen om hen heen, dat wil zeggen dat zij hen in contact brengen met God en hen zo zijn liefde laten ervaren.
Jezus is de Koning van deze koningen en ook hun Hogepriester.
Hij is en blijft de belangrijkste en daarom is en blijft Hij ons voorbeeld om in alle opzichten na te volgen.

Ook wordt nog meegedeeld dat de gemeente die verzameld wordt uit alle landen, stammen en taalgroepen, niet alleen in de geestelijke wereld een heersende taak heeft, maar deze later ook op aarde zal uitvoeren.
Want ook daar zal elke duisternis moeten wijken voor het licht.

5:11-12

Daarna hoorde ik het geluid van een groot aantal engelen rondom de troon, de wezens en de oudsten; het waren er oneindig veel, tienduizend maal tienduizenden, duizend maal duizenden.
Met luide stem riepen ze: ‘Het Lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.’

Grondtekst: En ik zag en hoorde (een) stem van engelen vele van rondom de troon en van de levende wezens en van de oudsten en duizenden van duizenden, zeggende met (een) stem luide: waardig is het Lam geslachte (om)(te) nemen de macht en rijkdom en wijsheid en kracht en eer en heerlijkheid en zegen.

Johannes ziet daarna een groot aantal engelen die rond de troon van God en het Lam, de vier wezens en de 24 oudsten staan.
We moeten hun aantal niet willen uitrekenen, want Johannes gebruikt de grootste telwoorden van zijn tijd om daarmee te zeggen dat hij ontelbaar veel engelen ziet.
Dit ontzaglijk grote leger van engelen sluit zich in aanbidding aan bij de wezens en de oudsten.
Luid en duidelijk, vol ontzag voor Jezus Christus, erkennen zij dat Hij, doordat Hij zijn leven als offer heeft gegeven, recht heeft op alle rijkdom en macht in de geestelijke wereld.
En hiermee plaatsen ze zich ‘als één man’ achter Jezus en zijn gemeente bij zijn leidende functie in het herstelplan van God.
Zo maken ze waar wat in Hebreeën 1:14 staat:
Zijn zij niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding (of: heil = herstel)?

Ook zij zien Jezus ‘met eer en luister gekroond’, zoals in Hebreeën 2:5-9 staat:
Welnu, de komende wereld, waarover wij hier spreken, heeft Hij niet onder het gezag van engelen gesteld.
Veeleer geldt dit getuigenis, ooit door iemand afgelegd:
Wat is de mens dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet?
U hebt hem voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst;
U hebt hem met eer en luister gekroond, alles hebt U aan hem onderworpen.
Doordat hij alles aan Hem onderworpen heeft, rest er niets dat niet onder zijn gezag is gesteld.
Dat alles aan Hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet; wel zien we dat Jezus – die voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst was, opdat zijn dood door Gods genade iedereen ten goede zou komen – vanwege zijn lijden en dood nu met eer en luister gekroond is.

De heilige engelen aanvaarden hier dat Jezus samen met zijn gemeente de enige erfgenaam is van alle rijkdommen van God.
Ze bevestigen dat de Zoon aangewezen is tot erfgenaam van alle dingen (zie Hebreeën 1:2 NBG).
Hun zevenvoudige lofprijzing loopt parallel aan de hulde die de vrijgemaakte schepping in het vorige hoofdstuk aan de Vader brengt.
Alles wat de Vader bezit en wat Hij aan Jezus en zijn gemeente kan overdragen, wordt uitgedrukt in de woorden:
macht, rijkdom en wijsheid, kracht, eer, lof en dank.

5:13-14

Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen:
‘Aan Hem die op de troon zit en aan het Lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid.’
De vier wezens antwoordden: ‘Amen,’ en de oudsten wierpen zich in aanbidding neer.

Grondtekst: En elk schepsel dat is in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee welke (dingen) zijn en in hen alle (dingen) ik hoorde zeggende: aan de Zittende op de troon en aan het Lam de zegen en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in de eeuwen van de eeuwen.
En de vier levende wezens zeiden: amen en de vierentwintig oudsten vielen (neer) en aanbaden (de) Levende tot in de eeuwen van de eeuwen.

Elk schepsel, dit is: alles wat leeft en een geest of ziel heeft of ‘uitsluitend’ geest is en waar het zich ook bevindt, herkent en erkent de overwinning van God en het Lam.
In de eerste plaats gaat het over elk schepsel in de geestelijke wereld, dus over de gestorven mensen, de heilige engelen en de demonen.
Deze laatsten zullen dit ongetwijfeld knarsetandend doen.
Dan gaat het over elk schepsel op aarde, dat leeft of bezield is, dus van mens, dier en plant.
Deze laatste twee groepen kunnen God alleen eer geven door te functioneren volgens de natuurwetten die God in de schepping gelegd heeft.
In Psalm 148 wordt dit heel beeldend en schitterend beschreven; de moeite van het lezen waard!

De schepping eert haar Maker niet alleen met haar mond, maar met haar hele wezen.
Het is een eer voor een fabrikant van horloges als deze nauwkeurig lopen en verder ook aan alle mogelijk te stellen eisen precies voldoen.
Het is niet tot eer van God als er een kalf met vijf poten geboren wordt of als het ziek in zijn hok ligt.
Maar wel als dit dier in de wei huppelt en springt, omdat het dan functioneert naar de bedoeling van zijn Schepper.

Als de leeuw van het geweld van satan bevrijd is, zal hij zoals het Gods bedoeling altijd geweest is, met zijn ware aard zijn Schepper grootmaken.
Vanaf het begin is het niet zo geweest dat dieren vol van geweld zijn en elkaar verscheuren.
Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef Ik de groene planten tot voedsel.
En zo gebeurde het
(Genesis 1:30).
Door de openbaring van de zonen van God zal uiteindelijk
… een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter zich bij een bokje neervlijen en zullen kalf en leeuw samen weiden … (zie Jesaja 11:6).

Met elk schepsel onder de aarde worden de gestorven mensen bedoeld, die in de macht van het rijk van de dood zijn, maar ook de demonen die onder aanvoering van Apollyon het rijk van de dood bevolken.
De zee is het beeld van het geestelijke of religieuze leven van de mens(heid).
Wat op deze zee vaart, stelt de godsdienstige organisaties en instellingen met hun leiders voor (zie Openbaring 8:9).
In deze zee zijn de misleidende demonen die de inspirators zijn van de vele schijngodsdiensten en religieuze dwalingen.
Maar ook zijn zij de bewerkers van gewelddadige en onrechtvaardige economische en politieke systemen, ideologieën en filosofieën.
Hier wordt dus hier een opsomming gegeven van alles wat God van leven voorzien heeft en dat gered en behouden óf veroordeeld is.
Uiteindelijk zal iedereen, overal en altijd (moeten) erkennen dat God en het Lam (inclusief zijn gemeente), de lof, de eer, de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid toekomen.

Wie hersteld is, brengt lof en dank en wie vastgehouden heeft aan de duisternis en hiermee ten onder gaat, moet zijn nederlaag en misrekening erkennen.
De demonen erkennen Jezus als de heilige van God, als ze Hem ontmoeten.
Marcus 1:24:
Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret?
Ben je gekomen om ons te vernietigen?
Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.

Maar toch zijn zij dé tegenstanders van God en zijn Zoon.
Uiteindelijk zullen zij ieder verzet tegen het plan van God, tegen God zelf, tegen Jezus Christus en tegen wie bij Hem horen, zijn gemeente, moeten opgeven.
Filippenzen 2:9-11:
Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde en elke tong zal belijden:
Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader.

In onze tijd is het nog zo dat alleen zij die door Gods geest geleid worden en de heilige engelen belijden dat Jezus Heer is.
1 Korintiërs 12:3b:
… en niemand kan ooit zeggen: Jezus is de Heer, behalve door toedoen van de heilige geest.
Maar wanneer de tegenstander volledig overwonnen is, zal ook hij moeten erkennen:
Jezus is Heer!
De vertegenwoordigers van de levende schepping bekrachtigen deze gang van zaken met hun amen.
Dit houdt in dat ze het plan van God accepteren en ermee instemmen.
Ze kunnen zich er helemaal in vinden (vandaar hun ‘amen’) en ze zijn vol liefdevolle verwondering en diep ontzag voor God die dit alles bedacht heeft en ook voor Jezus Christus die het herstelplan ‘vast en zeker’ uitvoert.

Hoofdstuk 6

6:1

Toen zag ik dit: het Lam verbrak een van de zeven zegels en ik hoorde een van de vier wezens roepen met een geluid als een donderslag:
‘Kom!’

Grondtekst: En ik zag toen opende het Lam één van de zegels en ik hoorde één van de vier levende wezens zeggende, als (een) geluid donder-/[van donder]: kom en kijk.

Het verbreken of openen van de zeven zegels is een ontsluieren of een openbaren van de geschiedenis van de gemeente.
Deze loopt vanaf de menswording van het woord van God tot het tijdstip dat Jezus Christus en zijn gemeente een volmaakte eenheid zijn geworden.
Dit vindt plaats na het zevende zegel en bij de laatste of de zevende bazuin.
Wat daarna komt, wordt in deze boekrol niet vermeld.
Na het zevende zegel breekt het tijdperk aan waarvan gezegd wordt:
Zij zullen als koningen heersen op aarde (zie Openbaring 5:10).

De hoofdstukken 5 tot en met 11 vormen een bij elkaar horend geheel.
De hoofdstukken 12 tot en met 19 behandelen de details van de gemeente en van de schijngemeente in de laatste periode; zij vormen als het ware close-ups.
Vanaf hoofdstuk 20 tot en met 22 wordt getoond hoe de schepping door de gemeente van Jezus Christus hersteld wordt.

Elke keer als er een nieuw zegel verbroken is, zien we weer een ander aspect in de ontwikkeling van de gemeente.
Ook zien we wat de tegenstander bedenkt en doet om het plan van God tegen te werken en te doen mislukken.
De hele schepping is bij deze ontwikkeling zeer nauw betrokken, want zij verlangt sterk naar de volledige openbaring van de zonen van God: de gemeente.
Daarom roept steeds een van de vier wezens het uit: Kom.
Hieruit blijkt ook hun verlangen naar de realisering van het doel van God.
Later zien wij in Openbaring 22:17 dat ook de geest en de bruid hetzelfde roepen.

Zij zien uit naar het herstel door en de luister van God, die zichtbaar zullen worden, hoewel deze manifestatie vergezeld gaat van strijd tussen licht en duisternis, die scheiding tussen goed en kwaad uitwerkt (= oordeel).

Het eerste wezen kondigt nu met een stem als van een explosie de eerste ruiter aan.
Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan de enorme kracht die er in Gods woord en geest aanwezig is.
Naar de verschijning van dit eerste wezen ziet de hele schepping met groot verlangen uit … !
Hij is het begin van de nieuwe schepping en het eerste lid van de gemeente waarvan de Openbaring het ontwikkelingsproces onthult.
Hij is de grondlegger van het nieuwe geestelijke verbond tussen God en de mensheid.

6:2

Ik zag dit: een wit paard met een ruiter, die een boog droeg.
Hij kreeg een zegekrans en trok op als een overwinnaar, de overwinning tegemoet.

Grondtekst: En ik zag en zie (een) paard wit en de Zittende op het hebbende (een) boog; en (er) werd gegeven aan hem (een) krans en hij ging uit overwinnende en opdat hij overwint.

Als de Heer Jezus afscheid neemt van zijn leerlingen, zegt Hij dat Hem alle macht gegeven is zowel in de onzichtbare als in de zichtbare wereld, in hemel en op aarde.
Want Hij heeft volgens de regels gestreden en overwonnen.
Hij heeft tijdens zijn leven op aarde en bij zijn sterven satan zijn wapenrusting van zonde, ziekte, misleiding, verleiding en dood afgenomen.
En de demonen die hiernaartoe werken heeft Hij openlijk aan de schandpaal genageld door hen zó (dit is: door zijn dood aan het kruis) te overwinnen.
Kolossenzen 2:15:
Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd.

Hij heeft zijn leven vrijwillig gegeven zodat de hele wereld weer in contact met God kan komen, door zó de zondeschuld weg te nemen die scheiding maakt tussen God en mens.
Het plan van God om de hele schepping te herstellen begint met Hem, zoals in Johannes 1:17 staat:
De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid (grondtekst: genade, liefdegave) en waarheid zijn met (grondtekst: door) Jezus Christus gekomen.
Jezus brengt een totaal nieuwe visie, van een totaal andere dimensie, namelijk die van de geestelijke wereld: het koninkrijk van God of van de hemel.
Het boek Openbaring geeft door visioenen weer wat er zich in deze geestelijke wereld bezig is te ontwikkelen wat betreft de gemeente van Jezus, maar ook de schijngemeente van satan.

In het begin is Hij nog de eenzame ruiter, maar als het woord van God zal Hij over de wereld trekken om veel broers en zussen (samen: zonen) het doel van God te laten bereiken.
Veel mensen zullen naar Hem luisteren en Hem in woord en daad gaan volgen.
Jezus belooft zijn leerlingen dat Hij bij hen zal zijn tot aan de voltooiing van deze tijdsperiode, deze eeuw.
Daarom doopt Hij hen op de Pinksterdag in de geest van God.
Door deze geest kunnen zij in een zeer nauw en ononderbroken contact met God en met Jezus Christus leven.

De begaafdheid van Gods geest: het bidden in geestelijke talen en de andere gaven, zijn hierbij onmisbaar!
Voor meer en diepgaande informatie over dit onderwerp zie www.kracht-en-liefde.nl.

Zij krijgen daarbij ook de kracht om de demonen te overwinnen die hen hiervan willen afhouden.
Vanaf dat moment wordt meer en meer werkelijkheid dat Jezus zit aan de rechterhand van God en dat Hij gekomen is op of in de wolken.
Deze wolken zijn het beeld van de gemeente die de luister van God in de onzichtbare wereld laat zien.

Johannes ziet een ruiter aan wie vooraf al een kroon of overwinningskrans gegeven wordt en die uitrijdt als iemand die zeker is van zijn overwinning.
De boog die hij draagt wijst erop dat hij een soldaat is.
Hij is Jezus Christus die gedragen wordt door een wit paard, beeld van de kracht van Gods heilige geest en die als het woord van God een rechtvaardige oorlog voert.
Zie hiervoor ook Openbaring 19:11.

Wanneer dit woord overwinnend uittrekt, heeft het twee soorten uitwerking:
de ene mens ergert zich aan het evangelie als aan een stank en deze irritatie voert hem naar de eeuwige dood;
de andere verheugt zich erover als over een lieflijke geur en dit leidt hem naar het eeuwige leven.
2 Korintiërs 2:16:
Voor de ene is het een onaangename geur die naar de dood voert, voor de ander een heerlijke geur die leven geeft.

Met de boog worden woorden van genezing, herstel, bevrijding en waarheid afgeschoten, die de vijanden van waarheid en rechtvaardigheid, de demonen, dodelijk verwonden.
De Psalmdichter zegt hiervan:
Treed op in uw glorie en begin de strijd voor waarheid, deemoed en recht.
Laat uw hand geduchte daden verrichten.
Uw pijlen zijn gescherpt en treffen de vijanden van de koning in het hart.
Volken vallen dood voor u neer
(Psalm 45:5-6).

Opmerkelijk is dat de pijlen van Gods boog in de Psalmen meestal gericht zijn als kracht van de waarheid tegen die van leugen en laster.
Van lasteraars wordt gezegd:
Dan schiet God zijn pijl op hen af, onverhoeds worden ze zwaar verwond … (Psalm 64:8).
Van leugenaars:
Werp uw bliksem, sla de volken uiteen, schiet uw pijlen en verdrijf hen (Psalm 144:6).

Zoals gezegd, krijgt deze ruiter een kroon of een overwinningskrans.
Dit is ook een symbool van de bekroning van een leven vol overwinning voor iedere christen.
Jezus zelf draagt deze kroon en Hij belooft deze ook aan hen die Hem volgen, zoals er staat:
Wees trouw tot in de dood, dan zal Ik u als lauwerkrans het leven geven (zie Openbaring 2:10).

Dit is hetzelfde als het bereiken van de volmaaktheid of het worden als een mens zoals God die vanaf het begin heeft bedoeld.
Ons grote voorbeeld in dit verband is Jezus Christus, die dan ook als eerste overwinnaar deze kroon gekregen heeft.
Ook voor ons geldt:
Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij Hem die ons heeft liefgehad (Romeinen 8:37).

Het woord van God trekt uit om een volk te verzamelen dat vrijgemaakt is van de overheersing door satan.
In Openbaring 19:14 zien we het resultaat van deze veldtocht:
De hemelse legermacht, gekleed in zuiver, wit linnen, volgde Hem op witte paarden.
Het zuiver wit linnen is een symbool van de rechtvaardige daden van de heiligen
(zie Openbaring 19:8 NBG) en deze worden in Jesaja 61:10 NBG genoemd:
de kleding van het herstel en de mantel van de gerechtigheid.
De betekenis hiervan is dus dat herstel en gerechtigheid worden gebracht door Jezus Christus, samen met zijn gemeente.

Bij het zichtbaar worden van de zonen van God wordt deze overwinning compleet.
Door deze helden in de geestelijke wereld worden alle vijanden van God onder zijn voeten gelegd, dat wil zeggen: totaal machteloos gemaakt.
Dan is ook de oogst van de aarde helemaal rijp geworden: zowel die van het verderf als die van het leven.
Deze optocht van ruiters is dan het beeld van de gelovigen die hetzelfde geestelijke niveau bereikt hebben als de Zoon van God.
Samen met Jezus zijn zij overwinnaar.
Zie verder ook Openbaring 15:2: … zij die het beest, zijn beeld en het getal van zijn naam hadden overwonnen …

Het slotakkoord in de brieven aan de zeven gemeente is steeds weer:
Wie overwint.
Het hoogtepunt van deze overwinningstocht is:
Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit (Openbaring 3:21).

Veel mensen verwonderen zich erover dat de ruiter op het witte paard zich in zo’n slecht gezelschap bevindt.
Want na hem trekken de andere ruiters op het rode, het zwarte en het lijkkleurige (vale) paard op.
Maar zij zijn niet de enigen die zich verwonderen.
Wanneer Jezus de verborgen dingen van het koninkrijk van de hemel aan het licht brengt, legt Hij in een vergelijking uit dat er onkruid tussen de tarwe gezaaid is.
De medewerkers van de eigenaar zeggen vol verbazing:
Heer, hebt u soms geen goed zaad op uw akker gezaaid?
Waar komt dat onkruid dan vandaan?
(Matteüs 13:27).

Naast en tegelijk met de gemeente ontwikkelt zich ook de schijngemeente.
In de Openbaring ziet Johannes naast het beeld van de echte vrouw van het Lam ook de hoer, het grote Babylon, dat de heiligen tot hun dood aan toe vervolgt!
En hij verbaast zich met grote verbazing, zoals in de grondtekst staat.
De NBV vertaalt dit als volgt:
Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd.
Ik was ontzet toen ik haar zag
(Openbaring 17:6).

Naast de gemeente van Jezus Christus zijn er in kerken en gemeenten gelovigen die niet leven vanuit het koninkrijk van God, zijn geestelijke machtsgebied.
In hun ideeën over het geloof gaan ze vooral uit van gedachten die gebaseerd zijn op het zichtbare en niet op Gods woord.
Enkele voorbeelden:

Wat men juist niet heeft en wat wél wezenlijk is en wat wél heel duidelijk in de Bijbel staat, waarvan men nota bene zegt deze van ‘kaft tot kaft’ te geloven, is:

En bovendien heeft men vaak nog niet eens het fundament (volgens Hebreeën 6:1-2) van het geloof in zijn leven gelegd:

En dan hebben we het nog niet eens over al die andere, wereldwijd verspreide religies waarin (ook) geen plaats is voor God de Schepper van alle dingen, voor zijn Zoon Jezus Christus en voor het prachtige plan van God met de mens.
Door de volgelingen van deze religies worden vaak onnoemelijk veel afgoden aanbeden, waarachter echter demonen schuilgaan en wordt aan dezen geofferd om ze maar gunstig te stemmen.
Dit gaat tot in het extreme, zelfs tot het brengen van kinder- en mensenoffers!

Angst regeert overal, er is totaal geen blijdschap, geen schuldvergeving, geen geestelijke groei, geen vol worden met de geest van God.
Er is geen uitzicht op een eeuwig bestaan in de oneindig liefdevolle nabijheid van een God die uitsluitend Licht en Liefde is!
En dan nog vragen mensen zich af: als God bestaat, waarom grijpt Hij dan niet in?
Ze vergeten dat de mens zélf de keus moet maken voor een leven in het licht en dat dit de enige manier is om uit het moeras van de duisternis te komen!

In Babylon, de grote geestelijke stad, wordt een schijnevangelie gebracht dat losgemaakt is van de persoon en het werk van Jezus Christus zoals wij Hem uit de Bijbel (kunnen leren) kennen.
Babylon is ontstaan doordat de gemeente haar werkterrein in de geestelijke wereld, de hemelse regionen, verlaten heeft en dit verlegd heeft naar de aarde, het zichtbare, het aardsgerichte.
Babylon is het beeld van de gemeente die uit de hemel op de aarde is gevallen en daardoor een prooi van de demonen geworden is.

Pas in deze laatste tijd zullen we een goed inzicht krijgen in het wezen van deze afvallige gemeente, hoe orthodox en fundamentalistisch zij zich ook noemen mag, omdat nu de gemeente haar plaats in de hemelse regionen weer gaat innemen.
Matteüs 13:26:
Toen het jonge gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid tevoorschijn.
Maar voor de gemeente van Jezus geldt wat staat in Joël 2:23-24:
En jullie, kinderen van Sion, wees blij en barst uit in gejubel om de Heer jullie God, want Hij geeft regen om je te verkwikken, Hij laat de regen overvloedig op je neerdalen, vroege regen en late regen, elk op de juiste tijd.
De dorsvloeren liggen weer vol met graan, de perskuipen lopen over van wijn en olie.

6:3-4

Toen het Lam het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede wezen zeggen: ‘Kom!’
Er verscheen een ander, vuurrood paard.
De ruiter kreeg de opdracht om de vrede uit de wereld te verdrijven, zodat men elkaar zou afslachten.
Hij kreeg een groot zwaard.

Grondtekst: En toen Het opende tweede zegel, hoorde ik het tweede levende wezen zeggende: kom en kijk.
En kwam tevoorschijn (een) ander paard rood en aan de zittende op het werd gegeven aan hem (te) nemen de vrede weg van de aarde en opdat elkaar zij slachten en er werd gegeven aan hem (een) zwaard groot.

De paarden die nu komen zijn niet wit, maar gekleurd en daarmee zijn ze symbolen van de demonen.
We zijn, samen met Johannes, nog steeds in de geestelijke wereld (zie Openbaring 4:1).
Daar verschijnt het eerste paard als woord van God en volgen ook de andere paarden.
Ook het vuurrode paard is beeld van een geestelijke macht, maar de rossige kleur wijst op het demonische van dit dier en op bloedvergieten, het aantasten van leven.
De ruiter op het witte paard, Jezus, zegt in Johannes 14:27:
Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef Ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan.

Waar Hij overwint, komen harmonie, blijdschap en rechtvaardigheid.
De schijngemeente heeft de vrede op aarde niet gebracht en heeft deze zelfs niet binnen de eigen muren kunnen bewaren.
De ‘kerkgeschiedenis’ is die van Babylon:
Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd (Openbaring 17:6).

Het is verklaarbaar om hier te gaan vertellen over het onmetelijke lijden en het op zeer grote schaal vervolgd, gemarteld en vermoord worden van ‘ketters’ en ‘sektariërs’ binnen het zogenaamde christendom.
Dit alles ook nog eens in de naam van God!
En om te gaan vertellen van al het andere zichtbare geweld waaraan de schijngemeente zich schuldig heeft gemaakt.
Van het verbranden van zogenaamde heksen, het organiseren van moorddadige kruistochten naar het ‘heilige land’, van het uitoefenen van militaire en politieke tirannie en dit alles in naam van God!
Van de wreedheden van de inquisitie, de godsdienstoorlogen, de scheuringen, de verbanningen, de excommunicaties, de schavotten en de brandstapels.
En dit alles in de naam van God!

Maar in de Openbaring gaat het om geestelijke zaken, we zijn nog altijd in de geestelijke wereld!
Dus moeten we om de eenheid van de uitleg van dit boek vast te houden, deze beelden geestelijk blijven verklaren.

De ruiter op het rode paard is de grootvorst van het religieuze geweld.
Het rijk van satan bestaat uit een aantal machtsgebieden of regionen.
We kunnen denken aan de volgende: ziekte, zonde, misleiding, verleiding, geweld en uiteindelijk de dood.
Dit alles kan zowel geestelijk als natuurlijk zijn.
Dit zijn dé middelen van satan om de mens te scheiden van God, die wil dat wij gezond zijn en dat we een zuiver geweten hebben en een gezond en gelukkig leven leiden.
En die wil dat we op de hoogte zijn van zijn waarheid die in ons uitgewerkt wordt zonder kracht of geweld, maar alleen door zijn geest.
Tot slot wil God ons het eeuwige leven in het licht geven.

Het is satan gelukt, om in samenwerking met de grootvorst van de misleiding, door middel van niet-christelijke religies de vrede van God over de hele aarde (grondtekst) weg te nemen.
Let wel: ‘aarde’ is beeld van de aardsgerichte, religieuze mens(heid).

De ruiter krijgt een groot zwaard, dit wil zeggen: hij krijgt de beschikking over een grote diversiteit aan invloedrijke religieuze en andersoortige filosofieën en ideologieën.
Deze maken de mens ondergeschikt aan de demonen die ze hierdoor gaan dienen en aanbidden.
Dit werkt zowel geestelijk en zichtbaar geweld uit in de schijngemeente als in vrijwel alle andere religies.
Inderdaad: de oorzaak is geestelijk, het gevolg wordt ook zichtbaar in de aardsgerichte mens.
Zo is het ook met de gemeente: Gods geest en zijn werken zijn geestelijk, maar deze worden zichtbaar in de gelovigen.

De ruiter op het witte paard en de andere ruiters trekken samen op.
Jezus vertelt al eerder over het samen opgroeien van tarwe en onkruid.
Beide moeten tot hun volle ontwikkeling komen, zodat er in de tijd van de oogst geen verwarring meer mogelijk is.

6:5-6

Toen het derde zegel werd verbroken, hoorde ik het derde wezen zeggen: ‘Kom!’
Ik zag dit: een zwart paard met een ruiter, die een weegschaal in zijn hand hield.
Te midden van de vier wezens hoorde ik iets als een stem zeggen:
‘Een dagloon voor een portie tarwe en hetzelfde bedrag voor drie porties gerst.
Maar laat wijn en olijfolie ongemoeid.’

Grondtekst: En toen Het opende het derde zegel hoorde ik het derde levende wezen zeggende: kom en kijk en ik zag en zie (een) paard zwart en de zittende op het hebbende (een) weegschaal in de hand van hem.
En ik hoorde (een) stem in (het) midden van de vier levende wezens zeggende: (een) maat van tarwe voor een denarius en drie maten van gerst voor een denarius en de olie en de wijn niet u moet beschadigen.

De ruiter op het witte paard geeft de mens het leven, omdat hij als het woord van God het brood uitdeelt dat leven geeft.
Maar de schijngemeente doet de massa van geestelijke honger omkomen.
Eeuwenlang heeft men de Bijbel aan de zogenaamde leken onthouden.
Er zijn zelfs tijden waarin de naam ‘Bijbel’ onbekend is of alleen in verband met het oude testament gebruikt wordt.
De eerste Bijbel die in het Nederlands gedrukt wordt, mist het nieuwe testament, het boek van de psalmen en de profetische boeken.
Is het wonder dat onnoemelijk veel christenen in de grootste duisternis hebben geleefd en trouwens nu nog leven?

De reformatie geeft het volk de Bijbel weer terug.
Het licht kan dan weer schijnen, maar al snel komen daarna de belijdenisgeschriften waarmee men moet instemmen.
Zo ontstaat de ‘leer van de vaderen’ en de doden regelen als het ware in het vervolg de inzichten en de visies van de levenden.
Doordat men altijd met de uitspraken van de reformatoren moet instemmen, wordt het levende woord van God afgeremd in zijn verdere ontwikkeling, dus steriel gemaakt.
Zo verleent men in vrijwel alle kerken, groepen en bewegingen gezag aan de inzichten van gestorven ‘heiligen’ die in hun tijd hebben geleefd bij de inzichten van toen.

In Psalm 104:27 wordt van God gezegd dat Hij ons voedsel geeft op de juiste tijd.
Wij zetten ons in het geestelijke leven daarom niet tegen ons voorgeslacht af.
Ook discrimineren wij hen niet om wat zij in hun tijd, op grond van hun toenmalige inzichten hebben gezegd of gedaan.
Maar wie gaat ploegen en steeds áchterom kijkt, is niet geschikt voor het koninkrijk van God (zie Lucas 9:62) omdat hij dan geen zicht heeft op het doel van God, dat vóór hem ligt.

Onze voorouders hebben zich moeten behelpen en ze hebben geestelijk honger geleden.
Ze hebben veel problemen niet kunnen oplossen en ze hebben hun kinderen geen visie kunnen (door-) geven op het koninkrijk van de hemel, de geestelijke wereld.
Dit openbaart zich in vrede, gerechtigheid, blijdschap en kracht, wat zij maar voor een klein deel ervaren hebben.
Ernst, somberheid, plechtigheden en een negatief Gods- en mensbeeld hebben steeds de overhand (gehad).
Zij hebben dus mondjesmaat moeten leven:
Een dagloon voor een portie tarwe en hetzelfde bedrag voor drie porties gerst.

De ruiter op het zwarte paard is de topfunctionaris, de superintendant van de distributie.
Hij bepaalt dat aan het ‘kerkvolk’ meer níet dan wél geserveerd wordt.
Bovendien moeten ze ook nog eens veel over hebben voor het beetje wát ze nog krijgen.
De wetten van de schijngemeente leggen zware lasten op die geen of nauwelijks vrede en blijdschap geven.
Ook de rechtvaardigheid is bij hen ver te zoeken, omdat hen geleerd wordt dat ze toch maar zondaars blijven tot hun dood aan toe.
En dat ze zelfs een zondige natuur hebben, waar ze (dus) niet van af kúnnen komen, ook al zouden ze willen.
Af en toe is er in de geschiedenis sprake van een geestelijke ervaring en teert men lang op een klein moment van echt contact met God.
Maar voor het evangelie van het koninkrijk dat zich in de laatste dagen baanbreekt, is de belofte van toepassing die staat in Joël 2:24:
De dorsvloeren liggen weer vol met graan, de perskuipen lopen over van wijn en olie.

Toch worden alle eeuwen door de (olijf)olie en de wijn ongemoeid gelaten of mag hieraan, zoals in de grondtekst staat: geen schade worden toegebracht.
Olie en wijn zijn beelden van Gods heilige geest.
Waar het woord van God soms nauwelijks nog kan werken, houdt zijn geest het leven in stand.
Zoals in het oude Babylon aan de Eufraat het volk van God van het oude verbond heeft standgehouden, zo heeft ook in het nieuwtestamentische Babylon de echte gemeente in het verborgene doorgeleefd.
De doop in de geest van God, de gaven en de vrucht van de geest zijn altijd blijven bestaan, hoewel de ‘ketters’ die hierin geloven en ze toepassen, steeds te vuur en te zwaard worden vervolgd door de ‘officiële’ kerk.

De geschiedenis, de ontwikkeling van de gemeente kunnen we vergelijken met de groei van een plant.
Jezus zegt: De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar en dan het rijpe graan in de aar (Marcus 4:28).
De halm en de aar hebben het leven niet in zichzelf, maar ze geven dit alleen maar door.
Het leven zelf zit uitsluitend in de vrucht.
Als we de halm afsnijden verdort hij.
Maar als de vrucht rijp is, verliest hij elk contact met de moederplant en met de grond.
We kunnen de graankorrel daarna op zich bewaren en hij houdt het leven in zich.

Iedereen die bij het volk van God hoort en in Babylon is, krijgt het dringende advies:
Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen (zie Openbaring 18:4).
Dit weggaan betekent niet een overgaan van de ene gemeente of kerk naar de andere, maar het grondig loslaten van een natuurlijk en op zichtbare dingen gericht geloofsleven.
Het is teruggaan naar het hemelse of geestelijke Jeruzalem, naar een geloofsleven dat zich richt op wat ‘boven’ is en niet op wat op ‘aarde’ is.

Kolossenzen 3:1-3:
Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God.
Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is.
U bent immers gestorven en uw leven ligt met Christus verborgen in God.

6:7-8

Toen het vierde zegel werd verbroken, hoorde ik het vierde wezen zeggen: ‘Kom!’
Toen zag ik een vaalgeel paard.
De ruiter heette Dood en Rijk van de dood vergezelde hem.
Zij kregen toestemming om op een vierde deel van de aarde dood en verderf te zaaien, door middel van het zwaard, hongersnood, dodelijke ziekten
(grondtekst: dood) en wilde dieren.

Grondtekst: En toen Het opende de zegel de vierde, ik hoorde (de) stem van het vierde levende wezen zeggende: kom en kijk.
En ik zag en zie, (een) paard vaal en de zittende bovenop het (de) naam aan hem (was) de dood en de onderwereld volgt met hem en (er) werd gegeven aan hen (vol)macht (om)(te) doden op het vierde van de aarde met (het) zwaard en met honger en met (de) dood en door de wilde dieren van de aarde.

Babylon is een droevige werkelijkheid.
Miljoenen mensen op de wereld heten ‘christen’, maar de meesten van hen zijn niet opnieuw geboren en zij zijn dus geestelijk dood.
Ze zijn in de geestelijke wereld een prooi van de demonen die hen hebben ‘gedood’ door hun zwaard van leugenachtige leringen en door de honger.
Dit laatste wil zeggen: gebrek hebben aan kennis van en inzicht in het woord van God.
Het gaat hier dus over dat gedeelte van de mensheid, ongeveer een kwart, dat zich christen noemt en op wie de demonen hun dodelijke uitwerking hebben.

Pest, honger en een toename van het aantal wilde dieren zijn bekende gevolgen van een oorlog.
Johannes noemt deze hier dan ook als (geestelijke) doodsoorzaken.
Nogmaals, we moeten wel blijven vasthouden dat het in dit boek om de openbaring van geestelijke zaken gaat en dus niet om een natuurlijke betekenis van deze woorden.
Sommige uitleggers hebben het over toekomstige pestepidemieën en over jakhalzen, leeuwen, slangen en andere wilde dieren.
Maar wij denken niet dat de wereld aan een rattenziekte als de pest zal bezwijken.
Sinds de grote ramp drie eeuwen geleden in Londen kennen Europa en de beschaafde landen deze ziekte nauwelijks meer.
Influenza-epidemieën zijn vaker voorgekomen en ze zijn zelfs groter geweest.
De zogenaamde Spaanse griep is een pandemie (besmettelijke ziekte over de hele wereld) die miljoenen slachtoffers heeft gemaakt.
Wat de wilde dieren betreft is het al zover gekomen dat de mens ze juist tegen een volledige uitroeiing, in reservaten, beschermen moet!

Maar er bestaat wel een geestelijke zwarte dood of pest.
In 1 Johannes 5:16-17 staat het volgende:
Als iemand zijn broeder of zuster een zonde ziet begaan die niet tot de dood leidt, moet hij voor hem of voor haar bidden en zo de zondaar het leven geven.
Dit geldt wanneer er sprake is van een zonde die niet tot de dood leidt.
Er bestaat ook zonde die wel tot de dood leidt.
In dat geval geldt mijn aansporing om te bidden niet.
Alle kwaad is zonde, maar niet elke zonde leidt tot de dood.

De Bijbel heeft het hier over zonde die de dood tot gevolg heeft, waarmee bedoeld wordt dat deze zonde rechtstreeks in de geestelijke wereld plaatsvindt.
Door hiermee bezig te zijn, zoekt de mens (bewust of onbewust) zelf contact met de demonen die daardoor ongehinderd bij hem kunnen binnenkomen en hem zo kunnen voorzien van (het klimaat van) de dood.
We kunnen hier noemen:
geestelijke dwalingen, toverij, hypnose, telepathie, magnetisme, spiritisme, astrologie, occulte godsdiensten, wichelroede lopen, gebruik maken van paragnosten, genezing door strijkers, waarzeggerij, yoga, meditatie, enzovoort.

In Babylon wordt iedere vorm van deze zonde gevonden.
Bijvoorbeeld het aanroepen van Maria of andere ‘heiligen’, dat wil zeggen contact zoeken met doden; dit is een vorm van spiritisme.
Dan is er een contact onderhouden met het voorgeslacht door het handhaven van voorouderlijke instellingen en leringen.
Hoe ouder een relikwie, symbool of belijdenisgeschrift is, hoe meer eerbied ervoor bijgebracht wordt.
Evenals bij primitieve volken oefenen de geesten van de voorouders zo hun invloed uit.
Maar achter deze geesten schuilen de demonen die met hen verbonden zijn of zich voor hen uitgeven.
De mens die met God leeft, mag alleen geleid worden door Gods geest en hij past hiervoor op!

Wilde dieren zijn in de Bijbel het symbool van demonen.
Jezus zegt in Lucas 10:19:
Bedenk wel: Ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en om de kracht van de vijand te breken, zodat niets jullie kan schaden.
Babylon is een woning van vuile geesten, bokken, hyena’s, jakhalzen en vuile vogels en elk vies en afschuwelijk dier
(zie Jesaja 13:21-22 en Openbaring 18:2).
Deze demonen jagen de mensen op en drijven hen aan tot de gruwelijkste misdaden, zowel wat henzelf betreft (denk aan zelfpijniging en allerlei vormen van onthouding), als gericht tegen de echte volgelingen van God.

De ‘kerkgeschiedenis’ geeft veel voorbeelden hoe demonen mensen gebruiken om miljoenen ‘andersdenkenden’ op de wreedste manieren te folteren en te doden.
En dit alleen omdat zij het wagen van mening te verschillen met de visie van de officiële en traditionele kerk(en).
Wanneer hierna het vijfde zegel verbroken wordt, horen we deze martelaars om het woord en om het getuigenis dat zij hebben, God aanroepen.

De volgorde van de manier waarop het geestelijke leven geliquideerd wordt, is merkwaardig.
Eerst worden de mensen door leugenachtige visies, het zwaard, van de goede weg afgeleid.
Ze krijgen nu geen echte geestelijke voeding meer, zodat ze door de honger gekweld worden.
Het gevolg hiervan is dat zij om deze geestelijke honger te stillen, iets gaan zoeken bij en verwachten van leugenachtige visies en ook van het occultisme.
De mensen gaan hopen op genezing bij een magnetiseur of willen de toekomst weten door middel van een waarzegger of verlangen naar ondersteuning door ‘heiligen’ of denken voordeel te hebben van de inzichten van hun voorouders.
Het gevolg is steeds hetzelfde: de occulte geesten uit het rijk van de dood nemen op die manier bezit van hun innerlijke mens.

6:9-11

Toen het Lam het vijfde zegel verbrak, zag ik aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis. Ze riepen luid:
‘O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult U de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?’
Ieder van hen kreeg witte kleren.
Verder werd hun gezegd nog een korte tijd geduld te hebben, totdat ook de andere dienaren, hun broeders en zusters die net als zij zouden worden gedood, zich bij hen gevoegd zouden hebben.

Grondtekst: En toen Het opende het vijfde zegel zag ik onder het altaar de zielen van de geslachten om het woord van God en om het getuigenis dat zij hadden.
En zij riepen met (een) stem luide, zeggende: tot wanneer Meester heilige en waarachtige niet oordeelt U en wreekt U het bloed van ons aan de wonenden op de aarde?
En zij werden gegeven aan ieder gewaden witte en er werd gezegd tot hen dat zij rusten nog (een) tijd korte, totdat zij voltallig zullen zijn en de mededienstknechten van hen en de broeders van hen ze zullende gedood worden zoals ook zij.

Bij het openen van de eerste vier zegels horen we de vier dieren spreken.
Deze vier zegels hebben betrekking op de geestelijke wereld met haar uitwerking op de natuurlijke mens die niet met God leeft.
Ook is dit van invloed op de hele schepping, omdat de schijngemeente eeuwenlang ook haar herstel heeft tegengehouden.
Deze gemeente is niet gericht op het leven met Jezus Christus en geeft totaal niet om het plan van God.
Zoals gezegd, houdt ze zelfs ook de openbaring van de echte gemeente tegen door onderdrukking en vervolging.

Het vijfde zegel voert ons regelrecht in de onzichtbare wereld naar het altaar.
Daar is sprake van de zielen (dus van de innerlijke mens) van de martelaars die na hun lijden en sterven bij Christus zijn.
Ze zijn door het geweld van de schijngemeente aan hun eind gekomen, omdat ze altijd aan het woord van God en daarmee aan zijn plan hebben vastgehouden.
En waarvan ze ook hebben getuigd.
Het beeld is ontleend aan het brandofferaltaar waarop dieren worden geslacht en hun bloed, waarin het leven is, wordt opgevangen en uitgegoten aan de voet van het altaar (zie Leviticus 4:7).

Het bloed wordt dus niet verbrand.
De schijngemeente kan wel het lichaam doden, maar de zielen van de martelaars, hun innerlijke leven, zijn onaantastbaar.
Ook Jezus heeft zijn uitwendige leven opgeofferd en ook Hij heeft zijn leven uitgegoten in de dood (zie Jesaja 53:12 NBG).
Daarom is het altaar in de geestelijke wereld een symbool van Christus die de zondeschuld van de mensheid betaald heeft.
De zielen van de martelaars onderaan het altaar zijn verbonden met Hem doordat ze bij zijn Lichaam horen, de gemeente.

In de hemelse regionen hoort Johannes nu deze mensen God luid aanroepen.
Ze verlangen naar rechtvaardigheid en naar oordeel, dit is de definitieve scheiding tussen goed en kwaad.
Deze trouwe gelovigen vragen hun Heer hoe lang Hij de schijngemeente die aardsgericht is en die niet uit ‘hemelburgers’ bestaat, nog tolereert en haar ‘laat geworden’.
De vertaling ‘wreken’ kan misleidend zijn, omdat dit woord in onze taal niet alleen wordt gebruikt in de zin van ‘opkomen voor het recht’, maar ook van een meer emotioneel geladen handeling van vergelding.
Jezus zegt in onder andere Lucas 6:27 tegen ons dat wij onze vijanden zelfs moeten liefhebben en goed moeten doen aan hen die ons haten.

Ook in Romeinen 12:19-21 staat:
Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt:
Het is aan Mij om wraak te nemen, Ik zal vergelden.
Maar als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken.
Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd.
Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

Daarom is het niet logisch en niet in de lijn van het volgen van Jezus, ook hierin, dat de martelaars om wraak roepen over hun vijanden die in feite ook maar misleide mensen zijn.
Zij verlangen naar de gerechtigheid van het koninkrijk van God en de voltooiing van zijn plan, waaraan ze zelf een (te) korte tijd hebben mogen meewerken.
Hun en onze echte vijanden zijn de demonen die hun vervolgers hebben geïnspireerd en tot geweld hebben aangezet.
God zal zich ‘wreken’ op déze vijanden door hun duisternis te verdrijven door zijn licht.

Zo worden de demonen machteloos en werkeloos en dat is de grootst mogelijke straf voor een geest, die altijd actief wil zijn.
Zie hiervoor bijvoorbeeld Lucas 11:24:
Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden op zoek naar een rustplaats.
Maar als hij die niet vindt, zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.

Maar de Heer beloont en troost de martelaars door hun witte kleren te geven.
Deze zijn het symbool van hun geestelijke zuiverheid en heiligheid, in tegenstelling tot de vuile kleren door het geestelijke overspel van de schijngemeente.
Ook houden deze schone kleren verband met de daden die Jezus hun (en ons) heeft opgedragen te doen:
In mijn naam, of in mijn autoriteit of door mijn macht zullen de gelovigen daden van herstel verrichten, b.v. handen opleggen voor genezing, geestelijke talen spreken, demonen uitdrijven, enzovoort.
Zij zijn hierin actief geweest en zo hebben ze geweven aan hun geestelijke statuur, uitgebeeld door hun zuiver witte kleren.
Zie in dit verband ook 2 Korintiërs 5:1-6, waarin Paulus in een soortgelijk beeld zijn verlangen beschrijft om zijn geestelijke woning aan te trekken over zijn tijdelijke, aardse woning heen.

De Heer geeft hun daarbij de belofte dat het oordeel wel zal komen, maar dat ze nog even geduld moeten hebben.
Ze moeten nog een bepaalde korte tijd wachten op hun medemartelaars die eerst nog de door God bedoelde geestelijke volmaaktheid zullen bereiken.
Het koninkrijk van God ondergaat een groeiproces zoals een kleine zaadkorrel tot een grote plant uitgroeit.
In onder andere Matteüs 13:31-32 legt Jezus dit zo uit:
Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand meenam en in zijn akker zaaide.
Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten.
Het wordt een struik en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.

Na een bepaalde tijd ontstaat er altijd een bepaalde volheid, waarna weer een nieuwe periode in de ontwikkeling van het plan van God begint.
Deze tijden zijn nog verborgen bij God de Vader (zie Handelingen 1:7), maar ook wij zullen hier inzicht in krijgen, omdat de geest van God die in ons woont en werkt, ook deze diepten van God doorzoekt.
1 Korintiërs 2:10-12:
God heeft ons dit geopenbaard door de geest, want de geest doorgrondt alles, ook de diepten van God.
Wie is in staat de mens te kennen, behalve de geest van de mens?
Zo is alleen de geest van God in staat om God te kennen.
Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de geest die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in zijn goedheid heeft geschonken.

Bij de eerste opstanding worden deze martelaars met alle gelovigen die horen bij het lichaam van Christus, de gemeente, in een geestelijk lichaam opnieuw zichtbaar in de natuurlijke wereld.
Dan is hun bloed of hun leven niet langer bedekt of verborgen.
Hierover lezen we in Openbaring 20:4, waar onder hen die deel hebben aan de eerste opstanding en die op tronen gaan zitten, ook de zielen zijn van hen die onthoofd zijn om hun getuigen over Jezus en het woord van God.
Ze worden aangevuld met hen die het beest en zijn beeld niet hebben aanbeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en hand hebben gekregen.

In hun denken (hoofd) en doen (handen) hebben zij zich uitsluitend laten leiden door de geest van God en in geen enkel opzicht door de geest van de antichrist.

De scheiding met de schijngemeente heeft dan al plaatsgevonden en hun bloed is gewroken op hen die op de aarde wonen (de aardsgerichte schijngemeente).
Dit wil zeggen dat de demonen die dezen hebben geïnspireerd tot geweld en waaraan zij, om er beter van te worden, hebben toegegeven, volledig beslag op hen hebben gelegd.
Iedere vorm van ontferming en medelijden is hen vreemd geworden, ze zijn hard vanbinnen geworden.
Op hen is van toepassing Spreuken 1:1 NBG:
Wie zijn nek verhardt ondanks herhaalde vermaning, wordt opeens onherstelbaar gebroken.
Want in Openbaring 16:5-6 horen wij de engel ‘van al het water’ zeggen:
Rechtvaardig bent U, de heilige, die is en die was, omdat U op deze manier straft (of: oordeelt).
Bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten en bloed laat U hen drinken.
Ze hebben het verdiend.

Als God uitstelt, is dit niet omdat Hij traag is, maar omdat Hij wacht op de kostbare vrucht van het land waarop de late regen gevallen is.
En God wacht … op het moment dat zijn vijanden (door zijn gemeente) voor Hem tot een bank voor zijn voeten zijn gemaakt (zie Hebreeën 10:13).

6:12

Ik zag, toen het zesde zegel verbroken werd, hoe er een zware aardbeving kwam.
De zon werd zwart als een rouwkleed en de maan werd bloedrood.

Grondtekst: En ik zag toen Het opende het zegel zesde; en zie aardbeving grote gebeurde en de zon werd zwart als (een) zak van haar en de maan werd als bloed.

In de periode van het zesde zegel verandert de geestelijke structuur van de gemeente en in onze tijd vinden we veel kenmerken van dit zegel terug.
Het ontwikkelingsproces van de echte én van de schijngemeente nadert zijn voltooiing.
De aardbeving treft hen die op de aarde wonen, dus de aardsgerichte leden van de ontrouwe schijngemeente.

Door een natuurlijke aardbeving ontstaat angst, verdwijnen vaste structuren en wordt er veel verwoest.
Zo raken in dit geval mensen zonder God het geestelijke spoor kwijt, kunnen ze niet meer terugvallen op tot nu toe vaststaande uitgangspunten en zien ze hun geestelijke zekerheden vervagen.
Er begint een duidelijke scheiding te komen tussen hen die echt bij de Heer horen (zie Openbaring 7) en wie niet.
De eersten zijn intensief bezig met het koninkrijk van God in de onzichtbare wereld, maar de anderen blijven het van de aarde, dus van de zichtbare wereld, verwachten.
Deze laatsten zijn tegen Jezus Christus, want ze zijn niet vóór Hem (zie Marcus 9:40) en daardoor openen ze de poort van inspiratie door demonen, met alle bovenstaande gevolgen.

De demonen schuiven tussen de zon en de mens in, zodat het licht van God voor hen die op de aarde wonen, verduisterd wordt.
Want de zondige daden en gedachten van de aardsgerichte mens maken scheiding tussen God en hem, omdat hierdoor zijn geweten onzuiver wordt en satan hem terecht kan aanklagen.
Zo durft deze mens niet meer in Gods nabijheid te komen.

Alleen zij blijven in het licht leven, denken en handelen die bewust overgezet zijn in het koninkrijk van de Zoon van Gods liefde.
Zij die bevrijd zijn uit de invloedssfeer van de duisternis die door zonde en misleiding in deze wereld heerst.
De volgende profetie komt dan uit:
Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de Heer (de zon) zijn luister (de mens op het niveau van Jezus Christus) is boven jou zichtbaar (Jesaja 60:2).
Waar over Jezus wordt geprofeteerd, is dit ook van toepassing op zijn gemeente (zie 1 Petrus 1:10).

Maar het licht van God kan de schijngemeente die ‘op aarde’ bezig is, niet meer bereiken.
Het is alsof de zon van de gerechtigheid afgeschermd wordt door een rouwgewaad, dat gemaakt is van het haar van zwarte geiten.
Hierin zit het beeld opgesloten van duisternis en schuld.
Want in deze gemeente is somberheid troef en in de geest van haar leden heerst duisternis.
Ze zijn vervreemd van het leven met God omdat ze Hem niet kennen en hun hart voor Hem gesloten hebben (zie Efeziërs 4:18).

Waar de zon het symbool is van God als licht, is de maan het beeld van Jezus Christus, want zij weerkaatst het zonlicht in de nacht.
Hierdoor blijkt wat bedoeld wordt in Johannes 1:5:
Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.
De maan is dus het symbool van Jezus Christus.
Hij is het echte licht dat gekomen is om alle mensen (het) licht te geven, dat wil zeggen: inzicht te geven in het plan van God, door het voorbeeld dat Hij in zichzelf aan ons laat zien.
Johannes 1:14:
Het woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader .

Kenmerkend voor de grote afval is dat de maan de kleur van bloed aanneemt, dus ‘bloedrood’ wordt.
Bloed is het symbool van het natuurlijk gerichte leven en denken van de godsdienstige mens.
De naam, het woord en het werk van Jezus Christus worden in de schijngemeente niet meer gekoppeld aan het geestelijke koninkrijk van God of van de hemel.
Het bovennatuurlijke aspect wordt (en is) uit het evangelie van Jezus Christus weggenomen of verschoven naar een ander tijdperk.

Joël profeteert hier al over.
Als de demonen de schijngemeente helemaal in hun bezit nemen, zegt hij:
Bij die aanblik beeft de aarde, siddert de hemel; zon en maan worden verduisterd, sterren doven hun glans (Joël 2:10)
en
Dan zal Ik tekenen geven aan de hemel en op aarde: bloed en vuur en zuilen van rook, de zon verandert in duisternis en de maan in bloed.
Dan komt de dag van de Heer, groot en ontzagwekkend.
Dan zal ieder die de naam van de Heer aanroept ontkomen:
op de Sion, in Jeruzalem
(in de gemeente, het hemelse Jeruzalem), is een toevlucht te vinden, zoals de Heer heeft beloofd; ieder die Hij roept zal worden gered (Joël 3:3-5).

Als deze verduistering een feit is en, in tegenstelling tot deze gebeurtenis, de geest van God uitgegoten is in de echte zonen van God, volgt de grote en (letterlijk) ontzag-wekkende dag of openbaring van de Heer in zijn gelovigen.
Hier begint dus al de scheiding of het oordeel.
Dan zal de heldere maan zich schamen, de stralende zon van schaamte verbleken.
Want de Heer van de hemelse machten heerst op de Sion, in Jeruzalem wordt zijn luister getoond aan de oudsten van zijn volk
(Jesaja 24:23).

6:13

De sterren (van de hemel) vielen op de aarde, zoals late vijgen die door een stormwind van de boom worden gerukt.

Grondtekst: En de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals (een) vijgenboom werpt de onrijpe vruchten van haar door, (een) hevige wind geschud wordende.

De sterren van de hemel zijn hier de (duistere) geesten, de demonen, uit de onzichtbare wereld.
In Openbaring 1:20 is bijvoorbeeld sprake van de zeven sterren die de zeven engelen van de zeven gemeenten voorstellen.
Maar hier gaat het over sterren die op de aarde vallen zoals een vijgenboom zijn wintervijgen laat vallen.
Wintervijg is de naam van de tweede serie vruchten van de vijgenboom, die zich in tegenstelling tot de vroege vijgen op de nieuwe takken ontwikkelen en normaal van augustus tot september rijpen.
Maar veel van deze vijgen worden niet meer rijp in het najaar en dan blijven ze vaak in de winter aan de boom zitten, als ze al niet door een storm afgeschud worden.
Soms blijven ze zitten tot in het volgende voorjaar, wanneer ze eindelijk tot rijping komen.
De wintervijgen die aan de nieuwe loten groeien, die zich al in het vroege voorjaar ontwikkelen (de derde oogst), moeten de winterstormen kunnen doorstaan.

Maar als er onrijpe en onvolgroeide vijgen tussen zitten, dan worden deze, zoals gezegd, er door de orkanen afgeschud.
Er komt een harde wind, dit wil zeggen: een grote beweging in de geestenwereld (zie Openbaring 7:1).
Hierdoor vallen de demonen (onrijpe vijgen) op de aarde en zoeken zij hun schuilplaats en woning in de aardsgerichte gelovigen van de schijngemeente.
Op ‘aarde’ is dan de grote dag van ‘Gods toorn’ gekomen, zoals er staat in Openbaring 12:12:
Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald!
Hij is woedend
(of: is ontzettend boos, of NBG: in grote grimmigheid), want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft (of: weinig tijd heeft).

6:14

De hemel scheurde los en rolde zich als een boekrol op.
Geen berg of eiland bleef op zijn plaats.

Grondtekst: En hemel week terug, als een boek opgerold wordende en elke berg en eiland uit de plaatsen van hen werden bewogen.

De grote massa gelovigen houdt dus steeds minder rekening met geestelijke werkelijkheden.
In hun beleving wijkt de ‘hemel’ terug als een boekrol die wordt opgerold.
Ze leven ‘als in de tijd van Noach’ omdat ze alleen nog maar gericht zijn op de natuurlijke dingen en meer liefde voor genot hebben dan voor God.
De onzichtbare wereld is voor hen als een boekrol die steeds verder dicht gaat.

Bergen en eilanden zijn beelden van geestelijke machten:
bergen zijn de machten op aarde en eilanden zijn bergen in zee, beide dus machten in de religieuze wereld.
Deze geesten worden van hun plaats gerukt, dat wil zeggen: ze verliezen hun basis en daarmee ook hun status, macht en invloed.

Deze geestelijke gebeurtenissen werken ook uit in de zichtbare wereld.
De vooraanstaanden en leidinggevenden op aarde raken hun gezag kwijt en komen in paniek als ze merken dat het oude en bestaande aan het verdwijnen is.
Want door het ondermijnende werk van de op aarde gevallen demonen houden de mensen geen rekening meer met het gezag van mensen die boven hen staan.
Ze spotten met dit gezag en ze zijn niet langer geïnteresseerd in de opbouw van het politieke, maatschappelijke en religieuze leven.

Het gezag bestaat uit de samenwerkende menselijke geesten die orde en regelmaat op aarde bewaren en bevorderen.
Daarom willen zij de in de mens ingeschapen wetten (of: wetmatigheden) van God zoveel als in hun vermogen ligt, handhaven.

Dezelfde tendens van gezagsondermijning zien we ook in de schijngemeente zich ontwikkelen.
Ook de kerkelijke organisaties en gemeenten worden geleid en bijeengehouden door menselijke geesten.
Voorzegd wordt dat de wetteloosheid volledig wordt, want geen enkele berg of geen enkel eiland blijft op zijn plaats.
Zowel wereld als schijngemeente veranderen in een onbestuurbare chaos.

In Jesaja 3 staat dat de Heer elke ‘stut en steun’ uit Jeruzalem en Juda wegneemt.
Het eindigt met:
Hij stelt kinderen als koning aan, willekeur zal er regeren.
Niet dat God zelf dit bewerkt, maar dit alles is een gevolg van het ‘vallen van de sterren op de aarde’, zoals vers 13 aangeeft.
Als we om ons heen kijken zien we dat deze dingen bezig zijn zich te ontwikkelen en dat we nu vrijwel zeker in de tijd van het zesde zegel leven.

6:15-17

Koningen, machthebbers, legeraanvoerders, rijken, aanzienlijken, slaven en vrije mensen, iedereen trachtte zich te verbergen in grotten en tussen de rotsen in de bergen.
Ze riepen de bergen en de rotsen toe:
‘Val op ons neer!
Verberg ons voor het oog van Hem die op de troon zit en voor de toorn van het Lam!
Want nu is de grote dag van hun toorn aangebroken, en wie kan die doorstaan?’

Grondtekst: En de koningen van de aarde en de groten en de rijken en de oversten en de machtigen en elke slaaf en elke vrije verborgen zich in de holen en in de rotsen van de bergen.
En zij zeggen tot de bergen en tot de rotsen: valt op ons en verbergt ons weg van (het) aangezicht van de Zittende op de troon en weg van de toorn van het Lam, omdat is gekomen de dag grote van de toorn van Het/Hem en wie kan blijven staan?

Jesaja 24:4-6 beschrijft duidelijk hoe het verwoestende werk van deze ontbindende demonen over de aarde gaat:
De aarde treurt en verwelkt,
de wereld verwelkt en kwijnt weg.
Ook de groten der aarde kwijnen weg.
De aarde is door haar bewoners ontheiligd:
zij hebben de voorschriften overtreden,
zijn aan de wetten voorbijgegaan
en hebben het eeuwig verbond verbroken.
Daarom verslindt een vloek de aarde
en moeten haar bewoners boeten
(of: worden door een gloed verteerd);
daarom wordt hun aantal zo klein
en blijven er nog weinig mensen over.

Ieder die deze chaos niet wil, raakt in paniek en zoekt een uitweg uit deze impasse.
De machthebbers en de leiders met hun trouwe volgelingen zien dat ze voor een verloren zaak vechten.
In hun wanhoop zoeken ze daarom bescherming bij krachten die hoger en sterker zijn dan hun menselijke geest, zoals er staat:
ze proberen zich te verbergen in grotten en tussen de bergen.
Deze bergen en grotten zijn het beeld van de demonen (van zonde, misleiding en geweld) die zij vaak al dienen.
Hoeveel regeringsleiders maken nu al geen gebruik van horoscopen om de juiste beslissingen te kunnen nemen?
Het gaat zelfs zo ver dat zij hulp zoeken bij de vreemde afgoden van oosterse godsdiensten (b.v. door yoga), die hun rust en evenwichtigheid voorspiegelen.

Vervuld wordt wat in Jesaja 3:6,7 staat:
Een man grijpt in het ouderlijk huis
zijn broer bij de arm en roept hem toe:
Jij hebt een mantel
(teken van gezag)
Wees jij onze leider
en ontferm je over deze chaos.

In de maatschappij zoeken mensen steun bij de hoogste instanties, als (wereld-)regering en andere, nationale en internationale organisaties.
En wat het religieuze leven betreft bij synoden en concilies of een dwingend kerkelijk gezag.
Maar ook deze zijn onmachtig en antwoorden:
Maar dan zal die zich verweren:
Verwacht niet dat ik jullie wonden heel.
Ik heb in mijn huis geen voedsel, geen mantel.
Stel mij niet aan als leider van het volk.

Al deze mensen zijn zich bewust dat er iets bezig is zich te ontwikkelen, dat er ‘iets totaal nieuws’ op komst is wat zij niet kunnen tegenhouden.
Hun macht schiet in alles tekort, ze kunnen die niet meer laten gelden.
Jezus zegt in dit verband:
Dan zullen er tekenen zijn aan de zon en de maan en de sterren en op aarde zullen de volken sidderen van angst voor het gebulder en het geweld van de zee;
de mensen worden onmachtig van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemelse machten zullen wankelen
(Lucas 21:25-26).

Er is sprake dat de toorn van God en het Lam gekomen is.
Dit wil zeggen dat dit de dag of de periode is dat de zwaarste en felste demonen door de mens ontketend worden en de aarde gaan overstromen als een grote overstroming (‘zondvloed’) van vuur.
Vuur is de aanduiding voor de hitte van de demonie.
Is het wonder dat mensen die nog enige visie op het wereldgebeuren hebben, verschrikt raken en bang worden?
Ze zien dat de religieuze organisaties, staat en maatschappij volledig ontwricht worden en dat zij de druk van de invasie van deze demonen niet meer kunnen weerstaan.
Duidelijk wordt aangegeven dat God op de troon zit, maar dat het Lam in actie komt om te beginnen met de uitvoering van het eindoordeel, ook over de schijngemeente.
De Zoon schakelt daarvoor zijn eigen gemeente in:
Weet u dan niet dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen? (zie 1 Korintiërs 6:2).

Bij ‘toornig worden’ ‘verheft’ de geest van een mens zich en wordt hij actief.
Zo verheft zich hier de geest die van de Vader en de Zoon uitgaat.
Zijn licht gaat steeds helderder schijnen in en door de gemeente van Jezus Christus.
Alles wat bij de duisternis hoort, probeert dan een goed heenkomen te vinden.
Er gaat zich dus een scheiding tussen mensen voltrekken.
Zo zegt Paulus in Romeinen 1:28 NBG met zoveel woorden dat de goddelozen in deze tijd in hun hartstocht volledig worden overgegeven aan onreinheid en aan een verwerpelijk denken.
Hun leven wordt dan volkomen wetteloos.
En bij de opening van het zesde zegel gaan zij zich dan samen met de wetteloze antichrist openbaren als zonen van het verderf of van de ondergang of vernietiging (zie 2 Tessalonicenzen 2:3).
In alles zijn ze hiermee de tegenpolen van de zonen van God.

Maar voor de gemeente van Jezus Christus is ook de grote verandering gekomen.
De sluizen van de hemel en de put van de afgrond worden geopend en de demonen stromen in grote horden over de aarde, de aardsgerichte religieuze mensheid.
Maar dan is ook de periode aangebroken dat God zijn geest uitgiet over alle mensen, uiteraard over hen die geloven:
Aan het einde der tijden, zegt God,
zal Ik over alle mensen mijn geest uitgieten.
Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren,
jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten.
Ja, over al mijn dienaren en dienaressen
zal Ik in die tijd mijn geest uitgieten,
zodat ze zullen profeteren
(Handelingen 2:17-18).
Uitgieten van Gods geest houdt in: niet mondjesmaat, maar in grote overvloed!
Stromen van levend water!

Na de aankondiging van het naderende verderf zegt de Heer tegen de echte gelovigen:
Dan zullen er tekenen zijn aan de zon en de maan en de sterren en op aarde zullen de volken sidderen van angst voor het gebulder en het geweld van de zee;
de mensen worden onmachtig van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemelse machten zullen wankelen.
Maar dan zullen ze op een wolk de Mensenzoon zien komen, bekleed met macht en grote luister.
Wanneer dat alles staat te gebeuren, richt je dan op en hef je hoofd, want jullie verlossing is nabij!
(Lucas 21:25-28).
Wolk is een beeld van de gemeente op haar ‘hoge plaats’, in de geestelijke wereld.

Hoe ver zijn we nu al in deze ontwikkeling?
Het gaat wel over dingen die ‘binnenkort moeten gebeuren’.
Openbaring 22:6:
Toen zei hij tegen mij: Wat hier gezegd is, is betrouwbaar en waar.
De Heer, de God die profeten bezielt, heeft zijn engel gestuurd om aan zijn dienaren te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet.

De eerste verschijnselen dateren al van bijna 2.000 jaar geleden!
De ‘verstandige meisjes’ die de bruidegom tegemoet gaan in het holst van de nacht, hebben zich intussen voldoende inzicht en geloof eigengemaakt!

De Heer gaat zich zo één mogelijk maken met zijn gemeente door haar helemaal vol te laten stromen met zijn geest.
Hierdoor krijgt zij inzicht en kracht in de geestelijke wereld om te kunnen standhouden in de vloed van demonie die over de wereld komt.
Matteüs 24:30:
Dan zal aan de hemel het teken zichtbaar worden dat de komst van de Mensenzoon aankondigt en alle stammen op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister.
Net als in de tijd van Noach zullen de mensen die niet in Gods waarschuwingen geloven, zich vol spijt op de borst slaan, als ze zien hoe de Heer vol macht en luister zichtbaar is geworden in zijn gemeente.
Dat wil zeggen: in elk van haar leden afzonderlijk.
In deze tijd bereikt de gemeente dan ook haar volmaaktheid!

Hoofdstuk 7

7:1

Hierna zag ik vier engelen bij de vier hoeken van de aarde staan.
Zij hielden de vier winden van de aarde in bedwang, om te voorkomen dat er een wind over land of op zee of door de bomen zou waaien.

Grondtekst: En na deze (dingen) zag ik vier engelen staande op de vier hoeken van de aarde, vasthoudende de vier winden van de aarde, opdat niet blaast (een) wind op de aarde, noch op de zee, noch op elke boom.

Voordat de gebeurtenissen van het zesde zegel afgelopen zijn en het zevende zegel verbroken wordt, voltrekt zich de grote scheiding.
De verstandige meisjes (zie Matteüs 25) worden van de onverstandige gescheiden.
Er komt, om een ander beeld te gebruiken, een duidelijk verschil naar voren tussen tarwe en onkruid.
Voordat deze volledige scheiding komt tussen goed en kwaad en de totale demonisering van de aardsgerichte religieuze wereld plaatsvindt, wordt het volk van God verzegeld met zijn geest.
De vier winden, waarover Johannes het hier heeft, zijn symbool van geweldig grote demonische legers onder bevel van vier grootvorsten uit het rijk van de duisternis.

De bomen wijzen op hen die leiding geven in het religieuze leven, zoals er later sprake is van het groene gras, de jeugd, de in geestelijk opzicht nog weinig ontwikkelde gelovigen.
De profeten omschrijven de leiders van het volk vaker als bomen; zelfs satan wordt vergeleken met een boom.
Ezechiël 31:8:
Zelfs in de tuin van God was er geen ceder als hij,
geen cipres met zulke takken,
geen plataan met zulke twijgen,
in de tuin van God was er geen boom zo mooi als hij.

Aan de andere kant is Jezus voor ons de Levensboom en kunnen ook wij zelf bomen zijn in de geestelijke wereld (zie Openbaring 2:7 en 9:4).
Alle hoge bomen zullen bij het loslaten van de vier winden zwaar heen en weer geschud worden, maar de rechtvaardigen worden niet beschadigd, zij zullen standhouden.
Ze worden dan ook niet voor niets terebinten van gerechtigheid genoemd.
Jesaja 61:3:
… om aan Sions treurenden te schenken
een kroon op hun hoofd in plaats van stof,
vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad,
feestkledij in plaats van verslagenheid.
Men noemt hen Terebinten van gerechtigheid,
geplant door de Heer als teken van zijn luister.

Nog worden de vernielende winden vastgehouden, maar binnenkort zullen ze worden losgelaten over de aarde, beeld van het natuurlijk gerichte godsdienstige leven.
En over de zee, beeld van het overige geestelijke leven, maar beide zonder God.
We zien dat dit allemaal gebeurt met de bedoeling om de gemeente en de schijngemeente definitief en grondig van elkaar te scheiden.

Mensen worden vrijwel nooit zonder hun eigen wil, of ‘zo maar’ een volledige prooi van demonen.
De mens heeft ‘van nature’ een bescherming tegen het kwaad, in de vorm van zijn geweten en verstand.
Als hij zijn geweten volgt en zijn verstand goed gebruikt, kan hij ontdekken dat God bestaat en ook wat zijn wil is.
Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar (Romeinen 1:20).
Wanneer namelijk heidenen, die de wet niet hebben, de wet van nature naleven, dan zijn ze zichzelf tot wet, ook al hebben ze hem niet (Romeinen 2:14).

Het boek van de Openbaring is bedoeld om de gemeente van de laatste tijd in blijdschap te bemoedigen en sterk te maken, wanneer zij vol verlangen bezig is zich te ontwikkelen tot een stralende bruid zonder vlek of rimpel.
Het gaat over de oordelen die betrekking hebben op Babylon (de schijngemeente) en op het rijk van de antichrist.
Maar het gaat ook en vooral over de redding, de bevrijding en de luister van het echte volk van God, het (geestelijke) Israël van God.

7:2-3

Ik zag in het oosten een andere engel opstijgen, die het zegel van de levende God had.
De vier engelen die de opdracht hadden gekregen om schade toe te brengen aan het land en de zee riep hij met luide stem toe:
Laat het land en de zee en ook de bomen nog ongemoeid!
Eerst moeten wij het zegel van onze God op het voorhoofd van zijn dienaren aanbrengen.

Grondtekst: En ik zag (een) andere engel opgekomen zijnde vanaf (de) opkomst van (de) zon, hebbende (het) zegel van (de) God levende; en hij riep met (een) stem luide tot de vier engelen aan wie het was gegeven aan hen schade toe (te) brengen aan de aarde en de zee.
Zeggende: niet brengt schade toe aan de aarde, noch de zee, noch de bomen, totdat wij verzegelen de dienstknechten van God van ons op de voorhoofden van hen.

In deze verzen komt een andere engel naar voren, die ‘van de opgang van de zon’ of vanuit het oosten komt.
Het is de engel van wie gezegd wordt:
Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd (zie Openbaring 22:16).
Bij de behandeling van Openbaring 10:1 wordt dit verder besproken.
De opgang van de zon is het symbool van God in zijn toenemende luister in de gemeente.
We vinden een soortgelijke uitdrukking in Lucas 1:78:
Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God zal het stralende licht uit de hemel (grondtekst: Opgang uit de hoogte) over ons opgaan.
Deze engel houdt de duivelse legers tegen totdat de medewerkers van God verzegeld zijn met zijn heilige geest.

In Efeziërs 1:13-14 staat:
In Hem hebt ook u de boodschap van de waarheid gehoord, het evangelie van uw redding, in Hem bent u, door uw geloof, gemerkt met het stempel van (grondtekst: verzegeld met) de heilige geest die ons beloofd is als voorschot op onze erfenis, opdat allen die Hij zich heeft verworven verlost zullen worden, tot eer van Gods grootheid.

Deze verzegeling of dit stempel is dus de doop in en de vervulling met Gods heilige geest.
Want de tijd is gekomen dat God zijn geest gaat uitstorten of uitgieten op al wat leeft.
Geestelijk leven is in contact staan met God.
In de eerste gemeenten is de doop in de geest van God normaal nadat iemand een nieuw leven met Hem gaat leiden.
Ze kunnen en mogen hierdoor beschikken over de geestelijke kracht van God.
Petrus zegt:
Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden.
Dan zal de heilige geest u geschonken worden …
(Handelingen 2:38).

Maar in onze tijd zijn, voor zover bekend, de meeste mensen die zich christen noemen niet gedoopt in Gods geest.
Dit is een zin met een tegenstrijdige betekenis.
Eigenlijk is iemand in Bijbelse betekenis geen christen, als hij niet in de geest van God gedoopt is.
Christen betekent: navolger van Christus en die naam betekent: gezalfde.
Gezalfd met Gods heilige geest.
Een ‘echte’ christen is dus een gelovige die gezalfd is met of gedoopt is in Gods geest.
Het meest opvallende Bijbelse bewijs hiervoor is dat dan hij in geestelijke talen kan bidden.
Ieder kan voor zichzelf uitmaken waar hij of zij in dit opzicht staat.
Meer informatie over dit bijzonder belangrijke onderwerp is te vinden op www.kracht-en-liefde.nl.

We leven in een geestelijk dorre tijd, waarin de krachten en de begaafdheden die nodig zijn om in het koninkrijk van God te leven, bij velen niet of nauwelijks aanwezig of werkzaam zijn.
Daarom moeten alle medewerkers van God, dat zijn dus de gelovigen, verzegeld worden met Gods heilige geest die door Hem beloofd is.
Het is onmogelijk dat een gelovige zonder de doop in de geest van God in de laatste tijd stand kan houden.
Alleen door deze doop en de groei daarna is het mogelijk om zich in de geestelijke wereld te ontwikkelen, daar te strijden en de overwinning te behalen.
Want de geest is een onderpand, een eerste aanbetaling, van onze erfenis: de onmetelijke rijkdom en luister van God!
Daardoor begint de gelovige te begrijpen wat het is om een koning en een priester te zijn, om troonrechten te hebben en de geestelijke begaafdheden te ontwikkelen.

In dit opzicht is Jezus ons ook voorgegaan.
Hij is na zijn doop in water in de heilige geest van God gedoopt.
Daarom wordt gezegd:
… de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf, heeft Hem die volmacht gegeven of zoals de NBG aangeeft en ook meer overeenstemt met de grondtekst: want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt (zie Johannes 6:27).

De doop in de geest is nodig om het volk van God volk te bevrijden of te verlossen van de overheersing door satan.
Efeziërs 1:14:
… opdat allen die hij zich heeft verworven verlost zullen worden, tot eer van Gods grootheid.

Er is geen blijvende bevrijding van gebondenheid of genezing van ziekte of overwinning op de inwonende demonen mogelijk zonder deze verzegeling.
Het is ook onmogelijk zonder de doop in de geest van God de daden van herstel te doen die Jezus heeft gedaan en waarvoor Hij ook aan ons, als gelovigen, de opdracht geeft om die te doen.
Alleen verzegelden hebben het recht en de kracht om in de autoriteit van Jezus te handelen:
demonen uitdrijven, de handen op zieken leggen en hun (geestelijke) voeten zetten op (geestelijke) schorpioenen en slangen en op het hele leger van de vijand, met al zijn verschillende ‘afdelingen’.

Misschien komt het bovenstaande bij veel gelovigen als niet prettig over, want zij denken het misschien wel zonder deze doop of verzegeling te kunnen stellen.
Maar ons voorbeeld is Jezus en dat van zijn leerlingen die in Jeruzalem moeten wachten totdat zij bekleed worden met kracht uit de hemel, zie Lucas 24:49:
Ik zal ervoor zorgen dat de belofte van mijn Vader aan jullie wordt ingelost.
Blijf in de stad tot jullie met kracht uit de hemel zijn bekleed.

Voordat het volk van God in de laatste tijd door de ‘zee als van glas’ zal trekken, waarin demonen als vuur aanwezig zijn, zal het gedoopt moeten worden in Gods heilige geest.
Er zal een duidelijk verschil te zien zijn tussen wie zó bij de Heer hoort en wie niet.
Want ook in het antichristelijke rijk komt en bestaat al een ‘verzegeling’ door het merkteken van het beest op hand of voorhoofd.

De doop in de geest wordt een zegel op het voorhoofd genoemd (zie Openbaring 7:3).
Het hoofd is het essentiële, onmisbare lichaamsdeel dat de voornaamste functie in een mensenleven heeft.
Door de doop in Gods heilige geest wordt namelijk het gedachtenleven van de gelovige vernieuwd en de ‘wet van de geest’ in zijn verstand geschreven (zie Hebreeën 8:10).
Zijn geestelijk inzicht neemt voortdurend toe en zo gaat hij steeds beter begrijpen hoe het koninkrijk van God zich aan het ontwikkelen is in deze tijd.

De hand is het lichaamsdeel waarmee we dingen doen en zij is een beeld van onze geest, waarmee we geestelijk werken.
De geest van God wordt in de Bijbel ook aangegeven met: de rechterhand, de arm of de vinger van God.
Als ook wij verzegeld worden met de geest van God, betekent dit dat onze geestelijke daden onder zijn kracht, wijsheid, liefde en leiding worden verricht.
Dit alles is gericht op het herstel van de mens en het toegroeien naar het niveau van Jezus Christus.

De demonen zullen schade toebrengen doordat zij de geesten en de zielen van de mensen aantasten.
Het gezag en de macht van de leiders op ieder gebied zal daardoor volledig ondermijnd worden.
Maar voor de gemeente geldt het volgende als troost en als opdracht om aan mee te werken.
Jesaja 2:12-13:
Op die dag zal de Heer van de hemelse machten
zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots,
tegen ieder die zich verheven acht – ze worden vernederd!
tegen alle ceders van de Libanon
die zich zo trots verheffen,
tegen de eiken van Basan,
enzovoort.

Wie maken mensen hoogmoedig en wetteloos, wie anders dan de duistere machten, de demonen?
De gemeente zal hen door Gods kracht overwinnen!

Wie niet verzegeld is, wordt een prooi van het vuur, dat is van de machten van de duisternis, de demonen.
Door de eeuwen heen hebben veel mensen geestelijk schade opgelopen en ze zijn gered, maar als door vuur heen (zie 1 Korintiërs 3:15).
Maar van de geestvervulde christen wordt gezegd:
Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de geest van God in uw midden (grondtekst: in u) woont? (1 Korintiërs 3:16).

In deze geweldige laatste tijd geldt:
wie heilig is, wordt volledig voor de dienst van God afgezonderd en wie vuil is, wordt totaal vuil.
Het rijpe koren wordt in de schuur, de gemeente, opgeslagen.
Maar het kaf dat vroeger wel een functie heeft gehad, wordt verbrand, als een prooi van de ontbindende machten.

7:4-8

Toen hoorde ik het aantal van hen die het zegel droegen: honderdvierenveertigduizend in totaal, afkomstig uit elke stam van Israël.
Twaalfduizend uit de stam Juda die het zegel droegen, twaalfduizend uit de stam Ruben, twaalfduizend uit de stam Gad,
twaalfduizend uit de stam Aser, twaalfduizend uit de stam Naftali, twaalfduizend uit de stam Manasse,
twaalfduizend uit de stam Simeon, twaalfduizend uit de stam Levi, twaalfduizend uit de stam Issachar,
twaalfduizend uit de stam Zebulon, twaalfduizend uit de stam Jozef en ten slotte twaalfduizend uit de stam Benjamin die het zegel droegen.

Grondtekst: En ik hoorde het getal van de verzegelden: 144 duizend verzegelden uit elke stam van (de) zonen van Israël.
Uit (de) stam Juda 12 duizend verzegelden, etc.

Het boek Openbaring is bestemd voor de gemeenten.
De adressering is als volgt:
Van Johannes, aan de zeven gemeenten in Asia (zie Openbaring 1:4).
Het eindigt met de woorden:
Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten (zie Openbaring 22:16).
De Openbaring houdt zich bezig met de onzichtbare wereld waar ook de gemeente ‘woont’ en actief is.
Want voor de gemeente geldt:
Hij heeft ons samen met Hem uit de dood opgewekt en ons (nu al) een plaats gegeven in de hemelsferen, in Christus Jezus (Efeziërs 2:6).

Wij zijn (nu al) burgers van een geestelijk rijk (Filippenzen 3:20: Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel …), daar leven we en daar hebben we ook onze strijd en overwinning.
Deze worsteling vindt haar climax in het einde of bij de voltooiing van deze tijd.
In beelden en symbolen wordt aan Johannes duidelijk gemaakt … wat er binnenkort gebeuren moet (zie Openbaring 1:1).

Als Jezus over het koninkrijk van de hemel spreekt, doet Hij dit in vergelijkingen.
Hierin ‘verpakt’ Hij de nog verborgen dingen zodat de mensen het niet zien, hoewel ze wel kunnen zien en het niet horen hoewel ze wel kunnen horen en het toch niet begrijpen.
In Matteüs 13:13-14 en 44 staat:
Dit is de reden waarom ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen.
In hen komt deze profetie van Jesaja tot vervulling:
Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben.

Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker.
Iemand vond hem en verborg hem opnieuw en in zijn vreugde besloot hij alles te verkopen wat hij had en die akker te kopen.

Jezus wil wat heilig is niet aan de honden geven en geen parels voor de varkens gooien (zie Matteüs 7:6).
Hij wil voorkomen dat mensen misbruik gaan maken van het woord van God, er platvloers mee omgaan.
God zoekt mensen die Hem zoeken met heel hun wezen, die zich verdiepen in zijn woord en zo de hierin verborgen rijkdom (schat) naar boven weten te halen.

Voor het ontdekken van de essentie van wat God precies bedoelt, moeten we onze geestelijke zintuigen trainen en zo kunnen we verschil zien en maken tussen goed en kwaad.
Verschil maken tussen wat belangrijk is en wat niet, tussen wat ons dichter bij het doel van God brengt en wat ons daarvan afleidt.
Alleen dan kunnen we het vaste geestelijke voedsel verdragen, kunnen we de diepste gedachten van God onderzoeken en deze in ons opnemen.
Vast voedsel is voor volwassenen; hun zintuigen zijn door ervaring geoefend en zij kunnen onderscheid maken tussen goed en kwaad (Hebreeën 5:14).

In het boek Openbaring wordt de onzichtbare wereld in beelden of symbolen uitgedrukt.
Aan ons is het om te leren begrijpen wat de geestelijke werkelijkheid inhoudt die achter de visioenen ligt die Jezus aan Johannes laat zien.
Een grote vergissing die bij het lezen van dit boek vaak wordt gemaakt, is dat men uit het grote aantal beelden er enkele neemt, die men dan letterlijk in natuurlijk opzicht gaat uitleggen.
Zoals we hiervóór al hebben aangegeven, moeten we één vaste lijn aanhouden bij het verklaren van de beelden, anders verzanden we in een moeras van meningen en onzinnige verklaringen.
De eenheid is dan zoek en we verliezen het doel van God met deze openbaring uit het oog.

De beelden moeten wel letterlijk verklaard worden maar uitsluitend in geestelijk perspectief.
Voorbeeld:
De tempel in het zichtbare Jeruzalem is letterlijk een zichtbaar gebouw van stenen, hout, e.d.
De tempel in het hemelse, het geestelijke Jeruzalem is letterlijk een (voor het natuurlijke oog) onzichtbaar gebouw van levende stenen.
Altijd weer lezen we in dit boek over beelden die aan het oude verbond ontleend zijn.
En het is bekend dat het eerste verbond een voorafschaduwing is van het tweede.
Een schaduw van een mens geeft min of meer een indruk van hem of haar.
We kunnen er bijvoorbeeld uit afleiden of het een man of een vrouw is, een kind of een volwassene, een dik of een mager iemand.

De oudtestamentische tempeldienst van het natuurlijke volk Israël is een schaduw of beter: een voorafschaduwing van de nieuwtestamentische geestelijke tempeldienst.
Hebreeën 8:5:
Zij verrichten hun dienst in wat de afspiegeling en de voorafschaduwing is van het hemelse heiligdom, zoals dat aan Mozes geopenbaard werd toen hij begon met het oprichten van de tabernakel:
Let erop, staat er immers, dat je alles vervaardigt volgens het ontwerp dat je op de berg getoond is.

Wie verder leest in dit hoofdstuk uit Hebreeën zal het nog duidelijker worden dat het bij God niet gaat om een uiterlijk dienen van Hem, maar om onze innerlijke, geestelijke mens, die met Hem verbonden is.
Jezus zegt dat zijn koninkrijk niet bij deze wereld hoort of van deze wereld is (zie Johannes 18:36), maar dat Hij van boven is (zie Johannes 8:23).
Als wij Jezus willen volgen kan dat dus alleen maar dáár!
Uiteraard zullen de gevolgen hiervan op aarde zichtbaar worden.

Mozes weet dat hij bezig is met een afbeelding van de geestelijke dingen, van wat weer moet verdwijnen en niet met de werkelijkheid zelf.
Hij ziet de geestelijke dimensie al voor zich, maar het volk Israël hecht zoveel waarde aan de afbeeldingen, de symbolen, dat het déze voor de werkelijkheid gaat houden.
In Hebreeën 8:13 staat:
Op het moment dat hij spreekt over een nieuw verbond heeft hij het eerste al als verouderd bestempeld.
Welnu, wat verouderd is en versleten, is de teloorgang
(grondtekst: verdwijning) nabij.

Versleten kleren gooien we weg, ze hebben hun functie gehad, we doen nu nieuwe aan.
Het natuurlijke volk Israël is een aardsgericht en ongeestelijk volk dat geen inzicht heeft in de geestelijke, onzichtbare dingen.
2 Korintiërs 3:14-18:
Hun denken verstarde en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt.
Hij wordt alleen in Christus weggenomen.
Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart, telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen.
Maar telkens als iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen.
Welnu, met de Heer wordt de geest bedoeld en waar de geest van de Heer is, daar is vrijheid.
Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.

Het (geestelijke) volk van God vergaat niet, omdat het inzicht heeft en door ernaar te zoeken steeds meer krijgt
Vergelijk hiermee Hosea 4:6 (ged.):
Mijn volk komt om doordat het met Mij niet vertrouwd is, of zoals de NBG het zegt: .. gaat tegronde door gebrek aan kennis (van God).

Het nieuwe verbond heeft betrekking op de hemelse werkelijkheid, de geestelijke dimensie.
In plaats van een aardse hogepriester is er nu een hemelse.
Deze is niet gezalfd met olie, maar met Gods heilige geest; dit is dus een onzichtbare gebeurtenis.
Handelingen 10:38:
… Jezus uit Nazaret met de heilige geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed.
De aardse hogepriester heeft een natuurlijk voorgeslacht, maar de echte Hogepriester is van boven, dus zonder vader en zonder moeder (zie Hebreeën 6:20, 8:1 en 9:11).

Zo is er in het oude verbond een natuurlijk priesterschap uit het voorgeslacht van Levi, in het nieuwe verbond wordt de gemeente een heilig en koninklijk priesterschap genoemd.
1 Petrus 1:5:
… en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel.
Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn

en 1 Petrus 2:9:
Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.

Eerst is er een natuurlijk volk Israël, nu is er een heilige, geestelijke natie die het eigendom is van God; dat is de gemeente.
Eerst is er een aards Jeruzalem als stad van God en nu is er een hemels Jeruzalem waar de opnieuw geboren zonen van God als burgers staan ingeschreven; dat is de gemeente.

Er is een berg Sion die ongeveer 600 meter hoog is, maar er is nu een geestelijke berg Sion, de stad van volmaakte pracht, waaruit God in stralend licht verschijnt (zie Psalm 50:2).
Dit is de gemeente, want zij is gebaseerd op de gaven en de vrucht van de heilige geest van God.
Bergen zijn in de beeldspraak van de Bijbel steeds het symbool van geestelijke machten.
De berg Sion is het symbool van Gods heilige geest.
De schijngemeente, Babylon, ligt op zeven bergen, symbool van koningen uit het rijk van de afgrond.
Maar de berg Sion is hoger dan alle andere heuvels, dat wil zeggen dat de kracht van Gods geest, waarop de gemeente rust, sterker is dan alle andere krachten in de onzichtbare wereld.

Er zijn er natuurlijke zonen van Abraham, maar in het nieuwe verbond wordt gezegd:
En omdat u Christus toebehoort, bent ú nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte (Galaten 3:29).
Wie bij Christus hoort, dat wil zeggen, deel is van zijn lichaam of van de gemeente, hoort in de meeste gevallen niet bij de natuurlijke nakomelingen van Abraham.
Hij hoort bij de eeuwige en echte, geestelijke generatie.
Zo is ook Christus de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster (zie Openbaring 22:16).
Wie bij Christus hoort, hoort daarom ook bij de nakomelingen van David en daarom bij het koninkrijk van priesters; dat is de gemeente.

Het natuurlijke volk Israël neemt nu geen aparte plaats meer in het herstelplan van God in.
Dat blijkt overduidelijk en niet voor een andere uitleg vatbaar uit deze en veel soortgelijke teksten en Bijbelgedeelten.
God heeft nu een ander, geestelijk volk daarvoor in de plaats gezet:
de gemeente.
Dit is omdat het evangelie nu van een andere dimensie is, namelijk die van het koninkrijk van God of van de hemel, dus van de geestelijke wereld!

Het gaat in het boek Openbaring om Jezus Christus en zijn gemeente.
Het is het boek vóór en ván de gemeente.

De gemeente is het lichaam of de ‘zichtbare’ verschijningsvorm van Jezus Christus waarvan Hij het hoofd is (zie Kolossenzen 1:18).

De gemeente wordt ook genoemd het gezin van God waarvan Jezus Christus de oudste Zoon en dus onze broer is (zie Efeziërs 2:19 en Hebreeën 2:11 en 3:6).

De gemeente is ook het paradijs van God waarin Jezus Christus de Levensboom is en de zonen van God de levensbomen zijn (zie Openbaring 2:7 en 22:2).

De gemeente is de tempel van God waarvan Jezus Christus de hoeksteen is en de gelovigen als levende stenen worden ingevoegd.
Hoeksteen kan ook vertaald worden met sluitsteen, dat is de belangrijkste steen in de nok van de tempel (zie 1 Korintiërs 3:16 en 1 Petrus 2:5).

De gemeente is de wolk die bestaat uit miljarden waterdruppels en Jezus Christus komt terug ‘op’ of ‘met’ of ‘in’ deze wolk; in de grondtekst wordt dit op deze verschillende manieren weergegeven (zie Matteüs 24:30 en Openbaring 1:7).

De gemeente is de vrouw van het Lam.
In Openbaring 14 lezen we dat het Lam van God op de berg Sion staat en met Hem de honderdvierenveertigduizend.
Zij zijn hetzelfde als de vrouw van het Lam, die zich gereedgemaakt heeft.
Zoals de vrouw bij het Lam hoort, zo horen ook de honderdvierenveertigduizend bij het Lam, het beeld van Jezus Christus.

De gemeente wordt ook uitgebeeld door de twaalf stammen van Israël.
We lezen in Openbaring 21:12 dat de namen van deze twaalf stammen geschreven staan op de poorten van het hemelse Jeruzalem.
Deze poorten wijzen op het binnengaan van het volk van God in deze geestelijke stad, dus het ‘vollopen’ of het volmaakt worden van de gemeente.
Zoals de poorten naar de vier windrichtingen gericht zijn, zo zal het volk van God van de vier windstreken van de aarde komen, dat wil zeggen: zij zijn gelovigen van alle tijden en alle plaatsen.
De poorten geven de mogelijkheid aan om dé kenmerken van het koninkrijk van God te ervaren: vrede, blijdschap, rechtvaardigheid en kracht.

In vers 4 van ons hoofdstuk hoort Johannes het aantal van deze gelovigen, maar in vers 9 ziet hij hen als een niet te tellen, onafzienbare menigte uit alle landen en volken, van elke stam en taalgroep.
Het is dus duidelijk dat deze ‘verzegelden uit Israël’ het beeld zijn van de hemelse gemeente die gedoopt is in en vervuld met de geest van God.

Voor een verklaring over het weglaten van de stam van Dan verwijzen we u naar de website:
www.rhemaprint.nl.
In het e-book Openbaring kunt u dit nalezen in ditzelfde hoofdstuk.

7:9

Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal.
In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het Lam.

Grondtekst: Na deze (dingen) zag ik en zie (een) menigte grote, die tellen haar niemand kon, uit elke natie en stammen en volken en talen, staande voor het aangezicht van de troon en voor het aangezicht van het Lam, omhuld (met) gewaden witte en palmtakken in de handen van hen.

Nu ziet Johannes een ontelbare en onafzienbare menigte mensen afkomstig uit alle volken, rassen en taalgroepen.

De honderdvierenveertigduizend uit de stammen van Israël zijn dus het beeld van de gemeente van de laatste tijd die een enorme bloei en groei doormaakt.
In het laatste Bijbelboek gaat alles om Jezus Christus en zijn gemeente.
Niet het zichtbare Jeruzalem in het Midden-Oosten is nog van belang, maar het hemelse.
Niet de zichtbare tempel, maar de hemelse.
Niet het zichtbare altaar, maar het hemelse.
Zo is ook het zichtbare volk van het oude verbond de afbeelding of het schaduwbeeld van de hemelse gemeente in haar rijke en vele schakeringen in de geestelijke wereld.

Het plan van God vindt zijn vervulling in Christus en in zijn gemeente!
In Genesis 17:7 belooft God aan Abraham:
Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: Ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen.
Deze belofte is in de mens Jezus Christus vervuld.
Want in Galaten 3:16 staat:
Nu gaf God zijn beloften aan Abraham en zijn nakomeling.
Let wel, er staat niet ‘nakomelingen’, alsof het velen betreft, maar het gaat om één: je nakomeling – en die nakomeling is Christus.

Als wij ‘in Christus’ zijn, dus deel zijn van zijn gemeente of zijn lichaam, dan geldt deze belofte ook voor óns:
En omdat u Christus toebehoort, bent ú nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte (Galaten 3:29).
Wie bij Christus hoort, dat wil zeggen, deel is van zijn lichaam of van de gemeente, hoort in de meeste gevallen niet bij de natuurlijke nakomelingen van Abraham.
Hij hoort bij de eeuwige en echte, geestelijke generatie.
Zo is ook Christus de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster (zie Openbaring 22:16).
Wie bij Christus hoort, hoort daarom ook bij de nakomelingen van David en daarom bij het koninkrijk van priesters; dat is de gemeente.

Het natuurlijke volk Israël neemt nu geen aparte plaats meer in het herstelplan van God in.
Dat blijkt overduidelijk en niet voor een andere uitleg vatbaar uit deze en veel soortgelijke teksten en Bijbelgedeelten.
God heeft nu een ander, geestelijk volk daarvoor in de plaats gezet:
de gemeente.
Dit is omdat het evangelie nu van een andere dimensie is, namelijk die van het koninkrijk van God of van de hemel, dus van de geestelijke wereld!

Het gaat in het boek Openbaring om Jezus Christus en zijn gemeente.
Het is het boek vóór en ván de gemeente.

De gemeente is het lichaam of de ‘zichtbare’ verschijningsvorm van Jezus Christus waarvan Hij het hoofd is (zie Kolossenzen 1:18).

De gemeente wordt ook genoemd het gezin van God waarvan Jezus Christus de oudste Zoon en dus onze broer is (zie Efeziërs 2:19 en Hebreeën 2:11 en 3:6).

De gemeente is ook het paradijs van God waarin Jezus Christus de Levensboom is en de zonen van God de levensbomen zijn (zie Openbaring 2:7 en 22:2).

De gemeente is de tempel van God waarvan Jezus Christus de hoeksteen is en de gelovigen als levende stenen worden ingevoegd.
Hoeksteen kan ook vertaald worden met sluitsteen, dat is de belangrijkste steen in de nok van de tempel (zie 1 Korintiërs 3:16 en 1 Petrus 2:5).

De gemeente is de wolk die bestaat uit miljarden waterdruppels en Jezus Christus komt terug ‘op’ of ‘met’ of ‘in’ deze wolk; in de grondtekst wordt dit op deze verschillende manieren weergegeven (zie Matteüs 24:30 en Openbaring 1:7).

De gemeente is de vrouw van het Lam.
In Openbaring 14 lezen we dat het Lam van God op de berg Sion staat en met Hem de honderdvierenveertigduizend.
Zij zijn hetzelfde als de vrouw van het Lam, die zich gereedgemaakt heeft.
Zoals de vrouw bij het Lam hoort, zo horen ook de honderdvierenveertigduizend bij het Lam, het beeld van Jezus Christus.

De gemeente wordt ook uitgebeeld door de twaalf stammen van Israël.
We lezen in Openbaring 21:12 dat de namen van deze twaalf stammen geschreven staan op de poorten van het hemelse Jeruzalem.
Deze poorten wijzen op het binnengaan van het volk van God in deze geestelijke stad, dus het ‘vollopen’ of het volmaakt worden van de gemeente.
Zoals de poorten naar de vier windrichtingen gericht zijn, zo zal het volk van God van de vier windstreken van de aarde komen, dat wil zeggen: zij zijn gelovigen van alle tijden en alle plaatsen.
De poorten geven de mogelijkheid aan om dé kenmerken van het koninkrijk van God te ervaren: vrede, blijdschap, rechtvaardigheid en kracht.

In vers 4 van ons hoofdstuk hoort Johannes het aantal van deze gelovigen, maar in vers 9 ziet hij hen als een niet te tellen, onafzienbare menigte uit alle landen en volken, van elke stam en taalgroep.
Het is dus duidelijk dat deze ‘verzegelden uit Israël’ het beeld zijn van de hemelse gemeente die gedoopt is in en vervuld met de geest van God.

Voor een verklaring over het weglaten van de stam van Dan verwijzen we u naar de website:
www.rhemaprint.nl.
In het e-book Openbaring kunt u dit nalezen in ditzelfde hoofdstuk.

7:9

Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal.
In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het Lam.

Grondtekst: Na deze (dingen) zag ik en zie (een) menigte grote, die tellen haar niemand kon, uit elke natie en stammen en volken en talen, staande voor het aangezicht van de troon en voor het aangezicht van het Lam, omhuld (met) gewaden witte en palmtakken in de handen van hen.

Nu ziet Johannes een ontelbare en onafzienbare menigte mensen afkomstig uit alle volken, rassen en taalgroepen.

De honderdvierenveertigduizend uit de stammen van Israël zijn dus het beeld van de gemeente van de laatste tijd die een enorme bloei en groei doormaakt.
In het laatste Bijbelboek gaat alles om Jezus Christus en zijn gemeente.
Niet het zichtbare Jeruzalem in het Midden-Oosten is nog van belang, maar het hemelse.
Niet de zichtbare tempel, maar de hemelse.
Niet het zichtbare altaar, maar het hemelse.
Zo is ook het zichtbare volk van het oude verbond de afbeelding of het schaduwbeeld van de hemelse gemeente in haar rijke en vele schakeringen in de geestelijke wereld.

Het plan van God vindt zijn vervulling in Christus en in zijn gemeente!
In Genesis 17:7 belooft God aan Abraham:
Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: Ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen.
Deze belofte is in de mens Jezus Christus vervuld.
Want in Galaten 3:16 staat:
Nu gaf God zijn beloften aan Abraham en zijn nakomeling.
Let wel, er staat niet ‘nakomelingen’, alsof het velen betreft, maar het gaat om één: je nakomeling – en die nakomeling is Christus.

Als wij ‘in Christus’ zijn, dus deel zijn van zijn gemeente of zijn lichaam, dan geldt deze belofte ook voor óns:
nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte (Galaten 3:29).
Alles wijst dus op de gemeente en niet op een natuurlijk volk.

Ook krijgt Abraham de belofte:
Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal Ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven en Ik zal hun God zijn (Genesis 17:8).
In Filippenzen 3:20 staat, dat wij burgers zijn van een geestelijk rijk, van waaruit wij ook onze Heer Jezus Christus als redder en hersteller verwachten.
Het gaat in deze tijd dus om een geestelijk ‘Kanaän’ dat door de gemeente moet worden gezuiverd van haar geestelijke vijanden: de demonen.
Ook belooft God aan Abraham:
… zal Ik je rijkelijk zegenen en je zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen (Genesis 22:17).
Onze tekst heeft het over déze nakomelingen van Abraham, als over een onafzienbare menigte die niet te tellen is.

Tot slot belooft God aan Abraham:
Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken.
Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn
(Genesis 17:6).
Jezus is niet alleen de echte nakomeling van Abraham, maar Hij noemt zich ook de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster (zie Openbaring 22:16).
Wie in Christus is, is een (geestelijke) nakomeling van Abraham en daarom een rechtvaardige.
Maar wie in Christus is, hoort ook bij het nageslacht van David en is daarom een geestelijke koning (zie ook 5:10).

Jezus zegt:
Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde (of: de voltooiing) komen (Matteüs 24:14).
Er is geen ander evangelie dan dat van Jezus Christus!
En het bekendmaken van het nieuws over dit koninkrijk door de zonen van God zal dezelfde uitwerking hebben als eerder gebeurd is door de Zoon van God.
Hij is ons voorbeeld en de gemeente zal in zijn voetsporen moeten gaan.
Zij staan, zoals ons vers aangeeft, voor de troon en voor het Lam.

De gemeente van Jezus Christus gaat zeker niet als een nachtkaars uit.
Integendeel: zij vormt in de laatste tijd een onafzienbare menigte van mannen en vrouwen die verzegeld zijn met Gods heilige geest die Hij beloofd heeft.
Deze verzegeling is een beeld van de doop in de geest van God en een steeds verdergaande vervulling met deze geest.
De gemeente doet het werk van Jezus Christus op aarde op dezelfde manier als Hij.
De belofte uit Johannes 14:12 wordt in de tijd van de voltooiing van alle dingen ingelost:
Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie op Mij vertrouwt zal hetzelfde doen als Ik en zelfs meer (grondtekst: grotere werken) dan dat, Ik ga immers naar de Vader.

De Heer bedoelt hiermee dat de zonen van God niet alleen het evangelie bekendmaken en wonderen van herstel verrichten, maar ook dat zij de handen op mensen zullen leggen voor de doop in Gods geest.
Dit hoort ook bij het grotere werk dat Jezus zelf op aarde niet heeft kunnen doen, omdat de geest van God dan nog niet beschikbaar is.
Johannes 7:38-39:
Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft, zo zegt de Schrift.
Hiermee doelde Hij op de geest die zij die in Hem geloofden zouden ontvangen;
de geest was er namelijk nog niet, want Jezus was nog niet tot Gods majesteit verheven.

De onafzienbare menigte staat voor de troon.
Het gaat hier niet om overleden ‘heiligen’, om doden, maar om levenden.
Het gaat over een tijd waarvan God belooft dat Hij alle tranen van hun ogen zal wissen (zie vers 17).
Dit moet dan nog gebeuren.
Het gaat hier om een menigte gelovigen die nog volop in een geestelijke oorlog verwikkeld zijn.
Ze zitten nog niet als definitieve overwinnaars op de troon, maar ze staan er nog vóór.
Ze vechten nog en ze worden nog steeds onderdrukt.
Ze kijken vol aandacht, ontzag en verlangen naar Gods troon, dit is de grote macht en kracht van God en ze zeggen met Jesaja 9:6:
Groot is zijn heerschappij, aan de vrede zal geen einde komen.
Davids troon en rijk zijn erop gebouwd, ze staan vast, in recht en gerechtigheid, van nu tot in eeuwigheid.
Daarvoor zal Hij zich beijveren, de Heer van de hemelse machten.

En waar zij onderdrukt worden door de pressie van de demonen, letten ze nauwgezet op de woorden van Jezus in Lucas 21:36:
Wees waakzaam en bid onophoudelijk om te ontkomen aan de dingen die gebeuren gaan en om voor de Mensenzoon te kunnen verschijnen.
De gemeente in deze oogsttijd is een grote menigte van overwinnaars.
Zij is niet (meer) overweldigd door de demonen, maar ze staat voor de troon en voor het Lam, de Mensenzoon.
Zo kunnen zijn kracht en zijn autoriteit door haar heen stromen.
Zij vormt de keurtroepen in de laatste strijd tussen licht en duisternis.
Het is niet in lijn met de Bijbel om te denken dat de Heer zijn gemeente wegneemt vóór de ‘grote verdrukking’ of ‘tijd van enorme verschrikkingen’, dit is de komende periode van een onvoorstelbare pressie door de demonen.
God neemt de overwinnaars niet weg vóór de oorlog, maar ná de overwinning!
Hoe zullen ze anders moeten kunnen overwinnen?

Voor hen geldt dan Openbaring 3:21:
Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit.
Een verandering of groeiproces van ‘voor de troon’ naar ‘op de troon’, een geweldige promotie!
‘Bevorderd tot heerlijkheid …’!

De vrouw, symbool van de gemeente, heeft zich gereedgemaakt (zie Openbaring 19:7).
In deze periode van de voltooiing bereikt de gemeente haar volkomenheid.
De onafzienbare menigte is dan ook gekleed in en versierd met zuiver, stralend linnen.
Dit kleed van fijn linnen beeldt haar rechtvaardigheid en heiligheid uit, dit in tegenstelling tot de grote hoer Babylon die door ongerechtigheid en hoererij wordt gekenmerkt.

De gemeente van Jezus Christus kan met Jesaja 61:10 jubelen:
Ik vind grote vreugde in de Heer,
mijn hele wezen jubelt om mijn God.
Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan,
hulde mij in de mantel van de gerechtigheid,
zoals een bruidegom een kroon opzet,
zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.

Ook de NBG-vertaling drukt het mooi uit:
Ik verblijd mij zeer in de Heer,
mijn ziel juicht in mijn God,
want Hij heeft mij bekleed met de kleding van het heil, met de mantel van de gerechtigheid heeft Hij mij omhuld,
gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt,
en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit.

Hieruit blijkt dat de gemeente, die uit rechtvaardigen bestaat, bezig geweest is met daden van herstel.
Net als Jezus dat heeft gedaan.

Deze grote menigte heeft zich losgemaakt van alles wat haar aan de zichtbare wereld kan binden.
Zij is eerst verzegeld met Gods heilige geest die Hij beloofd heeft en dan verricht zij daden van herstel en opbouw die door deze geest worden geïnspireerd.
Dan gaan de begaafdheden en de liefde van Gods geest in de gemeente functioneren, die onmisbaar zijn voor haar geestelijke groei en uitbreiding.

Ze hebben palmtakken in hun hand.
Eens wordt Jezus door de mensen begroet met palmtakken.
Hij wordt hiermee door hen dan vereerd als de koning van Israël (zie Johannes 12:13).
Johannes merkt bij deze gebeurtenis op dat deze huldiging niet het aardse maar het hemelse, geestelijke koningschap van Jezus betreft.
Zijn leerlingen begrepen dit eerst niet, maar later, toen Jezus tot majesteit verheven was, herinnerden ze zich dat dit over Hem geschreven stond, en dat het zo ook gebeurd was.
(Johannes 12:16).

De menigte uit alle landen en volken, van elke stam en taal brengt met haar palmtakken ook hulde aan de koning van het geestelijke Israël, de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster (zie Openbaring 22:16).

7:10

Luid riepen ze:
‘De redding komt van onze God die op de troon zit en van het Lam!’

Grondtekst: En roepende met (een) stem luide, zeggende: het heil aan de Zittende op de troon van de God van ons en aan het Lam.

De gemeente van de laatste tijd kent maar één soort visie en zij maakt deze ook bekend:
Jezus redt van de dood, geneest de zieken, bevrijdt de gebonden mensen en doopt mensen in de geest van God.
Het uiteindelijke doel hiervan is dat de gelovigen onberispelijk en volmaakt worden.
Wanneer de wetteloze mens of de zoon van het verderf zichtbaar wordt in mensen, wanneer de demonen door deze mensen ontketend worden, blijft de blijde boodschap klinken:
Er is redding, herstel, bevrijding en een toegroeien naar de volmaaktheid voor ieder die in het plan van God gelooft en dat in zijn leven bezig is te realiseren.
Dit houdt in: de mens komt op hetzelfde geestelijk niveau als van Jezus Christus, hij wordt zijn evenbeeld (zie Romeinen 8:29).

Petrus citeert op de Pinksterdag de profeet Joël en zegt dat er vreselijke tekenen zullen komen, zowel in de geestelijke als in de natuurlijke wereld.
Maar dan zal ieder die de naam van de Heer aanroept worden gered (zie Handelingen 2:21).
Redden staat op één lijn met genezen, herstellen en deel krijgen aan het koninkrijk van God.
In feite betekent redden: loskomen van de duisternis en daardoor ‘automatisch’ in het licht van God komen.
De gemeente van Jezus Christus is de tijd ingegaan dat zij gebruik gaat maken van zijn autoriteit.
Ze gaat demonen uit gebonden mensen werpen, zieken genezen, mensen de handen opleggen voor de doop in Gods geest en hen leren hoe ze de volmaaktheid kunnen bereiken.
Zo zullen herstel en genade haar volgen.
Psalm 23:6:
Geluk (heil, herstel) en genade (de liefde van God) volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug
(of: verblijf) in het huis van de Heer (de gemeente)
tot in lengte van dagen (in eeuwigheid).

De gemeente van de laatste tijd verwacht volledig herstel en volkomen luister, afkomstig van God en van het Lam, die door haar het herstelplan van God tot een goed eind zullen brengen.
Alles wat in hemel en op aarde duisternis is of daarmee verbonden is, kan deze luister van God en het Lam niet verdragen en vlucht hiervoor.
Hoofdstuk 20:10-11:
En de duivel, die hen misleidde, wordt in de poel van vuur en zwavel gegooid, bij het beest en de valse profeet.
Daar zullen ze dag en nacht worden gepijnigd, tot in eeuwigheid.
Toen zag ik een grote witte troon en Hem die daarop zat.
De aarde en de hemel vluchtten van Hem weg en verdwenen in het niets.

7:11-12

Alle engelen stonden om de troon en de oudsten en de vier wezens heen.
Ze bogen zich diep neer voor de troon en aanbaden God met de woorden:
‘Amen! Lof, majesteit en wijsheid, dank en eer en macht en kracht komen onze God toe, tot in eeuwigheid. Amen.’

Grondtekst: En al de engelen stonden rondom de troon en de oudsten en de vier levende wezens en zij vielen (neer) voor het aangezicht van de troon op (het) aangezicht van hen en zij aanbaden God,
zeggende: amen; het zegenen en de heerlijkheid en de wijsheid en het dankzeggen en de eer en de macht en de kracht (is) aan de God van ons tot in de eeuwen van de eeuwen, amen.

Als Paulus het in 2 Tessalonicenzen 1:7 over de openbaring van de Heer Jezus heeft, merkt hij op dat de heilige engelen hier heel nauw bij betrokken zijn.
Ook nu staan zij om de troon, vol verlangen om in actie te komen.
Midden in het vuur van de beproevingen dat door de demonische legereenheden veroorzaakt wordt, ondersteunen zij de zonen van God.
We zien dit ook in Openbaring 12:7:
Toen brak er oorlog uit in de hemel.
Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak.

En in Daniël 12:1:
In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de kinderen van je volk terzijde staat.
Het zal een tijd van verdrukking zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan.
In die tijd zal je volk worden gered: allen die in het boek zijn opgetekend.

Voor al deze engelen geldt dat zij dienende geesten zijn om hen die erfgenamen zijn van de luister van God, te ondersteunen (zie Hebreeën 1:14).
De openbaring van Jezus is:
Wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen die tot geloof gekomen zijn (2 Tessalonicenzen 1:10 NBG).
Twee keer zegt de apostel Paulus dat Christus in zijn volk zichtbaar zal worden, in zijn heiligen en in allen die tot geloof gekomen zijn.
Christus is in u, Hij is uw hoop op de Goddelijke luister (zie Kolossenzen 1:27).

We zien in Openbaring 4:4 de 24 oudsten als de vertegenwoordigers van het koninklijke priestergeslacht: de gemeente.
Nu zien we de oudsten als de vertegenwoordigers van de twaalf stammen van het geestelijke Israël.
In het nieuwe verbond vertegenwoordigen zij hier de gemeente van alle tijden en plaatsen.
Zoals bij het volk Israël de oudste stamhoofden de vertegenwoordigers van het volk bij de koning zijn, zo zijn hier deze presbyters de representanten van de hele gemeente.
Let op dat het een visioen is, een beeld en dat we daarom niet moeten gaan uitzoeken wie deze oudsten toch wel zullen zijn.
De vier dieren zijn in dit beeld de vertegenwoordigers van de schepping.

Engelen willen erg graag doordringen in de verborgen dingen die te maken hebben met het plan van God.
Dit niet uit nieuwsgierigheid, maar uit verlangen om actief te kunnen worden in dienst van de gelovigen die zich ernaar uitstrekken om een afbeelding van Jezus Christus te worden.
1 Petrus 1:12:
Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor u en nu is deze boodschap u verkondigd door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven door de heilige geest die vanuit de hemel werd gezonden.
Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen.

Samen met de engelen ziet ook de gemeente van alle tijden onophoudelijk uit naar de realisering van dit doel.

Behalve de gemeente en de engelen verlangt ook de schepping naar de vrijheid die de zonen van God zullen brengen.
De luister van God komt pas volledig tot haar recht als de gemeente volledig in de voetstappen van haar Heer gaat.

De lofprijzing in onze tekst begint en eindigt met een amen.
Dit is dus een dubbele bevestiging dat wat ertussen staat waar en zeker is.
God voltooit zijn plan, dat is zeker en God overwint op de vijand, dat is waarheid.
Daarom zijn de gelovigen voor altijd vol ontzag, eerbied, lof en liefde voor deze oneindig goede en machtige God!
Tot slot zal Hij alles zijn in allen: Hij zal ons totaal vullen met zijn wezen!
Haast onvoorstelbaar!

De wijsheid waarmee Hij alles tot stand heeft gebracht, zal blijvend bij Hem zijn.
De schepping zal Hem daar eeuwig dankbaar voor zijn.
Tot in de eeuwen van de eeuwen, dus in alle perioden die nog volgen, zal alleen God de eer krijgen en niemand anders.
Want dan is het bewezen dat zijn macht en gezag, zijn kracht en sterkte en zijn wijsheid en liefde identiek zijn met zijn Goddelijke wezen.
Dit is zijn luister.

Het volk van God, de gemeente, is vol van vreugde dat ze steeds meer de Goddelijke kwaliteiten in haar midden ervaart.
Deze mag ze ontlenen aan de grote luister van God die uitsluitend licht en liefde is.

7:13-14

Een van de oudsten sprak mij aan:
‘Wie zijn dat daar in het wit, en waar komen ze vandaan?’
Ik antwoordde:
‘U weet het zelf, heer.’
Hij zei tegen me:
‘Dat zijn degenen die uit de grote verschrikkingen
(of: onderdrukking, pressie) gekomen zijn.
Ze hebben hun kleren witgewassen met het bloed van het Lam.

Grondtekst: En antwoordde één uit de oudsten, zeggende tot mij: dezen de bekleden (met) de gewaden witte, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen?
En ik heb gezegd tot hem: heer, u weet (het) en hij zei tot mij: dezen zijn de komenden uit de verdrukking grote en zij hebben gewassen de gewaden van hen en zij hebben wit gemaakt (de) gewaden van hen in het bloed van het Lam.

Een van de oudsten vraagt Johannes wie die onafzienbare menigte vormen en hoe zij deze hoogte bereikt hebben.
Hoe hebben ze de overwinning behaald?
Want het gaat hier wel om de zuilen in de tempel van de levende God (zie Openbaring 3:12)!
Het gaat hier om een zeer grote menigte van overwinnaars die het Lam volgen waar Hij hen naar toe leidt.
Het gaat over de honderdvierenveertigduizend (een symbolisch getal dat volmaaktheid uitdrukt) uit het Israël van God, de vrijgekochten uit de mensheid (zie Openbaring 14:3-4).

Er zijn geen overwinnaars zonder strijd en waar deze op zijn felst is, is de overwinning het grootst.
Zij komen, sterk geworden, uit deze zware onderdrukking tevoorschijn.
Dit is een grote vuurproef of een grondig zuiveringsproces van hun geloof.
Alle onzuivere bestanddelen worden door de enorme druk van de demonen verwijderd, zoals diamant onder zware druk in al zijn zuiverheid wordt gevormd.

Het gaat in het plan van God erom dat de mens de totale luister van God zal gaan ervaren.
Maar het is satan er alles aan gelegen dit te voorkómen.
Maar juist door zijn tegenstand valt hij zelf in de kuil die hij voor de gelovigen graaft.
Op hem is Psalm 7:16 van toepassing:
Hij delft een put en diept hem uit,
maar valt in de kuil die hij zelf heeft gegraven.

De echte zonen van God gaan er niet onderdoor, maar zij worden juist sterk in deze strijd.
Hebreeën 11:33-34 zegt van hen:
… die door hun geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid lieten gelden en kregen wat hun beloofd was; die leeuwen de muil toeklemden,
aan vuur de laaiende kracht ontnamen en ontkwamen aan de houw van het zwaard;
die hun zwakheid krachtig overwonnen, in de oorlog machtige helden werden en vijandelijke legers op de vlucht joegen.

Willen we daar niet graag bij horen?

In de tijd van Noach stroomt een watervloed over de aarde.
Zo stromen in de komende tijd (en nu al) de duistere demonen over de aarde, dat wil zeggen: ze nemen bezit van mensen die geen rekening houden met het geestelijke koninkrijk van God.
Alleen zij die verzegeld en vervuld zijn met de geest van God kunnen standhouden.

Paulus schrijft in Efeziërs 6:12 over een worsteling, een strijd, een oorlog in de onzichtbare wereld:
Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen.
De Openbaring beschrijft het hoogtepunt van deze strijd.
Zonder deze laatste oorlog in de hemel (zie bijv. Openbaring 17:14) is er geen totale overwinning mogelijk van het licht op de duisternis.
Er komt een geestelijke pressie over de wereld zoals die er niet eerder geweest is.
Dit geldt niet alleen voor de intensiteit ervan, maar vooral ook voor de manier waarop deze wordt uitgevoerd.
Er zal een direct aangrijpen komen door de demonen van de aardsgerichte religieuze mensheid.
Een totale demonisering is het gevolg.
De duistere geesten zullen in de mens binnendringen en wat eigenlijk de tempel van God moet zijn, wordt dan de troon van satan en zijn engelen.

Maar de zonen van God hebben een wapenrusting waardoor zij tegenstand kunnen bieden in deze donkere tijd.
Efeziërs 6:13 zegt hiervan:
Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, om goed voorbereid stand te kunnen houden.
Dan zal het gaan om kracht tegen kracht, Gods geest tegen de demonische geesten en wonder tegen wonder.

De volgelingen van Jezus in de laatste tijd hebben hun kleren (hun geestelijke bedekking of statuur) gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam.
Want hun rechtvaardigheid is een gevolg van de schuldvergeving die gebaseerd is op het lijden en sterven van het Lam van God.
Ze zijn volmaakt rechtvaardig doordat ze dit geloven en ze gaan daarna verder op de weg van herstel en groei om zo het uiteindelijke doel van God te bereiken.

7:15-17

Daarom staan ze voor Gods troon en zijn ze dag en nacht in zijn tempel om hem te vereren.
En Hij die op de troon zit zal bij hen wonen.
Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen.
Want het Lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen.
En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.

Grondtekst: Vanwege dit zijn zij voor het aangezicht van de troon van God en dienen zij Hem dag en nacht in de tempel van Hem; en de Zittende op de troon zal zijn tent opslaan over hen.
Niet zullen zij honger hebben meer en niet zullen zij dorst hebben meer en zeker niet zal vallen op hen de zon, noch enige hitte.
Omdat het Lam in het midden van de troon zal weiden hen en de weg zal wijzen hen naar levende bronnen van wateren en zal wegwissen God elke traan van de ogen van hen.

De weg van herstel en groei gaat ‘van het kruis naar de troon’, van de schuldvergeving en de rechtvaardigheid door het geloof naar de volkomenheid.
De troon van God is het symbool van zijn majesteit, macht en luister en hij berust op recht en gerechtigheid (zie Psalm 89:15) en liefde (zie Spreuken 20:28).
God is geest en we moeten dan ook niet denken dat ergens in het heelal een prachtige gouden troon staat waarop God zetelt.
Als we zeggen dat God op de troon is, bedoelen we daarmee dat Hij de Almachtige is die heerst over alles en iedereen, overal en altijd.

De gemeente van de laatste tijd staat voor de troon van God, dat wil zeggen dat zij met de heilige engelen uitvoering geeft aan zijn plan.
En dat ze daarbij gebruik mag maken van Gods macht en autoriteit: zijn heilige geest.
Zo openbaart de Almachtige zijn luister in de gemeente en door haar heen in de wereld.

Want de gemeente bestaat uit erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Jezus Christus.
Een deel van de erfenis bestaat hieruit dat ze niet meer zondigen en struikelen.
Dag en nacht, dus elk moment van hun bestaan, zijn zij in zijn tempel, dus in de onmiddellijke nabijheid van God en zo kunnen ze in nauwe verbinding met en vanuit Hem leven.
In heiligheid en liefde.

Jezus zegt in de Bergrede (Matteüs 5:6):
Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.

Deze overwinnaars hebben het doel bereikt.
God zelf zal bij hen wonen of zoals de grondtekst zegt: zal zijn tent over hen opslaan.
De Psalmdichter heeft het al over dit wonen in de ‘tent van God’.
Het is een voortdurend verblijven in het lichaam van Christus: de gemeente.
Deze overwinnaars worden later uitgebeeld door levensbomen die geplant zijn aan de rivier met water dat leven geeft (zie Openbaring 22:1-2).
Zij staan in het paradijs van God (zie Openbaring 2:7), een andere uitdrukking voor de voltooide gemeente.

Deze onafzienbare menigte die uit de zware pressie als overwinnaars tevoorschijn komt, heeft zich verzadigd met het wezen van God.
Deze bomen van de Heer zuigen zich vol, zoals staat in Psalm 104:16; ze nemen Gods woord en geest volledig in zich op.
Langs deze weg hebben ze het geestelijke niveau van de Zoon bereikt.
Gods toorn, een uitdrukking voor de invloed van de duisternis, is van hen weggenomen en daarom valt de zon niet op hen en zullen ze niet bevangen worden door de hitte.
De demonen kunnen hen wel aanvallen, maar dat deert hen niet meer.

Ze zijn onkwetsbaar.
Satan komt op hen af en vindt in hen geen enkel aanknopingspunt meer!
De geest van God is in hen en zo leidt Hij hen.
Het Lam weidt hen en leidt hen naar de bronnen van water dat leven geeft.
Daarvoor geeft de Heer apostelen, profeten, herders en leraars.
Ze bereiken nu de mannelijke rijpheid, de statuur van Jezus Christus.
Efeziërs 4:11-13:
En Hij is het die apostelen heeft aangesteld en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren,
om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst.
Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.

Ze gaan zonder angst in hun hart deze laatste tijd tegemoet.
Want ze kunnen rekenen op wat Paulus zegt in Romeinen 8:37-39:
Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij Hem die ons heeft liefgehad.
Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.

In deze tijd van zware demonische pressie is er veel lijden en leed op hen afgekomen.
Maar ze hebben het niet opgegeven en ze hebben de moed niet verloren.
Hebreeën 12:3:
Laat tot u doordringen hoe Hij standhield toen de zondaars zich zo tegen Hem verzetten, opdat u niet de moed verliest en het opgeeft.

Nu is de tijd gekomen dat satan hen heeft moeten loslaten.
Want ze hebben van God gekregen:
een kroon op hun hoofd in plaats van stof,
vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad,
feestkledij in plaats van verslagenheid.
Men noemt hen Terebinten van gerechtigheid,
geplant door de Heer als teken van zijn luister
(Jesaja 61:3).
De tranen worden van hun ogen gewist en aan wat er vroeger geweest is, zullen ze niet meer denken!

Hoofdstuk 8

8:1-2

Toen het Lam het zevende zegel verbrak, viel er een stilte in de hemel, gedurende ongeveer een half uur.
Ik zag de zeven engelen die voor Gods troon staan.
Ze kregen alle zeven een bazuin.

Grondtekst: En toen Hij opende het zegel zevende, ontstond er stilte in de hemel ongeveer (een) half uur.
En ik zag de zeven engelen, die voor het aangezicht van God staan en werden gegeven aan hen zeven bazuinen.

Het Lam van God verbreekt het zevende en laatste zegel van de boekrol.
Nu begint dus de laatste tijd, de dag van de Heer breekt aan.
Joël profeteert over deze tijd:
O angstwekkende dag!
Nabij is de dag van de Heer,
de dag van ondergang die komt van de Ontzagwekkende!
(Joël 1:15).

Het boek Openbaring behandelt niet de algemene wereldgeschiedenis.
Het beschrijft de ontwikkeling van de gemeente van Jezus Christus, die haar doel bereikt.
En ook beschrijft het de ontwikkeling van de schijngemeente die een prooi wordt van de demonen en die zó ten onder gaat.
Natuurlijk heeft dit zijn invloed op de wereldsituatie, op volken, naties en taalgebieden, omdat én de gemeente én de schijngemeente over de hele aarde verspreid zijn.

In het oude testament staat de geschiedenis van het volk Israël beschreven.
Maar ook die van de wereldmachten komt erin voor, voor zover zij in aanraking komen met Israël.
Het natuurlijke volk Israël heeft te maken gehad met natuurlijke vijanden.
De gemeente van Jezus Christus moet haar oorlogen in de onzichtbare wereld voeren.
Haar vijanden zijn niet van vlees en bloed, maar haar strijd is tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen (zie Efeziërs 6:12).
Het verheugende nieuws over het koninkrijk van God wordt door de gelovigen over de hele aarde bekendgemaakt.
Zij zullen hierbij zeker ook in aanraking en in conflict komen met de heersers en machthebbers die over volken en andere religies heersen.

Paulus adviseert in Efeziërs 6:13 om de ‘volledige (grondtekst) wapenrusting van God’ hiervoor aan te trekken, om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, om goed voorbereid stand te kunnen houden (of grondtekst: tegenstand te kunnen bieden).
In de onzichtbare wereld ontstaat een oorlog zoals er nog nooit geweest is en er ook nooit meer zijn zal.
In de natuurlijke wereld worden de gevolgen hiervan zichtbaar in politiek, economie, maatschappij, natuur en (pervers) menselijk gedrag.

Ook zullen occulte religies grote invloed krijgen omdat veel mensen zich bezighouden met de geestelijke wereld, maar dan met de duistere kant ervan.
De geest en de ziel van de mens komen onder zware pressie te staan en van daaruit wordt het verwoestende werk van satan ook op aarde zichtbaar.
In deze strijd staan de gelovigen in elk opzicht onder de directe leiding van Gods geest.
De schijngemeente wordt uiteindelijk volledig aangestuurd door de geesten uit het rijk van satan, de religieuze en occulte demonen.

In Romeinen 8:11 zien we hoe het zichtbare de invloed ondergaat van het onzichtbare:
Want als de geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn geest, die in u leeft.
Waar Gods geest de leiding in een mens heeft, zal zijn sterfelijke (niet: zijn gestorven) lichaam ook functioneren naar de ingeschapen wetten of wetmatigheden van God.
Maar waar demonen heersen en werken, zal vanuit de innerlijke mens ook het lichaam aangetast worden.

In Openbaring 7:1-3 staat dat de vier winden in bedwang gehouden worden totdat de zonen van God verzegeld zijn met zijn geest die Hij beloofd heeft.
Voordat de storm ontketend wordt, is er een stilte van ongeveer een half uur in de onzichtbare wereld.
Tijd is geen factor in geestelijk opzicht, dus geeft dit een bepaalde korte periode aan die niet uit te drukken is in uren en minuten.
De schijngemeente ziet geen gevaar.

Paulus schrijft hierover:
Broeders en zusters, ik hoef u niet te schrijven over het moment waarop dit zal gebeuren,
want u weet zelf maar al te goed dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht.
Als de mensen zeggen dat er vrede en veiligheid is, worden ze plotseling getroffen door de ondergang, zoals een zwangere vrouw door barensweeën.
Vluchten is dan onmogelijk.
Maar u, broeders en zusters, u leeft niet in de duisternis, zodat de dag van de Heer u zou kunnen overvallen als een dief, want u bent allen kinderen van het licht en van de dag.
Wij behoren niet toe aan de nacht en de duisternis …
(1 Tessalonicenzen 5:1-5).

De stilte van een half uur wijst op een bepaald ontwikkelingsproces waarin zowel het onkruid als de tarwe rijp worden.
Want de tarwe wordt rijp nadat de regens van voor- en najaar gevallen zijn, dat wil zeggen: als de gelovigen verzegeld zijn met de geest van God.
Tegelijk komt het onkruid zover dat het zijn duivelse vrucht kan zetten.
Hierna gaan de zeven engelen hun werk doen.
Jezus zegt hierover:
Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal Ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen:
Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het.
Breng dan het graan bijeen in mijn schuur
(Matteüs 13:30).

De gemeente wordt dus niet opgenomen vóór de grote onderdrukking, anders moeten we de volgorde in de laatste zin van bovenstaande tekst omdraaien.
In Matteüs 13:49-50 lezen we:
Zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: de engelen zullen eropuit trekken en de kwaadwilligen van de rechtvaardigen scheiden en ze zullen hen in de vuuroven werpen, waar ze zullen jammeren en knarsetanden.
Er staat dus niet dat de rechtvaardigen uit het midden van de kwaadwilligen worden weggenomen door een opname van de gemeente.
De heilige engelen halen het goede deel binnen en de demonen het kwade deel.
In de grote onderdrukking verzamelen deze laatsten het onkruid.

De kwaadwilligen worden door de demonen overmeesterd en ‘automatisch weggezogen’ omdat ze zelf, op eigen initiatief, op een occulte manier contact zoeken met de duisternis.
Hierdoor ontstaat de scheiding.
De hoer is de bundeling van de mensen die zich overgeven aan anti-Goddelijke vormen van religie, die door satan worden geïnspireerd.
Als er gezegd wordt in Openbaring 18:4:
Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen,
betekent dit dus: laat je niet misleiden, dus afleiden van het doel van God, wanneer de demonen met hun leugens en intimidatie als een vloed over de aarde komen.

De bazuinen van de zeven engelen geven ons een indruk hoe het beeld van de vuuroven werkelijkheid wordt.
De oven is het beeld van de grote onderdrukking.
De vuuroven van Nebukadnezar wordt zó opgestookt dat de mannen die Sadrach, Mesach en Abednego erin moeten gooien, alleen al door de hitte van het vuur omkomen.
Maar de drie vrienden zelf blijven ongeschonden in de oven.
Het vuur blijkt geen macht te hebben over hun lichamen, ja zelfs hun haren en hun jassen zijn niet geschroeid, er is zelfs geen brandlucht aan hen te bespeuren (zie Daniël 3:27).

Eens heeft een grote overstroming de aarde met water bedekt, maar Noach overleeft, met zijn familie in de ark.
Zo wordt na het verbreken van het zevende zegel de aardsgerichte religieuze mensheid overstroomd met geestelijk vuur.
Maar de echte zonen van God zijn in Christus, in de ‘ark van herstel’, de gemeente, veilig.
Want door de verzegeling met de heilige geest van God zijn zij in dit lichaam van Christus onaantastbaar: satan vindt bij hen niets, hij heeft geen macht over hen (zie Johannes 14:30).

De zeven bazuinen betekenen de periode van de ‘toorn van God en van het Lam’.
Zoals al eerder gezegd, is dit de periode waarin de zwaarste en felste demonen door de mens ontketend worden.
Zo kunnen zij de aardsgerichte schijngemeente overstromen als een ‘zondvloed’ (grote vloed) van vuur.
Voor Jezus heeft de dag van de toorn (of het ‘uur van de duisternis’) ingehouden dat Hij op Golgotha prijsgegeven wordt aan de demonen.
In de periode van de voltooiing van alle dingen, de laatste tijd, houdt het in dat de schijngemeente door het demonische vuur verteerd wordt.
Er wordt geen spoortje licht meer in haar gevonden.

Voor de verzegelden met Gods geest geldt dan:
Moet je door het water gaan – Ik ben bij je;
of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.
Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,
de vlammen zullen je niet verschroeien.
Want Ik, de Heer, ben je God,
de Heilige van Israël, je redder
(Jesaja 43:2-3 ged.).

De zeven engelen kondigen de oordelen aan, dat wil zeggen: de scheiding tussen licht en duisternis en ook geven ze het tijdsein ervan aan.
Deze engelen zijn die van de zeven gemeenten, beeld van de gemeente van Jezus Christus van alle tijden en plaatsen.

8:3-5

Toen kwam er een andere engel, die met een gouden wierookschaal bij het altaar ging staan.
Hij kreeg een grote hoeveelheid wierook om die op het gouden altaar voor de troon te offeren, samen met de gebeden van alle heiligen.
De rook van de wierook steeg met de gebeden van de heiligen uit de hand van de engel op naar God.
Toen nam de engel de wierookschaal, vulde hem met vuur van het altaar en wierp dat op de aarde.
Er volgden donderslagen, groot geraas, bliksemschichten en een aardbeving.

Grondtekst: En (een) andere engel kwam en ging staan op/bij het altaar, hebbende (een) wierookvat gouden; en werd gegeven aan hem reukwerk veel, opdat (het) zou geven met de gebeden van de heiligen alle op het altaar gouden voor het aangezicht van de troon.
En ging omhoog de rook van het reukwerk met de gebeden van de heiligen, uit de hand van de engel, voor het aangezicht van God.
En nam de engel het wierookvat en hij vulde het uit het vuur van het altaar en hij wierp (het) op de aarde.
En er ontstonden stemmen en donderslagen en bliksemflitsen en (een) aardbeving.

Er zijn heilige engelen die voor Gods troon staan (zie Openbaring 8:2) én die onophoudelijk het gezicht zien van de hemelse Vader (zie Matteüs 18:10).
Zij gaan vertrouwelijk met Hem om.
Ook is er sprake van een andere engel, namelijk die van Jezus, van wie gezegd wordt:
Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten (zie Openbaring 22:16).

Deze is waarschijnlijk dezelfde engel Gabriël die diverse keren door God naar Daniël gestuurd wordt.
Hij moet deze profeet de woorden van God en speciaal de gedachten over de laatste tijd in beelden doorgeven (zie verder Openbaring 5:2 en 10:1).
Opvallend is dat er in Daniël 9:21 bij gezegd wordt: Op de tijd van het avondoffer.
Zo gaat het ook hier over offers die in de laatste tijd - de ‘avond’ van deze ‘dag van de Heer’- aan God door zijn volk gebracht worden.
Deze engel van de Heer bevindt zich in het geestelijke heiligdom.
In zijn hand draagt hij de gouden wierookschaal met het eeuwige vuur van het hemelse brandofferaltaar (zie Leviticus 16:12).

In zijn andere hand verzamelt hij de lof- en dankoffers van de bevrijde en verzegelde zonen van God, samen met de gebeden van de heiligen.
Dan gaat hij bij het gouden reukofferaltaar staan en legt het reukwerk, de wierook erop.
Het is de taak van de hogepriester in het oude Israël om het reukwerk op de gouden wierookschaal te strooien en het mee te nemen achter het voorhangsel of gordijn.
Dit is nu niet meer nodig, want het gordijn is verwijderd en het gouden reukofferaltaar staat rechtstreeks voor de troon van God.

Het vuur van het altaar is het middel om de lof, de dank, de aanbidding en de gebeden van de heiligen als een geurige gift te laten opstijgen naar God.
Het brandofferaltaar waar zijn engel bij staat, beeldt Christus uit als degene die de schuld van de wereld wegneemt.
Zijn engel brengt het begeleidende reukoffer, net als vroeger de aardse hogepriester.
Het wegnemen van de schuld heeft kunnen plaatsvinden doordat het Lam van God in de volheid van de tijd volledig is overgegeven aan het vuur van de verzoeking, de invloed van de demonen.
En Jezus is als overwinnaar uit deze strijd tevoorschijn gekomen.

Ondanks het vuur van de verzoeking, de verleiding en de pressie in deze laatste tijd brengen de bevrijde gelovigen overvloedig lof en aanbidding aan de Vader en aan Jezus.
Dit kunnen ze doen omdat ze de overwinning behalen op hun vijanden.

Dan vult de engel de wierookschaal met vuur van het altaar en deze keer gooit hij het op de aarde.
Vuur, beeld van de demonie, heeft een vreselijke uitwerking op de aardsgerichte religieuze mensheid.
Er volgen donderslagen, groot geraas, bliksemschichten en een aardbeving, de begeleidende verschijnselen bij werkingen van demonen.
Dezen veroorzaken namelijk een en al intimidatie, gevoel van angst en onzekerheid en een totale ontwrichting in het gedachten- en gevoelsleven van mensen.
Deze onderdrukking is bijzonder zwaar en intensief.
Maar de uitwerking van de demonen op de zonen van God is heel anders dan die op de mensen die de vergeving van hun schuld door Jezus Christus niet accepteren.
De apostel Paulus zegt:
En dat niet alleen, we prijzen ons zelfs gelukkig onder alle ellende, omdat we weten dat ellende tot volharding leidt … (Romeinen 5:3).

De gelovigen worden aangespoord om door te zetten.
Want alleen als ze tot het einde toe resoluut vasthouden aan hun eerste vertrouwen, blijven ze verbonden met Christus (zie Hebreeën 3:14).
Zij brengen de Heer overvloedig eer voor de hulp en de bescherming die Hij hen geeft.
Al hun problemen en moeiten maken ze aan Hem bekend en ze danken Hem alvast voor de verhoring van hun gebed, op grond van 1 Johannes 5:15:
En omdat we weten dat Hij naar ons luistert, wat we Hem ook vragen, weten we ook dat we alles al hebben gekregen wat we Hem gevraagd hebben.

Hoe totaal anders is de uitwerking van de demonie op de aardsgerichte mens.
Er komt angst bij de volken, maatschappij en religieus leven worden ontwricht en het geweld viert hoogtij.
Meer dan ooit zal gemerkt worden dat de autoriteit en het werk van Jezus Christus door middel van de gemeente een scheiding (oordeel) brengen in deze wereld.

In 2 Korintiërs 2:15-16 staat over deze scheiding het volgende:
Wij zijn de wierook die Christus brandt voor God, zowel onder hen die worden gered als onder hen die verloren gaan.
Voor de laatsten is het een onaangename geur die tot de dood leidt, voor de eersten een heerlijke geur die leven schenkt.

Er is een doop in de heilige geest van God, maar ook een doop in vuur.
Het vuur, bestaande uit de verleiding en de pressie door het rijk van de duisternis zal laten zien of ons geloof standhoudt.
Matteüs 3:12:
… hij houdt de wan in zijn hand, Hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.
We weten dat God uitsluitend licht is en dat dit ‘verbranden’ dus nooit van Hem uitgaat, maar dat het een beeld is van de demonische hitte die de ongehoorzame mensen zal teisteren.

De tijd is aangebroken dat het kaf, dat vroeger zeker een functie heeft gehad, verteerd wordt door het vuur.
Als het koren rijp geworden is, heeft het kaf geen nut meer, het wordt verbrand.
Dan komt ook de scheiding tussen het echte volk van God en de schijngemeente.
Na zijn doop in Gods geest volgt voor Jezus direct de vuurdoop.
Daarna werd Jezus door de geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden (Matteüs 4:1).

Ook de zonen van God worden op eenzelfde manier op de proef gesteld door de verleiding van satan.
Het vuur van het altaar is nodig om het volk van de Heer te zuiveren.
Satan valt op die manier wel in zijn eigen zwaard of in zijn eigen kuil, want juist door de verleidingen worden de gelovigen sterker.
Tenminste zij die goed reageren door de kracht, de wijsheid en de liefde van de geest van God in hen.

Anderen zullen het niet kunnen volhouden en vallen af van hun oorspronkelijke geloof in het plan van God: de mens laten toegroeien naar het evenbeeld van Jezus Christus.
Juist mede door de tegenstand wordt de gemeente zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, heilig en zuiver (zie Efeziërs 5:27).
Joël profeteert over de verschrikkelijke aanvallen vanuit het rijk van de duisternis op Sion, beeld van de gelovigen, dus de gemeente.
Aan het eind vraagt hij: Ja, groot en ontzagwekkend is de dag van de Heer, wie kan die dag doorstaan? (zie Openbaring 2:10).

Petrus zegt:
Geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks.
Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen en des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt
(1 Petrus 4:12-13).
De gemeente van de laatste tijd gaat door de zee als van glas die vermengd is met vuur (zie Openbaring 15:2).
Zij wordt niet opgenomen vóór de grote onderdrukking, de massale aanval vanuit het rijk van satan.

Maar God zal haar een weg banen door die zee.
Jezus zegt als Hij op aarde is:
Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken en wat zou Ik graag willen dat het al brandde (Lucas 12:49).
Het laatste kan ook als volgt worden vertaald: hoe graag zou Ik zien dat het al achter de rug was!
Strijd is voor niemand een pretje.
Jezus heeft de strijd aangebonden om de mensen te herstellen, te bevrijden en ze deel te laten hebben aan het plan van God.
Satan reageert daar heftig op met zijn vernietigende werk.
Als het bij Jezus zo gaat, zal het bij ons niet anders zijn, want:
Denk aan wat Ik gezegd heb: een slaaf is niet meer dan zijn meester.
Ze hebben Mij vervolgd, dus zullen ze ook jullie vervolgen; maar wie zich aan mijn woorden gehouden heeft, zal zich ook aan jullie woorden houden
(Johannes 15:20).

Ook in de tijd van Jezus heeft dit vuur al een dubbele uitwerking.
Want Jezus is gekomen om het oordeel, de scheiding tussen goed en kwaad te brengen.
Wat zijn eigen persoon betreft, begint dit vuur tijdens zijn bediening op aarde te branden.
En aan het eind ervan gaat Hij onder in het vuur.
Want Hij vervolgt zijn uitspraak met:
Ik moet een doop ondergaan en Ik word hevig gekweld (of: ik sta onder zware druk) zolang die niet volbracht is (Lucas 12:50).
Wat zijn eigen wil betreft bidt Hij:
Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan!
Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt
(Matteüs 26:39).
Hij is de eerste die door de zee als van glas, vermengd met vuur is gegaan en die veilig de overkant heeft bereikt.

8:6-7

De zeven engelen, ieder met een bazuin, maakten aanstalten om erop te blazen.
Toen blies de eerste engel op zijn bazuin.
Er kwam hagel en vuur, gemengd met bloed, en dat werd op de aarde geworpen.
Een derde deel van de aarde brandde af, evenals een derde deel van de bomen en al het groen.

Grondtekst: En de zeven engelen, hebbende de zeven bazuinen maakten gereed zichzelf opdat zij de bazuin blazen.
En de eerste engel blies op de bazuin en er kwam hagel en vuur gemengd (met) bloed en het werd geworpen op de aarde.
En het derde (deel) van de bomen verbrandde en alle gras groen verbrandde.

Voor het veroveren van Jericho moeten zeven priesters zeven dagen lang om de stad lopen.
Terwijl ze dat doen moeten ze ook op de sjofar blazen.
De muren storten de laatste dag in als de priesters bij de zevende rondgang op de horens blazen.
Zo zijn er nu in de strijd in de geestelijke wereld de zeven engelen van de gemeenten die op bazuinen blazen.
Bij de zevende bazuinstoot storten de muren in van de grote stad, waarvan de geestelijke betekenis Sodom en Egypte is (zie Openbaring 11:8), symbool van de aardsgerichte en wereldgelijkvormige schijngemeente.
Want de strijd gaat tussen de vrouw van het Lam, de stad van God en de hoer, het grote Babylon.

Als de eerste engel zijn opdracht vervult, komt er hagel en vuur.
We kunnen hierbij denken aan de zevende plaag in Egypte.
Hier zien we een geweldig noodweer losbarsten als nooit eerder geweest is, met onweer en bliksem die door de hagelbuien heen flitst (zie Exodus 9:23-24).
Alleen in de provincie Gosen, waar de Israëlieten wonen, hagelt het niet.

Bij de beschrijving van deze plaag is het oude testament weer een schaduwbeeld van de hemelse werkelijkheid.
We hebben al vaker gezien dat vuur het symbool is van de demonen die het leven van de mens aantasten en beschadigen.
De hagel drukt de felheid en de hardheid uit waarmee zij op de mens aanvallen.
Hagel ontstaat door de werking van krachten en spanningen in de lucht.
De hier beschreven hagel is het gevolg van de werking van de demonen waardoor de mens wordt geteisterd.
In Openbaring 16:21 wordt gesproken van hagelstenen die 40 à 60 kg wegen.
Ze zijn zo zwaar als rotsblokken die de Romeinse werpmachines afschieten bij de belegering van een stad.
Het is in geestelijke zin een uitdrukking om de grootte van de wonden en de schade aan te geven die de demonen veroorzaken.

Bloed is beeld van de natuurlijk gerichte mens.
Als hagel en vuur zich met bloed mengen, wijst dit op een totale beïnvloeding van deze mens door de demonen.
Doordat hij geen geestelijk inzicht heeft, wordt hij een gemakkelijke prooi van deze geesten.
Deze vermenging heeft op haar beurt invloed op het aardse leven doordat de aangetaste mens ongerechtigheid openbaart.
Petrus wijst in zijn toespraak op de Pinksterdag op dit samengaan van de onzichtbare en de zichtbare wereld.
Ik zal wonderen doen verschijnen aan de hemel boven
en tekenen geven op de aarde beneden, bloed en vuur en rook
(Handelingen 2:19).

De rook, begeleidend verschijnsel van het vuur, belet het uitzicht ‘naar boven’ en verstikt zo het geestelijke leven.
Als deze plaag begint, wankelen de ordenende en leidinggevende menselijke geesten.
Bij de schepping van de mens geeft God de mens de opdracht de aarde onder zijn gezag te brengen en over de dieren te heersen (zie Genesis 1:28).
Om dit te kunnen uitvoeren krijgt hij een geest waardoor hij boven alle andere wezens van de aarde komt te staan.
Door de kracht van zijn geest moet de mens de regels van God op aarde handhaven tegenover de ontbindende krachten van chaos en geweld.

Zo ontstaat bij de uitbreiding van het menselijke geslacht een machtige samenbundeling van menselijke geesten die de aarde beheersen en tot ontwikkeling brengen.
Deze ordenende macht heeft lange tijd de wetteloze mens kunnen tegenhouden, maar hij zal uiteindelijk toch moeten wijken.
2 Tessalonicenzen 2:6-7:
Dan weet u ook wat hem nog tegenhoudt en dat hij pas zal verschijnen op de voor hem vastgestelde tijd.
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst degene die hem tegenhoudt verdwijnen.

Het vuur, symbool van de geesten van de duisternis of de demonen, tast het gezag van de ordenende menselijke geesten aan.
Het vernietigt hun gezag en macht en het respect dat hun toekomt.
Diverse keren vergelijkt de Bijbel hooggeplaatste mensen in het religieuze of het politieke leven met bomen.
Jesaja profeteert:
Op die dag zal de Heer van de hemelse machten
zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots,
tegen ieder die zich verheven acht – ze worden vernederd! –,
tegen alle ceders van de Libanon
die zich zo trots verheffen,
tegen de eiken van Basan
(Jesaja 2:12 en13).

Bekend is ook de droom van Nebukadnezar, waarin hij zichzelf ziet als een grote sterke boom.
Maar het vervolg is:
In de beelden die ik in mijn slaap voor me zag, daalde een wachter, een heilige engel, uit de hemel neer.
Hij riep met luide stem: Vel de boom en kap zijn takken, stroop het gebladerte af en verstrooi zijn vruchten, opdat de dieren eronder vandaan vluchten en de vogels opvliegen van zijn takken
(Daniël 4:10-11).
In het ‘genadejaar van de Heer’ blijven alleen de terebinten van gerechtigheid staan (zie Jesaja 61:3).
Bij de eerste bazuin vallen veel leiders in het religieuze en maatschappelijke leven.
Een derde deel van de bomen verbrandt; zij worden dus volkomen onder de voet gelopen, gedemoniseerd.

Tot slot verbrandt al het groene gras.
Juist het jonge geestelijke leven is gevoelig voor de inspiratie door de demonen.
Kinderen (in het geloof) hebben vaak nog niet veel weerstandsvermogen, vooral wanneer ze door hun ‘ouders in de Heer’ nog onvoldoende beschermd (kunnen) worden.
Als een dergelijke ouder niet de wapens van God gebruikt om voor zijn kinderen in de bres te staan, worden dezen gemakkelijk beïnvloed, verleid en overheerst door duistere geesten.

Ook de ‘jonge’ gelovigen in de schijngemeente vallen al bij de eerste stormloop als een gewillige prooi in de handen van de vijand.
Maar tegelijk is er ook voor de ‘jeugd’ in de gemeente een prachtige belofte van Gods geest.
Aan het einde der tijden, zegt God,
zal Ik over alle mensen mijn geest uitgieten.
Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren,
jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten
(Handelingen 2:17).
Ouderen in het geloof zullen samen optrekken met hun ‘kinderen’ om samen één volk te zijn voor de Heer.
Als bode zal hij voor God uitgaan met de geest en de kracht van Elia om ouders met hun kinderen te verzoenen en om zondaars tot rechtvaardigheid te brengen en zo zal hij het volk gereedmaken voor de Heer (Lucas 1:17).

8:8-9

De tweede engel blies op zijn bazuin.
Iets dat eruitzag als een grote berg, waar de vlammen uitsloegen, werd in zee gegooid.
Een derde deel van het water werd bloed, een derde deel van alle in zee levende wezens ging dood en een derde deel van de schepen verging.

Grondtekst: En de tweede engel blies op de bazuin en (iets) als (een) berg grote met vuur brandend werd geworpen in de zee; en werd het derde (deel) van de zee bloed.
En stierf het derde (deel) van de schepsels in de zee hebbende zielen en het derde (deel) van de schepen werd volledig verwoest.

Ook bij de tweede bazuin zijn we ons ervan bewust dat het boek Openbaring een aaneenschakeling van visioenen is.
Deze worden alle beschreven in symbooltaal.
We kennen deze manier van uitdrukken bijvoorbeeld door het gebruik van verkeerstekens: achter één plaatje schuilt voor iedereen die hierin geschoold is, een duidelijke betekenis.
Door middel van symbolen of afbeeldingen wordt ons nu inzicht verschaft in de onzichtbare, geestelijke wereld.
De verborgen of niet-zintuiglijk waarneembare dingen van het koninkrijk van de hemel worden ook hier door middel van ‘tekeningen’ of ‘vergelijkingen’ ont-huld of ont-sluierd.
Door Gods geest geleid krijgen we zo een scherp zicht op het plan van God, zoals onder andere staat in Jesaja 25:7:
Op deze berg vernietigt Hij het waas
dat alle volken het zicht beneemt,
de sluier waarmee alle volken omhuld zijn.
of, zoals de NBG-vertaling het misschien nog duidelijker zegt:
En Hij zal op deze berg de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert en de bedekking, waarmee alle volken bedekt zijn.

Johannes ziet hoe iets wat lijkt op een grote berg, waar de vlammen uitslaan, in zee gegooid wordt.
Ook dit visioen gaat over de geestelijke wereld en we moeten hierbij dan ook niet denken aan een vulkaan die in zee stort.
In Marcus 11:23 zegt Jezus:
Ik verzeker jullie: als iemand tegen die berg zegt:
Kom van je plaats en stort je in zee, en niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, dan zal het ook gebeuren.

Hier bedoelt Jezus dat wij demonen kunnen uitdrijven, hoe groot en sterk ze ook mogen zijn.
‘Kom van je plaats (ga uit de mens) en stort je in zee (ga naar het rijk van de dood).’

Bergen zijn symbolen van geestelijke machten.
Zo wordt ook Gods geest voorgesteld als een heel hoge berg, waarop de gemeente, de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem gebouwd is (zie Openbaring 21:10).

We kunnen geen enkele geestelijke macht wat betreft grootte en luister met deze ‘berg’ vergelijken.
De zonen van God kunnen alleen zichtbaar worden als de geest van God ongehinderd door hen heen en in hen kan werken.
In Jesaja 2:2 staat hierover:
Eens zal de dag komen dat de berg
met de tempel van de Heer rotsvast zal staan,
verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.
Alle volken zullen daar samenstromen.

Nu ligt de zichtbare tempelberg of de berg Sion ongeveer 740 meter boven de zeespiegel.
Als we deze tekst ‘natuurlijk’ gaan uitleggen zal de berg Sion hoger moeten worden dan de Mount Everest (8.840 meter) en dus zal Jeruzalem zeker onbewoonbaar worden.

Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn … (Hebreeën 12:22).
Ook in Daniël 2:35 staat dat deze berg de hele aarde bedekt.

Als bergen in zee liggen noemen wij ze eilanden.
In Openbaring 6:12-14 staat dat de geestenwereld geschud wordt, zodat geen berg of eiland op zijn plaats blijft staan.

In paniek roepen zij die zich niet beschermd weten bij God, de bescherming van hun goden aan.
Ze riepen de bergen en de rotsen toe:
Val op ons neer!
Verberg ons voor het oog van Hem die op de troon zit en voor de toorn van het Lam!
(zie Openbaring 6:16).

In Openbaring 16:20 zien wij hoe de demonen wijken die eeuwenlang de schijngemeente beheerst hebben.
Alle eilanden verdwenen in het niets en van de bergen was geen spoor meer te vinden.

Babylon wordt uitgebeeld als gefundeerd op zeven bergen of vorsten van het rijk van de duisternis (zie Openbaring 17:9-10).

Wie de symbolische betekenis van ‘bergen’ kent, begrijpt ook dat het mogelijk is bergen te verzetten en in de zee (de afgrond) te gooien.
Paulus zegt in verband met de geestelijke begaafdheden:
Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn (1 Korintiërs 13:2).
Want we kunnen zelfs (zogenaamd) namens Jezus demonen uitdrijven en toch een medewerker van satan (blijken te) zijn (zie Lucas 13:27)!

Heel veel symbolen in het boek Openbaring zijn ontleend aan het scheppingsverhaal.
Er is sprake van licht en duisternis; in het nieuwe Jeruzalem zal het nooit meer nacht zijn.
De sterren, de zon en de maan, de wilde dieren met hun eigen karakter, ze hebben alle hun geestelijke tegenhanger.
Zo is water beeld van het religieuze (geestelijke) leven en de aarde beeld van het natuurlijk gerichte religieuze leven; in deze twee sferen leeft de mens.
We spreken wel van geestelijke maar nooit van natuurlijke stromingen.
In ons vers is tot drie keer toe sprake van zee of water.
Dit stelt de geestelijke en religieuze wereld van de mensen voor.

Soms stuwt de wind dit water hoog op.
Wind is beeld van de demonen die het geestelijke leven beïnvloeden.
Paulus spreekt in Efeziërs 4:14 over het stuurloos ronddobberen en met elke wind meewaaien (grondtekst: elke wind van leer).
Ook op de Pinksterdag is er een geluid als van een hevige windvlaag, een manifestatie van Gods geest (zie Handelingen 2:2).
Zee of water is dus beeld van het geestelijke leven dat overheerst wordt door de duisternis en in het bijzonder onder beslag ligt van de dood (de afgrond).
De ‘zee’ hoort nog bij de invloedssfeer van de aarde, hoewel wij ons op het terrein van de onzichtbare wereld bevinden, waar veel demonische machten opereren.

De zee wemelt van allerlei soorten wezens, ieder met zijn eigen kenmerken (zie Genesis 1:20-21).
In deze geestelijke wereld bevinden zich de grote zeedieren, zoals het beest met de tien horens en de zeven koppen, dat uit de zee opstijgt.
Maar er bevinden zich ook geesten die ‘leven’ of letterlijk: ‘die een ziel hebben’.
Dit zijn dus mensen die, anders dan demonen, een ziel hebben.
Iedere ‘ziel’ die niet bij God hoort, bevindt zich in de zee en is onderworpen aan de overheersing door de dood.
Maar Jezus Christus is gekomen om allen te bevrijden die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood (zie Hebreeën 2:15).

Er is maar één uitweg om aan de overheersing door deze duistere machten te ontkomen en redding, herstel en luister te vinden.
Dit kan alleen als ziel en geest van de mens overgeplaatst worden uit de zee naar de hemelse regionen (de ‘lucht’) om ingevoegd te worden in de witte wolk (de gemeente) (zie verder Openbaring 14:14).

Als op de tweede bazuin geblazen wordt, valt er dus een enorme demon in de zee.
Hij beschadigt (verbrandt) het geestelijke leven van een deel van de religieuze mensheid.
Een groot deel van de mensen wordt volledig prooi van deze macht uit het rijk van de duisternis.
Ze zijn geestelijk totaal afgeschreven en onbereikbaar voor het evangelie geworden.
Ook voor hen geldt dat ze niet meer kúnnen geloven omdat hun ogen verblind zijn en hun hart gesloten of versteend is (zie Johannes 12:40).
Ze hebben geen enkel inzicht (meer) in de geestelijke dingen, ze hebben hun innerlijk afgesloten voor het licht en de liefde van God.

Door de ontbindende invloed van deze demon gaan miljoenen mensen verloren.
Uit hen verdwijnt iedere vorm van geestelijk leven.
Dat een derde deel van het water bloed wordt, wil zeggen dat alleen het aardsgerichte en natuurlijke leven nog in stand gehouden wordt.
De mensen eten en drinken en leven voor hun plezier, net als in de tijd van Noach.
Ze zijn uitsluitend nog bezig met zichtbare zaken.
Ze zoeken de ‘hemel op aarde’ en ze hebben genot liever dan God.

We zien in onze tijd dat ook de schijngemeente al heel ver die kant opgegaan is door het bovennatuurlijke te ontkennen en zelfs belachelijk te maken.
En dat ondanks het feit dat de Bijbel hier heel duidelijk over is en dit uitvoerig beschrijft.
Wie gelooft er nog in genezing door handoplegging?
Wie gelooft er nog in de doop in Gods geest, in de gaven van deze geest, in wonderen?

De schijngemeente moet niets hebben van bovennatuurlijke zaken.
Haar religieuze leven geeft de mens alleen nog een zekere voldoening voor zijn gevoel en verstand, terwijl zijn geest niet meer geactiveerd wordt.
Want alleen door zijn geest kan de mens zich richten op God en in Hem geloven.
Het resultaat van dit alles is dat in de stormloop van de demonen de ‘schepen’ vergaan.
De schepen op zee zijn de talrijke organisaties en instellingen die gebaseerd zijn op religieuze en zelfs ‘christelijke’ overtuigingen.
In onze tijd zien we steeds meer de afbrokkeling van deze instituten door een groeiende onverschilligheid.
De oorzaak hiervan is dat de mens hoe langer hoe meer ‘stenen voor brood’ krijgt en dat nu ook meer en meer gaat beseffen, na zoveel eeuwen zogenaamd christendom.
In de periode van de tweede bazuin wordt een groot deel van deze organisaties weggevaagd.

8:10-11

De derde engel blies op zijn bazuin.
Uit de hemel viel een grote ster, die zo fel brandde als een fakkel.
Hij viel op een derde deel van de rivieren en op de waterbronnen.
De naam van de ster is Alsem.
Dat derde deel van het water werd alsem.
Veel mensen stierven door het water, dat bitter geworden was.

Grondtekst: En de derde engel blies op de bazuin en viel uit de hemel (een) ster grote, brandende als (een) fakkel en zij viel op het derde (deel) van de rivieren en op de bronnen van wateren.
En de naam van de ster werd genoemd Alsem; en wordt het derde (deel) tot alsem en veleven van (de) mensen stierven door de wateren omdat zij bitter geworden waren.

Er valt een grote ster uit de hemel, brandend als een fakkel of lamp.
Deze ster verspreidt geen licht, maar duisternis.
De naam van deze demon is Alsem.
Te oordelen naar de gevolgen, hebben we hier te maken met absintalsem, waarvan het aftreksel een heel giftige vloeistof bevat die absint genoemd wordt.
Het bestaan van giftig alsem is al in het oude testament bekend (zie Jeremia 9:14 en 23:15).
Doordat de ster Alsem het derde deel van het zoete water aantast, wordt dit ‘alsem’ of ‘absint’.
Dit bittere water heeft een dodelijk effect op de mensen die het drinken.

De naam Alsem geeft in onze tekst de uitwerking van een demon aan.
Gods woord is een lamp voor onze voet en een licht op ons pad, maar deze demon brengt een schijn-licht, een leugenleer, die de harten van de mensen bitter maakt.
Elke blijdschap verdwijnt, somberheid en zwaarmoedigheid gaan de boventoon voeren.
In veel kerken en gemeenten kunnen we dit klimaat helaas ervaren.

In 1 Timoteüs 4:1 deelt Gods geest nadrukkelijk mee:
… dat in de laatste tijd sommigen het geloof zullen verlaten, doordat ze luisteren naar dwaalgeesten en naar wat demonen hun leren.
Ze worden hiertoe aangezet door huichelachtige leugenaars die hun eigen geweten hebben dichtgeschroeid …

In het boek Openbaring is sprake van bronnen en van een rivier met water dat leven geeft, helder als kristal, die ontspringt uit de troon van God en van het Lam (zie Openbaring 21:6 en 22:1).
Daar wordt gesproken over de geest en het woord van God.
Jezus zelf zegt in verband met het werk van deze geest in het innerlijk van zijn volk:
Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft, zo zegt de Schrift (Johannes 7:38).

Maar de demonen vergiftigen door hun leugenachtige inspiraties de bronnen van geestelijk herstel en het verkrijgen van de luister van God.
Ze brengen geen leven maar dood aan alle mensen die uit deze besmette bronnen drinken.
De rivieren zijn symbolen van geestelijke stromingen.
Opnieuw vallen veel mensen af van het echte geloof en gaan ze geestelijk dood.
Miljoenen worden misleid door religieuze leugens en dwalingen en zij staan tegen God op.

Het zijn de dagen van verbittering en van een zich afzetten tegen God en gebod.
Veel mensen worden hard en onverschillig, net als eens het volk Israël bij Massa en Meriba in de woestijn.
In de tekenen van de tijden kunnen we nu al de uitwerking van de ster Alsem zien.

Maar de echte zonen van God hebben een andere ster, waarover 2 Petrus 1:19 zegt:
Ons vertrouwen in de woorden van de profeten is daardoor alleen maar toegenomen.
U doet er goed aan uw aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een lamp die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart.

8:12

De vierde engel blies op zijn bazuin.
Een derde deel van de zon, van de maan en van de sterren werd getroffen, waardoor dat deel verduisterd werd.
Een derde deel van de dag en ook van de nacht was er dus geen licht.

Grondtekst: En de vierde engel blies op de bazuin en getroffen werd het derde (deel) van de zon en het derde (deel) van de maan en het derde (deel) van de sterren, zodat werd verduisterd het derde (deel) van hen en de dag niet schijnt (gedurende) het derde (deel) van haar en de nacht evenzo.

De demonen stromen als een grote watervloed (zondvloed) over de aarde, de ongeestelijke religieuze mensheid.
Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten en wie onrein is zal nog onreiner worden (zie Openbaring 22:11).
We moeten daarom geen natuurtaferelen verwachten waardoor het aardse bestaan onmogelijk wordt.
Want als echt een derde deel van de zon verduisterd wordt, is er geen natuurlijk leven meer mogelijk.
Ook hier moeten we zoeken naar een geestelijke verklaring.

Het boek Openbaring gaat over de geestelijke wereld.
Op de dag van de Heer wordt de zon van de gerechtigheid verduisterd.
Als de beloften van herstel en luister voor Sion, de gemeente, werkelijkheid worden, wordt hierdoor, in tegenstelling tot de toenemende duisternis, juist het licht van de hemellichamen versterkt.
Dan is het licht van de maan als het licht van de zon en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk.
Op die dag verbindt de Heer de wond van zijn volk en geneest Hij de striemen die het zijn toegebracht
(Jesaja 30:26).

Een natuurlijke uitwerking van deze profetie zal voor het leven op aarde uiteraard rampzalige gevolgen hebben, dus is een geestelijke verklaring de enige logische.
Ook in het enige profetische boek van het nieuwe testament geldt als in Psalm 84:12:
Want God, de Heer, is een zon en een schild.
En ook is van toepassing voor ons:
Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God
zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan
en verschijnen aan allen die leven in duisternis
en verkeren in de schaduw van de dood,
zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede
(Lucas 1:78).

Van het werkelijkheid geworden woord van God: Jezus Christus, wordt gezegd: … het licht schijnt in de duisternis.
De maan is hiervan dus het beeld, omdat hij het licht van de zon reflecteert in het duister.
In Hem schittert Gods luister, Hij is zijn evenbeeld … (zie Hebreeën 1:3).

De sterren zijn ook hier weer de engelen.
De betekenis is duidelijk.
De tijd is aangebroken dat bijna niemand meer gered en hersteld kan worden.
Door de enorme afval kan God alleen nog met veel moeite een klein aantal gelovigen bereiken.
Het woord van God: de mens op het niveau van Jezus Christus, wordt niet (meer) geloofd.
Deze lamp gaat net als bij de onverstandige meisjes, door gebrek aan geloof en inzicht, midden in de nacht uit.
Het gevolg is dat ook de engelen, de sterren, niet meer als ondersteunende geesten kunnen fungeren.
Door ongeloof en zonde van de mens worden zij als helpers van de gelovige mens uitgeschakeld.

In Jesaja 59:1-2 vinden we een schets van deze situatie:
De arm van de Heer is niet te kort om te redden,
zijn gehoor niet te zwak om te luisteren –
jullie wangedrag is het
dat jullie en je God uit elkaar heeft gedreven;
door jullie zonden houdt Hij zich verborgen
en wil Hij je niet meer horen.

De demonen schuiven als onweerswolken tussen God en de mens in en hierdoor wordt het Zonlicht verduisterd.
Maar voor de gemeente, die bevrijd is van de geesten van de duisternis, is van toepassing:
De weg van de rechtvaardigen is stralend als de zon,
die opkomt, hoger klimt, totdat de dag zijn licht verspreidt
(Spreuken 4:18).

8:13

In mijn visioen hoorde ik de luide roep van een adelaar die hoog in de lucht vloog:
‘Wee! Wee! Wee de mensen die op aarde leven!
Want dadelijk klinken de bazuinen van de drie engelen die nog niet geblazen hebben.’

Grondtekst: En ik zag en hoorde één engel (voor adelaar -zie verklaring hieronder) vliegende in (het) midden van de hemel, zeggende met (een) stem luide: wee, wee, wee aan de wonenden op de aarde vanwege de overige klanken van de bazuin van de drie engelen zullende blazen.

Voordat op de drie volgende bazuinen geblazen wordt, ziet Johannes een adelaar vliegen.
Deze beweegt zich in het centrum van de geestelijke wereld, waar ook de troon van God staat.
Rondom dit machtscentrum heeft Johannes al eerder vier dieren opgemerkt, waaronder een vliegende adelaar (zie Openbaring 4:6-7).
De handschriften die ‘arend’ of ’ gier’ hebben zijn gezaghebbender dan de exemplaren die in plaats daarvan ‘engel’ lezen, zodat er over de juistheid van deze lezing geen twijfel bestaat.
Met de toevoeging ‘één’ wordt aangegeven dat het een enkele vogel is, mogelijk als contrast met de vele drietallen en zeventallen in de context.
Deze vogel symboliseert hier onheil.

Bij de opening van het vierde zegel roept dit dier: Kom!
Dan ziet Johannes het vaalgele paard, de macht van het occultisme, bereden door de dood, terwijl het rijk van de dood hem op de hielen volgt.
Ook nu horen we weer de luid klinkende stem van deze adelaar die drie keer een waarschuwing afgeeft.
Opnieuw zal de wereld geteisterd worden door het occultisme.
In drie aanvalsgolven zullen de onzichtbare demonen over de aarde stromen, onder aanvoering van Apollyon, de doodsengel.
De waarschuwingen worden afgegeven aan de mensen die op de aarde wonen, dus zij die niets van de geestelijke wereld (willen) afweten, de aardsgerichte religieuze mensen.

De scheiding tussen goed en kwaad, tussen licht en duister wordt steeds duidelijker.
Maar de (in)vloed van de demonie heeft geen vat op de gemeente, want doordat zij groeit in kracht, liefde en inzicht, vindt en heeft satan geen enkel aanknopingspunt in haar.
De zonen van God hebben dus niets te lijden van de steeds zwaarder wordende aanvallen uit het rijk van de duisternis.
Omdat zij doorzetten in leven, denken en geloven vanuit het koninkrijk van God, zijn hun geest en ziel onaantastbaar voor de komende plagen.
We kunnen dit vergelijken met de bescherming van het volk Israël in de provincie Gosen in de tijd van de plagen van Egypte.

Deze weeën gaan als oordelen, scheidingsprocessen tussen goed en kwaad, over de aarde.
Tijdens de eerste twee weeën worden de zonen van God zichtbaar.
Door hun geloof in en het persoonlijk leren kennen van de Zoon van God zijn zij volmaakte mensen geworden.
Ze gaan dagelijks met Hem om, daarbij geleid en geïnspireerd door de geest van God.
De begaafdheden van deze geest werken in hen en zijn vrucht is volledig rijp in hen geworden.
Zo hebben zij het geestelijke niveau van Jezus Christus bereikt, ze zijn zijn evenbeeld geworden.
Efeziërs 4:13:
… totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.

De aarde is meer dan rijp voor de oogst (zie Openbaring 14:15).
Bij de derde wee zien we de ondergang van de schijngemeente plaatsvinden.

Hoofdstuk 9

9:1-2

Toen blies de vijfde engel op zijn bazuin.
Ik zag een ster die uit de hemel op de aarde was gevallen.
Hij kreeg de sleutel van de put naar de onderaardse diepte.
Hij opende die put, waaruit rook opsteeg als uit een grote oven.
De zon en de hemel werden verduisterd door de rook uit de put.

Grondtekst: En de vijfde engel blies op de bazuin en ik zag (een) ster uit de hemel gevallen zijnde op de aarde en gegeven werd aan haar de sleutel van de put van de afgrond.
En zij opende de put van de afgrond.
En ging omhoog rook uit de put als rook van (een) oven grote en werd verduisterd de zon en de lucht vanwege de rook van de put.

De zee is het beeld van het religieuze leven van de mensen.
Dit leven staat onder de autoriteit van de duisternis en in het bijzonder onder die van de dood(smacht).
Zee en aarde horen bij elkaar, zoals het geestelijke en het natuurlijke leven samen het bestaan van de mensheid vormen.
In onze verzen wordt gesproken over de ‘abussos’, de onpeilbaar diepe afgrond.
Ook hier wordt de zee als beeld genomen.

Zoals in een oceaan onmeetbare duistere diepten zijn, zo bevindt zich in deze geestelijke zee de afgrond, de verblijfplaats van demonen.
Later lezen we hoe uit deze zee een afschuwelijk beest opkomt met zeven koppen en tien horens, dat ook het beest uit de afgrond genoemd wordt (zie Openbaring 13:1, 11:7 en 17:8).
Ook wordt satan hierin later zelf opgesloten (zie Openbaring 20:3).
De put is de ingang die toegang geeft tot deze afgrond; deze ingang kan worden geopend en gesloten (zie Openbaring 20:3).

Jezus zegt dat deze poorten (toegangen) van het rijk van de dood de gemeente niet kunnen overweldigen (zie Matteüs 16:18).
Deze poorten bestaan met name uit: zonde, ziekte, verleiding, misleiding en geweld (intimidatie).
Wij kunnen deze toegangen voor onszelf en anderen afsluiten door de kracht en de liefde van de geest van God.

De koning van dit sinistere rijk van de dood heet Apollyon of Verderver.
Hij is de doodsengel of verderfengel die de eerstgeboren kinderen en dieren in Egypte doodt en ook de opstandige Israëlieten in de woestijn (zie Exodus 12:23 en 1 Korintiërs 10:10).

Zoals in de diepzeetroggen volslagen duisternis heerst, zo wordt ook dit rijk dat van de uiterste duisternis genoemd.
Zie onder andere Matteüs 8:12, waar staat:
… maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.
Hier komen geen licht en leven voor.
In Openbaring 6:8 wordt deze ‘onderwereld’ evenals de dood als een persoon voorgesteld; beide zullen bij het laatste oordeel hun gestorven mensen moeten prijsgeven.
Daarna worden ze zelf in de vuurpoel gegooid (zie Openbaring 20:13).
Dit geeft aan dat het bestaan van het ‘rijk van de dood’ van tijdelijke aard is, in tegenstelling tot de vuurpoel waar sprake is van pijniging tot in eeuwigheid (zie Openbaring 20:10).

Als Paulus het heeft over de opstanding van Christus, gebruikt hij voor de dood het beeld van de ‘abussos’, de onderwereld (zie Romeinen 10:7).
Jezus beschrijft het lot van een goddeloze die een kind (in het geloof) tot zonde verleidt als volgt:
Wie een van de geringen die in Mij geloven van de goede weg afbrengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken (Matteüs 18:6).
Het gaat hier om dat deel van de zee, dat ver van de kust verwijderd is en waar dus de grote diepten zijn.
Uiteraard moeten we ook dit geestelijk verklaren, wat ook uit het volgende blijkt.

Wij kunnen ons nu afvragen hoe de demonen in dit rijk van de dood terechtkomen.
Het doel van God is om de mens samen met Hem op zijn troon te doen zitten.
De bedoeling van satan is om dit plan van God te doorkruisen.
Omdat zij met God gemeenschap krijgt, wordt de gemeente voorgesteld als de toekomstige vrouw van God.
Deze is geest en geeft aan de mensen een geest.
Jesaja 42:5 geeft in dit verband aan:
Dit zegt God, de Heer,
die de hemel heeft geschapen en uitgespannen,
die de aarde heeft uitgehamerd
met alles wat zij voortbrengt,
die de mensen op aarde levensadem geeft,
en levensgeest aan allen die daar verkeren.

Die de geest van de mens in zijn binnenste formeert (zie Zacharia 12:1 NBG).

De mens is geen geest, maar een ‘levende ziel’ die een geest bezit en die hem tot zeer hoge ontwikkeling kan brengen.
Dit in tegenstelling tot de levensgeest van planten en dieren.
Met de menselijke geest wil God bijzonder graag contact hebben en Hij verlangt hiernaar als een bruidegom naar zijn bruid.
De geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid (Jacobus 4:5 NBG) of zoals de NBV hier zegt: Hij die ons het leven gaf, maakt er vurig aanspraak op.
In 2 Korintiërs 13:13 wenst Paulus de gelovigen toe:
De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de eenheid (koinonia = deel hebben aan, gemeenschap) met de heilige geest zij met u allen.
Uit dat zeer nauwe contact tussen de Goddelijke geest en de menselijke geest worden de zonen van God geboren.
Het huwelijk is een beeld van de gemeenschap van God met de geest van de mens.

Engelen hebben ten opzichte van de mensen een ondersteunende taak.
Goede engelen zijn altijd begeleiders, maar nooit inwoners.
Engelen die gemeenschap met de geest van de mens zoeken (door inspiratie) en onrechtmatig in hem gaan wonen (de mens geestelijk ‘binden’), worden aan hun oorsprong (God) ontrouw.
Zij verlaten zo hun eigen woning: de geestelijke wereld.
Denk ook aan de engelen die hun oorspronkelijke positie ontrouw zijn geworden en de hun toegewezen plaats hebben verlaten:
tot het oordeel op de grote dag houdt Hij hen met onverbreekbare boeien in de onderwereld gevangen
(Judas:6).

Door de mens te overheersen, probeert satan de troon van God te bereiken die voor de mens bestemd is.
Zo brengt hij de mens op de ‘brede weg’ naar de ondergang.
Bij het sterven wordt de innerlijke mens, die met een satanische geest verbonden is, naar de diepte van de afgrond meegetrokken.
Op hem is van toepassing 2 Tessalonicenzen 1:9:
Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit.
Zij zijn het die de duisternis liever hebben gehad dan het licht.

In de tijd voor de grote overstroming (zondvloed) leven er vele miljoenen mensen die bewust met de demonen verbonden zijn.
Zo zijn ze, samen met hun duistere ‘begeleiders’, in de afgrond of het rijk van de dood terechtgekomen.
Immers, God heeft zelfs engelen die gezondigd hadden niet gespaard maar hen in de Tartarus geworpen.
Daar, in de diepste duisternis, blijven ze opgesloten om hun vonnis af te wachten
(2 Petrus 2:4).
en:
Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten, om dit alles te verkondigen aan hen die ten tijde van Noach weigerden te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd … (1 Petrus 3:19-20 ged.).

Door in te gaan op het evangelie kan de mens al tijdens zijn leven op aarde uit de macht van de duisternis verlost worden.
Hij kan nú al overgeplaatst worden in het koninkrijk van de Zoon van Gods liefde.
Hij hééft ons gered (verlost, vrijgemaakt) uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon … (Kolossenzen 1:13).

In het rijk van de dood kan de mens niets meer doen, hij kan daar geen activiteiten meer ontplooien.
Zowel de demon als de met hem verbonden mens zitten daar samen in de gevangenis (zie Openbaring 20:7 en 1 Petrus 3:19).
Het doel van de demonen is dus om de mens eerst te verleiden en zo bezit van hem te nemen.
Hij is dan verenigd met zijn prooi.
Maar Jezus maakt de mens los van de demonen door ze uit hem te drijven en ze zonder buit naar de gevangenis te verwijzen (zie ook Lucas 8:31).

De speciale pijniging van demonen bestaat hierin dat zij zich zonder ziel en geest van een mens in het rijk van de dood bevinden.
Zij hebben dan het doel gemist waarvoor ze uitgezonden zijn.
In het oude verbond kunnen demonen maar op één manier machteloos gemaakt worden, namelijk door het doden van hun slachtoffer, de mens.
Vandaar ook de doodstraf voor gepleegde ‘zonden tot de dood’: het bedrijven van occultisme, het bewust contact zoeken met demonen.

In het nieuwe verbond kan de mens gered worden doordat de duistere geesten gebonden en uitgedreven worden in de naam of de autoriteit en volgens de ‘methode’ van Jezus.

Zoals hierboven al is aangegeven staat in Judas:6 dat demonen: tot het oordeel op de grote dag met onverbreekbare boeien in de onderwereld gevangen worden gehouden.
Ze worden tot het oordeel bewaard, ze moeten hun vonnis afwachten! (zie 2 Petrus 2:4).

De dag van het oordeel betekent het tijdperk van de grote en totale scheiding tussen goed en kwaad.
Maar dit is nog niet de dag van de veroordeling.
In de tijd van het oordeel worden van elkaar gescheiden: slechte en goede mensen, onkruid en tarwe en gemeente en schijngemeente.
Tot de laatste tijd blijven de demonen in de afgrond opgesloten, maar bij het klinken van de vijfde bazuin gaan hun gevangenisdeuren open.
Dan stijgen ze op uit de diepte en brengen zij de duisternis, die met hen verbonden is, op de aarde.
De aarde is symbool van de aardsgerichte, ongeestelijke, maar religieuze mens die zich gemakkelijk door satan laat inspireren.

Maar de zonen van God hebben hun leven verankerd in de geestelijke wereld, in en vanuit het koninkrijk van God.
Zij vallen niet en komen dus ook niet onder de heerschappij van de (duistere) vorst van deze wereld.

De taak van de zonen van God is het om in de hemelse regionen de slechte engelen te weerstaan die hen onderdrukken of proberen te verleiden.
Zo kunnen ze het verheugende nieuws brengen, het evangelie van bevrijding en herstel, aan de slachtoffers van de demonische wereldbeheersers.
Natuurlijk komt de vraag naar boven: waardoor komen deze duistere geesten zo ineens vrij, waardoor wordt hun gevangenis geopend?
Johannes ziet een ster die uit de hemel op de aarde gevallen is en aan haar wordt de sleutel van de put van de afgrond gegeven.
In de Bijbel wordt niet alleen gesproken over de sleutels van dood en rijk van de dood, maar ook over die van het koninkrijk van de hemel.

Om in dit koninkrijk te kunnen komen moeten we kennis hebben van de wetmatigheden van de geestelijke wereld.
Jezus verwijt de theologen in zijn tijd dat zij de sleutel van de kennis weggenomen hebben.
Zij komen zelf niet in de geestelijke wereld en ook verhinderen ze anderen die dit willen, om hier binnen te gaan.
Lucas 11:52:
Wee jullie wetgeleerden, want jullie hebben de sleutel tot de kennis weggenomen;
zelf zijn jullie niet binnengegaan en anderen die wel binnen wilden gaan hebben jullie tegengehouden.

De sleutel van de afgrond is de kennis die nodig is om het rijk van de dood mee te openen of mee af te sluiten.
Jezus geeft de sleutels van het koninkrijk van de hemel aan de mens en wijst hem zo de weg om vrij te worden van de demonen.
Dezen willen hem meevoeren naar het rijk van de dood en hem in de macht geven van de doodsengel Apollyon.

Maar de dood zal nooit meer macht over ons kunnen krijgen, want:
Hij heeft ons gered en ons geroepen tot een heilige taak, niet op grond van onze daden, maar omdat hij daartoe uit genade besloten had.
Deze genade was ons al vóór alle tijden gegeven in Christus Jezus, maar nu is ze bekend geworden doordat onze redder Christus Jezus is verschenen, die de dood heeft vernietigd en onvergankelijk leven heeft doen oplichten door het evangelie
(2 Timoteüs 1:10).

Ook al moet de christen nu nog sterven, hij weet dus dat hij geen prooi van de dood meer is of wordt!
Hij zal de dood niet eens zien of ontmoeten, want hij heeft zich met elke vezel van zijn bestaan verbonden aan Christus, de bron van het leven.
Jezus bezit de sleutels van de dood en van het rijk van de dood en Hij sluit voor zijn volk de weg naar de dood voor eeuwig af.

In onze tekst gaat het over de sleutel van het rijk van de dood die aan een engel gegeven wordt om de diepe putvormige opening van de afgrond mee te openen.
Deze ster is uit de hemel op de aarde gevallen.
Ook bij de derde bazuin zien we iets dergelijks.
We hebben toen aangegeven dat er demonen zijn die mensen inspireren om foutieve geloofsvisies (dwalingen, leringen van demonen of van mensen) te ontwikkelen en te verspreiden.
Matteüs 15:9:
… tevergeefs vereren ze Mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen
en ook 1 Timoteüs 4:1:
Maar de geest zegt nadrukkelijk dat in de eindtijd sommigen het geloof zullen verlaten, doordat ze luisteren naar dwaalgeesten en naar wat demonen hun leren.
Als de mens hiernaar luistert en handelt gaat hij zijn ondergang tegemoet.
Hier is een duistere geest die de sleutel of de kennis heeft gekregen om de put van de afgrond of het rijk van de dood mee te openen.

Deze kennis is al lang op aarde beschikbaar (door occultisme), maar haar uitwerking zal in de laatste tijd toenemen en geïntensiveerd worden.
Deze engel inspireert de mensen die hiervoor openstaan om contact met doden en demonen te krijgen.
Al vanaf de bouw van de toren van Babel is de mens op deze manier bezig toegang te krijgen tot de hemel of de onzichtbare wereld.
Genesis 11:4:
Ze zeiden: Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt.

Misschien is het verhaal in Genesis 3 over de val van de mens zelfs wel de eerste beschrijving van de poging van de mens om de geestelijke wereld binnen te gaan buiten God om!
Als we ervan uitgaan dat God niemand verzoekt, zal Hij dat natuurlijk ook niet in het paradijs gedaan hebben.
We zien hier wél de duivelse inspiratie om de mens te vangen met een leugenachtige belofte:
Jullie zullen helemaal niet sterven, zei de slang.
Integendeel, God weet dat jullie ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden
(ook mogelijk is de vertaling: ‘als God’) zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad (Genesis 3:4-5).

Als we er goed over nadenken is het toch wel erg simpel om te denken dat de duivel de macht over de wereld heeft gekregen doordat een mens eet van een ‘verboden vrucht’ van een gewone boom.
Het wordt een ander verhaal met een heel andere impact als die vrucht geestelijk blijkt te zijn; we komen dan op het terrein van het occultisme.
Dit is namelijk een bezig zijn in de geestelijke wereld onder inspiratie van demonen, met alle dodelijke gevolgen daarvan!

Alle ‘heidense’ religies zijn op het occultisme gebaseerd.
Het is een zonde die naar de dood voert omdat men zich openstelt voor en overgeeft aan de heerschappij van de geesten van bedrog uit de afgrond.
In het oude Israël moet ieder mens die deze zonde doet onherroepelijk gedood worden.
Een man of een vrouw die geesten of schimmen van doden laat spreken, moet ter dood gebracht worden.
Zulke mensen moeten worden gestenigd en hebben hun dood aan zichzelf te wijten (Levitcus 20:27).
1 Johannes 5:16-17 zegt:
Er bestaat ook zonde die wel tot de dood leidt.
In dat geval geldt mijn aansporing om te bidden niet.
Alle kwaad is zonde, maar niet elke zonde leidt tot de dood.

Johannes waarschuwt in vers 21 dan ook met klem tegen de afgoden!

Wie zich hiermee heeft ingelaten en daardoor geestelijk gebonden is geraakt, kan alleen vrijkomen door de kracht van Gods geest.

Bij de vijfde bazuin is al een engel uit de hemel op aarde gevallen.
In Openbaring 12:9 staat dat na een oorlog in de geestelijke wereld, satan met zijn engelen op de aarde gegooid wordt.
Daar vinden we dus een beschrijving van hetzelfde voorval vanuit een andere gezichtshoek.
Natuurlijk heeft satan altijd al op aarde geopereerd en zijn er altijd al demonen geweest die de mensen kennis hebben verstrekt over het rijk van de dood.
Maar in de laatste tijd richt de duivel zich erop de kennis van het oproepen van de doodsengelen enorm te intensiveren en uit te breiden.

Zo zegt Paulus dat er altijd al antichristen geweest zijn, maar dat in de laatste tijd de eigenlijke antichrist openbaar komt.
2 Tessalonicenzen 2:7:
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst degene die hem tegenhoudt verdwijnen.
Johannes zegt hier het volgende over in 1 Johannes 2:18:
Kinderen, het laatste uur is aangebroken.
U hebt gehoord dat de antichrist zal komen.
Nu al treden er veel antichristen op, en daardoor weten we dat dit het laatste uur is.

1 Johannes 4:3:
Iedere geest die dit niet belijdt, komt niet van God; dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen – nu al is hij in de wereld.

In de laatste tijd zal het erom gaan hetzelfde evangelie te brengen dat Jezus gebracht heeft.
Dit is het complete evangelie dat gericht is op de geestelijke wereld, met name op het koninkrijk van God.
Zo kan de mens op een bovennatuurlijke manier beschikken over de kracht en de kennis van de geest van God.
Dit als tegenhanger van de spiritualistische gemeente van de antichrist die langs paranormale weg de krachten van de afgrond ontketent.
De demonische engelen kunnen de afgrond niet zelf openen, maar ze hebben de mens als ‘medium’ daarvoor nodig.

Jezus Christus geeft door het bekendmaken van het evangelie van het koninkrijk van God de mens de opdracht de demonen in de afgrond te werpen.
Het spiritisme heeft het tegenovergestelde als doel.
Het spiritisme met zijn talrijke schakeringen leert dat verkeer en contact met de geesten van overleden mensen mogelijk is.
Het is de sleutel van de kennis om de demonen te ontketenen die de natuurlijke en aardsgerichte mens niet heeft.
Het bedrog zit hierin dat mensen menen contact te krijgen met menselijke geesten.
Maar ze worden alleen maar geconfronteerd met de demonen met wie de overleden personen verbonden zijn.
Of ze krijgen te maken met andere geesten die zich voor de opgeroepen doden uitgeven.

Hoe dodelijk is het dus om zogenaamde (gestorven) heiligen aan te roepen en niet te vergeten Maria; het is pure spiritisme!

Door de doop in en de vervulling met de geest van God openbaren zich de krachten van de hierna komende fase in het plan van God: het duizendjarige rijk.
Pal hiertegenover staat de ontbinding, de losmaking van de geesten uit de afgrond.

Bij de vijfde bazuin wordt een deel van de mensheid op een bijzondere manier gedemoniseerd.
De rook die uit de put opstijgt, wijst op de onzuiverheid en het verstikkende van het geestelijke klimaat dat hiermee verbonden is.

De tegenstelling tot de verschijning van Jezus Christus is heel opmerkelijk, want Hij komt in wolken van luister, de volmaakt geworden gemeente.
Maar deze engelen uit het rijk van de dood zijn zwart van ongerechtigheid.
De verschijnselen waardoor ze begeleid worden, bemoeilijken en verstikken al het geestelijke leven van de mensheid zonder God.
Zij verduisteren in de geestelijke wereld de zon en de lucht.
Zo wordt ieder uitzicht belemmerd op de hemelse regionen waar de luister van God zich steeds meer aan het manifesteren is.

9:3

Uit de rook kwamen sprinkhanen neer op de aarde.
Ze kregen de beschikking over dezelfde vermogens als schorpioenen op aarde.

Grondtekst: En uit de rook gingen uit sprinkhanen op de aarde en gegeven werd aan hen (vol)macht, zoals hebben (vol)macht de schorpioenen van de aarde.

De demonen die met de rook uit de schacht van de afgrond opstijgen, worden uitgebeeld door sprinkhanen.
De kenmerkende eigenschappen hiervan lijken op de aard en het gedrag van deze duistere geesten.
Het oordeel dat bij de vijfde bazuin over de aarde gaat, wordt vergeleken met een sprinkhanenplaag zoals deze in de zichtbare wereld vaak voorkomt.
Het visioen is als een film die vertoond wordt.
Eerst ziet Johannes het totaal als een opstijgende rook, daarna merkt hij de details op.
Bij de close-up ziet hij alles van dichtbij en blijkt deze wolk een leger van sprinkhanen te zijn.
Hij kan tot in de finesses in zich opnemen hoe ze eruitzien.
Vooral de aanvoerder valt op.

In tegenstelling tot dit duivelse leger ziet Johannes later een witte wolk, met daarop iemand die lijkt op een mens, met een gouden krans om zijn hoofd (zie Openbaring 14:14).
De close-up hiervan volgt in Openbaring 19:11-16.
Daar ziet Johannes dat deze wolk het geestelijke leger voorstelt dat als cavaleristen het woord van God vergezelt op zijn triomftocht.

Als rook uit een grote oven verbreidt zich het verderf uit de afgrond over de hele aarde.
Ontelbare demonen proberen systematisch alles wat leeft te vernietigen.
Dus die mensen die (in meerdere of mindere mate nog) in verbinding met God leven.
Hun aanwezigheid ligt als een verstikkende, vergiftigende druk op de religieuze mensheid.
De gemeente van de antichrist is nu een spiritistische organisatie die deze massale invasie van geesten uit de afgrond oproept.
Dan wordt de mens een prooi van deze machten, door zijn eigen handelen.

Er staat in ons vers: Ze kregen de beschikking …
In Romeinen 1:24, 26 en 28 wordt gezegd dat God de mensen die bewust de afgoden zoeken respectievelijk overgeeft aan:

Dit ‘overgeven’ gaat natuurlijk niet van God uit, maar het is een logisch gevolg van de eigen keus die de mensen hier maken.

De uitwerking van deze plaag wordt vergeleken met het werk van schorpioenen.
Dit spinachtige dier heeft acht poten en meestal ook acht ogen, waarvan de grootste twee bovenop de kop zitten en de zes andere aan de voorkant.
Voor de mondopening zitten twee grote scharen die veel op die van een kreeft lijken.
Maar het zijn geen poten: ze vormen het tweede paar kaken.
Het achterlijf bestaat uit zeven smalle segmenten, waarvan het laatste in een kromme, holle giftstekel eindigt.
Deze staat op zijn beurt in verbinding met twee giftklieren die in het laatste segment liggen.
Het achterlijf (de staart) kan over de rug gekromd worden en de stekel komt dan ter hoogte van de kop.
De prooi die uit spinnen of insecten bestaat, wordt met de scharen gegrepen, omhoog getild, met behulp van de grote ogen gekeurd en dan door een of meer steken verlamd of gedood.

De geestelijke sprinkhanen zullen hun prooi net zo behandelen als hierboven staat.
Volmacht (exousia) betekent een bepaalde vrijheid van handelen, een bepaald machtsgebied of jurisdictie (zie onder andere Lucas 23:7).
Niets gaat vanzelf, ook niet in geestelijk opzicht.
De mens zelf geeft door zijn afgoderij de ruimte aan de duistere machten om hem te kunnen overmeesteren en hem daarna te overheersen.

De beschrijving van de schorpioen is duidelijk in al haar afschuwelijkheid.
De demon die langs de weg van het spiritisme opgeroepen wordt, krijgt zijn slachtoffer volledig in zijn greep.
Dit wordt als het ware gebiologeerd door de grote, duistere ogen, waarna dit nachtdier zijn prooi verlamt.
Het is een beeldende beschrijving van het lot van de paranormale mediums en andere spiritisten die niet meer normaal kunnen leven.
Ze worden zowel geestelijk als lichamelijk uitgeput door de demonen die uit het rijk van de dood komen.
Tegen deze vloedgolf van demonie helpt geen religieus bezig zijn of verstarde geloofsvisie.
Deze verwoestende gruwel (zie onder andere Marcus 13:14) werkt namelijk de ondergang van Babylon, de schijngemeente, uit.

De mensen die in Gods geest gedoopt zijn, hebben het merkteken (zegel) van God op hun (geestelijke) voorhoofd, beeld van hun gedachtenleven.
Alleen zij kunnen door de kracht van de geest van God geestelijk strijden en weerstand bieden in deze tijd waarin satan zich zo openlijk manifesteert.
Zij worden in deze oorlog sterk en zij behalen de overwinning.

9:4-6

Maar, werd erbij gezegd, ze moesten de planten, struiken en bomen ongemoeid laten.
Alleen de mensen die niet het zegel van God op hun voorhoofd hadden, mochten ze kwaad doen.
Doden mochten ze hen niet, alleen pijnigen, vijf maanden lang; die mensen zouden pijn moeten lijden alsof ze door een schorpioen gestoken waren.
Dan zullen de mensen de dood zoeken, maar hem niet vinden.
Ze zullen naar de dood verlangen, maar de dood vlucht van hen weg.

Grondtekst: En er werd gezegd aan hen dat niet zij beschadigen het gras van de aarde, noch enig gewas, noch enige boom, behalve de mensen alleen die niet hebben het zegel van God op de voorhoofden van hen.
En gegeven werd aan hen dat niet zij doden hen, maar dat zij gepijnigd worden (gedurende) maanden vijf.
En de pijniging van hen (was) als pijniging van (een) schorpioen, wanneer hij steekt (een) mens.
En in dagen die zullen zoeken de mensen de dood en niet zij zullen vinden hem.
En zij zullen verlangen (te) sterven en zal vluchten de dood van hen.

Het occultisme is geen zonde van het natuurlijke leven, maar het is een kwaad dat direct in de geestelijke wereld verricht wordt.
Door de zonde van het spiritisme komt de mens rechtstreeks met de demonen uit het rijk van de dood in contact.
Deze geesten komen uit de plaats waar ze gepijnigd worden.
Zij worden daar gevangen gehouden omdat ze gemeenschap met de mens gehad hebben.
De kwelling van een geest bestaat, zoals eerder aangegeven, hierin dat hij geen activiteiten meer kan ontplooien doordat hij onder druk gezet en overheerst wordt.
In de afgrond wordt hij in alle opzichten gehinderd om ook maar iets te kunnen ondernemen.
En dat terwijl iedere geest juist kracht en activiteit is.
Ook komt hij daar onder de heerschappij van de verderver Apollyon.

De eenheid van de demonische legers bestaat niet uit een band van onderlinge liefde, maar uit een perfect doorgevoerd dwangsysteem.
Sommige politieke en religieuze stelsels lijken hier veel op.
Hun kwelling wordt opgeheven als ze uit de afgrond opgeroepen worden en weer van een mens bezit kunnen nemen.
Dan kunnen ze opnieuw, zoals hun karakter is, wetteloosheid ontplooien.
Ze zetten daarom de menselijke geest onder pressie en krijgen op die manier zelf de vrijheid om te doen wat ze willen.
Hun streven en dat van hun leider blijft altijd om via de mens op de troon van God te komen!
2 Tessalonicenzen 2:4 zegt:
Hij (de personificatie van satan) zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel (de mens) plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf.

Als de afgrond boven hen ontsloten wordt, zijn ze als uitgehongerde wilde dieren die losbreken en zich direct op hun prooi storten.
De kwelling die zij zelf in de afgrond ondergaan hebben, brengen zij op hun slachtoffers over.
Die komen daardoor onder immense geestelijke druk te staan, worden depressief en raken geïsoleerd van andere menselijke geesten.

Het zal ons duidelijk zijn dat het aanroepen van gestorven ‘heiligen’ een vorm van occultisme is.
De Bijbel zegt duidelijk dat de ‘in Christus’ gestorven gelovigen geen daadwerkelijk nut meer hebben voor hen die achterblijven.
Daarom schrijft Paulus in Filippenzen 1:24-25:
… anderzijds is het omwille van u beter dat ik blijf leven.
Omdat ik hiervan overtuigd ben, weet ik dat ik inderdaad voor u behouden zal blijven, zodat uw geloof groter en vreugdevoller wordt.

Want de gestorven christen valt niet meer onder het domein van de heerser over de wereld (die zonder God leeft): satan.
De gestorvene rust van zijn inspanningen (zie Openbaring 14:13), hij kan dus niets meer voor ons doen.
En wanneer een mens tegen het uitdrukkelijke verbod van God in toch contact met hem zoekt, zal hij in aanraking komen met de demonen, de geesten van de duisternis.
Wie buiten de God de Schepper en Jezus Christus om, zich op wat voor manier dan ook op geestelijk terrein beweegt, is of komt onder beslag van satan en zijn handlangers.

In Openbaring 14:9-10 gaat het over deze mens die gedoopt is in de geest van de antichrist.
Deze occultist zal daarvan de vreselijke gevolgen ondervinden, want hij zal in zijn innerlijk worden gepijnigd in vuur en zwavel (de giftige geesten uit de afgrond).

In 2 Korintiërs 5:13 (Zijn we in extase, dan is het voor God; zijn we bij zinnen, dan is het voor u) vertelt Paulus dat hij in dienst van God in geestvervoering komt.
Dit brengt hem ‘in de geest’ rechtstreeks tot op de hoogte van de troon van God.
Bij de vijfde bazuin is er sprake van een uitzinnigheid in dienst van de duivel.
De mens komt in trance en zo leert hij de verborgenheden van satan (de afgrond) kennen (zie Openbaring 2:24).

Dan wordt zijn geest hierdoor zo overheerst en onderdrukt dat hij in het vervolg niets nuttigs meer kan doen.
Zoals door de steek van een schorpioen de prooi verlamd wordt, zo wordt zijn geest machteloos door het contact met de demonen.
Bijvoorbeeld verslavende middelen kunnen een manier zijn om in de occulte wereld ervaringen te hebben die naar dezelfde ondergang leiden.
Zij hebben soortgelijke gevolgen voor het geestelijke en natuurlijke leven als het spiritisme.

Ook mensen die ‘geestverruimende’ middelen gebruiken, willen graag de geestelijke wereld binnengaan en daar ervaringen hebben.
Maar ze gaan niet langs de weg die God via Jezus Christus daarvoor beschikbaar heeft gesteld.
In Johannes 10:1 zegt Jezus:
Waarachtig, ik verzeker u: wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief of een rover.

Ze klimmen op een illegale manier de ‘hemel’ binnen en ze worden daardoor een prooi van de daar aanwezige en werkzame dief en moordenaar: satan.
Dit komt omdat ze de bescherming missen van Gods geest en van de heilige engelen.
Ze betalen hiervoor de prijs met de verwoesting van hun geest, ziel en lichaam.
In de laatste tijd komen mensen door middel van spiritistische seances, door (vooral) oosterse religies en bepaalde chemische middelen in de diepten van het rijk van de dood.
Ze verlangen sterk naar contacten en ervaringen in de geestelijke wereld, maar ze worden door de demonen misleid en bedrogen.

Doordat ze psychisch zo gekweld worden, willen ze uiteindelijk alleen nog maar dood.
De tegenhanger hiervan vinden we in wat Paulus zegt als hij in de gevangenis onder zware geestelijke en lichamelijke druk schrijft:
Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste (Filippenzen 1:23).

Maar de demonen mogen hun slachtoffers niet doden (zie Openbaring 9:5).
Als ze dat doen moeten ze namelijk zelf met hun slachtoffers terug naar de afgrond of de gevangenis.
Van Apollyon mogen ze de mensen zó onder druk zetten, dat dezen in hun leven op aarde al de ontbindende werking van de dood ondervinden.

Deze ‘geesteszieken’ willen in hun wanhoop zelfmoord plegen, maar dat lukt hen niet.
Zij moeten de beker van de ontbinding tijdens hun aardse leven helemaal leegdrinken.
De dood vlucht van hen weg omdat de met hen verbonden geesten weigeren met hun slachtoffers naar het rijk van de dood terug te gaan.
Vijf maanden lang, beeld van een bepaalde tijd, duurt deze verschrikkelijke plaag.
Psychiaters staan machteloos totdat deze golf van bezetenheid verdwijnt zoals zij gekomen is.

Duidelijk zien we dat de slachtoffers van dit geestelijke exces niet vallen onder hen die het merkteken van God op hun voorhoofd hebben.
Niemand van de gelovigen die in Gods geest gedoopt is, zal door deze plaag getroffen worden.
Want zij hebben het inzicht en de kracht om deze over de aardsgerichte religieuze wereld uitzwermende demonen te onderscheiden en te weerstaan.
Het gewas (letterlijk: alles wat groen is) stelt die mensen voor in wie leven is, die dus wel gedoopt zijn in de geest van God, maar die nog beginnen op te groeien.
Zij genieten een speciale bescherming door de heilige engelen (zie Matteüs 18:10).

Ook blijven ze door hun gericht zijn op het plan van God, onbeschadigd.
Tenslotte blijven ook de ‘terebinten of eikenbomen van gerechtigheid’, de zonen van God, onaangetast.
Er wordt gezegd dat zij het zegel of het merkteken van God op hun (geestelijke) voorhoofden hebben, omdat zij door zijn woord en geest vernieuwd zijn in hun denken (zie Openbaring 7:3).

9:7-10

Zo zagen die sprinkhanen eruit: ze leken op paarden die waren toegerust voor de strijd, met op hun hoofd een soort goudachtige krans en met een gezicht als dat van een mens.
Hun haar was lang als het haar van een vrouw, hun tanden waren als leeuwentanden.
Hun borst leek een pantser van ijzer.
Hun vleugels maakten een geluid als het geratel van talloze wagens die ten strijde trekken.
Verder hadden ze een staart met een angel, net als schorpioenen.
Met die staart konden ze de mensen pijnigen, vijf maanden lang.

Grondtekst: En de gedaanten van de sprinkhanen (waren) gelijkend op paarden, toebereid voor oorlog en op de hoofden van hen (iets) als kransen gelijkend op goud en de gezichten van hen als gezichten van mensen.
En zij hadden haren als haren van vrouwen en de tanden van hen als van leeuwen waren.
En zij hadden harnassen als harnassen ijzeren; en het geluid van de vleugels van hen (was) als (het) geluid van wagens van paarden vele, dravende tot oorlog.
En zij hebben staarten gelijkend op schorpioenen en angels; er was in de staarten van hen ook de (vol)macht van hen (om te) beschadigen de mensen (gedurende) maanden vijf.

We krijgen nu meer details te zien doordat het beeld vergroot wordt.
De sprinkhanen die vooral door hun kop op paarden lijken, worden nu grote, krijgshaftige strijdrossen.
Het paard is een beeld van een demon of een andere geestelijke macht of kracht.
We kunnen bijvoorbeeld denken aan de ruiter op het witte paard, het woord van God, dat door de kracht van Gods geest wordt gedragen.
Maar hier is sprake van een duivelse, schrikaanjagende legermacht.
Dit leger voert een onheilige oorlog en verspreidt dood en verderf.
Het occultisme is de grootste vijand van het koninkrijk van God, omdat het zijn kracht imiteert.

Ook bij de spiritisten heeft men het over: wonderen, tekenen, profetieën, genezingen, openbaringen en gezichten.
Op de koppen van de paarden zijn kransen of kronen als van goud, goudachtig.
Alles lijkt echt, maar het is het niet.
De straten of het plein in de stad van God, het nieuwe Jeruzalem, zijn van zuiver goud, een beeld van zuiverheid en duurzaamheid.
Maar hier lezen we over kronen die ‘goudachtig’ zijn, dus die alleen maar lijken op goud.
Zo zijn ook de gezichten van deze demonen ‘als die van een mens’.
De misleide spiritisten denken met overleden familieleden, vrienden of ‘heiligen’ te maken te hebben, maar in feite krijgen ze contact met de demonen die met hen verbonden zijn.

De Bijbel heeft het over deze geesten van dode mensen.
Jesaja 29:4 zegt:
Je zult roepen van diep onder de grond,
wat je uit het stof laat horen, klinkt gedempt;
het klinkt als de stem van een geest uit de diepte,
het stof laat slechts gefluister horen.

In Jesaja 8:19 NBG heeft de profeet het over geesten van doden, die daar piepen en mompelen.

We zien hier duidelijk dat deze geesten uit het rijk van de dood opkomen en de stem van de overledenen proberen te imiteren.
Men denkt te doen te hebben met een geliefde of vriend of zogenaamde heilige die zich uit de andere wereld manifesteert.
In werkelijkheid legt men contact met een demon die zich voordoet als de dode en die met een gedempte stem, die als uit de diepte komt, antwoord geeft.

Hun haar was lang als het haar van een vrouw.
Deze geesten openbaren zich als gesluierd, zodat hun slachtoffers door de vaagheid van het astraallichaam hen niet als demonen zullen herkennen.
Als ze weten met wie ze te doen hebben, zullen ze hen zeker nooit oproepen.
Het is bekend dat de manifestaties bij spiritistische seances nooit scherp zijn en dat zij altijd in het halfduister plaatsvinden.
De verschijningen zijn altijd vaag.
De tovenares van Endor ziet een oude man met een mantel om.
Daarin meent zij, evenals Saul, de profeet Samuël te herkennen!

Johannes ziet de wrede machten die eropuit zijn hun prooi te verslinden, zoals ze echt zijn: fel, hard, agressief en niet te tellen in aantal.
Het geluid van de eveneens ontelbare aantallen wagens geeft aan dat de manifestatie van deze wezens niet stilletjes ergens in een uithoek gebeurt.
Wereldwijd zal hun activiteit kunnen worden gezien en gevolgd.

Opnieuw wordt erop gewezen wat het resultaat is als de mens opzettelijk met de demonen uit het rijk van de dood contact zoekt.
Het lijkt allemaal zo onschuldig, maar deze wezens hebben wel staarten als schorpioenen en angels.
Het einde is dat de spiritist naar geest, ziel en lichaam vergiftigd wordt en zich niet meer uit de greep van deze machten van de hel los kan maken.

Bij de eerdere oordelen wordt elke keer een deel van het religieuze leven van de mensen aangetast.
De grote afval is gekomen en de wetteloze mens wordt steeds meer zichtbaar en manifesteert zich steeds bruter.
Het geestelijke leven wát er nog is, wordt systematisch uitgeblust.
Ook bij de volgende bazuin wordt het oordeel tot een deel van de schijngemeente beperkt.

Bij al deze bazuinen gaat elke keer een derde deel ten onder, maar hoe lang dit duurt wordt niet gezegd.
Maar de vijfde bazuin is wereldwijd en de duur van haar geluid wordt aangegeven door een periode van vijf maanden.
Er wordt een hausse van spiritisme en verslaving geschilderd die de hele religieuze wereld in haar greep krijgt.
Psychologen, psychiaters en zielenherders zullen denken met onbewuste krachten in de mens te maken te hebben.
Maar zij zullen deze niet in goede banen kunnen leiden omdat het werkingen van demonen zijn.

De schijngemeente heeft de doop in de heilige geest van God, met het spreken van door deze geest geïnspireerde talen, altijd als dwaasheid afgewezen.
En nu wordt ze een prooi van de occulte machten uit de afgrond.
Maar plotseling komt er een einde aan deze bijzondere plaag.
De demonen die rondgetrokken zijn als brullende leeuwen, op zoek naar mensen om die te verslinden, moeten zich terugtrekken.
De hun toegemeten tijd is voorbij.
De rage van deze marathonseance onder leiding van de schijnprofeet of de antichrist, de wetteloze mens, is dan afgelopen.

In de geschiedenis zien we meer voorbeelden van dergelijke duivelse invasies in de schijngemeente.
Deze komen plotseling op en verdwijnen daarna weer.
We kunnen in dit verband noemen: de kruistochten, de heksenverbrandingen, de inquisitie, de vervolging van andersdenkenden, de opgelegde bekeringen door zending en missie, de Jodenhaat, de wereldse machtswellust van ‘kerkvorsten’, het onwetend houden van leken, enzovoort, enzovoort.

We zullen hier nog even ingaan op de heksenvervolgingen.
Na het tijdperk van de reformatie teistert dit duistere waanidee de zogenaamde ‘christelijke’ landen.
Maar dit komt niet voor in de Grieks-orthodoxe landen als Rusland en de Turkse landen.
Onverwachts komt deze verstandsverbijstering in het schijnchristendom op.
Maar na drie (!) eeuwen is ze verdwenen zoals ze gekomen is.
Naar schatting heeft deze massawaan aan een miljoen mensen, meest onschuldige vrouwen en zelfs kinderen, het leven gekost.
Er zijn dorpen waar maar twee vrouwen overgebleven zijn.
Opvallend is dat de reformatoren het geloof aan heksen hebben gedeeld en dat de brandstapels het felst oplaaien als het protestantisme al lang een feit is.

De schijngemeente heeft geen inzicht in het wezen van de onzichtbare wereld.
Daarom heeft zij deze schanddaden kunnen doen die tot een ware volkenplaag zijn uitgegroeid.
Het laatste voorbeeld van zo’n demonische overstroming vinden we in Openbaring 20, als de duivel zelf voor een korte tijd wordt losgelaten.

9:11-12

Hun koning is de engel van de onderaardse diepte; zijn naam luidt Abaddon in het Hebreeuws, in het Grieks Apollyon.
De eerste wee is voorbij, maar er komen er nog twee!

Grondtekst: En zij hebben over hen (een) koning de engel van de afgrond; (de) naam aan hem in het Hebreeuws (is) Abaddon en in het Grieks (de) naam heeft hij Apollyon.
De wee eerste is voorbij gegaan, zie er komen nog twee weeën na deze (dingen).

De heilige geest van God is de kracht die ieder mens naar het eeuwige, onvernietigbare leven wil leiden.
Zo is de dood de kracht die alleen gericht is op ontbinden; Apollyon kan worden vertaald als ‘vernietiger’.
Deze engel van de dood of die van de afgrond is de machtigste troonengel van satan.
Hij is de laatste vijand die onttroond of vernietigd zal worden (zie 1 Korintiërs 15:26).
Als satan zelf in de vuurpoel gegooid is, volgt de dood pas nadat deze bij het laatste oordeel de doden teruggegeven heeft.

Openbaring 20:10:
En de duivel, die hen misleidde, wordt in de poel van vuur en zwavel gegooid, bij het beest en de valse profeet.
Daar zullen ze dag en nacht worden gepijnigd, tot in eeuwigheid.

Openbaring 20:13:
De zee stond de doden die ze in zich had af en ook de dood en het rijk van de dood stonden hun doden af.
En iedereen werd geoordeeld naar zijn daden.

Openbaring 20:14:
Toen werden de dood en het rijk van de dood in de vuurpoel gegooid.
Dit is de tweede dood: de vuurpoel.

Aan het einde van de periode van de vijfde bazuin moet het leger uit de afgrond zich opnieuw stellen onder zijn heerser: de koning van het rijk van de dood.
Zijn naam is een symbool, want zowel het Hebreeuwse woord Abaddon als het Griekse woord Apollyon betekenen verderf, verderver, vernietiger.
De mensen hebben in deze periode een verschrikkelijke geestelijke pijn en pressie ervaren.
Deze wee heeft de mensheid vreselijk veel angst bezorgd.
Maar dwars door deze weeën heen nadert de gemeente haar volmaaktheid en wordt de nieuwe schepping voltooid.

9:13

Toen blies de zesde engel op zijn bazuin.
Uit de vier horens van het gouden altaar dat voor God staat, hoorde ik een stem …

Grondtekst: En de zesde engel blies op de bazuin en ik hoorde (een) stem één uit de vier horens van het altaar gouden voor het aangezicht van God.

Bij het blazen van de zesde bazuin komen we voor de tweede keer in de tempel van God bij het gouden reukofferaltaar.
In het oude verbond staat dit altaar in het ‘heilige’, waar zich ook de tafel van de toonbroden en de gouden luchter bevinden.
We doen er goed aan te bedenken dat de tempel en alles wat daarin staat een afbeelding is van de geestelijke werkelijkheid.
Hebreeën 8:5 ged.:
Zij verrichten hun dienst in wat de afspiegeling en de voorafschaduwing is van het hemelse heiligdom, zoals dat aan Mozes geopenbaard werd toen hij begon met het oprichten van de tabernakel …

Het brandofferaltaar in de voorhof is het beeld van de mensheid waarvoor Christus zijn bloed gestort heeft om haar zondeschuld te betalen.
Zo heeft ook het reukofferaltaar zijn betekenis.
Het heilige en wat zich erin bevindt, vertegenwoordigt de gemeente van Jezus Christus.
In haar is het licht, uitgebeeld door de altijd brandende luchter.
In het boek Openbaring zien we hoe Christus als de Mensenzoon tussen de zeven luchters staat, een beeld van de zeven gemeenten.
De gemeente verspreidt steeds meer haar licht, wanneer de Heer zijn zuiverend werk in haar doet.

De twaalf toonbroden op de gouden tafel vertegenwoordigen de twaalf stammen van het volk Israël als een eenheid.
In het nieuwe verbond beeldt het brood ook de eenheid uit van het lichaam van Jezus Christus, de gemeente, het geestelijke Israël.
1 Korintiërs 10:17:
Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood.

Van het gouden reukofferaltaar stijgt de wierookgeur omhoog.
Zo brengt de gemeente van Jezus Christus haar aanbidding, lofprijzing en gebeden voor de troon van God.

In het oude verbond wordt eens per jaar de verzoeningsrite voltrokken aan de horens van het altaar met het bloed van het reinigingsoffer.
Zie hiervoor Exodus 30:10 en Leviticus 16:18.
De hogepriester doet hierdoor verzoening voor de stammen van Israël.
De geestelijke werkelijkheid is:
Christus is immers niet binnengegaan in een heiligdom dat door mensenhanden is gemaakt, in de voorafbeelding van het hemelse heiligdom, maar in de hemel zelf, waar Hij nu bij God voor ons pleit.
Hij brengt daar niet telkens opnieuw het offer van zijn leven;
Hij is dus niet te vergelijken met de hogepriester die elk jaar het heiligdom binnengaat en dat met bloed dat niet het zijne is,
want dan zou Hij sinds de grondvesting van de wereld telkens opnieuw hebben moeten lijden.
Nee, Hij heeft zich bij de voltooiing van de tijden eenmaal geopenbaard, om met zijn offer de zonde teniet te doen
(Hebreeën 9:24-26).

Het gouden altaar is dus het symbool van de gemeente en het staat in de hemelse tempel vlak voor de ark van het verbond, de troon van God.
Want er is geen gordijn of ‘voorhangsel’ meer dat een scheiding aanbrengt.
Zo bevindt de gemeente zich in de directe nabijheid van God.
Er staat niets tussen haar en God meer in!
Het goud van het altaar, van de luchter en van de tafel van de toonbroden wijst op de heiligheid en de onberispelijkheid van de gemeente.
Zo zijn ook de straten (of het plein) van de geestelijke stad, het nieuwe Jeruzalem, van zuiver goud en schitteren ze als glas (zie Openbaring 21:21).
De gemeente is stralend, zonder vlek en rimpel, heilig en zuiver geworden (zie Efeziërs 5:26-27).

De gemeente op aarde zal in de laatste tijd gaan overeenstemmen met dit hemelse beeld.
Voordat het zover is zal er scheiding moeten komen tussen:
de gemeente en de schijngemeente
de vrouw van het Lam en de hoer en
het volmaakte en het onvolmaakte.

Uit de vier horens van het altaar hoort Johannes een stem.
Deze komt dus uit het midden van de gemeente van alle eeuwen.
Van de gemeente van de laatste tijd kunnen we in verband met het reukofferaltaar zeggen:
Wij zijn de wierook (of: heerlijke geur) die Christus brandt voor God, zowel onder hen die worden gered als onder hen die verloren gaan.
Voor de laatsten is het een onaangename geur die tot de dood leidt, voor de eersten een heerlijke geur die leven schenkt
(2 Korintiërs 2:15-16).

Door het woord van God dat in de gemeente gebracht en uitgewerkt wordt, ontstaat een duidelijke scheiding met de schijngemeente.
Zo wordt duidelijk wat echt en wat namaak is binnen het christendom
Dit wekt binnen de schijngemeente veel jaloezie, woede en geweld op, wat duidelijk zichtbaar is geworden in de afgelopen eeuwen.
Voor deze gemeente geldt:
Dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur … (zie Jesaja 3:24).
In plaats van de luister van God ervaart men hier de verstikkende rook van de misleidende demonen.

De gemeente staat helemaal los van de schijngemeente.
Jezus zegt in Matteüs 18:17:
Als ze naar hen niet luisteren, leg het dan voor aan de gemeente.
Weigeren ze ook naar de gemeente te luisteren, behandel hen dan zoals je een heiden of een tollenaar behandelt.

Uitwisseling van gedachten met mensen die geleid worden door (leerstellingen van) demonen blijft meestal zonder positief resultaat.
Ze zijn zo overtuigd van hun eigen gelijk dat ze totaal niet willen luisteren naar argumenten van anderen, hoe ‘Bijbels’ die ook mogen zijn.
Het is bij zulke discussies dan vaak: hete hoofden en koude harten.
Terwijl het in zekere zin juist andersom moet zijn!
Toch blijft voor individuen uiteraard de mogelijkheid om zich daarvan af te keren en zich bij de gemeente te voegen.

Zij trekken weg uit Babel zoals Jesaja in 48:20 dringend adviseert!
Trek weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën!
Verkondig dit met luid gejuich, laat het horen,
laat weten tot aan de einden der aarde:
De Heer koopt zijn dienaar Jakob vrij.

9:14

… die tegen de zesde engel met de bazuin zei: ‘Maak de vier engelen los die bij de grote rivier de Eufraat gevangenzitten.’

Grondtekst: Zeggende aan de zesde engel die had de bazuin: maak los de vier engelen de vastgebonden zijnde bij de rivier grote (de) Eufraat.

De zesde engel met de bazuin krijgt door middel van de gemeente opdracht de vier engelen los te maken die bij de grote rivier de Eufraat vastgebonden zijn of gevangen zitten.
Nog eens geven we aan dat het boek Openbaring aan de gelovigen gegeven is en de ontwikkeling behandelt van de gemeente en de schijngemeente.
In beelden wordt duidelijk gemaakt hoe de eerstgenoemde gemeente de volmaaktheid bereikt.
Daarnaast zien we hoe de schijngemeente bezwijkt onder de aanvallen van de demonen waartegen zij zich niet verweren kan, ja waar ze zelfs bewust mee samenwerkt.

Er is sprake van de Eufraat, een rivier die eenmaal de hof van Eden voorzien heeft van water.
Later is het de rivier waaraan Babylon ligt en waaraan deze vijand van het volk van God zijn rijkdom en welvaart ontleent.
Aan de Eufraat (de grootste rivier van het Midden-Oosten, met een lengte van 2.270 km) zitten de treurende ballingen die van de stad van God en de tempel verdreven zijn.
Psalm 137:1:
Aan de rivieren van Babylon,
daar zaten wij treurend
en dachten aan Sion.

Zoals eerder gezegd, is de hof van Eden in het nieuwe verbond de benaming van de gemeente van Jezus Christus (zie Openbaring 2:7).
In deze gemeente vinden we de Levensboom: Jezus Christus
De leden van de gemeente mogen eten van de vrucht van deze boom en zo worden ze één met het wezen van Christus.
De opdracht aan de gemeente is altijd geweest om een ‘stroom van genade’ over de wereld te laten vloeien tot redding, bevrijding, genezing en geestelijke groei.
Maar we kennen de (kerk-)geschiedenis.
De gemeente wijkt van haar oorspronkelijke, hemelse en heilige roeping af en zij zoekt vooral de grootsheid en de luister in en van de zichtbare wereld.

Duidelijk en scherp heeft de Openbaring het over de hoer als beeld van de verworden gemeente.
In het oude verbond noemen de profeten het ontrouwe en afvallige Israël ook zo.
Ook de gedegenereerde gemeente van het nieuwe verbond wordt hoer genoemd.
Aan de oever van de grote rivier de Eufraat ligt het geestelijke Babylon, de grote stad, de moeder van alle hoeren en van de gruwelijkheden van de wereld (zie Openbaring 17:5).

Deze schijngemeente is er al lang geweest en bestaat ook nu nog wereldwijd!
Ze is een enorm grote stad!
De rivier waaraan ze ligt is een beeld van uiterlijk vertoon, machtswellust en geestelijke misleiding.
In haar vinden we dan ook alles wat in strijd is met de blijdschap van het koninkrijk van God, o.a.:
ernstige plechtigheden, zware (boete)preken, vastgeroeste rituelen, gericht zijn op uiterlijke zaken, zinloze onthoudingen, schoolse wijsheid, ongeestelijke aanbidding, spiritisme, occultisme en veel andere dwalingen.

Vooral de demonische misleiding dat de gelovigen zondaar blijven tot hun dood aan toe, dus geen overwinning kennen op ziekte en zonde, is een van de grootste pijlers van deze grote stad.
Haar inwoners, de gelovigen, blijven dus slaven van de zonde, want wie zondigt is een slaaf van de zonde, zegt Jezus zelf (zie Johannes 8:34).
Het is de schijngemeente die stenen voor brood geeft en die niet wil gaan in de voetsporen van Christus, ondanks dat zij zijn naam draagt.
Dit houdt in dat zij Hem niet volgt naar het doel dat Hij met haar voorheeft: het bereiken van het niveau van de Zoon van God.
Men jaagt er de liefde niet na en men streeft daarbij ook niet naar de gaven van de geest van God (zie 1 Korintiërs 14:1).
Daarom worden door satan gebonden mensen er niet bevrijd, worden zieken er niet genezen en is men in haar niet op zoek naar de waarheid.
Over haar leiders of herders (pastors) zegt de profeet:
Zwakke dieren (= schapen- zie vers 1) hebben jullie niet laten aansterken, zieke dieren niet genezen, gewonde dieren niet verbonden, verjaagde dieren niet teruggehaald, verdwaalde dieren niet gezocht – jullie hebben de dieren hard en wreed behandeld (Ezechiël 34:4).
De liefde, agapè, ontbreekt.

Met Babylon moeten we geen bepaalde kerken of kringen willen aangeven.
We kunnen deze stad niet één op één koppelen aan bestaande religieuze organisaties.
Wel is de invloed van Babylon in veel kerken, kringen en gemeenten duidelijk aan te wijzen.
Wie een gemeente of kerk ‘vals’ of ‘schijn’ noemt zal direct ook zien dat er nog veel echte volgelingen van God deel van uitmaken.
Wie integendeel een bepaalde gemeente of kerk als de ware aanwijst, zal ontdekken dat ook daarin naamchristenen en huichelaars zitten.

Veel gelovigen leven geestelijk nu eenmaal zoals het volk Israël in ballingschap.
De grote profeten als Daniël, Ezechiël en veel andere godsmannen hebben in Babylon geleefd.
Ook nu moeten we vaststellen dat het grootste deel van het volk van God zich altijd nog binnen de muren van deze stad bevindt (vergelijk Openbaring 18:4).

Babylon is geen zichtbare organisatie, maar een systeem van demonische misleiding, waarmee satan het plan van God met de mens wil blokkeren.
Satan wil zelf plaatsnemen op de troon van God en hij doet er dan ook alles aan om te beletten dat de mens op deze troon komt, zoals Gods plan is.

Bij de zesde bazuin komt Babylon onder grote druk te staan en blijft alleen het volk van God over en wordt het apart gezet.
Alles gebeurt zoals de ‘vergelijking van het onkruid tussen de tarwe’ al aangeeft:
Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal Ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen:
Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het.
Breng dan het graan bijeen in mijn schuur
(Matteüs 13:30).

Dan vindt de grote scheiding plaats tussen de gemeente en de schijngemeente.
Het maakt niet uit hoe deze heet:
de ‘alleenzaligmakende kerk’,
de ‘moederkerk’,
de ‘kerk van de Heilige Geest’,
de ‘kerk van Jezus Christus’,
de ‘meest zuivere kerk’,
de ‘gemeente van God’,
de ‘vergadering van gelovigen’,
de ‘pinksterkerk’, enzovoort.

Het is een grote vergissing om te menen dat wat ‘kerkgeschiedenis’ heet, een vervolg is op de ‘Handelingen van de apostelen’!
Deze zogenaamde kerkhistorie gaat vrijwel alleen over het destructieve werk en de demonische daden van Babylon.
Zij is de grote en bekende stad in deze wereld die met de leiders op politiek, cultureel en wetenschappelijk gebied ‘overspel’ gepleegd heeft en dat nog steeds doet.
Ook heeft zij de ongeestelijke mensheid ‘volgegoten’ met haar bedwelmende leringen.
De koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd en de mensen die op aarde leven hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht (zie Openbaring 17:2).

En dit terwijl haar opdracht vanaf het begin is geweest: … opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid (zie Efeziërs 3:19).

Maar daarom is de kerkgeschiedenis ook het verhaal van het lijden van de geestelijke ballingen, het échte volk van God.
Veel oprechte gelovigen hebben onder haar invloed gestaan en staan dat nu nog.
Maar God roept op:
Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen (zie Openbaring 18:4).
Dan gaat het volk van God terug naar zijn eigen land, het koninkrijk van God, om daarin en van daaruit te leven.
De Eufraat, symbool van de leugenachtige leringen en stromingen in de afvallige schijngemeente, stroomt ook nu nog als een grote rivier.
En aan haar oever ligt de metropolis van wereldwijde importantie.

In zijn droom ziet de profeet Zacharia een efa (meelvat) met een loden deksel.
Als dit vat opengaat ziet de profeet hierin een vrouw die de goddeloosheid of de verdorvenheid voorstelt.
Deze vrouw wordt naar het land Sinear of Babylonië gebracht.
Daar wordt voor haar een tempel gebouwd en als deze klaar is, wordt zij daar op haar plaats gezet (zie voor het hele verhaal Zacharia 5:1-11).
Zoals deze vrouw in de efa opgesloten zit, zo zijn ook de vier engelen en met hen de doorwerking van de goddeloosheid, nog gebonden.
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst hij die hem tegenhoudt verdwijnen (2 Tessalonicenzen 2:7).
De wetteloosheid is nu al werkzaam, maar nog niet in al haar gruwelijkheid en kracht.
De vrouw in de efa probeert zich elke keer weer op te richten, maar hij duwde haar terug op de bodem van het vat en sloot het loden deksel (zie Zacharia 5:8).

Bij de zesde bazuin worden de demonen die latent aanwezig zijn, openbaar.
Dan is te zien wie de hoer werkelijk is: zij staat niet in verbinding met de levende God, maar met de machten en krachten van de duisternis.
Als beeld hiervan zit zij op het scharlakenrode beest met de zeven koppen en de tien horens (zie Openbaring 17:3) dat uit de afgrond opkomt.
Deze felrode kleur is favoriet bij de Romeinse heersers, maar in de Bijbel is het de kleur van de zonde (Jesaja1:18: Al zijn je zonden rood als scharlaken …).
Het feit dat de vrouw op het beest zit, geeft de nauwe band aan tussen beiden; de vrouw wordt door het beest gedragen.

9:15-16

De vier engelen werden losgemaakt; ze waren gereedgehouden om juist op dit uur van deze dag, in deze maand van dit jaar, een derde deel van de mensen te doden.
Het aantal ruiters van de bereden troepen – ik hoorde hoeveel het er waren – bedroeg tienduizend maal tienduizenden.

Grondtekst: En werden losgemaakt de vier engelen de toebereid zijnde voor het uur en (de) dag en (de) maand en (het) jaar, opdat zij doden het derde (deel) van de mensen.
En het aantal legers van de/[het] ruiterij (was) twee tienduizendtallen van tienduizenden; en ik hoorde het aantal van hen.

De Eufraat is het beeld van de geestelijke stromingen waaruit de grote afvallige schijngemeente drinkt, waaruit ze haar inspiratie en voeding haalt.
Zij drinkt niet van de ‘stromen van water dat leven geeft’ , zij heeft de (werking van de) geest van God in haar gedoofd.
De vier engelen zijn heersers of grootmachten uit het rijk van de duisternis.
Het zijn religieuze demonen die bezig zijn binnen de muren van de schijngemeente een visie te infiltreren die niet het echte leven van en met God op het oog en tot gevolg heeft.
Zij brengen geen geloof in het herstel van de mens en zijn groei naar de geestelijke volwassenheid, maar zij zorgen ervoor:
dat in de laatste tijd sommigen (of: mensen) het geloof zullen verlaten, doordat ze luisteren naar dwaalgeesten en naar wat demonen hun leren (zie 1 Timoteüs 4:1).

Bij de vijfde bazuin zijn door de macht en de kennis van het spiritisme de geesten uit de afgrond ontbonden.
Bij de zesde bazuin worden de demonen losgemaakt die alle eeuwen door al in de schijngemeente aanwezig zijn geweest, maar die nu het hele religieuze leven van de mensen gaan beheersen.
Wij zullen de tijd beleven (en het is nu al deels zichtbaar) dat de christen en de aanhangers van andere religies in de oecumene als broers en zussen met elkaar omgaan.
En dat de praktiserende homoseksueel oudste is, de atheïst bisschop en de echtbreker predikant of evangelist.

Zoals Apollyon koning is over de geesten van de afgrond, zo zijn de vier bij de Eufraat ontboeide engelen divisiegeneraals over een leger van honderden miljoenen demonen.
Veel mensen hebben in de afgelopen eeuwen geprobeerd de schijngemeente te zuiveren.
Maar als dit demonenleger zijn verwoestende werk heeft gedaan, blijkt de scheiding volledig te zijn.
Dan zien we duidelijk de wetmatigheid van het koninkrijk van de hemel werken:
Want wie heeft zal nog meer krijgen en het zal overvloedig zijn; maar wie niets heeft zal zelfs het laatste worden ontnomen (Matteüs 13:12).

Op een door God bepaald moment barst het geestelijke onheil los.
Het uur, de dag, de maand en het jaar zijn door God nauwkeurig vastgelegd, want eerst moet het volk van God verzegeld worden met zijn heilige geest.
Door de kracht en het inzicht van Gods geest kan dit geestelijke volk blijven staan in de vloedgolf van demonie die over de mensen komt.
De grote afval, die wij nu al wereldwijd zien gebeuren, grijpt dan als een niets ontziend vuur om zich heen.
Een derde deel van de mensen wordt gedood, dat wil zeggen: verliest ieder contact met God.
Ook hier wijst ‘een derde’ op het bijzonder grote aantal slachtoffers van visies, vreemde religies en ideologieën die ingaan tegen de zuivere en duidelijke uitspraak van God:
Laten Wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken …
In het laatste Bijbelboek wordt helder aangetoond wie de echte bewerkers van het kwaad zijn.

Dit vijandelijke leger is zo groot, dat het niet te tellen is en daarom staat er: ik hoorde hoeveel het er waren.
Wanneer zullen de ogen van hen die zeggen christen te zijn, opengaan, zodat ze zien dat er maar één strijd is, namelijk die tegen de demonen in de geestelijke wereld?
En dat ze kennis moeten hebben en steeds meer moeten krijgen van deze onzichtbare wereld?
En dat ze ook de liefde en de kracht van God nodig hebben om in deze oorlog overwinnaar te zijn?

9:17-19

Zo zagen de paarden en de ruiters in het visioen eruit: hun borstpantsers waren vuurrood, violet en zwavelgeel; de hoofden van de paarden waren als leeuwenkoppen, en uit hun mond kwamen vuur, rook en zwavel.
Een derde deel van de mensen werd gedood door deze drie plagen, het vuur, de rook en de zwavel die uit hun mond kwamen.
Want de kracht van de paarden zat in hun mond en in hun staart.
Die staarten hadden koppen en leken net slangen; daarmee richtten ze onheil aan.

Grondtekst: En zó zag ik de paarden in het gezicht en de zittenden op hen, hebbende harnassen vuurrood en hyacintkleurige en zwavelkleurige; en de hoofden van de paarden (waren) als hoofden van leeuwen en uit de monden van hen gaat uit vuur en rook en zwavel.
Door de drie deze werd gedood het derde (deel) van de mensen, door het vuur en door de rook en door de zwavel, uitgaande van de monden van hen.
De want (vol)machten van hen in de mond van hen zijn de want staarten van hen, (zijn) gelijkend op slangen, hebbende hoofden en met hen richten zij schade aan.

Johannes ziet in zijn visioen een duivelse cavalerie.
Want een paard is, zoals gezegd, een symbool van een geestelijke kracht.
In Openbaring 6, bij het verbreken van het eerste zegel, wordt gesproken over de ruiter op het witte paard.
Dit betekent dat het woord van God gedragen wordt door de kracht van Gods geest.
Zo zien we ook de hemelse legermacht gekleed in zuiver wit linnen, Jezus Christus volgen op witte paarden (zie Openbaring 19:14).

Zij zijn de zonen van God die gedragen worden door de kracht en de liefde van Gods heilige geest en die de witte kleren van de rechtvaardigheid aan hebben.
Ook is er de wapenrusting van God die de gelovigen moeten aantrekken in de oorlog tegen de duivelse legers.
Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel.
Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, om goed voorbereid stand te kunnen houden
(Efeziërs 6:11 en 13).
Hieruit blijkt meer geloof dan uit de belijdenis: we blijven zondaar tot onze dood aan toe!

De andere ruiters die hier getekend worden, rijden op gedrochten van paarden, wat betekent dat ook zij geestelijke kracht ontwikkelen.
Deze geestelijke wezens worden door Johannes op basis van hun karakter geschetst.
Hun borstpantsers of harnassen moeten hen beschermen in het gevecht.
Zij vormen een pantser van de ongerechtigheid.
De leeuwenkoppen van de paarden laten hun verscheurende kracht zien.

Zij die op deze paarden rijden, zijn de demonen die de kracht en de macht van de duisternis op de schijngemeente richten.
Paard en ruiter vormen een eenheid en ze werken nauw samen.
De vuurrode, violetkleurige en zwavelgele harnassen die de ruiters dragen, komen overeen met het product dat uit de bek van de paarden komt: vuur en rook en zwavel.
De vuurrode kleur is die van het vuur, de kleur van het demonische en van de hel.
De violet- of hyacintkleurige blauwe rook tekent de fatale gevolgen van de bedrieglijke visies en leerstellingen: verstikkend, ondoordringbaar en alle leven dodend.
De zwavel wijst op de ongerechtigheid, de voedingsbodem van de demonen, zoals de rechtvaardigheid het leven van het volk van God kenmerkt.

Deze plagen komen uit hun mond of bek.
Dat wil zeggen dat zij door geïnspireerde gedachten en visies van demonen veroorzaakt worden.
De dood die daarvan het gevolg is, is dan ook een geestelijke dood.
Wat uit de bek van de duistere machten komt, is woord en geest.
Zo staat in 2 Tessalonicenzen 2:8:
… en dan zal de Heer Jezus hem (de wetteloze mens) doden met de adem van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst.
Ook daar wordt op woord en geest (van God) gewezen die de tegenstander alle energie zullen ontnemen en hem uiteindelijk zullen elimineren.
Met grote kracht van de religieuze demonen zullen miljoenen mensen door bedrieglijke visies misleid worden en hierdoor geestelijk doodgaan.

God adviseert ons dringend om de geesten te onderzoeken of deze van God komen, want er zijn veel schijn- of leugenprofeten in de wereld verschenen (zie 1 Johannes 4:1).
De demonen dringen dus in de (gedachten van de) mensen en zo worden dezen leugenprofeten die door hen geïnspireerd worden.
De rook wijst op het heersen van de duisternis in het verstand van de mensen.
Efeziërs 4:18:
In hun geest heerst duisternis en ze zijn vervreemd van het leven met God, omdat ze Hem niet kennen en hun hart voor hem gesloten hebben.
Door hun leugens verleiden de demonen de mensen en het eindresultaat is dat dezen geestelijk vergiftigd worden door staarten die op slangen lijken.
Het venijn zit hier letterlijk in de staart.
Denken we alles behoorlijk op een rij te hebben in religieus opzicht, komen we uiteindelijk toch nog bedrogen uit!
Denken we de ware kerk te vormen, zijn we volkomen misleid!

Hoe dit te voorkómen?
We worden niet beschadigd door het religieuze vergif als we in aanraking komen met de herstellende en opbouwende kracht van Jezus Christus.
Maar wie daarin niet gelooft, wordt door de duistere geesten naar geest en ziel nog meer toegetakeld dan hij misschien al is!
De slachtoffers worden door deze machten zo bezeten dat zij niet meer willen of kunnen geloven in het vrijmakende evangelie van Jezus Christus.

Maar gelukkig zijn zij die goed en kwaad hebben leren onderscheiden in hun leven.
Dit is mogelijk doordat ze inzicht hebben gekregen in het evangelie van het koninkrijk van God.
Dit gaat niet vanzelf, maar vereist een serieus bezig zijn met en zoeken naar de realisering van het plan van God in hun leven.
Door de doop in en de vervulling met de geest van God krijgen zij de kracht en de wijsheid om de leugens van satan te onderscheiden en er niet op in te gaan.

9:20-21

Maar de andere mensen, die deze plagen overleefden, keerden zich niet af van hun zelfgemaakte goden.
Ze bleven die goden aanbidden en de beelden van goud, zilver, brons, steen en hout, die niet kunnen horen of zien en zich niet kunnen verroeren.
Evenmin braken ze met hun leven van moord en toverij, van ontucht en diefstal.

Grondtekst: En de overigen van de mensen die niet gedood werden in/door plagen deze, niet bekeerden zich van de werken van de handen van hen, opdat niet zij aanbidden de boze geesten en afgoden gouden en zilveren en bronzen en stenen en houten, die noch zien kunnen noch horen.
En niet bekeerden zij zich van de moorden van hen, noch van de toverijen van hen, noch van de hoererij van hen, noch van de diefstallen van hen.

De geschiedenis herhaalt zich.
De aardsgerichte religieuze mens van het oude verbond verwerpt in de tijd van Jezus het evangelie van herstel, dat Jezus Christus brengt.
De schijngemeente zal dit in de laatste tijd ook doen.
Als op de bazuinen geblazen wordt, wordt de scheiding (= het oordeel) tussen goed en kwaad over de hele wereld zichtbaar.
Dan brengen de zonen van God hetzelfde evangelie van herstel, met dezelfde kracht en dezelfde autoriteit als Jezus.
Want Jezus belooft:
Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie op Mij vertrouwt zal hetzelfde doen als Ik, en zelfs meer dan dat, Ik ga immers naar de Vader.
En wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal Ik doen, zodat door de Zoon de grootheid van de Vader zichtbaar wordt
(Johannes 14:12-13).
Zoals het schijnchristendom zich nu al afzet tegen dit evangelie, zo zal men dit blijven doen tot het allerlaatst aan toe.

Matteüs 24:14 zegt:
Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen.
Dan (pas) vindt de voltooiing plaats van het plan van God.
Bij de zesde bazuin worden én de gemeente én de schijngemeente volledig rijp.
De laatste zal daarbij in bezit genomen worden door de demonen die haar overspoelen, terwijl de gemeente van Jezus Christus zal overwinnen op haar tegenstander door de kracht van de geest van God.
Duidelijk wordt beschreven dat de aanvallen op de afgevallen gemeente geen positief resultaat opleveren.
De haat tegen de volgelingen van Jezus Christus zal er alleen maar groter door worden.

Het dieptepunt van het volk Israël ligt in het afwijzen en het kruisigen van Jezus Christus.
Zo zullen ook de lijken van de laatste getuigen liggen op het plein van de grote stad die in figuurlijke zin (grondtekst: in geestelijke zin) Sodom of Egypte heet, de stad waar ook hun Heer gekruisigd is (zie Openbaring 11:8).

Van Israël wordt gezegd:
Ze tergden Hem met vreemde goden,
met gruwelijke beelden krenkten ze Hem.
Ze brachten offers aan demonen,
aan goden die geen goden zijn,
goden die zij eerst niet kenden,
nieuwkomers, nog maar net in zwang,
die voor hun voorouders niet eens bestonden
(Deuteronomium 32:16-17).

Zo is ook Babylon aan de Eufraat de stad met zijn:
bezweringsformules
en de talloze toverkunsten
en
met zijn mensen die naar de sterren staren,
die de hemel kunnen uitleggen,
die je per maand laten weten wat je overkomen zal …
(Jesaja 47:12-13).

Al heel lang vinden we onder ‘christenen’ de bedrieglijke inspiraties door demonen, waardoor zij misleid worden.
We zien de afgoderij in de vorm van het aanbidden van de ‘mammon’: het zich overgeven aan het willen hebben van dingen die niet van God zijn en die alleen maar van zijn plan afleiden.
We zien dat mensen zich buigen voor beelden en zich laten leiden door wat de sterrenbeelden hen zeggen.
We zien dat de ‘christenen’ in hun leven veel waarde hechten aan alles wat groot en belangrijk is in deze wereld.

Het aanroepen van zogenaamde ‘heiligen’ heeft occulte banden met de doden tot gevolg; het is een vorm van spiritisme.
Ook het vasthouden aan de visie van het voorgeslacht geeft een occulte binding.
Alles wat in geestelijk opzicht buiten het contact met God de Vader en Jezus Christus om geloof en aanbidding vraagt, is afgoderij en geeft verbinding met demonen.
Het gevolg van contact met deze geesten is ook dat mensen de ingeschapen wetten van God voor de zichtbare wereld met voeten gaan treden.

Zonden worden niet meer radicaal verworpen als gehoorzaamheid aan satan.
De schijngemeente heeft er alle begrip voor en stelt zich er toegeeflijk tegenover op.
Haat, jaloezie, geruzie en partijdig gedrag (met moord als potentie in zich) zijn aan de orde van de dag onder hen die zich christenen noemen.

Ook maakt een bijzonder hoog percentage van hen gebruik van de krachten van de ‘tovenaars’ van deze tijd: waarzeggers, magnetiseurs, hypnotiseurs, telepaten, goeroes van oosterse religies, kruidendokters, pseudo-medici en andere paranormaal begaafde personen.
Daardoor worden ze occult gebonden.

Net als bij de hiervoor genoemde zonden is men ook tolerant wat betreft de ‘huwelijksmoraal’.
Gescheiden mensen hebben functies in de gemeente.
En het huwelijk wordt niet meer op zijn waarde geschat als beeld van de zuivere en liefdevolle verhouding tussen Christus en zijn gemeente.

Tot slot wordt gesproken van diefstal.
Dat is het zich verrijken ten koste van anderen.
In de zogenaamde kerkgeschiedenis is dit schering en inslag.
Leiders van kerken, gemeenten en kringen bieden ‘geestelijk heil’ aan voor geld, goederen en diensten.
Ondanks de duivelse pressie op de schijngemeente komen haar leden niet tot inkeer.

Hoofdstuk 10

10:1

Ik zag een andere machtige engel uit de hemel neerdalen.
Een wolk omhulde hem en de regenboog was om zijn hoofd.
Zijn gezicht was als de zon en zijn benen waren als zuilen van vuur.

Grondtekst: En ik zag (een) andere engel sterke neerdalende uit de hemel, bekleed zijnde (met) (een) wolk en (een) regenboog op het hoofd en het gezicht van hem als de zon en de voeten van hem als pilaren van vuur.

Johannes ziet een andere sterke engel die uit onzichtbare wereld neerdaalt.
Er zijn uitleggers die menen dat deze engel Jezus Christus zelf is, maar de Mensenzoon is geen engel, want Hij zegt:
Kijk naar mijn handen en voeten, Ik ben het zelf!
Raak Me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat Ik heb
(Lucas 24:39).

Engelen zijn dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding (zie Hebreeën 1:14).

Van kinderen zegt Jezus:
Hun engelen in de hemel zien onophoudelijk het gezicht van mijn hemelse Vader (zie Matteüs 18:10).
Dat de engelen onophoudelijk het gezicht van de Vader zien, betekent dat ze bij de binnenste kring rond de troon van God horen.
Ze staan dus vlak voor God en kunnen altijd ongehinderd in contact met Hem leven, ze gaan vertrouwelijk met Hem om.
Het is ook de taak van deze engelen de gelovigen te beschermen.
Psalm 91:11:
Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen,
die over je waken waar je ook gaat.

Engelen worden genoemd naar de H(h)eer die ze dienen (God of satan) of naar het gebied waarover ze heersen.
Daniël 10:13 en 20: de vorst van het Perzische koninkrijk, de vorst van Griekenland.
Openbaring 1:20, 14:18 en 16:5: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenten, een andere engel die zeggenschap heeft over het vuur, de engel van al het water.

Het geweldig fijne is dat God ieder mens een eigen geest geeft en bovendien een engel als beschermer naast hem.
Maar als de mens zondigt en dat gebeurt door zijn contact met een demon, gaat zijn engel bij hem vandaan en kan hij niets voor de mens meer betekenen.
Zo raakt de mens de bescherming van zijn engel kwijt, want engelen kunnen geen twee heren dienen.
Ze kunnen geen contact hebben met licht én met duisternis.
Maar als zo’n mens zich afkeert van zijn verkeerde manier van leven, worden de engelen (weer) actief.
Lucas 15:10:
Zo, zeg ik u, heerst er ook vreugde onder de engelen van God over één zondaar die tot inkeer komt.
Zij zijn erg blij als ze kunnen helpen en ondersteunen, vanuit hun liefde voor God en zijn plan.
De engel is hier de medewerker van God om de geest en de ziel van de mens te beschermen in zijn ontwikkelingstraject naar het doel dat God met hem voorheeft.

Zo laten demonen ook overeenkomsten zien met hen die ze overweldigd hebben.
Daarom kunnen ze zich zo gemakkelijk bij spiritistische seances uitgeven voor de persoon met wie ze verbonden geweest zijn.
Op zeker moment staat Petrus, na zijn ontsnapping uit de gevangenis voor de deur van het huis van Maria, de moeder van Johannes Marcus.
De christenen in dat huis kunnen niet geloven dat het Petrus is die daar staat en ze zeggen tegen de slavin die Petrus bij de deur heeft zien staan: Het is zijn engel (zie Handelingen 12:15).

In Openbaring 1:1 lezen we dat Jezus de visioenen geeft via zijn engel.
Ook Jezus heeft dus, zoals elk mens, een engel en wel een bijzonder krachtige.
In Openbaring 22:6 staat, dat:
De Heer, de God die profeten bezielt, heeft zijn engel gestuurd om aan zijn dienaren te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet.
In vers 16:
Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten.
Deze engel van Jezus is vrijwel zeker de allerhoogste aartsengel, namelijk Gabriël.
Al in het oude verbond vertegenwoordigt deze ‘engel van de Heer’ het ‘woord van God’, dat dan nog niet zichtbaar geworden is in de mens Jezus.

Opvallend is dat de beschrijving van deze engel ons sterk doet denken aan die van de engel Gabriël in Daniël 8:16-19 en 10:5-7.
En de beschrijving correspondeert ook met die van Jezus in Openbaring 1:13-15.
De conclusie kan zijn dat deze sterke engel Gabriël is, de boodschapper die speciaal belast is met het overbrengen en het begeleiden van het woord van God.
Aan Daniël heeft hij in beelden het plan van God bekendgemaakt en tegen hem gezegd:
En jij, houd dit droomgezicht voor je, want het verwijst naar een verre toekomst.
En:
Maar houd deze woorden geheim, Daniël, en verzegel het boek tot de laatste tijd.
Velen zullen op zoek gaan en de kennis zal toenemen
(zie Daniël 8:26 en 12:4).

In Lucas 1 lezen we hoe de engel Gabriël opnieuw het woord van God introduceert.
Hij maakt het plan van God aan Zacharias bekend en daarna aan Maria.
Jezus is het woord van God dat mens geworden is en nu is Gabriël de engel van Jezus.
We zien Gabriël ook aan het hoofd van een groot hemels leger dat boven de weilanden rond Bethlehem God looft met het lied:
Eer aan God in de hoogste hemel
en vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft
(Lucas 2:14).

Hier heeft hij het geopende boekje of boekrolletje in zijn hand, waarin de toekomstige dingen voor de gemeente beschreven staan.
Dat geeft aan dat hij inzicht zal geven in de ontwikkeling van het plan van God.
Deze engel wordt al eerder genoemd in verband met de gemeente (zie Openbaring 5:2 en 8:3).
In onze tekst is de engel gehuld in een wolk, beeld van de gemeente van Jezus Christus.
Dat geeft zijn belangrijke en centrale positie aan in de ondersteuning van de gemeente om te bereiken wat staat in Efeziërs 5:25 (ged.)- 27 NBG:
… evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en zich voor haar overgegeven heeft,
om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord en zo zelf de gemeente voor zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet
(of: onberispelijk).

Deze wolk bestaat uit miljoenen waterdruppels die een steeds groter wordende eenheid vormen.
Als er staat dat Jezus met, in of op de wolken van de hemel komt, is dit met of in zijn gemeente.
Hij zal komen of neerdalen uit de hemel, dit is: zichtbaar worden in de gelovigen.
Ook dan klinkt het signaal van de bazuin:
Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen (zie 1 Tessalonicenzen 4:16)
en
… wanneer de bazuin het einde inluidt.
Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen
(zie 1 Korintiërs 15:52).

Eerst roept dus de aartsengel tijdens de zesde bazuin; daarover kunnen we in dit hoofdstuk lezen.
De engel wordt door de wolk (de gemeente) omhuld.
In deze wolk weerkaatst het licht van de zon en vormt het als de regenboog een spectrum van veel kleuren.
Zo zijn de zonen van God een reflectie van de luister van de Heer en kunnen we in hen (dus ook in onszelf) zijn veelkleurige wijsheid en trouw zien.

De regenboog zien we op of om het hoofd van de engel die hier Jezus Christus als hoofd van zijn gemeente vertegenwoordigt.
In dit visioen is de regenboog het teken van het nieuwe verbond in Christus Jezus.
De gemeente gaat, zoals God belooft, niet ten onder tijdens het proces van de scheiding tussen goed en kwaad, het oordeel.
Dit in tegenstelling tot de schijngemeente, waarvan de zes bazuinen de ondergang aankondigen.

Openbaring 10 wijst op de opgang van de echte gemeente, haar voorbereiding als vrouw van het Lam (zie Openbaring 19:7).
Nooit verwachte en bedachte openbaring van de luister van God vindt dan plaats.
De gemeente is bezig haar volkomenheid te bereiken.
Majestueus en groots is daarom het gezicht van deze engel.
Het is als de zon, omdat de luister van God erop weerspiegeld wordt.
Zijn hele voorkomen geeft uitdrukking aan geestelijke overwinning en heerschappij.
De beschrijving van zijn voeten doet ons denken aan de voeten van Jezus in Openbaring 1:15.
Zij beelden overwinning en autoriteit uit.

10:2-4

Hij hield een kleine boekrol geopend in zijn hand.
Hij zette zijn rechtervoet op de zee en zijn linkervoet op het land.
Hij riep met een luide stem, zoals een leeuw brult, en daarna lieten de zeven donderslagen hun stem horen.
Ik wilde opschrijven wat ze gezegd hadden, maar een stem uit de hemel zei tegen mij: ‘Wat de zeven donderslagen gezegd hebben, moet je geheimhouden.
Schrijf het niet op.’

Grondtekst: En hij had in de hand van hem (een) boekje geopend; en hij zette de voet van hem de rechter op de zee, de nu linker op de aarde.
En hij riep met (een) stem luide zoals (een) leeuw brult; en toen hij riep, spraken de zeven donderslagen de voeten van hen stemmen.
En toen spraken de zeven donderslagen de stemmen van hen wilde ik (het) opschrijven; en ik hoorde (een) stem uit de hemel, zeggende tot mij: verzegel welke (dingen) zij spraken de zeven donderslagen en niet deze (dingen) schrijf op.

De engel heeft een geopend boekje, een kleine boekrol, in zijn hand.
Bij de grote boekrol uit Openbaring 5:2 roept deze engel:
Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?
Het boekje uit dit hoofdstuk is een onderdeel van de rol in Openbaring 5 en het is dus geopend.
Hierin staat het woord van God dat gaat over de voltooiing van de gemeente.
Deze staat op het punt de volmaaktheid te bereiken.
Ze is dan ook niet ver meer van de eindfase die beschreven wordt in 1 Tessalonicenzen 4:16:
Wanneer het signaal (of: bevel) gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen.

Jezus daalt neer, dat wil zeggen: God bereikt zijn doel in de gelovigen en zij worden op aarde zichtbaar als zonen van God, gelijkvormig aan Jezus Christus.
Ze hebben hetzelfde geestelijke niveau bereikt als Jezus Christus heeft, ze zijn zijn evenbeeld geworden.
Ze gaan de aarde vol liefde, kracht en ontferming regeren, dat wil zeggen: dienen.
Satan die de aarde eeuwenlang heeft getiranniseerd, moet zijn illegale gezag overdragen aan deze nieuwe ‘regering’.
De overheersing van de mensheid door satan bestaat uit:

De regering, het dienen van de mensen door de zonen van God bestaat uit:

Deze wisseling van macht wordt gesymboliseerd door de engel die zijn rechtervoet op de zee zet en zijn linker op de aarde.
De voet ergens op zetten betekent over iets heersen.
Zo zijn de aarde en de zee onderworpen aan de voeten van de benen die als zuilen van vuur zijn (zie Openbaring 10:1).
Door het vuur, de pressie door de demonen, zijn de zonen van God als gezuiverd goud geworden: zeer kostbaar en eeuwig duurzaam.
Zo valt satan in zijn eigen kuil.

Maar wat niet uit God is en geen rekening met Hem houdt, verbrandt als waardeloos geworden kaf.
De tijd is gekomen dat Jezus Christus (en in Hem: zijn gemeente) de zichtbare en de onzichtbare, de natuurlijke en de geestelijke wereld gaat bevrijden en erover gaat regeren.

Daarvoor zal Hij eerst de gemeente gereedmaken.
Zij wordt verzameld uit ieder volk en iedere natie en taalgroep.
Naar dit openbaar worden van de zonen van God ziet de hele schepping al eeuwenlang met groot verlangen uit.
Deze mijlpaal in het plan van God wordt door de engel met een machtige stem, zoals een leeuw brult, aangekondigd.
Het gebeurt dan ook niet ergens in een uithoek, maar het is wereldwijd zichtbaar en merkbaar.

Tijdens het proces van de definitieve scheiding tussen goed en kwaad, de oordelen die ingeluid worden door de zes bazuinen, laat de Heer zijn stem klinken voor zijn volk.
De zeven donderslagen zijn de stem van Jezus, die het oordeel en de bevrijding begeleiden.
Het is als met de doortocht van Israël door de Rode Zee of Rietzee, door David met de volgende woorden geschilderd:
De wolken stortten water,
de hemel dreunde luid,
uw pijlen flitsten heen en weer,
uw donder rolde dreunend rond,
bliksems verlichtten de wereld,
de aarde trilde en schokte.
Door de zee liep uw weg,
door de wijde wateren uw pad,
maar uw voetsporen bleven onzichtbaar.
U leidde uw volk als een kudde
door de hand van Mozes en Aäron
(Psalm 77:18-21).

Het geopende boekje en de zeven donderslagen houden de nog ‘verborgen’ weg in waarlangs de Heer zijn volk naar de volmaaktheid leidt.
In Openbaring 15:2 zien we de gemeente als overwinnaar in de geestelijke wereld en de gelovigen zingen daar het lied van Mozes.
God leidt hen dwars door de zee van strijd en demonie heen, hij beschermt hen en laat hun geestelijke vijanden omkomen.
Als in Psalm 29 tot zeven keer toe de stem van de Heer in de donder klinkt, eindigt David:
De Heer zal macht aan zijn volk verlenen,
de Heer zal zijn volk zegenen met vrede
(vers 11).
Ook in Openbaring 4:5 en 8:5 lezen we over donderslagen, stemmen en bliksemstralen.

De ondergang van Farao aan de ene kant betekent de bevrijding van het volk van God aan de andere kant.
De ondergang van de schijngemeente wordt de bevrijding van de gemeente.
Vuur gaat voor Hem uit,
rondom verterend wie tegen Hem opstaan.
Zijn bliksems verlichten de wereld,
de aarde ziet het en beeft.
De bergen smelten als was voor de Heer,
voor de Heer van heel de aarde.
De hemel vertelt van zijn gerechtigheid,
alle volken aanschouwen zijn majesteit.
Beschaamd staan zij die beelden aanbidden
en zich beroemen op goden van niets.
Voor Hem moeten alle goden zich buigen.
Sion hoort het en verheugt zich;
de steden van Juda juichen
om uw rechtspraak,Heer,
U, Heer, bent de hoogste op heel de aarde,
boven alle goden hoog verheven
(Psalm 97:3-9).

We zien met groot verlangen uit naar deze periode waarin de bergen ‘als was’ voor de Heer smelten.
Dat wil zeggen: dat de demonen in angst en paniek vluchten voor de kracht van Gods geest die volop in de gemeente werkzaam is.
En dat het over de gemeente en haar prachtige, onvoorstelbaar mooie taak gaat, kunnen we lezen in Jesaja 61:2-3:
… om een genadejaar van de Heer uit te roepen
en een dag van wraak voor onze God,
om allen die treuren te troosten,
om aan Sions treurenden te schenken
een kroon op hun hoofd in plaats van stof,
vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad,
feestkledij in plaats van verslagenheid.
Men noemt hen Terebinten van gerechtigheid,
geplant door de Heer als teken van zijn luister.

De zeven donderslagen kunnen informatie geven over de verdere ontwikkeling van de gelovigen die verzegeld zijn met de geest van God.
Maar hoe de Heer zijn volk in de laatste tijd tot volmaaktheid brengt, is nog verborgen.
Het is een geheim, we zien het gebeuren, maar we kunnen het (nog) niet verklaren.
Het is als het koren dat groeit en rijp wordt, zonder dat we weten hoe.
Marcus 4:26-27:
En Hij zei: Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde:
hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe.

En 1 Korintiërs 3:7:
Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, want Hij doet groeien.

Johannes mag wat hij hoort niet opschrijven, maar hij moet dit verzegelen of geheimhouden.
Maar dit mysterie zal bij het zich ontwikkelen van het plan van God steeds verder geopenbaard worden door Gods geest die de gemeente leidt!
In Amos 3:7 staat dat God, de Heer, niets doet zonder dat Hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten.
Zij die dag en nacht met Hem verbonden zijn, zullen zijn diepste gedachten leren kennen, omdat de geest van God zelf in hen woont.
1 Korintiërs 2:9-11:
Maar het is zoals geschreven staat:
Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie Hem liefheeft.
God heeft ons dit geopenbaard door de geest, want de geest doorgrondt alles, ook de diepten van God.
Wie is in staat de mens te kennen, behalve de geest van de mens?
Zo is alleen de geest van God in staat om God te kennen.

De geheimen in het boekje zijn alle eeuwen door een mysterie gebleven, evenals wat de zeven donderslagen gezegd hebben.
In deze laatste tijd begint de Heer door profetieën, visioenen en openbaringen in de gemeente te werken.
Zo laat Hij aan haar zien hoe zij zich moet opstellen en verder moet gaan om de onberispelijkheid of de volmaaktheid naar geest, ziel en lichaam te bereiken.
Dit mondt tenslotte uit in het (ver)krijgen van het opstandingslichaam.

10:5-7

Toen hief de engel die ik op de zee en het land zag staan, zijn rechterhand op naar de hemel.
Hij zwoer:
‘Zo waar de schepper van de hemel en alles wat daarin is, en van de aarde met alles wat daarop is, en de zee met alles wat daarin is, tot in eeuwigheid leeft:
het is de hoogste tijd!
Op het moment dat de zevende engel zijn bazuin zal laten klinken, zal Gods geheim werkelijkheid worden, zoals Hij zijn dienaren, de profeten, heeft beloofd.’

Grondtekst: En de engel, die ik zag staande op de zee en op de aarde, hief op de arm van hem naar de hemel.
En hij zwoer bij de Levende tot in de eeuwen van de eeuwen, die heeft geschapen de hemel en de (dingen) in hem, en de aarde en de (dingen) in haar, en de zee en de (dingen) in haar: tijd(sverloop) niet er zal zijn meer.
Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij zal blazen op de bazuin, ook zal worden vervuld de verborgenheid van God, zoals Hij als goed nieuws heeft verkondigd aan de van Hem dienstknechten de profeten.

De definitieve scheiding tussen goed en kwaad is bij de zevende bazuin een feit:
Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten en wie onrein is zal nog onreiner worden.
Wie goeddoet zal nog meer goeddoen en wie heilig is zal nog heiliger worden
(Openbaring 22:11).
Het is de bedoeling van de Schepper dat de mens die met Hem leeft, volmaakt zal zijn en alle goede werken (die van Jezus) kan doen (zie Johannes 14:12 en 2 Timoteüs 3:17).
Alles wat in de hemel, op de aarde en in de zee is, de hele zichtbare en onzichtbare schepping die nu nog kreunt onder het slavenjuk van satan, ziet hier met groot verlangen naar uit.

Als de gemeente in nauwe verbinding met Christus leeft, wordt de theocratie, de Godsregering op aarde mogelijk.
Dan wordt werkelijkheid:
Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit (Openbaring 3:21).

God is eeuwig, Hij verandert niet en Hij laat zijn plan met de mens nooit los.
Voor God de Schepper verklaart de engel van de Heer met een eed dat de eindfase van dit plan niet lang meer op zich laat wachten.
Bij de zevende bazuin wordt het geheim van God onthuld en voltooid.
Wat is dit geheim en waarop heeft het betrekking?
Het antwoord vinden we in de brieven van Paulus.
Aan hem is door openbaring de inhoud van dit geheim bekendgemaakt.
Mij is in een openbaring het mysterie onthuld waarover ik hiervoor in het kort heb geschreven (Efeziërs 3:3).

Het antwoord staat uitgewerkt in Efeziër 3:8-11:
Mij, de allerminste van alle heiligen, is de genade geschonken om de heidenen de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus te verkondigen,
en voor allen in het licht te stellen hoe het mysterie dat in alle eeuwen verborgen was in God, de Schepper van het al, werkelijkheid wordt.
Zo zal nu door de gemeente de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen, naar het eeuwenoude plan dat hij heeft verwezenlijkt in Christus Jezus, onze Heer.

In Jezus Christus heeft het plan van God: de mens die op God lijkt, vorm gekregen.
Op dezelfde manier zal de gemeente nu (in deze herstelperiode) vormgeven aan dit plan van God dat al bestaat vanaf het begin van de schepping.
Er ontstaat een gemeente die door het winnen van de oorlog in de geestelijke wereld (zie Efeziërs 6:10-18) totaal bevrijd zal zijn van de demonen.

Een gemeente waarvan de leden een leven leiden dat helemaal afgestemd is op de wil van God.
God zet deze gemeente dan in al haar luister naast zichzelf (grondtekst) en dat is mogelijk omdat ze zonder vlek of rimpel of iets dergelijks is, heilig en zuiver (zie Efeziërs 5:27).
Aan hen heeft God bekend willen maken hoe glorierijk dit mysterie is voor alle volken: Christus is in u, Hij is uw hoop op Goddelijke luister.
Hem verkondigen wij wanneer we iedereen waarschuwen en in alle wijsheid onderrichten, om iedereen tot volmaaktheid in Christus te brengen
(Kolossenzen 1:27-28).

Op de vraag voor wie de ontsluiering van dit geheim bestemd is, is het antwoord:
voor Jood en heiden, want de muur die scheiding tussen hen heeft gemaakt, is volledig weggebroken (zie Efeziërs 2:14-16 en 3:6).

Ook de profeten van het oude verbond hebben zich met dit geheim beziggehouden.
Ze profeteren iedere keer maar weer over een afvallig volk dat ten onder gaat en van een klein deel (overschot) dat overblijft, maar waaraan God zijn luister zal laten zien.
Petrus zegt ons dat zij niet begrepen hebben wat dit geheim betekent:
U hebt hem lief zonder Hem ooit gezien te hebben;
en zonder Hem nu te zien gelooft u in Hem en ervaart u een onuitsprekelijke, hemelse vreugde, omdat u het einddoel van uw geloof bereikt: uw redding
(grondtekst ook: herstel, bevrijding, volmaaktheid) .
Wat die redding inhoudt, trachtten de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die u ten deel zou vallen.
Zij probeerden vast te stellen op welke tijd en op welke omstandigheden Christus’ geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze hun zei dat Christus zou lijden en daarna in Gods luister zou delen.
Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor u, en nu is deze boodschap u verkondigd door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven door de heilige geest die vanuit de hemel werd gezonden.
Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen
(1 Petrus 1:10-12).

De profeten van het nieuwe verbond kennen wél de betekenis van het geheim, voor zover geopenbaard.
Zij zijn op de hoogte van de vergeving van de zonden door Christus, van de doop in en de vervulling met Gods heilige geest.
Zij kennen de oorlog in de geestelijke wereld tegen de demonen en zij weten van het doel van God met de gemeente: de volmaaktheid.
De weg waarlangs God deze volmaaktheid zal gaan uitwerken, kennen ze nog niet.
Deze is voor hen nog verborgen.
Paulus jaagt ernaar om dit doel te grijpen.
Filippenzen 3:12 NBG:
Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen (of: krijgen) mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben.

Paulus ziet in een visioen de niet onder woorden te brengen schitterende luister van de voltooide gemeente, het paradijs van God.
Hij kan het niet uitleggen, maar hij mag dat ook niet (zie 2 Korintiërs 12:4).
We weten niet precies waarom niet, maar het kan zijn dat de tijd er dan nog niet rijp voor is.
Na de afgelopen eeuwen die rampzalig geweest zijn voor de gemeente, wacht God in deze tijd op mensen voor wie Salomo in 1 Koningen 8:48 aan God vraagt:
… wanneer ze zich in het land van de vijanden die hen gevangen hebben genomen weer met hart en ziel aan U toewijden en tot U bidden in de richting van het land dat U aan hun voorouders hebt gegeven, van de stad die U hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd …

Ze worden bevrijd van de demonen, ze zoeken God met hart en ziel en stellen Hem in hun leven boven alles.
In hun bidden, denken en spreken zijn ze bezig met het koninkrijk van God (hun ‘land’).
Ze zijn bezig met het hemelse Jeruzalem en de geestelijke tempel, de volmaakte geestelijke stad, de gemeente waarin God eeuwig woont.
Ze werken dit in hun aardse leven uit en bereiken zo wat staat in Openbaring 19:7-8 NBG:
Laten wij blij zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt;
en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen.

Alleen de gemeente van Jezus Christus van de laatste tijd kan en mag het doel van God met haar op aarde al bereiken.

10:8-11

Toen hoorde ik opnieuw die stem uit de hemel.
Hij zei tegen me: ‘Haal de geopende boekrol die de engel die op de zee en het land staat in zijn hand heeft.’
Ik ging naar de engel toe en vroeg om het boekje.
Hij reikte het mij aan en zei:
‘Eet het op. Het zal branden in je maag, maar in je mond zo zoet zijn als honing.’
Ik pakte het boekje aan en at het op.
Het smaakte zoet als honing, maar nadat ik het opgegeten had, brandde het in mijn maag.
Toen kreeg ik te horen:
‘Je moet opnieuw over talrijke landen en volken en koningen profeteren.’

Grondtekst: En de stem die ik hoorde uit de hemel (was) weer sprekende met mij en zeggende: ga heen neem het boekje het geopende in de hand van (de) engel staande op de zee en op de aarde.
En ik ging weg naar de engel, zeggende tot hem: geef aan mij het boekje.
En hij zegt tot mij: neem en eet op het; en het zal bitter maken van u de buik, maar in de mond van u zal het zijn zoet als honing.
En ik nam het boekje uit de hand van de engel en ik at op het en het was in de mond van mij als honing zoete; en toen ik gegeten had het, werd bitter de buik van mij.
En hij zegt tot mij: het is nodig u opnieuw (te) profeteren over/tegen volken en natiën en talen en koningen vele.

Voor de tweede keer in dit visioen hoort Johannes de stem uit de hemel.
Deze komt nu niet van een engel, maar ook ziet hij niemand anders die deze woorden spreekt.
Op dezelfde manier spreekt God bijvoorbeeld voor de eerste keer met Samuël, als deze denkt dat Eli hem roept.
Ook bij de doop van Jezus wordt een stem uit de hemel gehoord en ook later als Hij openlijk aangeeft de lijdensweg te willen gaan.
Matteüs 3:17:
En uit de hemel klonk een stem: Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.
Johannes 12:28:
Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.
Toen klonk er een stem uit de hemel: Ik heb mijn grootheid getoond en Ik zal mijn grootheid weer tonen.

Petrus ziet in een visioen een groot laken dat aan de vier hoeken neergelaten wordt.
Tot twee keer toe hoort hij een stem uit de hemel die hem opdracht geeft de getoonde dieren te slachten en te eten (zie Handelingen 10:9-16).

Johannes hoort hier dus de stem van Gods geest, niet zoals gewoonlijk in zich, maar langs zintuiglijke weg via het oor.
Later hebben veel gelovigen soortgelijke ervaringen gehad.
Men zit aan zijn werktafel of ligt op bed en hoort dan duidelijk een stem.
Men keert zich zelfs om, om de spreker te zien, zoals in Openbaring 1:12 staat dat Johannes zich omkeert om te zien wie met hem spreekt.

Johannes krijgt de opdracht het geopende boekje uit de hand van de engel van de Heer te nemen.
De geest van God dringt er bij Johannes op aan zich toch met de inhoud van het boekje bezig te houden.
Hierin staat hoe de definitieve scheiding plaatsvindt tussen goed en kwaad en daarmee ook tussen de gemeente van Jezus Christus en de schijngemeente.

De zeven bazuinen houden zich bezig met de periode van de zware onderdrukking.
We kunnen ons afvragen hoe de zonen van God hier doorheen komen (zie Openbaring 7:3).
Want voordat op de zeven bazuinen geblazen wordt, zijn zij toch verzegeld met Gods heilige geest, zoals door Hem beloofd?

Aan het einde van het zesde zegel toont de gemeente in en door haar heen het wezen van Jezus Christus.
De grote scheiding is dan tot stand gekomen.
De schijngemeente heeft zich steeds meer van het woord van God afgekeerd.
Maar de verzegelden met Gods geest hebben het stadium van de geestelijke rijpheid bereikt.

Duidelijk wordt aangegeven dat in de tijd van de stem van de zevende engel, wanneer deze op de bazuin blazen zal, het geheim van God voltooid is.
We zien dus, dat voordat op de bazuinen geblazen wordt, het volk van God verzegeld wordt met Gods geest en dat bij het begin van de zevende bazuin de gemeente van de laatste tijd haar voltooiing bereikt heeft.
De zware onderdrukking houdt voor haar daarom bij de zevende bazuin op.
In het belang van de uitverkorenen zal die tijd worden verkort (zie Matteüs 24:22)!

Als Johannes het boekje gekregen heeft, vraagt de engel hem het op te eten.
Hij moet dus de woorden van God voor het laatste stadium van de laatste tijd in zich opnemen en zo weer verbergen.
Dit komt overeen met het luisteren naar wat de zeven donderslagen zeggen en het verzegelen van de inhoud.
Het hoogtepunt is de voltooiing van het geheim van God: het volmaakt worden van de gemeente en haar transformatie in een ondeelbaar ogenblik, een oogwenk (zie 1 Korintiërs 15:52).
Maar hoe dit zal gaan, moet eerst nog verborgen blijven.

De Openbaring of de Ontsluiering houdt alleen de manier waarop de gemeente tot haar volmaaktheid komt, nog voor ons verborgen.
Bij het eten smaakt het boekje zoet als honing, terwijl het in de buik een bitterheid is, dus een onaangename reactie veroorzaakt.
Aan de ene kant zijn de woorden van God heerlijk voor wie met Hem leeft, maar aan de andere kant wekken ze weerstand op bij hen die zich niet op Hem richten.
Aan de ene kant gaat het over de gemeente die zonder vlek of rimpel, heilig en zuiver wordt.
Aan de andere kant gaat het over het vonnis dat geveld wordt over de hoer, de afvallige schijngemeente.
Het gaat over de periode dat God zich ‘wreekt’ op zijn geestelijke vijanden, maar ook dat daardoor in diezelfde tijd het volk van de Heer hiervan wordt bevrijd.
Voor de een zijn de woorden van God aangenaam, bij de ander veroorzaken ze pijn in zijn binnenste.

Want als het volk Israël door de Rode Zee trekt is de meegaande wolk duisternis voor de vijand.
Maar op hetzelfde moment is hij een lichtglans voor Gods volk.
Het nieuwtestamentische geestelijke volk trekt door de zee als van glas vermengd met vuur, naar de veilige kust.
Dwars door de zware onderdrukking heen bereikt de gemeente het doel: de volmaaktheid.
Maar het vijandelijke leger komt om.
De demonen worden machteloos gemaakt doordat ze verwezen worden naar het rijk van de dood.

Na het opeten van het boekje wordt Johannes geroepen om weer te profeteren over veel landen en volken en koningen.
Want de grenzen zoals die in het oude verbond bestaan tussen het volk Israël en het land Palestina zijn weggevaagd door het bestaan van de gemeente van Jezus Christus.
Zij zijn vrijgekocht van de (hele) aarde (zie Openbaring 14:3).
Maar ook de afvallige schijngemeente trekt zich niets aan van natuurlijke grenzen tussen landen en volken.
Want de vrouw of ook wel de grote stad, heerst over de koningen op aarde (zie Openbaring 17:18).

De onafzienbare, ontelbare menigte gelovigen die uit de grote onderdrukking komt, is afkomstig uit alle landen en volken, van elke stam en taalgroep (zie Openbaring 7:9).
Ook de hoer of de stad Babylon heeft haar wereldwijde contacten.
Met de koningen op aarde worden hier bedoeld de politieke machthebbers van over de hele wereld, de geleerden van naam, de vooraanstaanden in het culturele leven en de leiders van de schijngemeente en de overige religies.

Hoofdstuk 11

11:1

Vervolgens kreeg ik een rietstengel als meetstok, met de opdracht:
‘Neem de maten op van Gods tempel en van het altaar en tel degenen die God daar aanbidden’.

Grondtekst: En er werd gegeven aan mij (een) meetriet gelijkend op (een) staf, zeggende: sta op en meet de tempel van God en het altaar en de aanbiddenden in het.

Bij de verklaring van deze tekst gaan we opnieuw uit van het principe dat de openbaring van Jezus Christus door en in zijn gemeente plaatsvindt.
Christus is namelijk nooit van zijn ‘lichaam’, waarvan Hij het hoofd is, te scheiden.
Daarom laten we ons niet afleiden van de essentie van dit laatste Bijbelboek door allerlei visies en verklaringen die ingaan tegen dit principe.

Wat in het oude testament beschreven en voorzegd wordt, is alleen maar een schaduwbeeld of een voorafspiegeling van de toekomstige dingen.
Zie hiervoor ook de toelichting bij Openbaring 7.
Alle profeten hebben over het voor óns (= de gemeente) bestemde herstel geprofeteerd (zie 1 Petrus 1:10).
Herstel niet alleen in de zin van: terugbrengen in de vorige, goede situatie.
Maar juist herstel in de zin van: het brengen in de situatie zoals God die met ons voorheeft: de volmaakte mens, op het niveau van Jezus Christus!

Nu wij van dit ‘herstel’ geproefd hebben willen we zeker niet teruggaan naar de voorafspiegeling of het schaduwbeeld van deze werkelijkheid.
Als de Heer ons een nieuw verbond, een nieuwe overeenkomst toezegt, verklaart Hij daarmee dat het oude niet meer geldig is.
Op het moment dat hij spreekt over een nieuw verbond heeft Hij het eerste als verouderd bestempeld.
Welnu, wat verouderd is en versleten, is de teloorgang nabij (Hebreeën 8:13).

Dit nieuwe verbond geeft dus veel grotere mogelijkheden en betere perspectieven dan het oude.
Het heeft ook veel rijkere beloften.
Het is dus geen wonder dat wanneer God dit verbond met de mensheid laat ingaan, Hij het oude laat vervallen.
Dat heeft zijn tijd gehad en zijn betekenis verloren.
De rechtvaardigheid van de mens wordt nu op een andere manier gerealiseerd.
Het doel van het oude verbond is de rechtvaardigheid van de mens, terwijl deze rechtvaardigheid op zich de basis of het beginpunt vormt van het nieuwe verbond.
Hierdoor is het oude verbond met zijn uiterlijke wetten en geboden overbodig geworden.
De wet is verouderd omdat haar tijd voorbij is en de nieuwe wet van de geest van God ervoor in de plaats is gekomen.

Vandaar de conclusie: het oude verbond is niet ver van verdwijning of is de teloorgang nabij.
Ter vergelijking: we reizen nu niet meer met de trekschuit, maar met het vliegtuig.
Het zijn allebei (goede) vervoermiddelen, maar met het tweede halen we doelen die met het eerste niet haalbaar zijn.

Helaas heeft Paulus een zware strijd te voeren tegen mensen die naast het nieuwe verbond de wetten en de regels van het oude willen handhaven.
Hetzelfde vinden we ook in onze tijd, waar veel gelovigen nog op een oudtestamentische manier denken.
We kunnen hier denken aan de visie op een natuurlijk volk Israël en het houden van de zondag min of meer zoals het houden van de sabbat.
Verder: het voorlezen van de wet, het hebben van een foutief Godsbeeld, het geen rekening houden met de gaven en de vrucht van de heilige geest van God, een niet-geestelijk denken en het niet voeren van een geestelijke strijd tegen de demonen, enzovoort.

Israël is het volk van God in het oude verbond en de gemeente is dat van het nieuwe.
Trouwens niet eens niet alle Israëlieten (…) horen bij Israël, maar alleen de nakomelingen van Isaäk horen bij het volk van God (zie Romeinen 9:6-9).
Dat wil zeggen: het gaat bij God niet om een natuurlijke afkomst (nakomelingen van Abraham, zie vers 7), maar bij God horen we alleen als we geloven in wat Hij ons belooft (zie vers 8).
En door de hele Bijbel en de ‘kerkgeschiedenis’ heen zien we altijd weer dat er maar een kleine groep mensen is die het plan van God begrijpt en er ook naar wil leven.
Romeinen 9:27:
Al zou het volk van Israël zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, slechts een klein deel zal worden gered.
De meerderheid richt zich op het uiterlijke, het zichtbare en houdt (hierdoor) geen rekening met de geestelijke werkelijkheid.

De eerste gemeente (het gelovige deel van Israël) is een voorafspiegeling en heeft dus geen betekenis meer nu de werkelijkheid is gekomen.
De tweede gemeente is die blijvende werkelijkheid.
De eerste is natuurlijk, aards.
De tweede is geestelijk, hemels.
Het hogepriesterschap van Aäron is het tijdelijke en dus het verdwijnende.
Dat van Jezus Christus is eeuwig en blijvend.
Ook de priesters in het oude verbond zijn een voorafschaduwing van het echte, geestelijke priesterschap.

Petrus zegt van óns:
Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.
Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken
(1 Petrus 2:9 en 10).
Helaas denken sommige mensen nog dat het natuurlijke volk Israël in het Midden-Oosten het echte volk van God is!

Het zijn waarschijnlijk dezelfde mensen die Jesaja 2:2 natuurlijk uitleggen:
Eens zal de dag komen dat de berg
met de tempel van de Heer rotsvast zal staan,
verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.
Alle volken zullen daar samenstromen …

Zij geloven daarom dat in het Midden-Oosten op 31"47 N.B. en 35"15" O.L. van Greenwich op de hoogste berg van de wereld ooit een tempel gebouwd zal worden.
Hierin zullen dan de natuurlijke afstammelingen van Aäron en wel onder leiding van een Hogepriester uit de stam van Juda hun dienst opnieuw verrichten.
Ze moeten de Bijbelse klok dan wel duizenden jaren terugzetten en het geografisch onmogelijke geloven.

Wat zegt Stefanus ook alweer?
Toch woont de Allerhoogste niet in een huis dat door mensenhanden is gemaakt, zoals de profeet zegt:
De hemel is mijn troon, de aarde mijn voetenbank.
Hoe zouden jullie dan een huis voor Mij kunnen bouwen – zegt de Heer –, een plaats waar Ik kan rusten?
(Handelingen 7:48-49).

In het nieuwe testament lezen we over het nieuwe, geestelijke of hemelse Jeruzalem.
Daarmee worden bedoeld de gelovigen van alle tijden en alle plaatsen in wie God woont door zijn geest.
Hebreeën 12:22-23:
Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn,
voor de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn, voor God, de rechter van allen, en voor de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn.

De tempel in deze stad is het symbool van de gemeente van Jezus Christus, zoals die ontstaan is in de nieuwtestamentische periode.
Van deze gemeente wordt in Efeziërs 2:21-22 gezegd:
Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn geest.
‘Samen’ slaat op vers 19:
Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen en huisgenoten van God …

Ook hier zien we: voor God geldt niet meer het natuurlijke volk Israël, maar samen met de bekeerde (christen-)’heidenen’ vormen de gelovige (christen-)Joden de gemeente van Jezus Christus.
Kan het nog duidelijker?
Dát is: heel Israël, volgens Romeinen 11:26.
Voor wie het nog niet te volgen is, verwijzen we graag naar de website www.rhemaprint.nl, het e-boekje ‘Het geestelijke Israël’.

De schrijvers van het nieuwe testament brengen hun lezers niet in verwarring door op een manier over de tempel te schrijven die we verschillend kunnen uitleggen.
Zij hebben radicaal met de aardse, oude tempeldienst gebroken en kennen nog maar één huis van God: de gemeente van Jezus Christus.
Want God woont (…) in ons (dus zijn huis) door zijn geest.
We krijgen een geestelijke chaos als we het oude verbond vermengen met het nieuwe.
Jezus zegt in dit verband in Matteüs 9:16-17:
Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog niet gekrompen is.
Want dan trekt de nieuwe lap de mantel kapot en wordt de scheur nog groter.
Evenmin giet men jonge wijn in oude leren zakken.
Anders scheuren de zakken, dan wordt de wijn verspild en gaan de zakken verloren.
Maar gaat de nieuwe wijn in nieuwe zakken, dan blijven beide behouden.’

De geestelijke tempel vindt zijn voltooiing bij het einde van de zesde bazuin.
Want dan zijn de zonen van God openbaar geworden.
Gods tempel is dan volmaakt.

Johannes krijgt een rietstengel als meetlat.
We zeggen nu: een duimstok of een rolmaat.
Met deze meetlat moet hij de tempel van God opmeten.
Deze meetlat zal waarschijnlijk hetzelfde betekenen als de gouden meetlat uit Openbaring 21:15.

Er is geen andere meetlat voor de zonen van God dan die staat vermeld in Efeziërs 4:13 NBG:
… totdat wij allen de eenheid van het geloof en van de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom (of: volwassenheid) van de volheid van Christus.
In de NBV-vertaling wordt het woord ‘metron’ = maat, niet afzonderlijk vertaald.
Maar ook daar is het een mooie tekst:
… totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.

De groei (en geestelijke statuur) van de gelovigen en door hen die van de gemeente, wordt naar het geestelijke niveau van Jezus Christus afgemeten en vastgesteld.
Hij is onze ‘maat’ en alleen zijn ‘afmeting’ willen we bereiken.
En dat gebeurt als de gemeente van de laatste tijd tot volmaaktheid komt.

Opnieuw wordt op de functie van het gouden altaar gewezen.
Dit stelt de gemeente voor in haar meest heilige en zuivere gemeenschap met God, waarbij haar lof en aanbidding naar Hem opstijgen.
Dit is geen aanbidding met instrumentale muziek en menselijke emotie.
Nee, God vindt de grootste vreugde in de volmaaktheid van ónze innerlijke mens.
Dit is enigszins vergelijkbaar met het geluksgevoel dat ouders hebben als hun kinderen zich goed ontwikkelen en gezond en gelukkig zijn.

God vindt vreugde in zijn Zoon Jezus Christus.
En uit de hemel klonk een stem: Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde (Matteüs 3:17).
God vindt dezelfde vreugde in zijn zonen, de volgelingen van Jezus Christus.
Omdat ook zij zich willen inzetten voor de uitvoering van zijn eeuwige plan:
Laten Wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken … (zie Genesis 1:26).

11:2

De voorhof buiten de tempel moet je overslaan.
Meet die niet op, want hij is bestemd voor de heidenen, die de heilige stad tweeënveertig maanden lang zullen vertrappen.

Grondtekst: En de voorhof binnen de tempel werp uit naar buiten en niet haar meet, omdat zij is gegeven aan de volken.
En de stad heilige zullen zij vertreden (gedurende) maanden veertig twee.

Het beeld is ontleend aan tempel van Herodes, een restauratie en uitbreiding van de tempel van Zerubbabel.
Deze bestaat uit het eigenlijke tempelhuis, omringd door de voorhof van de Israëlieten en die van de vrouwen (…).
Daarbuiten ligt de grote voorhof die ook wel voorhof van de heidenen (= de andere volken) genoemd wordt, omdat alleen daar ook vreemdelingen toegelaten worden.
Daarom beschouwen de Joden dit plein niet als heilig.
Het is ook de plaats waar de offerdieren verkocht worden en waar de tafels van de geldwisselaars staan, welke tafels door Jezus twee keer omgekeerd worden.
Een soort traliewerk vormt de afscheiding met de ‘gewijde grond’, waar alleen de Joden mogen komen.

Efeziërs 2:14:
Want Hij is onze vrede, Hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap (NBG: tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap) ertussen heeft afgebroken.
Dit laat ook weer duidelijk zien dat God geen twee aparte volken heeft!

Na het sterven van Jezus vervalt deze muur die het natuurlijke (maar wel: gelovige deel van) Israël apart zet van de rest van de wereld.
Gelovige Jood en bekeerde ‘heiden’ kunnen nu op dezelfde manier hersteld worden en leven in en vanuit het plan van God.
Deze muur van apartheid en tegenstelling tussen Jood en heiden komt nooit meer terug.
Want de gemeente van Jezus Christus die uit gelovigen uit alle landen, taalgroepen en naties bestaat, is niet gedeeld of verdeeld.
In feite heeft God ook nooit deze tegenstelling gewild.
Eén voorbeeld noemen we hier, maar er zijn veel meer:
God zij ons genadig en zegene ons,
Hij doe zijn aanschijn bij ons lichten;
opdat men op aarde uw weg kenne,
onder alle volken uw heil
(Psalm 67:2-3).

In het beeld van de gemeente in onze tekst wordt wel opnieuw gesproken van een tempel met een voorhof die aan de heidenen gegeven wordt.
Ook zien we hier een scheidsmuur die tussen beide groepen opgetrokken wordt.
Het gaat hier dus over de gemeente van Jezus Christus die een heilige tempel vormt en daarnaast over een schijngemeente die totaal gedemoniseerd wordt.

Wat zijn eigenlijk heidenen?
In Galaten 2:15 staat:
Hoewel wij Joden van geboorte zijn en geen zondaars uit andere volken … (NBG: heidenen).
Heidenen zijn mensen die verbonden zijn met en geleid worden door demonen.
Zo kunnen ook mensen die christen heten, maar daar niet naar leven, heidenen genoemd worden.
Zo is ook de schijngemeente verbonden met het beest dat uit de afgrond opkomt (zie Openbaring 17:8-9).
De gemeente van de laatste tijd bestaat alleen uit mensen die verzegeld zijn met de geest van God, dat wil zeggen: die in deze heilige geest gedoopt zijn en die zich door deze geest laten leiden.
Alleen zij kunnen in de periode van de zware onderdrukking overeind blijven.
Wie ‘alleen maar’ in Gods geest gedoopt is en dus ook geestelijke talen kan spreken, hoort niet automatisch bij de gemeente.
Voor iedereen geldt:
Ik zeg jullie: wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft worden ontnomen (Lucas 19:26).

De doop in de heilige geest van God is een deel van het fundament van het geloof.
Een uitgebreide studie hierover is te vinden op www.kracht-en-liefde.nl.

Veel mensen krijgen dit geschenk van God, maar ze doen er verder niet veel mee.
Ze denken dat de doop in de geest het einddoel is van het geloof.
Maar hij is pas een begin en daarná kunnen we ons richten op het einddoel van God met ons leven!

Een gemeente kan op twee verschillende fundamenten gebouwd worden:
Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is.
Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht.
Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is
(1 Korintiërs 3:12-13).

Zonder de begaafdheden van Gods geest, waaronder het met God kunnen communiceren in geestelijke talen, kan de opnieuw geboren mens nooit de volmaaktheid bereiken.
Want hij mist dan hét Bijbelse ‘instrument’ om zichzelf en de gemeente op te bouwen.
Niet voor niets staat er:
Richt u op de hoogste gaven.
Maar eerst wijs ik u een weg die nog voortreffelijker is.

En:
Jaag de liefde na én streef naar de gaven van de geest, vooral naar die van de profetie.
(1 Korintiërs 12:31 en 14:1).

De liefde en de kwaliteiten van Gods geest zijn niet los van elkaar te zien.
We kunnen de Vader danken dat we nu in de tijd van de verzegeling met zijn geest leven en dat steeds meer gelovigen beseffen wat hun heilige roeping inhoudt.

Maar de afvallige gemeente wordt prijsgegeven aan de ‘heidenen’ uit de voorhof.
We zien hier dat ook gelovigen God steeds meer vaarwel zeggen.
Duidelijk zien we in onze dagen hoe de leden van de schijngemeente steeds meer met de wereld meedoen.
Iedere zonde wordt in haar gevonden en vaak goedgepraat.
In haar zijn zelfs mensen (‘godgeleerden’) die leren dat God dood is.
Maar de orthodoxie die met versleten leuzen werkt, heeft geen grip meer op de massa.
Een nieuw leven beginnen (bekering) en het opnieuw geboren worden (vernieuwing van denken) worden vaak gezien als verouderde begrippen.

Tweeënveertig maanden of drie en een halfjaar wordt de heilige stad vertrapt of met de voeten getreden.
De demonen door wie de goddeloze en afvallige leiders gebruikt worden, doen hun werk en beheersen de voorhof en de stad.
De tweeënveertig maanden wijzen op het tijdperk van de zware geestelijke pressie, als er op de bazuinen geblazen wordt.

Deze periode van blijkbaar drie en een half jaar komt in de Openbaring vaker voor.
Het is het tijdperk waarin het koninkrijk van God op aarde belaagd wordt door de macht van de antichrist die in eerste instantie de afgevallen schijngemeente gebruikt voor zijn eigen doel.
In Daniël wordt de uitdrukking gebruikt ‘tijd, een dubbele tijd en een halve tijd’.
Dit geeft dezelfde periode aan als in Openbaring 12:14, waar vertaald is met: ‘tijd en twee tijden en een halve tijd’.
In de grondtekst staat geen dubbele of twee, maar alleen: ‘tijden’.
Hierna is de heilige, geestelijke tempel (dit is de gemeente) gezuiverd en voltooid.

Daarop hoorde ik de in linnen geklede man die zich boven het water van de rivier bevond spreken.
Hij hief beide handen op naar de hemel en zwoer bij de eeuwig Levende:
Eén tijd, een dubbele en een halve tijd: wanneer de macht van het heilige volk niet langer verbrijzeld zal worden, dan zullen al deze dingen zich hebben voltrokken
(Daniël 12:7).

Waarom wordt hier van de heilige stad gesproken, terwijl deze toch overgegeven wordt aan de demonische machten?
We zien dat hier sprake is van het geestelijke Jeruzalem, waarin de tempel van God staat.
Die tempel is de ‘categorie’ gelovigen in wie God volledig kan wonen en werken.
Zij zijn gedoopt in de geest van God en deze heeft zich volledig in hen kunnen ontwikkelen in gaven en liefde.
De stad bestaat uit gelovigen die wel rechtvaardigen zijn omdat ze in de schuldvergeving geloven, maar ze kennen de ‘verzegeling met de geest’ niet of ze zijn hierin niet verdergegaan.
Ze hebben de geest van God in hun leven weer gedoofd.
In velen van hen kunnen de demonen hun misleidende werk doen en zo geloven ze in foutieve leringen (zie 1 Timoteüs 4:1), waardoor ze het doel van God niet bereiken.
Satan krijgt deze mensen uiteindelijk volledig in zijn greep.
Zelfs wát ze hebben aan geestelijke rijkdommen (b.v. kennis van Gods woord en schuldvergeving), wordt hun nog afgenomen (zie Lucas 19:26).

11:3

Ik zal mijn twee getuigen opdracht geven om te profeteren.
Gedurende twaalfhonderd zestig dagen zullen ze dat doen, gehuld in een boetekleed.

Grondtekst: En Ik zal geven aan de twee getuigen van Mij en zij zullen profeteren dagen duizend tweehonderd zestig, bekleed zijnde (met) zakken.

Hoe wordt de gemeente tijdens het blazen op de zes bazuinen volmaakt?
Dit is het mysterie of het geheim van de zeven donderslagen.
Natuurlijk gebruikt de Heer zijn zonen hiervoor en door hun werk komt er een scheiding tussen voorhof en tempel.
Ze brengen het woord van God in de wereldwijde schijngemeente die onder leiding staat van het beest uit de afgrond.
Hun oproep is:
Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen (zie Openbaring 18:4).

Door hun woorden gebeurt hetzelfde als in de begintijd van de gemeente.
Een klein deel van Israël (een ‘overschot’ of rest) maakt zich los van de geestelijk dode religie.
Daarna worden ze gedoopt in en vervuld met Gods heilige geest.
De opdracht van deze zonen is nu om de gedachten van God met de mens bekend te maken in de straten of op het plein van het geestelijke Jeruzalem.
Zij brengen in de laatste tijd het volledige evangelie en roepen de mensen op tot inkeer te komen en zich met hart en ziel te richten op het doel van God.
Petrus roept op de Pinksterdag uit:
Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht (zie Handelingen 2:40 NBG).
Dit verkeerde of ook wel verdraaide geslacht bestaat uit de demonen die het plan van God verkeerd voorstellen.
Het zijn leugengeesten.

Paulus schrijft na zijn bekering over zo’n getuige in Handelingen 22:20:
Ook toen Stefanus zijn getuigenis over u met de dood moest bekopen, was ik erbij.
De geschiedenis herhaalt zich ook hier.
De gemeente van het nieuwe verbond begint met een exodus uit het natuurlijke Jeruzalem en zal eindigen met een uittocht uit het geestelijke Jeruzalem.
Het natuurlijke Jeruzalem is ooit door een heidens volk verwoest en heidenen zullen ook de geestelijke heilige stad in de laatste tijd vertrappen en beheersen.
De gemeente begint met een groots Pinksteren en eindigt met een klein aantal mensen.
Maar dezen zijn net als Stéfanus en zijn broers en zussen in de begintijd: vol van geloof en kracht en ze doen grote wonderen en tekenen onder het volk (zie Handelingen 6:8).

De getuigen hebben rouwkleren aan, zoals ook vertaald kan worden.
Deze zijn gemaakt van grof dierenhaar, vooral van geiten maar ook wel van kamelen.
De kleur hiervan is van nature donker of zelfs zwart (vandaar de vergelijking in Openbaring 6:12).
Als iemand zo gekleed gaat, betekent dit dat hij in grote rouw is, die hier veroorzaakt wordt door verdriet en zware geestelijke pressie waaronder hij het woord van God brengt.
Met David kunnen ze zeggen:
Om U moet ik smaad verduren
en bedekt het schaamrood mijn gezicht.
Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden,
een onbekende voor de zonen van mijn moeder.
De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd,
de smaad van wie U smaadt, is op Mij neergekomen.
Ik huilde tranen toen Ik vastte,
maar wat Ik oogstte was hoon,
ik hulde mij in een boetekleed
(NBG: rouwgewaad)
maar verachting werd mijn deel (Psalm 69:8-12).

Ze hebben veel verdriet omdat ze zien dat op zich fijne en goede mensen worden misleid, terwijl ze denken de wil van God te doen en zelfs de ‘ware kerk’ te vormen.
We zien dit bijvoorbeeld ook bij Paulus als hij ziet hoe maar een klein deel van het volk Israël de weg met God wil gaan.
Romeinen 9:2-3:
… ik ben diepbedroefd en word voortdurend door verdriet gekweld.
Omwille van mijn volksgenoten, de broers en zussen met wie ik mijn afkomst deel, zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van Christus gescheiden te zijn.

De totale scheiding tussen goed en kwaad, zoals aangekondigd door de zes bazuinen, is wereldwijd bezig plaats te vinden.
In deze periode profeteren deze zonen van God, vol van liefde, geloof en kracht in de schijngemeente en werkt God met hen mee door tekenen, wonderen en krachten (zie Marcus 16:20).

Het is hun opdracht te profeteren, dat is: uitleggen wat het plan van God daadwerkelijk inhoudt, hoe het zich ontwikkeld heeft in het verleden en wat de toekomst zal brengen.
Ze doen dit twaalfhonderdenzestig dagen lang.
Deze afgebakende tijd herkennen we in het beeld van tweeënveertig maanden in vers 2, waar het wijst op een periode van bijzonder grote afval.
In deze tijd van drie en een half jaar (tijd, een dubbele tijd en een halve tijd) leeft de gemeente in de ‘woestijn’, buiten zicht en bereik van de slang.

De echte christenen stellen zich helemaal onder de leiding van Gods geest en ze hebben gebroken met elke vorm van ongerechtigheid.
Er komt een scheiding tussen hen en de mensen die met de wetteloosheid in welke vorm dan ook heulen.
Het is een periode van de zware geestelijke pressie (zie Openbaring 13:5).

Deze tijdsduur herinnert ons ook aan de goddeloosheid onder Achab en Izébel en het tijdperk van grote droogte tijdens het optreden van de profeet Elia.
Elia was een mens als wij en nadat hij [vurig] had gebeden dat het niet zou regenen, is er drie-en-een-half jaar lang geen regen gevallen op het land (Jakobus 5:17).
Deze vermelding is meer bedoeld om aan te geven wat voor resultaat het gebed kan hebben, dan God af te schilderen als iemand die droogte kan geven.
De periode van drie en een half jaar heeft ook een symbolische betekenis (3½ is de helft van 7) als een tijd van ongeluk en oordeel.

11:4-6

Zij zijn de twee olijfbomen en de twee lampenstandaards die voor de Heer van de wereld staan.
Als iemand hun kwaad wil doen, komt er vuur uit hun mond, dat hun vijanden verteert; op die manier zal iedereen die hun kwaad wil doen moeten sterven.
Zij hebben de macht om de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt zolang zij profeteren.
Ook hebben ze de macht om water in bloed te veranderen.
Verder kunnen ze de aarde treffen met alle mogelijke plagen, zo vaak ze maar willen.

Dezen zijn de twee olijfbomen en (de) twee kandelaars voor het aangezicht van God van de aarde staande.
En indien iemand hen wil kwaad doen, vuur gaat uit de mond van hen en verteert de vijanden van hen.
En indien iemand hen wil kwaad doen, zó moet hij worden gedood.
Dezen hebben de (vol)macht (om te) sluiten de hemel opdat niet het regent regen in (de) dagen van hen van het profeteren en (vol)macht hebben zij over de wateren, (om te) veranderen hen in bloed en (om te) slaan de aarde elke plaag zo dikwijls als maar zij willen.

Deze getuigen doen ons denken aan twee keer twee medewerkers van God uit het oude verbond.
In de eerste plaats zijn daar Jozua, de hogepriester en Zerubbabel, de landvoogd, een nakomeling van David.
Zij zijn de bouwers van de tempel na de ballingschap in Babylon.
Zij zijn de twee gezalfden die naast de Heer van de hele aarde staan (Zacharia 4:14).

Zij zijn dus uitvoerders van het plan en het verlangen van God voor die tijd.
Ook de gemeente, het geestelijke Israël, heeft eeuwenlang als ballingen in het geestelijke Babylon van verwarring en misleiding gewoond.
Ook zij zal naar haar eigen geestelijke land, het koninkrijk van God, terugkeren.
De geestelijke tempel, de gemeente, zal herbouwd worden volgens bestek en tekening zoals God gemaakt heeft.
Jozua en Zerubbabel worden in de visioenen van Zacharia vergeleken met een kandelaar en twee olijfbomen.
Wie zeggen dat deze mannen in de laatste tijd weer levend zullen worden, hebben geen geestelijk inzicht.

In onze tekst gaat het niet om Jozua en Zerubbabel als personen, maar om de aanduiding van hun inzet voor de tempel zoals die door de Heer wordt geïnspireerd.
Zoals staat in Haggaï 1:14:
Zo zette de Heer ZerubBabylon, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda en Jozua, zoon van Josadak en hogepriester en wie er van het volk nog over waren, ertoe aan te beginnen met het herstel van de tempel van de Heer van de hemelse machten, hun God.

De tweede tempel wordt dus niet alleen gebouwd door deze twee godsmannen.
Zij zijn de leiders van de rest van het volk dat zich ook door Heer laat leiden en inspireren en dat meewerkt aan de bouw.
Duidelijk wijst Haggaï op de bescherming en de aanwezigheid van God door zijn geest als ook in de laatste tijd het geestelijke huis van de Heer wordt gebouwd (zie Haggaï 2:4-5 – zie ook NBG).

Ook hier komt uit dat de profeten Zacharia en Haggaï niet voor zichzelf maar voor de gemeente van het nieuwe verbond profeteren:
Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor u, en nu is deze boodschap u verkondigd door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven door de heilige geest die vanuit de hemel werd gezonden.
Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen
(1 Petrus 1:12).

De twee getuigen vertegenwoordigen dus een categorie gelovigen die tijdens het blazen op de bazuinen het geestelijke huis van de Heer renoveren en afbouwen.
Zij kunnen door in nauw contact te leven met de Mensenzoon ontkomen aan de verleiding, de misleiding en de pressie vanuit het rijk van de duisternis, die snel zullen komen.
Hun ononderbroken contact met Jezus Christus is gebaseerd op een constant gebedsleven; zo kunnen zij vertrouwelijk met Hem omgaan.
Hierbij moeten we vooral denken aan het bidden in geestelijke talen, geïnspireerd door de geest van God.
Wees waakzaam en bid onophoudelijk om te ontkomen aan de dingen die gebeuren gaan en om voor de Mensenzoon te kunnen verschijnen (Lucas 21:36).

Hun handen leggen de fundering van het huis van God en ze voltooien het daarna (zie Zacharia 4:9).
Zij zijn de priesters en koningen die gezalfd zijn met de heilige geest en met kracht.
Zij spreken zoals Jezus en doen dezelfde daden als Hij en zelfs nog grotere.
Johannes 14:12:
Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie op Mij vertrouwt zal hetzelfde doen als Ik, en zelfs meer dan dat, Ik ga immers naar de Vader.

De lampenstandaards of kandelaars wijzen op het licht dat de gemeente van de laatste tijd door deze zonen van God verspreidt.
De olijfbomen produceren de olie die het beeld is van de genezende en bevrijdende kracht van Gods geest.

Naast hun functie als tempelbouwers hebben de getuigen ook een taak ten opzichte van de afvallige schijngemeente.
We denken daarbij aan twee andere figuren uit het oude testament, namelijk Mozes en Elia.
De profeet Maleachi voorzegt:
Voordat de dag van de Heer aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur Ik jullie de profeet Elia … (zie Maleachi 3:23).

Elia leeft in de tijd van de grote afval onder Achab en Izébel.
Zo omvangrijk is deze afval van God, dat Elia denkt alléén overgebleven te zijn.
Hij herstelt het altaar van de Heer dat er verwoest bij ligt en op zijn gebed valt het hemelvuur erop, opdat Israël zich zal bekeren.
God wekt deze ‘geest van Elia’ opnieuw op in de laatste profeet van het oude verbond: Johannes de Doper.
Van hem wordt gezegd:
En voor wie het wil aannemen: hij is Elia die komen zou (Matteüs 11:14).
Maar nadrukkelijk wordt in vers 15 gezegd: Laat wie oren heeft goed luisteren!
Luister dus goed wat dit betekent!

Maar ook wijst Jezus erop dat Elia opnieuw zal komen om alles te herstellen.
Direct daarna zegt Hij dat Elia al gekomen is en dat ze met hem gedaan hebben wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat (zie Marcus 9:12-13).
Bij de getuigen herhaalt zich de historie.
Het woord van God, dat zij in al zijn volledigheid brengen, wordt weerstaan en gehaat door de religieuze leiders.
Men probeert hen te beschadigen, dus hen te doen struikelen, van hun opdracht af te brengen en hun rechtvaardigheid aan te tasten.
Het beschadigen van de innerlijke mens, het geweten, gebeurt altijd door de influistering en de infiltratie door demonen.
De schijngemeente brengt deze, als het moet, langs occulte weg tegen de zonen van God in stelling.

Maar de gemeente is in de woestijn buiten zicht en bereik van de slang (zie Openbaring 12:14).
Daardoor gaat het werk van Gods heilige geest in haar in de laatste tijd onbelemmerd door.
Het evangelie van het koninkrijk van God wordt door deze belangrijke getuigen over de hele wereld bekendgemaakt aan alle volken, naties en taalgebieden.
De religieuze wereld probeert hen te imponeren door de schijnwonderen en -tekenen van de antichrist.
Ook wil men door foutieve visies en gedachten de gemeente beschadigen en haar in haar ontwikkeling afremmen.
Als reactie komt er vuur uit de mond van de getuigen, dat hun vijanden verteert.
Dit vuur is het machtswoord dat zij mogen gebruiken om de tegenstanders (de demonen) aan het rijk van de dood, de afgrond over te geven.
Hun woorden zijn sterker dan die van hun vijanden, zoals licht duisternis verdrijft.

In 2 Tessalonicenzen 2:8 staat:
Pas dan verschijnt hij – en dan zal de Heer Jezus hem (de antichrist) doden met de adem van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst.
Het woord van de zonen van God heeft kracht gekregen door zijn geest.

Tegen de profeet Jeremia zegt de Heer:
Daarom – dit zegt de Heer, de God van de hemelse machten:
Omdat zij dit durven te zeggen,
maak Ik dit volk tot brandhout,
maak Ik mijn woorden in jouw mond
tot een vlam die hen verslindt
(Jeremia 5:14).

Zo voeren deze getuigen in de autoriteit van Jezus Christus hun geestelijke tegenstanders, de demonen, af naar het rijk van de dood.
Van de mensen die verbonden zijn en willen blijven met deze duistere machten worden geest en ziel dan volledig van de gemeenschap met God en zijn volk gescheiden.
Het woord van God dat de zonen van God brengen is als een zwaard dat aan twee kanten scherp is: of het geeft leven aan wie het accepteert of het leidt naar de dood voor wie het afwijst.
Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten en wie onrein is zal nog onreiner worden.
Wie goeddoet zal nog meer goeddoen en wie heilig is zal nog heiliger worden
(Openbaring 22:11).

Elke tegenstand tegen de medewerkers van God werkt als een boemerang naar de eigen ondergang.

Elia doet vuur vallen op zijn vijanden die hem proberen te arresteren.
Zo worden de tegenstanders van de getuigen van Jezus Christus het slachtoffer van de scheiding tussen goed en kwaad als het woord van God gebracht wordt.
Getuigen van Jezus Christus wil zeggen: mensen proberen te overtuigen van het plan van God dat de mens het niveau van de Mensenzoon kan bereiken!
Wat de profeet Obadja (vers 18) schrijft over de dag van de Heer komt uit:
Jakobs volk zal het vuur zijn, Jozefs volk de vlam en het volk van Esau de stoppels.
De stoppels gaan in vlammen op, het vuur zal ze verteren en niemand van Esaus volk zal ontkomen – de Heer heeft gesproken.

Esau is hier het symbool van de schijngemeente.

Als bij Elia heeft hun geestelijke macht de uitwerking dat het koninkrijk van God wordt gesloten voor hen die zich verzetten en hen vervolgen en willen beschadigen.
Daarom is, nadat zij het woord van God gebracht hebben, in de schijngemeente geen enkele werking en geen enkele vrucht van Gods heilige geest meer over.

Deuteronomium 11:13-17 geeft hiervan een duidelijke schets:
Als u de geboden gehoorzaamt die Ik u vandaag voorhoud, en de Heer, uw God, lief hebt en Hem met hart en ziel dient, belooft de Heer:
Ik zal jullie akkers op de juiste tijd regen geven, in het najaar en in het voorjaar.
Je zult je oogst binnenhalen, koren, wijn en olie, en Ik zal groene weiden geven voor je vee.
Je zult er leven in overvloed.
Maar pas op: laat u er niet toe verleiden een dwaalspoor te volgen, voor andere goden neer te knielen en ze te vereren.
Want dan roept u de woede van de Heer over u af en zal hij de hemel sluiten.
Er zal geen regen meer vallen en de hele oogst zal mislukken, en spoedig zult u verdwenen zijn uit het goede land dat de Heer u zal geven.

Wij weten nu dat de ‘woede van de Heer’ bestaat uit de werkingen van het rijk van de duisternis.

Ook de profetie van Joël laat twee kanten zien:
De geest van God wordt uitgegoten op al wat leeft, dat wil zeggen: op iedereen die in contact leeft met God, die Hem zoekt.
Maar de hardnekkige schijngemeente wordt een prooi van ‘bloed, vuur en zuilen van rook’.
De twee getuigen hebben ook macht om water in bloed te veranderen en om de aarde te treffen met alle mogelijke plagen.
Deze beelden doen ons denken aan de vlucht van het volk van God uit Egypte, onder leiding van Mozes.
De plagen zijn een pressiemiddel voor de Egyptenaren om het volk van God te laten vertrekken, maar ze betekenen ook de redding van Israël.
Zo trekt onder de zware pressie de gemeente van Jezus Christus uit het geestelijke Egypte, onder leiding van de zonen van God.

Het water is het beeld van het geestelijke leven en het bloed is het beeld van het natuurlijke leven.
In de schijngemeente verdwijnt al het geestelijke, op het koninkrijk van God gerichte leven.
Haar religie bestaat alleen nog maar uit zichtbare en emotionele zaken.
Wat erger is: het is een occulte gemeente geworden.
Men verliest wat men nog heeft aan geestelijk bezit, doordat men totaal geen weerstand meer biedt aan de geesten uit het rijk van de duisternis.

11:7-8

Wanneer zij hun getuigenis hebben afgelegd, zal het beest dat uit de onderaardse diepte opstijgt de strijd met hen aanbinden, hen overwinnen en hen doden.
Dan liggen hun lijken op het plein van de grote stad die in figuurlijke zin Sodom of Egypte heet, de stad waar ook hun Heer gekruisigd is.

Grondtekst: En wanneer zij hebben voltooid het getuigenis van hen, het beest omhoog komende uit de afgrond, zal maken oorlog met hen en het zal overwinnen hen en het zal doden hen.
En de lijken van hen op de straat van (de) stad grote, die wordt genoemd in geestelijke zin Sodom en Egypte, alwaar ook de Heer van ons gekruisigd is.

Het leven van deze zonen van God is een afspiegeling van het leven van de Zoon van God.
Zo ondergaan ook zij het geweld van satan, net als Jezus.
De Heer heeft als de eerste betrouwbare getuige zijn taak uitgevoerd.
Hij zegt:
Ik heb op aarde uw grootheid getoond door het werk te volbrengen dat U mij opgedragen hebt (Johannes 17:4).

Hij rondt zijn werk af in het aardse Jeruzalem.
Hij zegt in Lucas 13:32-34 (ged.):
Let op, Ik drijf demonen uit en vandaag en morgen genees Ik mensen en op de derde dag bereik Ik de voltooiing.
Maar Ik moet vandaag en morgen en de volgende dag op weg blijven, want het gaat niet aan dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem –
Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt wie naar haar toe zijn gestuurd!

Bij het begin van de geschiedenis van de gemeente bidden de leerlingen van Jezus:
Want inderdaad, in deze stad hebben allen samengespannen tegen Jezus, uw heilige dienaar, die door U is gezalfd: Herodes, Pontius Pilatus, alle volken en ook de stammen van Israël,
om datgene te doen waarvan U had bepaald en voorbestemd dat het moest gebeuren
(Handelingen 4:27-28).

In de laatste tijd spant de verworden schijngemeente samen met dezelfde religieuze demonen die ook de inspirators zijn van de ‘godgeleerden’ in de tijd van Jezus.
Johannes 8:44:
Uw vader is de duivel en u doet maar al te graag wat uw vader wil.
Hij is vanaf het begin een moordenaar geweest.
Hij hoort niet bij de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is.
Wanneer hij liegt, spreekt hij zoals hij is: een aartsleugenaar, de vader van de leugen.

Deze schijngelovigen worden verteerd door jaloezie als zij de krachten, tekenen en wonderen zien, die de zonen van God begeleiden.
Bovendien brengen dezen een geestelijke uitleg van het plan van God, waardoor de zeden, gewoonten en gebruiken van de schijngemeente diepgaand worden aangetast.
Hierdoor ziet deze gemeente haar macht en invloed afnemen.
Maar door hun geperfectioneerde occultisme en spiritisme roepen de schijngelovigen het beest uit de onderaardse diepte op (zie Openbaring 17:8) om de gemeente van Christus een halt toe te roepen.
Dit beest kan mensen nog altijd zo misleiden en hersenspoelen dat ze denken God te dienen door de gelovigen te doden (zie Johannes 16:2).

In de geschiedenis van de schijngemeente blijkt dat deze vaak naar grof natuurlijk geweld grijpt om haar tegenstanders de mond te snoeren en zelfs uit de weg te ruimen.
Alleen al aan deze vrucht van geweld is deze slechte boom te herkennen!
In Openbaring 17 wordt beschreven hoe de hoer verbonden is met het felrode scharlaken-kleurige beest dat uit de onderaardse diepte omhoogkomt.
Als religieuze macht streeft ze naar eenheid binnen haar organisatie.
Daarbij maakt ze ook gebruik van haar invloed om zelfs de politieke macht voor haar karretje te spannen.
Deze antichristelijke stroming in de schijngemeente kunnen we de eeuwen door signaleren.
Onze voorouders schrijven bijvoorbeeld in de Nederlandse geloofsbelijdenis:
De overheid is geroepen ‘de hand te houden aan de heilige kerkdienst en te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst’.

Waar deze belijdenis in daden wordt omgezet, blijkt al snel door welke geest deze uitspraak geïnspireerd wordt.
De schijngemeente beschuldigt de echte gelovigen van afgoderij en verkeerde visies en verwijt hun dat zij niet solidair zijn met haar gemeente.
Stefanus wordt ervan beschuldigd dat hij lasterlijke woorden spreekt tegen de tempel en de wet (zie Handelingen 6:13).
Op dezelfde manier zijn de ‘ketters’ in de rooms-katholieke kerk én protestantse kerken bloedig vervolgd omdat zij naar het Bijbelwoord handelen:
Laat je er niet door de meerderheid toe overhalen iets onrechtvaardigs te doen … (zie Exodus 23:2).

Het is een van de meest verschrikkelijke ogenblikken in de kerkgeschiedenis als Augustinus met betrekking tot de Donatisten zegt: ‘Cogite intrare’, dat wil zeggen: dwing ze om in te gaan.
Met deze demonische, gewelddadige uitspraak pleegt hij hoogverraad aan het evangelie van Jezus Christus.
De bloeddorstige beulen die hun woede op de ‘ketters’ en ‘sekten’ koelen, beroepen zich allemaal op de autoriteit van deze ‘kerkvader’.
Vanaf Augustinus tot aan de laatste tijd zal het bloed van de martelaars om het geloof in Christus blijven vloeien.
Het natuurlijke leven van de gelovigen wordt zo onder grote druk gezet om hen te pressen hun geloof in het bereiken van het einddoel van God (met hen) los te laten.
Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd (Openbaring 17:6).

De lijken van de getuigen liggen op het plein van de grote stad, die geestelijk Sodom en Egypte heet, waar ook hun Heer gekruisigd is.
Ook hier moeten we uiteraard niet denken aan een zichtbare stad met zichtbare lijken.
Lijken zijn hier beeld van stoffelijke omhulsels waarin geen leven meer is, die niets meer uitwerken.
Waar de getuigen profeteren over het plan van God, daar worden ze in het centrum (op het plein) van het religieuze leven (de stad) monddood gemaakt.
Het geestelijke klimaat daar is zo verstikkend, dat uitleg over en uitwerking van het plan van God door zijn woord en geest er totaal ondenkbaar zijn geworden.
Satan en zijn rijk zijn opgelucht, voor zover ze dat al kunnen zijn.
Het plan van God is schijnbaar niet te realiseren, dus lijkt voor hen de weg vrij om de macht te grijpen!

De grote stad Babylon is vol van geestelijk overspel (Sodom) en vol van geweld en afgoderij (Egypte).
Daar heersen de demonen volop.
De schijngemeente lijkt precies op het religieuze Jeruzalem uit de tijd van Jezus.
Ook daar wordt de Heer en daardoor dus het plan van God verworpen.
Het lukt de religieuze demonen, die vol van geweld zijn, om de Heer te laten kruisigen, terwijl de religieuze mens zijn mond vol heeft over God en zijn wetten.
De theologie wordt er tot in de finesses beoefend, maar het is één grote schijnvertoning geworden.

Van het volk Israël wordt gezegd:
Omdat dit volk Mij naar de mond praat,
Mij slechts met de lippen dient,
terwijl hun hart ver bij Mij vandaan is;
omdat hun ontzag voor Mij louter plicht is,
slechts aangeleerd en door mensen opgelegd –
(Jesaja 29:13).
Het wordt geestelijk vergeleken met Sodom, omdat het een onnatuurlijke religie heeft.
Dit Jeruzalem wordt ook met Egypte vergeleken, omdat de schijngemeente geen bevrijding en genezing kent, maar wel slavernij en gebondenheid aan de demonen.
Tegen het volk van God wordt gezegd: Trek weg uit Babel! (zie Jesaja 48:20).

11:9-10

Gedurende drie-en-een-halve dag komen er mensen uit alle landen en volken, van elke stam en taal, om hun lijken te zien, en zij dulden niet dat ze begraven worden.
De mensen die op aarde leven juichen om de dood van de twee profeten, en opgetogen sturen ze elkaar geschenken, want die profeten waren een grote kwelling voor hen geweest.’

Grondtekst: En zullen zien (degenen) uit de volken en stammen en talen en natiën de lijken van hen dagen drie en (een) halve en de lijken van hen niet zij zullen toelaten (te) worden gelegd in graven.
En de wonenden op de aarde zullen zich verheugen over hen en zij zullen vrolijk zijn en geschenken zullen zij zenden aan elkaar, omdat deze twee profeten kwelden de wonenden op de aarde.

Wereldwijd brengen de zonen van God het goede nieuws over het plan van God.
Jezus zegt:
Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde (of: einddoel) komen (Matteüs 24:14).

Jezus heeft het over een evangelie zoals Hijzelf gebracht heeft.
Hij brengt het goede nieuws over het koninkrijk van God en Hij laat ook zien dat dit niet alleen maar bestaat uit woorden, maar ook uit kracht.
Matteüs 24:23-24:
Hij trok rond in heel Galilea; Hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk.
Het nieuws over Hem verspreidde zich in heel Syrië.
Allen die ergens aan leden en die gekweld werden door een ziekte of door pijn en ook bezetenen en maanzieken en verlamden werden bij Hem gebracht en Hij genas hen.

Het goede nieuws over het koninkrijk van God is echt goed nieuws voor alle mensen die verlangen naar rechtvaardigheid, dus naar een zuiver en intens leven met God.
Dit nieuws houdt voor hen in:

Zelfs door de schaduw van de zonen van God worden de zieken gezond en vluchten demonen uit de mens, want in hen is de kracht van God werkzaam.
Hun woorden zijn als die van Jezus en ze doen dezelfde daden als die Hij gedaan heeft.
Daardoor wekken ook zij de bittere haat en jaloezie op van de schijngemeente.
Deze getuigen hebben het geestelijke niveau van de Zoon van God in elk opzicht bereikt.
En doordat zij het woord van God bekendmaken en uitleggen bereiken ook andere gelovigen de geestelijke volwassenheid.
Het doel van God met de gemeente wordt in hen behaald:
… zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust (2 Timoteüs 3:17) en
De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen (grondtekst: zonen) zijn (Romeinen 8:19).

In het goede nieuws van de getuigen krijgt ook het opstaan van de doden het volle accent.
Noach weet dat aan het einde van zijn levenstaak voor God de grote overstroming gaat komen.
Simon weet door een rechtstreeks woord van God dat hij niet zal sterven voordat hij de Christus zal hebben gezien.
Jezus zelf spreekt al tijdens zijn verblijf op aarde over zijn lijden en sterven, maar ook over zijn opstaan uit de dood, dat daarop volgen zal.
Zo weten ook deze brengers van het goede nieuws door Gods heilige geest dat er een eind aan hun getuigenis zal komen en dat zij monddood gemaakt zullen worden.
Het zal net zijn alsof hun woorden bij niemand meer ingang hebben.

Zij hebben toegepast:
Zolang het dag is, moeten we het werk doen van Hem die Mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen (Johannes 9:4).
Die nacht is nu gekomen.
De begrippen woord en geest worden nog wel gebruikt in de schijngemeente, maar het zijn loze uitdrukkingen geworden.
Hun omhulsel is er nog wel, maar er zit geen leven meer in.

De dode begrippen mogen niet begraven of weggestopt worden.
Als dat gebeurt verliest de schijngemeente elke reden van haar bestaan en is zij in niets anders dan de andere religies.
Dan zal zij zelfs haar aardse macht verliezen.
De aardsgerichte gelovigen zijn, net als hun inspirators blij dat ze verlost zijn van het voor hen hinderlijke licht dat door woord en geest in en door de zonen van God wordt verspreid.
Omdat hun daden slecht zijn, houden ze meer van de duisternis dan van het licht (zie Johannes 3:19).

Maar ze kunnen nu in alle vrijheid elkaar voorzien van allerlei bedenksels en visies, die hun eigen geleerdheid en scherpzinnigheid in theologisch opzicht moeten aantonen.
Ze hoeven geen rekening meer te houden met een zuiver en heilig leven, maar ze kunnen naar hartelust hun natuurlijke gaven aan anderen ter beschikking stellen.
Dit alles nog steeds onder de noemer van christelijke godsdienst.
Ze kunnen de waarheid niet verdragen omdat satan hun vader of inspirator is.
Ze nemen zijn karakter en klimaat over en ze zijn allergisch voor het evangelie van het koninkrijk van God.
Voor hen is dat in feite een geweldige kwelling.

Diep in hun binnenste weten ze wel dat dit de waarheid is, maar uit doelbewust eigenbelang schuiven ze het woord van God aan de kant.
Ook van het werk van Gods geest in hun gemeente moeten ze niets hebben.
Ze jagen dan ook de liefde niet na en ze streven niet naar de gaven van de geest (zie 1 Korintiërs 14:1).
Uit alle macht willen ze aan hun zichtbare macht en status vasthouden.
In alles lijken ze dus op de religieuze leiders in de tijd van Jezus.
Ze lijken ook op de Israëlieten uit Nehemia 9:29:
U waarschuwde hen, om hen terug te brengen naar uw wet, maar zij misdroegen zich, ze luisterden niet naar uw geboden en ze overtraden uw rechtsregels – terwijl ieder die ze nakomt, leven zal!
Ze verzetten zich met hand en tand en hardnekkig weigerden ze te luisteren.

11:11

En na drie en een halve dag voer een levensgeest uit God in hen, en zij gingen op hun voeten staan en grote vrees viel op allen, die hen aanschouwden.

Grondtekst: En na de drie dagen en (een) halve, (de) geest van (het) leven uit God kwam binnen over hen en zij gingen staan op de voeten van hen en vrees grote viel op de aanschouwenden hen.

Tijdens zijn rondgang op aarde maakt Jezus drie doden weer levend.
Het dochtertje van Jaïrus is nog maar vlak van tevoren overleden, als Jezus haar opricht.
De zoon van de weduwe in Naïn wordt door Jezus levend gemaakt als men met hem op weg is naar de begraafplaats.
Maar het meest opvallende en grote wonder is het levend maken van Lazarus.
Johannes heeft dit feit uitvoerig in zijn evangelie beschreven.
Hij vertelt ons onder andere dat Jezus de spanning verhoogt door nog twee dagen op de plek te blijven waar Hij is.
Als Jezus in Bethanië komt, ligt zijn vriend al de vierde dag in het graf, dit is dus drie en een halve dag.
Dan maakt Jezus, met vriend en vijand als toeschouwers, een lijk levend dat al voor een deel ontbonden is en al zeker niet fris meer ruikt!

Dit levend maken van Lazarus is dus een voorafspiegeling van het weer tot leven komen van woord en geest van God in de zonen van God.
Hoe langer ze niet werkzaam kunnen zijn, hoe groter de opluchting en vreugde zijn in de schijngemeente en bij de demonen die haar inspireren.
Hoe langer ze niet werkzaam kunnen zijn, hoe minder zegt de mensen hun betekenis nog iets.
Ze zijn al zo lang voor de gelovigen verborgen geweest, doordat er allerlei verzinsels om hen heen geweven zijn.
Er hangt een geestelijke lucht om hen heen van wetten en regels, van misvattingen en dwalingen.
Niemand weet nog hoe het levende woord en de inspirerende geest van God ‘eruit zien’ en wat ze betekenen en kunnen doen met betrekking tot het plan van God.
‘Menselijkerwijs gesproken’ is het afgelopen met ze en is er geen enkele hoop meer op welk teken van leven dan ook.

Dan is het moment aangebroken dat het wonder van het levend worden van Lazarus zich als het ware herhaalt in de laatste tijd.
Als Lazarus opgewekt wordt, komt zijn levensgeest in hem terug.
Deze geest zorgt ervoor dat het menselijke lichaam op de juiste, natuurlijke manier kan functioneren.
De levensgeest bouwt, onderhoudt en herstelt het menselijke organisme.
Lazarus gaat weer op zijn voeten staan, maar de omstanders moeten hem nog wel bevrijden van zijn grafdoeken.

Gods woord en geest worden nu onder het stof van de aarde, van het aardsgerichte religieuze denken, door de zonen van God weggehaald.
Doordat zij vervuld zijn met de geest en met de gedachten van God kan Hij door hen de levensgeest weer in woord en geest doen terugkeren.
Dit gebeurt na drie en een halve dag, een bepaalde korte periode.
De situatie van monddood zijn en van het omgeven zijn met allerlei demonische leringen is plotseling voorbij.
De waarheid overwint en er komt opnieuw een overvloed van leven door het woord en de geest van God naar de mensen toe.

Over deze gebeurtenis wordt door Joël een prachtige profetie uitgesproken in 2:23:
En jullie, kinderen van Sion, wees blij
en barst uit in gejubel om de Heer, jullie God,
want Hij geeft regen om je te verkwikken,
regen om je te verkwikken.
Hij laat de regen overvloedig op je neerdalen,
vroege regen en late regen, elk op de juiste tijd.

Het hoogtepunt van deze profetie vinden we in 3:1 en 5:
Daarna zal zich dit voltrekken:
Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.
Jullie zonen en dochters zullen profeteren,
oude mensen zullen dromen dromen,
en jongeren zullen visioenen zien;
zelfs over slaven en slavinnen
zal Ik in die tijd mijn geest uitgieten.

Dan zal ieder die de naam van de Heer aanroept ontkomen:
op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden,
zoals de Heer heeft beloofd;
ieder die Hij roept zal worden gered.

De twee getuigen, Gods woord en geest in het leven van de gelovigen, gaan weer op hun voeten staan, ze kunnen weer verdergaan met de uitwerking van het plan van God.
Dit betekent dat ze (op)nieuw leven geven aan de gemeente die zich nu kan gaan ontwikkelen tot de volmaaktheid, het niveau van Jezus Christus.

De religieuze wereld en de met hen verbonden demonen zien dit met angst en beven gebeuren.
Wat men niet verwacht heeft, is gebeurd en alle ‘vrome’ theorieën storten als een kaartenhuis in elkaar.
Men heeft zich met alle macht en kracht verzet tegen Gods woord en geest, die respectievelijk aangeven wat zijn plan is en hoe dit gerealiseerd kan worden.
Hun eigen leringen en visies blijken nu op hun beurt lege omhulsels te zijn zonder enige vorm van leven.
Hun wetten en regels hebben het geestelijke leven gekost aan veel gelovigen, want deze hebben niet geleid tot een echt contact met God.
Dat kan alleen door de geest van God.
Zij hebben niet geluisterd naar de waarschuwing van Paulus in 2 Korintiërs 3:6:
Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van zijn geest.
Want de letter doodt, maar de geest maakt levend.

11:12-14

Er klonk een luide stem uit de hemel, die tegen hen zei: ‘Kom hierboven.’
Toen stegen ze in de wolk op naar de hemel, voor het oog van hun vijanden.
Op dat moment kwam er een zware aardbeving, die een tiende deel van de stad verwoestte.
Zevenduizend mensen werden door de aardbeving gedood, de rest werd door vrees bevangen en begon de God van de hemel eer te bewijzen.
De tweede wee is voorbij, maar de derde volgt binnenkort!

Grondtekst: En zij hoorden (een) stem luide uit de hemel zeggende tot hen: komt omhoog hierheen.
En zij gingen omhoog naar de hemel in/met de wolk en aanschouwden hen de vijanden van hen.
En op dat/[die] uur ontstond er (een) aardbeving grote en het tiende (deel) van de stad stortte in en werden gedood in/door de aardbeving (de) namen van mensen duizend zeven.
En de overigen zeer bevreesd werden en zij gaven eer aan de God van de hemel.
De wee tweede ging voorbij, zie de wee derde komt spoedig.

De opdracht van God wordt overgebracht door de luide stem van de aartsengel Gabriël (vergelijk Openbaring 10:1).
God geeft aan zijn woord en geest de opdracht om via de zonen van God uit de anonimiteit te komen van de aardsgerichte religie en actief te worden in zijn koninkrijk.
Deze opdracht kan alleen worden uitgevoerd als de gemeente van Jezus Christus het woord weer bekend gaat maken en de heilige geest van God in haar weer de ruimte geeft om te werken.
Dit alles precies zo als in het beginstadium van de gemeente.
Ook hier zien we dat niets automatisch of vanzelf gebeurt, maar dat God niets doet zonder zijn medewerkers hierin te betrekken.
Dit stemt overeen met Amos 3:7, waar staat:
Zo doet God, de Heer, niets zonder dat Hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten.

Uiteraard is het onthullen of openbaren van Gods plan bedoeld om zijn volk erbij te betrekken.
Zie hiervoor ook Openbaring 1:1 en 22:6.

Hun vijanden, de demonen en hun aanhangers zien het voor hun ogen gebeuren.
Ze hebben samen op dezelfde manier Jezus willen overmeesteren aan het kruis, om zijn overwinning onmogelijk te maken.
Net als bij de kruisiging van Jezus concentreren zij hun krachten om het tot leven komen van Gods woord en geest in de echte gemeente tegen te gaan, maar ook hier lukt hun dat niet.
Deze samenballing van krachten in de geestelijke wereld dreunt nu na in de aardsgerichte schijngemeente.
Hier worden de effecten van deze geestelijke (aard)beving zichtbaar, zodat werkelijkheid wordt wat in Jesaja 3:1 staat:
Voorwaar, God, de Heer van de hemelse machten,
ontneemt Jeruzalem en Juda hun stut en steun:
alle steun van brood en water.

Een tiende deel van de stad stort in, duizenden ‘woningen’ worden onbruikbaar voor iedere vorm van geestelijk leven.
Menselijke visies en leringen geven de mensen geen voldoening meer en vrijwel de hele basis van de schijngemeente komt hierdoor te vervallen.
In het vervolg van Jesaja 3 staat verder beschreven hoe het afloopt met deze gemeente.

Satan kan de schijngemeente niet meer gebruiken om de gemeente van Jezus Christus aan te vallen.
De tien horens die je zag en het beest zelf zullen een afschuw krijgen van de hoer en ze zullen haar te gronde richten.
Ze zullen haar uitkleden, haar vlees eten en haar in brand steken
(Openbaring 17:16).
Mensen die nog geloof hebben in de fundamentele waarheden verliezen ook dit geloof.
Want ze hebben hun geloofshuis gebouwd met brandbare materialen: hout, hooi en stro (zie 1 Korintiërs 3:12).
De verterende vloed van de demonen laat hier niets van over.

Zevenduizend mensen, een bepaalde volheid, vinden zo de dood, zij worden slachtoffer van de doodsmachten.
Elke vorm van geestelijk leven verdwijnt uit hen.

De leiders, de machthebbers, de godgeleerden zullen toch proberen op de oude voet door te gaan met hun modernistische en atheïstische leuzen.
Maar het respect voor hen is weg en hun leugens worden niet meer geloofd.
Ze worden door de gruwelijke macht van de antichristelijke gemeente van het religieuze toneel verwijderd.
Maar veel godsdienstige mensen worden bang voor wat er gaande is in de gemeente van Jezus Christus.
Wat ze altijd hebben willen voorkómen en waarvan ze een afkeer van hebben gehad, gebeurt nu: de krachten van de toekomstige eeuw worden zichtbaar.
Mensen worden genezen en bevrijd en krijgen inzicht in en deel aan het plan van God.

Dit zijn werkelijk zonen van God, zeggen ze nu.
We zien hier een herhaling van wat beschreven wordt in Openbaring 3:9:
Ik zal mensen laten komen die bij Satan horen (grondtekst: uit de synagoge van satan), leugenaars die zich Joden noemen en het niet zijn; zij zullen zich eerbiedig aan uw voeten neerwerpen en erkennen dat Ik u heb liefgehad.
Zo geven zij de God van de hemel eer, dit wil zeggen: zij erkennen dat God leeft en zijn woord waarmaakt.

Tot slot zien we dat de oordelen van God nog niet af zijn.
Er komt binnenkort een derde wee die over de religieuze wereld zal gaan.
Tijdens het blazen op de zes bazuinen komt de gemeente in en door de grote geestelijke pressie tot volmaaktheid.
En dan wordt de schijngemeente als het rijp geworden onkruid bij elkaar verzameld om aan het vuur te worden overgegeven.
De antichrist zal, nadat op de zevende bazuin geblazen is, het gezagsapparaat binnen deze gemeente volledig overnemen en zo verandert Babylon in de gemeente van de antichrist.

Over deze volkomen geestelijk dode, antichristelijke wereld zal zich het vonnis voltrekken in de laatste wee, namelijk de zeven schalen van de toorn van God.
Toorn van God is: de onstuimige, woeste werking van de demonen.
Na de tweede wee komen de zonen van God tevoorschijn, het ‘kind’ wordt geboren.
De volmaakte gemeente verschijnt dan als de rijp geworden oogst van de aarde (zie Openbaring 14:15) in de hemelse regionen of de geestelijke wereld.

11:15

Toen blies de zevende engel op zijn bazuin.
In de hemel klonken luide stemmen, die zeiden:
‘Nu begint de heerschappij van onze Heer over de wereld en die van zijn messias.
Hij zal heersen tot in eeuwigheid.’

Grondtekst: En de zevende engel blies op de bazuin en geworden zijn stemmen luide in de hemel, zeggende: geworden zijn de koninkrijken van de wereld van de Heer van ons en van de gezalfde van Hem en Hij zal regeren tot in de eeuwen van de eeuwen.

In 1 Korintiërs 15:51-52 staat:
Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt.
Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden opgewekt worden met een geestelijk lichaam dat niet meer kan vergaan en zullen ook wij veranderen.
Als er een laatste bazuin is, moeten er ook eerdere bazuinstoten geklonken hebben.
Het klinken van de bazuinen wijst dus op bepaalde tekenen of mijlpalen in de tijd die door elke serieuze christen kunnen worden herkend.
Het zijn signalen die horen bij de periode van de zware geestelijke pressie.

Bij het blazen op de zevende bazuin staan alle gelovigen op die ‘in Christus’ gestorven zijn.
De zonen van God die dan nog op aarde leven, veranderen in een ondeelbaar ogenblik, niet in tijd uit te drukken.
Zowel Paulus als Johannes noemen het blazen op de bazuinen in verband met de laatste ontwikkelingen in het plan van God.
Het is dan ook duidelijk dat de bazuin in 1 Korintiërs 15:52 en 1 Tessalonicenzen 4:16 dezelfde betekenis heeft als die waarover Johannes het heeft in het boek Openbaring.
We kunnen daarom gerust vaststellen dat de laatste bazuin de zevende is.

De gemeente van Jezus Christus bereikt op dat moment haar volmaaktheid.
Net als later de schepping, zullen de zonen van God worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zullen zij delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt (zie Romeinen 8:21).
Dit is uiteraard het gevolg van het werk van Gods geest in elk lid van de gemeente afzonderlijk, waarvan de vrucht bestaat uit:
liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (zie Galaten 5:22-23).

De zonen van God hebben inmiddels de geestelijke mannelijkheid bereikt, de volmaaktheid, die het einddoel van het geloof is.
Maar zij hebben deze geestelijke rijkdom altijd als in een stenen pot rondgedragen, net als Jezus tijdens zijn aanwezigheid op aarde.
En ze weten dat de overweldigende kracht in hen niet van henzelf komt, maar van God (zie 2 Korintiërs 4:7).
Maar nu krijgen ze een verheerlijkt lichaam dat gelijkvormig is aan dat van hun opgestane Heer.
Filippenzen 3:21:
Met de kracht waarmee Hij in staat is alles aan zich te onderwerpen, zal Hij ons armzalig lichaam gelijkmaken aan zijn verheerlijkt lichaam.

In Openbaring 20:5 (ged.) en 6 (ged.) wordt gezegd:
Dit is de eerste opstanding.
Gelukkig en heilig zijn zij die deelhebben aan de eerste opstanding.
De tweede dood heeft geen macht over hen.

De eerste opstanding begint bij het opnieuw geboren worden, bij de vernieuwing van denken, bij het geestelijk leren denken.
Dit proces wordt voltooid en bekroond in de opstanding uit de dood en de verandering van het uiterlijk van hen die niet sterven.
Zij worden weggevoerd de Heer tegemoet in de lucht (zie 1 Tessalonicenzen 4:17).
Zij nemen in de geestelijke wereld hun plaats in bij Jezus.

In de onzichtbare wereld horen we nu machtige stemmen.
Want de zevende bazuin markeert het grote keerpunt in het tijdperk van het herstel.
De zonen van God kunnen wel al heersen in de geestelijke wereld, maar nog niet in de zichtbare.
Daar zijn ze altijd gelasterd, veracht en vervolgd.
Bij de zevende bazuin zal ook de toekomstige wereld (dat is de bewoonde aarde) in liefde aan hen onderworpen worden, om deze te herstellen en te vullen met de luister van God.
Hebreeën 2:5 zegt:
Welnu, de komende wereld, waarover wij hier spreken, heeft Hij niet onder het gezag van engelen gesteld.
En vers 6:
Doordat Hij alles aan hem onderworpen heeft, rest er niets dat niet onder zijn gezag is gesteld.
Dat alles aan hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet.

Naar die situatie heeft de lijdende en zuchtende schepping alle eeuwen door met groot verlangen uitgezien (zie Romeinen 8:22).
Dan wordt de tirannieke heerschappij over de aarde afgenomen van de ‘heerser over deze wereld’.
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid (of: vruchteloosheid, nutteloosheid), niet uit eigen wil, maar door hem (Adam, de mens) die haar daaraan heeft onderworpen.
Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen
(zonen) geschonken wordt (Romeinen 8:20-21).

Adam heeft naar satan geluisterd en zo zijn heerschappij aan hem overgegeven.
Want we zijn ondergeschikt aan wie we gehoorzamen.
Romeinen 6:16:
Wanneer u zich als slaaf in iemands dienst stelt, weet u toch dat u hem moet gehoorzamen?
Wanneer u de zonde dient, leidt dat tot de dood; wanneer u God gehoorzaamt, leidt dat tot vrijspraak.

Nu is de nieuwe schepping gekomen, door Christus Jezus.
Wat betreft de innerlijke mens van Gods volk is deze al volledig gerealiseerd, maar bij de zevende bazuin is het koninklijke priesterschap voltooid en staat het klaar om de regering te aanvaarden.
Het overwinningslied klinkt daarom machtig door de hemel:
Nu begint de heerschappij van onze Heer over de wereld en die van zijn M(m)essias.
Hij zal heersen tot in eeuwigheid.

Christus aanvaardt in liefde het koningschap ook over de natuurlijke wereld.
Maar Hij is nooit te scheiden van zijn Lichaam, de gemeente.
Daarom staat er dat Christus samen met zijn gezalfde (messias), dat is zijn gemeente, kan beginnen te heersen.

Want de leden van de gemeente van Jezus Christus zijn ‘gezalfd’ met de heilige geest van God tot koningen en priesters.
U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd en hen tot priesters gemaakt.
Zij zullen als koningen heersen op aarde
(Openbaring 5:10).
In deze betekenis is Jezus de aanvoerder of de vorst van deze koningen van de aarde.
Hij is de ‘Hoogste Heer en Koning’ of de ‘Koning van de koningen en Heer van de heren’ (zie Openbaring 19:16).
De profetie van Daniël 7:27 komt dan uit:
Het koningschap, de heerschappij en de grootheid van alle koninkrijken onder de hemel zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de hoogste God.
Zijn koningschap is een eeuwig koningschap en alle machten zullen hem dienen en gehoorzamen.

In het begin van de schepping stelt God de mens aan tot koning op aarde en geeft Hij hem de opdracht zijn macht erop te vestigen en over haar te heersen.
Maar de eerste mens heeft zijn taak niet compleet uitgevoerd.
Opnieuw roept God de (nieuwe) mens, namelijk Christus en zijn gemeente, om vanuit de liefde van God zijn gezag op de aarde te vestigen, erover te heersen en te regeren.
Zij zullen hun taak wél volledig uitvoeren.
Dit koningschap is niet in tijd begrensd, maar het gaat door tot in de oneindige eeuwigheid.
Het resultaat zal zijn een totaal nieuwe schepping: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

11:16-18

De vierentwintig oudsten op hun tronen bij God wierpen zich neer en aanbaden God met de woorden:
‘Wij danken u, Heer, onze God, Almachtige, die is en die was, want in uw grote macht neemt U nu het koningschap op U.
De volken raasden in woede, maar nu laat U uw woede razen.
De tijd is gekomen om een oordeel te vellen over de doden; en om uw dienaren, de profeten, te belonen, evenals de heiligen en degenen die, jong en oud, ontzag hebben voor uw naam; en ook om hen die de aarde vernietigen nu zelf te vernietigen.’

Grondtekst: En de twintig en vier oudsten voor het aangezicht van God zittenden op de tronen van hen, vielen (neer) op de aangezichten van hen en zij aanbaden God,
zeggende: wij danken U, Heer God Almachtige, de Zijnde en de(gene die) was en de Komende, omdat U hebt genomen de macht van U grote en U heeft geregeerd/bent koning geworden.
En de volken werden vertoornd en gekomen is de toorn van U en de tijd van de doden (om) geoordeeld (te) worden en (om te) geven het loon aan de dienstknechten van U de profeten en aan de heiligen en aan de vrezenden de naam van U, de kleinen en de groten en (om te) vernietigen de vernietigenden de aarde.

Tijdens de zes bazuinen wordt het onkruid verzameld en in schoven of bundels bij elkaar gebonden.
Ook de tarwe wordt volledig rijp en is zover om in de schuur opgeslagen te worden.
De tijd van de zevende bazuin is de laatste fase van de afwikkeling van het plan van God (de herstelperiode) waar het gaat om de gemeente, in deze periode.
Bij het blazen van de laatste bazuin is het graan (de zonen van God) veilig in de hemelse schuur (de gemeente) opgeslagen en is het onkruid (de schijngemeente) volkomen aan het vuur (de demonen) prijsgegeven (zie Matteüs 13:30).
De vierentwintig oudsten vertegenwoordigen de gemeente.
Het beeld is afkomstig van de vierentwintig familiehoofden uit het priestergeslacht van Aäron.
Zij zijn dienaren van het heiligdom en van God (zie 1 Kronieken 24:4-5).

Via deze ‘presbyters’ aanbidt de gemeente God, want de strijd is beslecht en de overwinning is behaald.
God is de Almachtige, de Pantokrator.
Dit is: Hij die alle macht en kracht bezit, de beheerser van alles.
Hij is de El Sjaddai, de Almachtige, de God van het verbond, de Alpha en de Omega.
Hij heeft nu een volk in eigendom, waardoor Hij in de geestelijke en in de natuurlijke wereld regeren kan.
Als God het koningschap op zich neemt, betekent dit het begin van de bruiloft van het Lam (zie Openbaring 19:6-7).
Dit is de volledige eenwording tussen God en Jezus Christus, samen met zijn gemeente, zijn vrouw.

Samen met Christus neemt de gemeente haar plaats in óp de troon van God.
Zij vormt voor God het middel om zijn heerschappij ook op aarde te vestigen.
Daarvóór is de macht van de antichrist teruggedrongen en vernietigd.
En is het koninkrijk van God: gerechtigheid, vrede, vreugde en kracht op aarde gevestigd (zie Romeinen 14:17 en 1 Korintiërs 4:20).
Dit is geen hocus pocus, waarbij miljarden mensen en de overige schepping als bij toverslag veranderen, maar het is een proces.
Net als de vorming van de gemeente van Jezus Christus een ontwikkeling is: vanuit het zaad in de moederschoot van Maria tot aan de gemeente zonder vlek of rimpel.

God is natuurlijk altijd al de grote koning van de aarde geweest.
Maar hier aanvaardt Hij zijn heerschappij op een bijzondere manier en met een bijzonder doel.
Hij is nu de koning die regeert door zijn kabinet, zijn volk dat volmaakt één van geest met Hem is.

Wanneer razen volken in woede?
Als ze worden geïnspireerd en geïnfiltreerd door demonen.
Als de duivel naar hen afdaalt en woedend is omdat hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft (zie Openbaring 12:12).
De demonische legers vechten dan tegen elkaar en vervolgen ook en vooral de zonen van God.
De woede van deze volken is hun slechtheid.
Op hen kan voor een groot deel van toepassing zijn:
Omdat ze het beneden hun waardigheid achtten God te erkennen, heeft God hen overgeleverd aan hun eigen onbetrouwbaarheid en doen ze wat verwerpelijk is.
Ze zijn door en door onrechtvaardig en boosaardig, hebzuchtig en slecht.
Ze zijn door en door afgunstig, moordzuchtig en twistziek, doortrapt en kwaadaardig.
Ze roddelen en spreken kwaad, haten God, zijn hoogmoedig, trots en verwaand.
Ze zijn vindingrijk in het kwaad, tonen geen ontzag voor hun ouders, zijn kortzichtig en trouweloos, zonder liefde en onbarmhartig
(Romeinen 1:28-31).

Tijdens de zes voorgaande bazuinen worden de demonen in grote aantallen losgelaten doordat occultisten en spiritisten ze oproepen vanuit het rijk van de dood.
Hun tomeloze woede wordt beschreven als de ‘toorn van God’.
Daardoor is het oordeel of de definitieve scheiding tussen goed en kwaad gekomen.
De geestelijk denkende en levende zonen van God zijn in een ondeelbaar ogenblik, binnen een seconde (een oogwenk) veranderd en opgenomen.
Ze krijgen nu hun opstandingslichaam.
De tijd breekt nu ook aan dat de geestelijk doden worden geoordeeld.
De tijd is ook gekomen dat het loon uitgekeerd wordt aan de rechtvaardigen.
Paulus schrijft in 1 Korintiërs 3:14:
Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond.

Van de vrouw van het Lam wordt gezegd:
Zij mag zich kleden in zuiver, stralend linnen.
Want dit linnen staat voor al het goede dat gedaan is door de heiligen
(Openbaring 19:8).
Wat ze gedaan hebben of hun ‘werken’ bepaalt dus hun loon of beloning.
En dit komt tot uiting in hun zuivere stralende kleding, dus in de grootte van hun geestelijke, eeuwige statuur.
In Daniël 12:3 staat:
De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd.
Elke gelovige krijgt een positie die overeenkomt met wat hij in zijn leven op aarde gedaan heeft in, vanuit en voor het koninkrijk van God.

We kunnen in de vergelijking van Jezus over de 100 drachmen (of: tien ponden) lezen dat de ene dienaar over tien steden en de andere over vijf steden gezag krijgt.
Deze beloning krijgen zij als de ‘man van voorname afkomst’ terugkomt nadat hij het koningschap gekregen heeft (zie Lucas 19:11-27).
Want onder deze heiligen, dienaren en profeten zijn kleinen en groten! (zie o.a. Openbaring 19:5).

De tegenstanders worden vernietigd, ze worden teruggebracht tot niets.
Dat wil zeggen: ze zullen nooit en op geen enkele manier nog hun negatieve invloed kunnen uitoefenen.
Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit (2 Tessalonicenzen 1:9).

11:19

Toen ging Gods tempel in de hemel open en verscheen daar de ark van het verbond.
Er volgden bliksemschichten, groot geraas, donderslagen, een aardbeving en zware hagel.

Grondtekst: En werd geopend de tempel van God in de hemel en werd gezien de ark van het verbond van Hem in de tempel van Hem; en er ontstonden bliksemschichten en stemmen en donderslagen en (een) aardbeving en hagel grote.

Als Johannes zijn boek over de laatste tijd schrijft, is de tempel in Jeruzalem al verwoest.
Maar de apostel heeft al lang met de afspiegeling of de voorafschaduwing en dus met het verouderde gebroken (zie Hebreeën 8:5).
De echte tempel is het geestelijke huis van God en dit bevindt zich in de hemel, dus in de onzichtbare wereld.
Deze tempel gaat nu open en de ark van het verbond wordt zichtbaar in zijn tempel.
Het beeld is duidelijk.
De ark van het verbond, Jezus Christus, wordt zichtbaar in zijn tempel, de gemeente die vervuld is met de luister van God.
Als Jezus komt, wordt Hij verheerlijkt in zijn heiligen en met verbazing herkent de wereld Hem in alle mensen die zijn gaan geloven, en wel in dit plan van God! (zie 2 Tessalonicenzen 1:10 NBG).

Aan de andere kant zijn er bliksemstralen, stemmen, donderslagen, aardbeving en zware hagel die de symbolen zijn van de verschijnselen die de zeven laatste plagen over de aardsgerichte kerk inluiden.
De duistere krachten in de geestelijke wereld komen in actie, in reactie op de toenemende openbaring van Gods licht in de gemeente.
De schijngemeente schudt op haar grondvesten, want de aanvallen van de demonen op haar zijn hevig en zwaar.

Hoofdstuk 12

12:1

Er verscheen in de hemel een indrukwekkend teken: een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd.

Grondtekst: En (een) groot teken werd gezien in de hemel, (een) vrouw bekleed zijnde met de zon en de maan onder de voeten van haar en op het hoofd van haar (een) krans van sterren twaalf.

Om een goed inzicht te krijgen in de bedoeling van het laatste Bijbelboek is kennis van en inzicht in de geestelijke wereld nodig.
Jezus geeft zijn leerlingen daarom de sleutels van dit rijk van de hemel.
De christen verwacht het niet van de zichtbare wereld.
De strijd die hij heeft te voeren gaat nooit tegen mensen van vlees en bloed, maar tegen de duistere machten en heersers in de geestelijke regionen.
Het is duidelijk dat het boek Openbaring ook gaat over de volledige realisering van ons verlangen om een volwassen zoon van God te worden en de worsteling die daarmee verbonden is.

De climax komt aan het eind van deze tijd.
Paulus zegt al dat de hoop van de verdrukte schepping ligt in het zichtbaar worden van de zonen van God.
Deze zonen staan niet los van elkaar, maar zij vormen samen de gemeente van de laatste tijd.
Het Israël van God, de gemeente van Jezus Christus, is daarom het voornaamste thema waar het in het laatste Bijbelboek om gaat.
Het zichtbaar worden van Jezus Christus in dit geestelijke volk is de overwinning van het woord van God in deze wereld.

De mens heeft zich in vorige eeuwen bezig gehouden met het ontdekken van nieuwe werelddelen.
In onze tijd neemt de kennis van de mens toe over veel van wat bij de natuurlijke schepping hoort.
Zo worden in de laatste tientallen jaren de geheimen van de micro- en macrokosmos steeds verder ontsluierd.
Maar de gemeente van Jezus Christus krijgt in toenemende mate inzicht in de mysteries van het rijk van de hemel, van de geestelijke schepping.
Jezus vertelt over dit onzichtbare rijk alleen in vergelijkingen.
Bijvoorbeeld:
Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker (zie Matteüs 13:44).

Dit betekent dat Jezus deze schat van het hemelse rijk in vergelijkingen verpakt.
De onzichtbare werkelijkheid wordt door Hem uitgedrukt in beelden en symboliek.
In het nieuwe testament kunnen we dit zien.
We lezen over:

Demonen worden vergeleken met:

Het is de boeiende en prachtige taak van de geestelijke mens om deze beelden, waarmee het rijk van de hemel omschreven wordt, te begrijpen en over te zetten in de onzichtbare wereld.

Er zijn uitleggers die menen dat het boek Openbaring in een chronologische volgorde geschreven is.
Maar er bestaat geen enkel profetisch boek dat we zo kunnen lezen.
Zo schrijft Daniël bijvoorbeeld in Daniël 2 al over de laatste tijd met de oprichting van het koninkrijk van God op de aarde.
Maar in Daniël 7 lezen we weer over de laatste dingen en in Daniël 12 opnieuw.

Ook bij Jesaja zien we geen chronologische volgorde.
In Jesaja 2 beschrijft deze profeet al de regering van God in de laatste dagen.
Maar ook in Jesaja 24 profeteert hij eerst over een tijd van onderdrukking en oordelen met daarna de luister van het vrederijk.
Jesaja 30 profeteert opnieuw over de periode van herstel, evenals Jesaja 35 en 61 dit doen.

Ook het boek Openbaring is geen historisch verhaal waarin we als in een geschiedenisboek hoofdstuk na hoofdstuk kunnen lezen hoe de laatste tijd voltooid wordt.
Wij hebben hier te doen met een profetisch boek waarin visioenen gegeven worden over wat er nu is en wat hierna zal gebeuren (zie Openbaring 1:19).
En op visioenen kunnen we geen chronologisch systeem bouwen.
In het boek Openbaring zien we facetten van de laatste strijd in de geestelijke wereld, waarbij deze steeds weer van een andere kant worden belicht.
De ene keer krijgen we het totaalbeeld te zien en de andere keer valt de nadruk op een detail.

Openbaring 11 bijvoorbeeld eindigt met de verheerlijkte gemeente, maar in Openbaring 12 zien we opnieuw de gemeente op aarde in haar strijd tegen de draak.
De gemeente wordt nu voorgesteld door het beeld van een vrouw, terwijl haar tegenspeelster uitgebeeld wordt door een hoer.

In de volgende hoofdstukken zien we de grote onderdrukking van een andere kant belicht.
In de periode van de bazuinen wordt ons getoond hoe deze grote verdrukking over de aarde, het aardsgerichte schijnchristendom komt.
Na Openbaring 12 worden we bepaald bij de auteur van het kwaad, die zich in eerste instantie tegen de vrouw, dat is de gemeente, richt.
Ook worden we geconfronteerd met de macht en de kracht die in de gemeente tot ontplooiing komen:
Zij hebben hem dankzij het bloed van het Lam en dankzij hun getuigenis overwonnen (zie Openbaring 12:11).

De nederlaag van de draak verloopt in drie etappes:

Eerst wordt de duivel uit de hemel, de geestelijke wereld, geworpen.
Hij kan dan de zonen van God, die leven en functioneren in de onzichtbare wereld, niet meer aanklagen of op een andere manier beïnvloeden.
Want ze hebben hem overwonnen doordat ze een zuiver geweten hebben gekregen, waarna ze de volmaaktheid hebben bereikt.

De duivel wordt daarna in de diepste geestelijke duisternis, de afgrond, opgesloten.
Hij kan dan op aarde niemand meer misleiden, verleiden of onder druk zetten.
De lijdende schepping wordt dan hersteld door en onder leiding van de zonen van God.

In de laatste fase wordt de duivel volledig uitgeschakeld en in de vuurpoel gegooid.
Dat is de uiteindelijke bestemming van allen die anderen ten val hebben gebracht en de wetten hebben verkracht (zie Matteüs 13:41).

De overwinning van de zonen van God kent ook drie fasen:

De eerste is die van het opnieuw geboren worden, de vernieuwing van denken.
De nieuwe mens die hieruit ontstaat, groeit op tot het niveau waarop hij:
zuiver en smetteloos is, een onberispelijke zoon van God te midden van een verdorven en ontaarde generatie, waartussen hij schittert als sterren aan de hemel (zie Filippenzen 2:15).

De tweede fase begint bij de ‘verwerkelijking’ van het geestelijke lichaam, de verandering in een ondeelbaar ogenblik of in een oogwenk.
De mens heeft dan naar ziel, geest en lichaam de volmaaktheid bereikt en hij kan nu met Christus regeren en zo de lijdende schepping bevrijden en herstellen.
Dit begint bij het klinken van de zevende bazuin, waarop het ‘duizendjarige rijk’ ingaat.
In dit tijdperk worden ook de resterende vijanden voor Hem tot een bank voor zijn voeten gemaakt (zie Hebreeën 10:13).
Ook 1 Korintiërs 15:25 zegt:
Want Hij moet koning zijn totdat God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd.

Het derde tijdperk begint als Christus na het eindoordeel en de volledige uitvoering van het herstel op de nieuwe aarde het koningschap aan God de Vader overdraagt (zie 1 Korintiërs 15:24).

In de vorige hoofdstukken lezen we dat Johannes de geschiedenis van de gemeente en de schijngemeente ziet.
Deze begint bij het uittrekken van de ruiter op het witte paard tot aan de tijd van de opname, als de geestelijke tempel van God opengaat en de ark van het verbond zichtbaar wordt.
In dit hoofdstuk begint een nieuwe reeks visioenen, waarmee vooral de oorlog in de geestelijke wereld in de laatste tijd belicht wordt.

Dit deel gaat over de ontwikkeling van de gemeente en de schijngemeente nadat het zevende zegel verbroken is.
Het laat ons zien hoe tijdens het blazen op de eerste zes bazuinen in de geestelijke wereld de situatie van de schijngemeente is.
Maar ook hoe de gemeente van Jezus Christus in deze tijd de geestelijke volwassenheid bereikt (het geheim van de zeven donderslagen).
Hoewel de hoofdstukken 12 tot en met 19 de zaken anders belichten, lopen ze parallel aan de hoofdstukken 8 tot en met 11.

Johannes ziet een groot teken in de geestelijke wereld.
In het koninkrijk van de hemel is de vrouw het symbool of de afbeelding van de gemeente van Jezus Christus.
Het teken van de Mensenzoon is niet het kruis, zoals sommigen menen, maar zijn Lichaam dat door het natuurlijke oog niet gezien kan worden (zie ook Matteüs 24:30 en de toelichting bij Openbaring 4:3).
Deze vrouw (inclusief haar hoofd Jezus Christus) is door God geroepen om met Hem op zijn troon te zitten, om met Hem te heersen over alles wat Hij geschapen heeft.
Zij stelt de gemeente uit Openbaring 7:3 voor die gedoopt is in en vol is geworden van de geest van God.

In de laatste tijd is ze zwanger: ze is bezig met het ontwikkelen en openbaren van de vrucht van Gods geest.
In Matteüs 24:32 zegt Jezus:
Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is.
Dit beeld wijst ook op de verwachting van nieuw leven.
Om nog een andere vergelijking te gebruiken: de tempel van God is bijna af, alleen de geweldige zuilengalerij moet nog geplaatst worden (zie Openbaring 3:12).

Sommigen zien in deze vrouw Maria en in de mannelijke zoon, die gebaard wordt, Jezus.
Maar als Johannes de Openbaring schrijft is het waarschijnlijk negentig jaar na de geboorte van Jezus.
En in Openbaring 1:1 gaat het over de dingen die ‘binnenkort gebeuren moeten’, dus klopt bovenstaande stelling niet.
De vrouw is het beeld van de gemeente van Jezus Christus omdat zij één met Hem mag zijn (zie 1 Korintiërs 1:9).
In de grondtekst staat hier dat ze geroepen is tot gemeenschap met Jezus Christus.

In Efeziërs 5:31-32 zegt Paulus:
Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw en die twee zullen één lichaam zijn.
Dit mysterie is groot – en ik betrek het op Christus en de gemeente.

In 1 Korintiërs 6:16-17 schrijft hij:
… zij zullen één lichaam zijn, maar wie zich met de Heer verenigt wordt met Hem één geest.
Daarom klopt het ook niet om van een bruidsgemeente te spreken, waarvan Jezus de bruidegom is.
De gemeente is de vrouw van Christus, want zij heeft geestelijk al gemeenschap met Hem.
En samen met haar hoofd Jezus Christus vormt de gemeente de bruid van God, de Vader.
Er staat:
Want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn (van God, de Almachtige, zie vers 6) bruid staat klaar (zie Openbaring 19:7) en
Ik wil je de bruid laten zien, de vrouw van het Lam (zie Openbaring 21:9).

Tegenover de vrouw van het Lam staat haar tegenstandster de grote hoer of Babylon of de schijngemeente.
In de laatste tijd ziet de echte gemeente er schitterend uit, vol van de luister van God.
In de onzichtbare wereld is ze bekleed met de zon; over haar schijnt Gods luister en het Lam is haar licht (zie Openbaring 21:23).
De maan is het beeld van het woord van God, waarvan Jezus Christus als eerste ons de volle uitwerking laat zien.
Zij is de weerkaatsing van de zon, dat is van de luister van God, omdat Jezus zijn evenbeeld is, de mens die op God lijkt.
Hebreeën 1:3a:
In Hem schittert Gods luister, Hij is zijn evenbeeld, Hij schraagt de schepping met zijn machtig woord.

Met de maan onder haar voeten.
De gemeente heeft als basis het woord van God en zij zet zich in voor het evangelie van de vrede als sandalen aan haar voeten (zie Efeziërs 6:15).
Met deze sandalen kan ze de weg van het herstel gaan die uitloopt op haar volmaaktheid naar geest, ziel en lichaam.

Als bekroning zijn er twaalf sterren op haar hoofd.
Haar gedachtenleven is ge- en vervuld met het evangelie zoals dat door Jezus en later door de apostelen gebracht is.
Een nieuwe leer met groot gezag (zie Marcus 1:27).
Op hen is van toepassing:
De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd (Daniël 12:3).

Dít is de einduitkomst van het evangelie van Jezus Christus.
Daarom ook staan hun namen op de fundamenten van het nieuwe, geestelijke Jeruzalem.
De maan en de sterren, dus Christus en de apostelen die het fundament gelegd hebben, zijn onlosmakelijk met de vrouw verbonden.
Zij vormen één geheel met haar.

12:2

Ze was zwanger en schreeuwde het uit in haar weeën en haar barensnood.

Grondtekst: En in (de) buik hebbende, zij roept barensweeën hebbende en gepijnigd wordende (om te) baren.

In de gemeente van de laatste tijd komt nog een bijzondere werking van Gods heilige geest.
Deze kracht is nu al bezig in de gemeente, maar nog niet altijd duidelijk waarneembaar.
De luister van God is bezig zichtbaar te worden, want de vrouw is zwanger.
Daarom geldt voor deze laatste tijd dat God zijn geest zal uitstorten op alle mensen.
Uiteraard op alle mensen die in Hem en in zijn woord geloven en daarnaar (willen) leven.
Deze uitstorting van het water dat leven geeft of de najaarsregen zal het graan volledig rijp laten worden.
Het gaat hier om een machtig werk van God.
In zijn toespraak op de Pinksterdag zegt Petrus: … dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël.
Dit is het!
Zoals al meerdere keren eerder aangegeven: naar dit geboren worden of tevoorschijn komen van de zonen van God ziet de lijdende schepping met groot verlangen uit (zie Romeinen 8:19).

De hemellichamen waarop nergens leven is, staan niet onder de vloek of de invloed van de duivel, maar:
Vervloekt is de akker (of: aardbodem) om wat jij hebt gedaan (zie Genesis 3:17).
Niet de levenloze schepping, maar alleen wat leeft zucht onder de pressie van het rijk van de duisternis.
Maar deze vloek zal worden opgeheven en er zullen tijden van verkwikking en verademing komen.
God is inderdaad rechtvaardig: Hij zal uw onderdrukkers straffen met onderdrukking
en u, die nu onderdrukt wordt, samen met ons van alle last bevrijden wanneer Jezus, de Heer, vanuit de hemel verschijnt
(2 Tessalonicenzen 1:6-7 ged.).
Jezus Christus verschijnt in hen die zijn evangelie geloven, dus in zijn gemeente.
2 Tessalonicenzen 1:10a NBG:
… wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn.

De vrouw lijdt vreselijk bij het baren van de zoon.
Want onder zware pressie en hevige tegenstand streeft ze naar het doel van God.
Dit doet zij door de liefde van God na te jagen en de gaven van zijn geest in haar midden te ontwikkelen (zie 1 Korintiërs 14:1).
Ze hunkert naar herstel en zuiverheid en naar nog meer openbaring van God, waardoor ze zijn volle luister in zich kan laten toenemen.

Daarbij grijpt ze de hand van Jezus, zoals een vrouw die van haar man, als de weeën beginnen.
Ze roept het uit:
Doe mij recht in het geschil met mijn tegenstander (zie Lucas 18:3).
Petrus schrijft in 1 Petrus 4:12 en 17:
Geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks.
Besef goed dat de tijd van het oordeel is aangebroken.
Dat oordeel begint bij Gods eigen mensen.
Als het bij ons begint, hoe zal het dan aflopen met hen die weigeren het evangelie van God te aanvaarden?

Oordeel is de scheiding tussen goed en kwaad.

De demonen proberen de vrouw angst aan te jagen en ze brengen haar in grote nood.
Maar zij zet door in haar gevecht tegen de duisternis.
Zij staat vast op de beloften die in het woord van God gegeven zijn.
Bij het voortbrengen van de Messias door het oude verbondsvolk komt de profetie uit:
Nog voor Sion weeën heeft, moet ze bevallen;
voor de barensnood over haar komt,
brengt ze een zoon ter wereld.

Voor het geestelijke Israël in de begintijd van de gemeente geldt:
Maar Sion baart haar kinderen
terwijl de weeën net begonnen zijn
(zie Jesaja 66:7-8).

Maar van het volk van God in de laatste tijd staat geschreven dat zij het uitschreeuwt in haar weeën en haar barensnood.
De vrouw baart dan ook een zoon, een man.

12:3-4

Er verscheen een tweede teken in de hemel: een grote, vuurrode draak, met zeven koppen en tien horens, en op elke kop een kroon.
Met zijn staart sleepte hij een derde van de sterren aan de hemel mee en smeet ze op de aarde.
De draak ging voor de vrouw staan die op het punt stond haar kind te baren, om het te verslinden zodra ze bevallen was.

Grondtekst: En er werd gezien (een) ander teken in de hemel en zie, een draak grote rode, hebbende koppen zeven en horens tien; en op de koppen van hem diademen zeven.
En de staart van hem sleept mee het derde (deel) van de sterren van de hemel en hij wierp hen op de aarde.
En de draak stond voor het aangezicht van de vrouw de op het punt staande (om te) baren, opdat wanneer zij maar gebaard heeft, het kind van haar hij opeet.

De tegenstander van de vrouw in de geestelijke wereld is de draak.
De vijand van de gemeente is niet de zogenaamde oude mens of de eigen zondige natuur, dus niet iets dat uit haar zelf komt.
Maar zoals Jezus het uitlegt door de vergelijking van het onkruid tussen de tarwe:
… de tegenstander is de duivel, of zoals Openbaring 20:2 zegt: de draak, de slang van weleer die ook duivel of satan wordt genoemd.
In Matteüs 13:39 staat:
… het onkruid zijn de kinderen van de boze; de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel …
Daarom bidt de vrouw niet dat ze ‘van zichzelf bevrijd mag worden’ maar ‘bevrijd mij van satan’.
Als deze de gemeente van de laatste tijd niet meer kan verleiden om te zondigen of haar het geloof kan ontfutselen, dan zal hij haar op alle mogelijke andere manieren proberen onder druk te zetten.

Jezus zegt in dit verband in Openbaring 2:10 tegen de gemeente van Smyrna:
Wees niet bang voor wat u nog te wachten staat.
Sommigen van u zullen door de duivel in de gevangenis worden gegooid en zo op de proef worden gesteld.

Op de proef gesteld worden gaat dus niet van God uit, maar altijd van de tegenstander.
In de geestelijke gevangenis van leugen en bedrog ervaren we veel beperkingen en het afgesneden zijn van het echte leven in de vrijheid, dat hoort bij het koninkrijk van God.

De vuurrode kleur van de draak wijst op die van vuur, beeld van het verterende werk van de demonen.
Hij heeft zeven gekroonde koppen en tien horens als een prehistorisch reptiel.
Van dit vreselijke monster wordt in Psalm 104:26 gezegd:
Daar bewegen de schepen zich voort,
daar gaat Leviatan, door U gemaakt om ermee te spelen.

Het woord ‘spelen’ houdt niet in dat God zich met dit beest ‘vermaakt’, maar wel geeft het aan dat God er als het ware ‘spelenderwijs’ mee kan omgaan.
Het kost God dus, maar ook de gemeente die vol is van Gods geest, geen enkele moeite hem in toom te houden.
Al in Psalm 74:14 en Jesaja 27:1 wordt geprofeteerd dat God dit veelkoppige monster zal elimineren:
… u hebt de schedels van Leviatan verbrijzeld, hem als voedsel gegeven aan de dieren in de woestijn … en
Op die dag zal de Heer ingrijpen: Hij trekt zijn groot en machtig zwaard tegen Leviatan, de snelle, kronkelende slang en Hij zal Leviatan doden, het monster in de zee.
In het boek Job wordt dit intimiderende monster de koning van alle trotse dieren genoemd (zie Job 41:26).

In zijn verschijningsvorm tegenover de gemeente vertoont hij zich als de geestelijke kracht uit de afgrond of het rijk van de dood.
Hij wordt dan gezien als het beest uit de zee of uit de onderaardse diepte (of: afgrond) (zie Openbaring 11:7, 13:1 en 17:8).
Dit beest uit de afgrond is de tegenhanger van Gods heilige geest.
In de laatste tijd openbaart de staart van de draak zich als de antichrist of als de schijnprofeet.
… de profeet die leugen onderwijst, die is de staart (zie Jesaja 9:14 NBG).
De antichrist is het tegenbeeld van de Zoon en de zonen van God.
Zoals de Vader werkt door zijn heilige geest in de Zoon en in de gemeente (de zonen), zo werkt de draak door het beest uit de zee in de antichrist en in zijn gemeente.

Het venijn of het gif van misleiding zit in de staart.
Hierdoor zal de staart van de draak, de antichrist, in de laatste tijd een derde van de sterren uit de hemel kunnen meeslepen en ze op aarde gooien.
Dit betekent dat zeer veel gelovigen het geestelijk gerichte evangelie over het koninkrijk van God loslaten of afwijzen, door zich bezig te houden met een zichtbare, aardsgerichte religie.
De gemeente die wél haar plaats vasthoudt in het koninkrijk van God, staat in de laatste tijd op het punt de zonen van God tevoorschijn te laten komen.

Altijd heeft de draak de vrouw bedreigd, geïntimideerd en tegengewerkt.
Deze baart nu onder grote krachtsinspanning de zonen van God, die hun positie in de geestelijke wereld als overwinnaars gaan innemen.
Maar de antichrist zal nog veel gelovigen kunnen verleiden en pressen en achter zich aantrekken.
Zij zullen daardoor hun plaats en taak in de onzichtbare wereld opgeven.
Zo worden ze door de antichrist teruggeworpen naar een bestaan ‘op de aarde’, onder het regime van de heerser over deze wereld.
Jezus profeteert en waarschuwt in Matteüs 24:21 al over deze tijd:
Want het zal een tijd zijn van enorme verschrikkingen (grondtekst: verdrukking), zoals er sinds het ontstaan van de wereld tot nu nooit geweest zijn en er ook niet meer zullen komen.
De schijnchristussen en schijnprofeten zullen zich aandienen en indrukwekkende tekenen en wonderen verrichten om ook Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden
(zie Matteüs 24:21-24).

De sterren aan de hemel zijn hier niet de demonen, evenmin als die in vers 1.
Want in vers 9 lezen we dat het demonische leger door de zonen van God op de aarde wordt gegooid.
Satan verleidt een derde deel van de geestelijk vergevorderde christenen om een tegengemeente te vormen van wetteloze mensen.
2 Tessalonicenzen 2:7:
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst degene die hem tegenhoudt verdwijnen.
Ook de antichrist, de aanvoerder van dit leger, hoort bij hen die afkomstig zijn uit de gemeente van Jezus Christus.
Ook hij is een van hen die op de aarde geworpen is.
Hij laat, net als satan, zijn oorspronkelijke positie en de hem toegewezen plaats los (zie ook Judas:6).

Is het wonder dat de vrouw het uitschreeuwt van pijn en moeite om de zonen te baren?
Ze roept vanuit het diepst van haar hart tot God om bevrijding van de druk, de verwarring en de intimidatie.
Het is voor haar door deze tegenwerkingen niet gemakkelijk om de rijpe vrucht voort te brengen.
Het is voor de gemeente bijzonder moeilijk om het volk van God geestelijk volwassen te laten worden.
Die druk en die tegenstand zijn voor haar de oorzaak van een moeilijke periode en een zware strijd in die dagen.
Maar ondanks dat of juist daardoor zullen zij die standhouden en doorzetten, doorgroeien naar de volwassenheid.

12:5

Maar toen ze het kind gebaard had – een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden –, werd het dadelijk weggevoerd naar God en zijn troon.

Grondtekst: En zij baarde (een) zoon mannelijke die zal hoeden al de volken met (een) staf ijzeren.
En werd weggerukt het kind van haar naar God en de troon van Hem.

De vrouw baart een mannelijke zoon.
Uiteraard is een zoon mannelijk, maar dit woord wordt gebruikt om duidelijk aan te geven dat het een sterke zoon is, die al een bepaalde statuur of grootte heeft bereikt.
De gemeente van de laatste tijd zal door haar geloof en door haar kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus (zie Efeziërs 4:13).

Zoon is hier een verzamelnaam, net als het woord vrouw in dit visioen.
Het zijn de zonen van God, die bestemd zijn om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeborene is van talloze broers en zussen (zie Romeinen 8:29).
Zij zullen het geestelijke niveau van Jezus Christus bereiken.
In de laatste tijd zullen de zonen van God dit evenbeeld op zijn duidelijkst laten zien.
Speciaal van hen kan gezegd worden:
Wie Hij hiertoe heeft bestemd, heeft Hij ook geroepen; en wie Hij heeft geroepen, heeft Hij ook vrijgesproken; en wie Hij heeft vrijgesproken, heeft Hij nu al laten delen in zijn luister (Romeinen 8:30).

De zoon krijgt een ijzeren herdersstaf om ermee te heersen over de volken.
Ook Jezus maakt tijdens zijn leven op aarde gebruik van eenzelfde ‘staf’.
Hiermee slaat Hij geen mensen (of volken) maar deelt Hij er effectieve slagen mee uit in het rijk van de duisternis.
De demonen worden als aardewerk verbrijzeld (zie Openbaring 2:27).
Deze staf is een symbool van het woord van God, waarvoor ook het scherpe tweesnijdende zwaard als beeld gebruikt wordt.

Wat heidenen van de volken maakt is hun afgoderij, waardoor ze verbonden zijn met de demonen.
In feite zijn er geen afgoden, maar alleen demonen die zich laten dienen en vereren als goden.
Het zijn schijngoden!
Dit dienen van afgoden gebeurt onder veel verschillende namen en in veel verschillende vormen, maar altijd zitten er demonen achter voorwerpen of mensen die worden aanbeden.
Hoe meer aanhang een bepaalde religie heeft, hoe groter de macht en de status van zo’n duistere geest is.
Als toelichting 1 Korintiërs 8:4-6:
Wat nu het eten van offervlees betreft: wij weten dat er in de hele wereld niet één afgod echt bestaat en dat er maar één God is.
Ook al zijn er zogenaamde goden in de hemel of op aarde – en zo zijn er immers heel wat goden en heren –,
wij weten: er is één God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie wij zijn bestemd en één Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven.

De zonen van God gaan over de hele wereld de strijd aan tegen deze geesten en de door hen beheerste en geïnspireerde religies.
Ze hanteren daarbij het woord van God als enige en duidelijke richtlijn en de kracht, de wijsheid en de liefde van zijn heilige geest.
Want het evangelie van het koninkrijk van God zal door hen wereldwijd verspreid en bekendgemaakt worden.
Pas daarna komt het einde of de voltooiing van het herstelplan van God.
Matteüs 24:14:
Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde of de voltooiing komen.

De zonen zijn volwaardige broers van Jezus Christus en daarom erven ook zij met Hem de luister van God.
Ze worden direct weggevoerd naar God en zijn troon.
Ze mogen in zijn directe nabijheid leven en de troonrechten uitoefenen.
Wat in de afgelopen eeuwen ‘kerkgeschiedenis’ nooit is voorgekomen, gaat nu gebeuren.
De zonen van God gaan hun plaats innemen óp de troon van God, als koninklijke strijders en overwinnaars in de geestelijke wereld.
Is het geen wonder dat er dan pas goed oorlog in de hemel komt? (zie vers 7).

12:6

De vrouw (zelf) vluchtte naar de woestijn.
God had daar een plaats voor haar gereedgemaakt, waar twaalfhonderdzestig dagen lang voor haar gezorgd zou worden.

Grondtekst: En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij heeft (een) plaats gereed gemaakt zijnde van de kant van God, op dat daar zij voeden haar dagen duizend tweehonderd zestig.

Jezus profeteert dat er veel onkruid tussen het koren zal groeien.
Zoveel dat het zelfs in bundels bij elkaar gezocht kan worden om te worden verbrand.
Matteüs 13:30:
Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal Ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen:
Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het.
Breng dan het graan bijeen in mijn schuur.

De historie levert het bewijs dat deze profetie volledig op waarheid berust.
De gemeente is eeuwenlang verborgen geweest in de wereldwijde schijngemeente.
Het ‘christendom’ als geheel is nooit de gemeente van Jezus Christus geweest, maar binnen haar ‘machtige’ organisaties wordt wel het echte volk van God aangetroffen.
Het zijn altijd de individuen die het lichaam van Christus vormen.
Men noemt ze ‘ketters’, als ze meer herkenbaar naar buiten treden.
Ze worden dan zonder enige vorm van medelijden tot de dood toe vervolgd door de schijngemeente.
Maar in de laatste tijd zal er een eind komen aan deze onduidelijke situatie.
Dan komt de grote scheiding.

In de oogsttijd zal tegen de maaiers, de engelen, gezegd worden:
Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het.

Dit onkruid wordt, als het volgroeid is, met vuur verbrand.
Dit wil zeggen dat de wereldwijde schijngemeente onder de pressie en de aanvallen van de geesten uit het rijk van de duisternis ten onder gaat.
Zij wordt een volledige prooi van de demonen.
Wanneer jullie dus de ‘verwoestende gruwel’ waarover gesproken is door de profeet Daniël, zien staan op de heilige plaats (lezer, begrijp dit goed), dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten (Matteüs 24:15-16).

Satan neemt met zijn leger de ‘heilige plaats’ in.
De schijngemeente is goed begonnen als de heilige woning of de tempel van God.
Maar na verloop van tijd heeft het dienen van God plaats moeten maken voor het volgen van ‘leringen van mensen en demonen’ en is het woord van God verduisterd.
Wie God oprecht wil dienen, wordt dringend geadviseerd om te vluchten, dus om al het oude en vertrouwde, maar toch foute, los te laten.
Om te vluchten naar de woestijn, een plaats waar men helemaal van God afhankelijk is, want daar groeit geen graan op de harde bodem.

Later hoort Johannes een stem uit de hemel zeggen:
Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen (zie Openbaring 18:4).
Maak je los uit haar schijnvrome manier van denken en leven!
Daarom: vlucht uit Jeruzalem en ga weg uit Babylon!
Dit vluchten betekent: zich geestelijk losmaken van religieuze humbug.
Het is een breuk met alle uiterlijke dingen, vormen, tradities, wetten en voorschriften, religieuze emoties, religieus vermaak, status, wereldse macht en pracht en alle andere dwalingen die de mens misleiden.
Die hem van het doel van God afleiden, namelijk het gelijkvormig worden aan Jezus Christus.
Als het volk van God ziet dat de demonen de gemeente gaan overheersen en dat Gods geest zich helemaal terug moet trekken, gaat het weg uit de verwarring.

De plaats van de gemeente is niet meer in de wereldwijde schijngemeente, maar in de woestijn of in de bergen.
Daar alleen wordt ze helemaal op God teruggeworpen, zoals Israël in de woestijn volledig afhankelijk is geweest van een bovennatuurlijke bescherming en leiding.
Het geestelijke Babylon probeert een moedergemeente te zijn door het leven van de gelovigen van de wieg tot het graf in te bedden in ‘ontelbare’ voorschriften, gebruiken en tradities.
Maar in de wat dit betreft kale woestijn staat de gemeente onder directe bescherming en leiding van de Heer zelf.
Hier leeft zij in volledige afhankelijkheid.

De vrouw van het Lam hoort niet bij de grote en machtige wereldorganisaties, waar de politieke, religieuze en culturele leiders op aarde rekening mee moeten houden.
De plaats die God haar geeft is de woestijn, dat wil zeggen: innerlijk losgemaakt van natuurlijke en uiterlijke hulpbronnen en macht.
Ook hier blijkt de openbaring van de zonen van God.
In geestelijk opzicht koningen, maar naar het natuurlijke zijn het meest onopvallende en eenvoudige mensen die in de wereld niet of nauwelijks meetellen.

Zo drukken zij de voetsporen van Jezus die zich niet heeft laten voorstaan op zijn Goddelijke niveau, maar die zich uitsluitend dienstbaar aan anderen heeft opgesteld.
Ze laten zich leiden door het advies van Paulus in Filippenzen 2:3-7:
Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf.
Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander.
Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had.
Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van.
Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens.

De Zoon van God wordt door zijn Vader tijdens zijn aardse leven onderhouden en beschermd.
Zo hebben ook de zonen van God in deze wereld een speciale bescherming van hun hemelse Vader.

De twaalfhonderdenzestig dagen komen overeen met de drie en een halfjaar van het verblijf van Jezus op aarde.
Hoe groot de haat van de duivel en zijn trawanten ook mag zijn, de Heer ondersteunt, voedt en beschermt zijn zonen en niets zal hen kunnen beschadigen.

In Openbaring 9:4 zien we hoe de Heer zijn volk, dus zij die het zegel van God op hun voorhoofd hebben, apart zet en de machten van de dood niet toestaat hen te beschadigen.
Deze demonen vallen wel aan, maar God heeft zijn zonen geleerd hoe ze tegenstand kunnen bieden én overwinnen.
Ze zijn daarvoor met de geest van God vervuld (= verzegeld aan hun voorhoofd) en de begaafdheden (de gaven) van zijn geest werken volop in hen en in hun gemeente en ook zijn vrucht (de liefde) is in hen helemaal volgroeid.

12:7-8

Toen brak er oorlog uit in de hemel.
Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak.
De draak en zijn engelen boden tegenstand maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer.

Grondtekst: En er ontstond oorlog in de hemel; Michaël en de engelen van hem voerden oorlog tegen de draak en de draak voerde oorlog en de engelen van hem.
En niet waren zij krachtig (genoeg) noch (een) plaats werd gevonden van hen meer in de hemel.

In de onzichtbare wereld barst de strijd los.
Want de zonen van God zijn geopenbaard en zij hebben hun geestelijke posities ingenomen.
Zij zijn de medewerkers en de medestrijders van God.
Ze zijn weggevoerd naar God en zijn troon.
De troon is het beeld van de mogelijkheid om te heersen over de duisternis.
Het zitten op de troon is óók het symbool van het dienen van de gebonden en zieke medemens, door deze te bevrijden en te genezen.
Daarvoor is nodig de ‘leer met gezag’, zoals Jezus die heeft gebracht én gepraktiseerd.
De zonen van God regeren niet om te heersen, maar om zo de voorwaarden te scheppen waaronder ook andere gelovigen kunnen toegroeien naar het niveau van Jezus Christus.
Daarom moeten we de troon van God niet lokaliseren als een plaats ergens in het heelal, waar God zijn zetel heeft.
Want visioenen geven in natuurlijke beelden de geestelijke werkelijkheden weer.

De zoon is een verzamelnaam voor de zonen van God.
leder gemeentelid openbaart voor zijn deel en op zijn manier de liefdevolle heerschappij van God.
En samen als gemeente laten ze zijn volle rijkdom van liefde, wijsheid en kracht zien.
Ze zijn uitgerust met een ijzeren staf waarmee ze de demonen aan zich onderwerpen.
Ze hebben door Gods woord en geest de macht om geestelijke slangen en schorpioenen te vertrappen en het hele leger van de vijand te overwinnen.
Lucas 10:19:
Bedenk wel: Ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en om de kracht van de vijand te breken, zodat niets jullie kan schaden.

De grote opdracht van Jezus is:
… in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen onbekende talen spreken … (zie Marcus 16:17).
De eeuwen door heeft de schijngemeente deze opdracht niet opgevolgd.
Ze heeft oorlogen gevoerd in de zichtbare wereld en heeft zich zo op aarde willen handhaven.
Maar een oorlogsfront tegen de geestelijke overheden, tegen de demonen, tegen de heersers uit het rijk van de duisternis heeft zij nooit gevormd.
De schijngemeente heeft geen inzicht in het rijk van de hemel.
Zelfs wordt door haar het geloof in het bestaan van de onzichtbare wereld, van engelen en duivelen naar het land van de sprookjes (…) verwezen.
Menig moderne theoloog haalt er meewarig glimlachend zijn schouders over op.

Johannes schrijft:
De hemel scheurde los en rolde zich als een boekrol op (zie Openbaring 6:14).
In het gedachten- en geloofsleven van de gelovigen wordt de onzichtbare wereld een gesloten boek.
Het aardsgerichte volk van God heeft geen kennis meer van het rijk van de hemel en de oorlog die daar gevoerd wordt, ontgaat het.
Maar toch komt er oorlog in de hemel, volgens onze tekst.
De echte gelovigen hebben altijd wel schermutselingen en voorhoedegevechten met het rijk van de duisternis geleverd.
In de laatste tijd ontbrandt de oorlog in zijn verschrikkelijke realiteit en totaliteit.
Maar de echte gemeente heeft dan de sleutel van de kennis en van het inzicht teruggevonden.
Tot die tijd heeft zij zich moeten behelpen met de wetten van het oude verbond, zoals die van de Sinaï.
Maar in de laatste tijd functioneert de wet van de geest van God in haar.
Dan gaan in haar de krachten van de komende nieuwe eeuw, het duizendjarige rijk, werken.
Zo wordt Jezus herkenbaar in zijn volk.
Zij worden als Hij.

Tot in onze tijd geeft de schijngemeente een voorstelling van Christus die niet klopt met die we kunnen zien in de evangeliën.
Maar dán wordt de Heer zichtbaar in zijn volk op dezelfde manier als Hij zich eenmaal op aarde heeft geopenbaard.
De ‘Bijbelse tijden’ herleven:
gebonden mensen worden bevrijd,
demonen worden uit mensen verwijderd,
zieke mensen worden genezen
en het volledige evangelie (de leer met gezag) van het rijk van de hemel wordt bekendgemaakt.
Dit evangelie is niet meer tegen te houden!
Als het goede nieuws van Jezus Christus zuiver en compleet gebracht wordt, zal de wereld Hem nóg een keer zien zoals Hij werkelijk is:
als bevrijder,
redder,
genezer,
doper in Gods heilige geest en
als hersteller die zijn volk naar de volmaaktheid leidt.

De aanleiding voor de oorlog is duidelijk.
Het gaat erom wie op de troon van God komt te zitten.
Het is de bedoeling van God zijn macht te delen met zijn aanstaande vrouw: de gemeente van Jezus Christus.
Aan haar kan Hij zichzelf en zijn luister helemaal kwijt:
Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen.
Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn
(Openbaring 21:3).

Maar de Bijbel vertelt ons ook dat satan vurig naar deze troon verlangt.
Als hoogste geschapen geestelijke wezen wordt van hem gezegd:
Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel,
boven Gods sterren plaats ik mijn troon.
Ik zetel op de toppen van de Safon,
de berg waar de goden bijeenkomen.
Ik stijg op tot boven de wolken,
ik evenaar de Allerhoogste
(Jesaja 14:13-14).
De draak merkt nu dat de eerste zonen als overwinnaars op deze troon hun plaats gaan innemen.
Eerst wil hij de geboorte van de zonen van God verhinderen, daarom sleept hij door misleiding er veel achter zich aan en werpt ze op de aarde (zie vers 4).
Hun religie wordt aardsgericht, een zaak van het uiterlijke.

Nu wil hij beletten dat de trouwe gelovigen hun plaats innemen op de troon.
Hiervoor zet hij al zijn troepen in, maar de tijd van het verbrijzelen van de macht van het heilige volk is voorbij (zie Daniël 12:7).
De heilige engelen van God komen onder aanvoering van Michaël (= wie is als God?) de zonen van God te hulp.
In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de kinderen (NBG: zonen) van je volk terzijde staat (Daniël 12:1).

In de strijd van de zonen van God tegen de demonen van verleiding, misleiding, zonde, ziekte en gebondenheid en geweld of intimidatie helpen de heilige engelen.
Want zij zijn helpende geesten die door God uitgezonden worden om hen te ondersteunen die deel zullen krijgen aan het herstel en de luister van God (zie Hebreeën 1:14).

De taak van de zonen van God is om in de autoriteit van hun Heer, of namens Hem en in zijn kracht, demonen uit mensen te werpen en zieke mensen te genezen.
Dit kunnen engelen niet omdat zij niet in de mens mogen komen, ze mogen zich niet met zijn geest verbinden.
Als demonen wél in de mens komen, dan doen zij dit onrechtmatig, want alleen God heeft recht om bij de mens zijn intrek te nemen.
De heilige engelen kunnen de mens wel beschermen en voor hem in de bressen gaan staan.
Daarom is het goed om na een handoplegging te vragen of de hemelse Vader zijn engelen opdracht wil geven de bevrijde en genezen mens te verdedigen en te beschermen.

Satan zal zeker terug (willen) komen om ‘zijn’ huis opnieuw te bezetten.
Lucas 11:24-26 zegt in dit verband:
Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden op zoek naar een rustplaats.
Maar als hij die niet vindt, zegt hij:
Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.
En wanneer hij terugkeert, merkt hij dat het schoongemaakt is en op orde gebracht.
Dan gaat hij weg en haalt er zeven andere demonen bij, slechter dan hijzelf en ze nemen daar blijvend hun intrek.
En zo is de mens bij wie de demon intrekt er ten slotte veel slechter aan toe dan voorheen.

Bescherming is dus geen overbodige luxe!

Want als wij bij een mens de demonen uitwerpen, is deze bevrijde mens soms nog niet altijd direct genezen.
Een verslaafde is na zijn bevrijding nog niet altijd ogenblikkelijk een sociaal voelend mens geworden.
Alles wat satan gebruikt, wordt door hem geschonden.
De dief komt alleen om te roven, te slachten en te vernietigen (zie Johannes 10:10).
Het geestelijke huis dat zo beschadigd is, geeft de duivel vaak nog de mogelijkheid om opnieuw te infiltreren.
Dus voor de tijd dat genezing en herstel nog niet volledig te zien zijn, bidden wij om de bescherming door de engelen van God tegen de aanrukkende legermacht van de vijand.
Psalm 91:11-12:
Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen,
die over je waken waar je ook gaat.
Hun handen zullen je dragen,
je voet zul je niet stoten aan een steen.

In opdracht van God verenigen de zonen van God zich in de laatste tijd met de engelen voor de grote en laatste oorlog in de geestelijke wereld.
De tijd waarin en het ogenblik waarop het herstel van het Israël van God plaatsvindt, bepaalt Hij op die manier zelf (zie Handelingen 1:7).
In zijn toespraak over de laatste ontwikkelingen in het plan van God profeteert Jezus:
Dan zal Hij zijn engelen uitzenden en onder luid bazuingeschal zullen zij zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeenbrengen, van het ene uiteinde van de hemelkoepel tot het andere (Matteüs 24:31).

Het bazuingeschal is het teken dat wij (nu al) worden opgeroepen om weerstand te bieden aan de duivel en hem zo op de vlucht te jagen (zie Jakobus 4:7).
Dat stemt overeen met het advies uit Joël 2:1:
Blaas de ramshoorn op de Sion,
blaas alarm op mijn heilige berg;
laat alle inwoners van het land beven van ontzetting:
de dag van de Heer komt!
Hij is nabij!

Dit betekent het beieren van de klokken in de geestelijke wereld.
Gods gecombineerde legers trekken eensgezind op tegen de vijand.
Ze forceren een doorbraak, de tegenstander moet wijken en het doel van het herstelplan van God wordt bereikt:
de volmaakte mens zoals God die op het oog heeft, die volledig in staat is om te doen wat God van hem vraagt (zie 2 Timoteüs 3:17).
Zo maakt God zijn volk tot een eenheid doordat het deze geestelijke oorlog voert in de tijd waarin op de bazuinen geblazen wordt.
In Romeinen 8 en 9 kunnen we hier meer over lezen.

De draak en zijn engelen kunnen niet langer standhouden.
Het gebed:
Bevrijd ons uit de greep van het kwaad
(of van satan) is verhoord (zie Matteüs 6:13).
De zonen van God zijn in alle opzichten vrij!
Ieder gedwongen contact met de vijand is verbroken.
In de geestelijke wereld heeft satan de strijd verloren: voor hem en zijn duistere handlangers is in de hemel geen plaats meer.
Dan volgt hun aftocht naar de aarde, de aardsgerichte schijngemeente.
Deze houdt geen rekening met de geestelijke wereld en heeft daarin dus geen inzicht.
Zo wordt zij een gemakkelijke prooi van de demonen omdat haar wijsheid niet van boven komt, maar aards en ongeestelijk, zelfs duivels is (zie Jakobus 3:15).
Voor deze onzichtbare, geestelijke wezens vormen deze mensen hun laatste verschansing.

12:9

De grote draak werd op de aarde gegooid.
Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt.
Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid.

Grondtekst: En werd geworpen de draak de grote, de slang oude de genoemd wordende duivel en de satan, de misleidende de bewoonde wereld hele, hij werd geworpen op de aarde en de engelen van hem met hem werden geworpen.

De vrouw, de gemeente in haar zichtbare vorm op aarde, bestaat in die tijd uit leden die ieder hun positie in de geestelijke wereld ingenomen hebben.
De grote opdracht van Jezus Christus om de demonen te verdrijven, wordt door hen uitgevoerd.
Tegenover deze bevrijde zonen van God staat nu een schijngemeente waarin de demonen zich steeds sneller en krachtiger manifesteren.
In geval van verleiding staan de duistere machten nog aan de buitenkant.
Dan ligt de zonde(macht) nog, net als bij Kaïn, als een belager of roofdier aan de deur van ons hart.
Dan is het nog mogelijk om over hem te heersen of sterker te zijn dan hij (zie Genesis 4:7).
Maar nu breekt de tijd aan dat de mens zonder God volledig in beslag genomen wordt door de zonde(machten).
Hij wordt bezet gebied.

Door spiritisme, occultisme, heidense godsdiensten en de werking van geestverruimende middelen en methoden kunnen mensen met hun innerlijke mens sterk gebonden worden aan demonen.
Zoals de echte gelovigen in de laatste tijd gedoopt zullen worden in Gods heilige geest, zo bestaat er ook een doop van satan.
Zoals wie zich met de Heer verbindt één geest met Hem wordt (zie 1 Korintiërs 6:17), zo worden deze mensen één (van) geest met satan.
Paulus schrijft in 2 Tessalonicenzen 2:3 in dit verband over het verschijnen van de wetteloze mens.
In hem openbaart zich de zoon van het verderf, de tegenstander, de geest van de antichrist, van wie gezegd wordt:
Hij zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf
(2 Tessalonicenzen 2:4).

De tempel van God is de mens.
God wil in hem wonen door zijn heilige geest.
Andere geesten mogen deze woning, die God voor zichzelf bestemd heeft, niet betrekken.
Daarom is het een onrechtmatige en wetteloze daad van de demonen als zij hun eigen woning, de geestelijke wereld, verlaten en in de mens trekken.
Als satan met zijn engelen op de aarde geworpen wordt, demoniseert hij de schijngemeente.
Alleen zij die de naam van de Heer aanroepen, dat wil zeggen: in de autoriteit van of namens Jezus bevrijd en hersteld worden, zullen dan nog gered kunnen worden.
Alleen zij kunnen ook het doel bereiken: de volledige luister van God in hun leven.

Een gigantische overstroming van vuur (demonen) komt over de aardsgerichte gelovigen.
Deze mensen komen onder een geweldig zware geestelijke pressie te staan.
Alleen zij die in Gods geest gedoopt zijn en die geen enkele band hebben met de duisternis, kunnen deze druk weerstaan.
Het gaat in die tijd als bij het vertrek van het volk Israël uit Egypte:
aan de ene kant een manifestatie van de levende God door middel van zijn toegewijde medewerkers
en
aan de andere kant een demonstratie van bovennatuurlijke krachten van het rijk van de duisternis.

Jezus profeteert dat de hemelse machten zullen wankelen (zie Lucas 21:26).
Satan en zijn engelen worden uit de hemel verdreven, dat wil zeggen: vanuit de onzichtbare wereld zullen zij de mens rechtstreeks aangrijpen en overweldigen.
Ook de mens zelf roept deze machten naar zich toe, namelijk door de zonde van spiritisme en occultisme.
Deze zullen in die dagen een afschuwelijke omvang en intensiteit bereiken.
Als de zonen van God de blijverraste uitroep van de leerlingen van Jezus kunnen overnemen:
Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons bij het horen van uw naam
zal ook het antwoord van Jezus uitgekomen zijn:
Ik heb satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen! (zie Lucas 10:18).

In de onzichtbare wereld is geen plaats meer voor de demonen, want Michaël en zijn engelen verdrijven hen daaruit en de zonen van God weerstaan hen daar.
Ze moeten dus een onderkomen zoeken in de ‘zichtbare’ wereld, het liefst in de mens, om als Gods tegenstanders nog iets te kunnen bereiken.
Satan zet dan zijn grote offensief in om de menselijke geest zó nauw aan zich te binden dat scheiding met de demonen niet meer mogelijk is.
Dit mondt uiteindelijk uit in de definitieve scheiding met God en Jezus:
Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen (Matteüs 25:41).

Deze nauwe band tussen de mens en de demonen blijkt uit het feit dat de schijnprofeet gelijk met het beest uit de zee in de vuurpoel gegooid wordt.
In Openbaring 19:20 lezen we:
Het beest werd gevangengenomen, samen met de valse profeet die in zijn bijzijn tekenen had verricht, waardoor hij iedereen had misleid die het merkteken van het beest droeg en zijn beeld aanbad.
Levend werden ze in de vuurpoel met brandende zwavel gegooid.

Als de demonen niet van de mens gescheiden worden, zal deze laatste samen met hen ten onder gaan.

12:10

Toen hoorde ik een luide stem in de hemel zeggen:
‘Nu zijn de redding, de macht en het koningschap van onze God werkelijkheid geworden, en de heerschappij van zijn messias.
Want de aanklager van onze broeders en zusters, die hen dag en nacht bij onze God aanklaagde, is ten val gebracht.

Grondtekst: En ik hoorde (een) stem grote zeggende in de hemel: nu is geworden de behoudenis en de kracht en het koninkrijk van de God van ons en de volmacht van de gezalfde van Hem, omdat werd neergeworpen de aanklager van de broeders van ons, de aanklagende hen voor het aangezicht van de God van ons dag en nacht.

Het doel van God is bereikt.
Een duidelijk hoorbare stem in de onzichtbare wereld verkondigt de overwinning van Jezus Christus in zijn volk.
Uitgekomen is dan wat Paulus in 2 Tessalonicenzen 1:8-10 schrijft:
Dan komt Hij in een vlammend vuur en omringd door engelen, door wie Hij zijn macht manifesteert; dan straft Hij hen die God niet erkennen en het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen.
Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit.
Op die dag komt Hij om te worden geprezen door al de zijnen, om te worden geëerd door allen die tot geloof gekomen zijn –
(de NBG-vertaling zegt het laatste nauwkeuriger:
… wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn …).

Het herstel, de kracht en het koningschap worden zichtbaar in de zonen van God.
In hen kunnen wij de overwinning van het woord van God zien gebeuren.
Jesaja zegt in 55:10-11:
Zoals regen of sneeuw neerdaalt uit de hemel
en daarheen niet terugkeert
zonder eerst de aarde te doordrenken,
haar te bevruchten en te laten gedijen,
zodat er zaad is om te zaaien en brood om te eten –
zo geldt dit ook voor het woord
dat voortkomt uit mijn mond:
het keert niet vruchteloos naar Mij terug,
niet zonder eerst te doen wat Ik wil
en te volbrengen wat Ik gebied.

Jesaja beschrijft dit proces van scheiding tussen goed en kwaad.
De zonen van God wreken zich op al hun duistere geestelijke vijanden.
Zij drijven ze uit en ze zetten hun voeten op deze schorpioenen en slangen: het hele leger van de vijand is aan hen onderworpen.
Jesaja 61:3-4:
… om een genadejaar van de Heer uit te roepen
en een dag van wraak voor onze God,
om allen die treuren te troosten,
om aan Sions treurenden te schenken
een kroon op hun hoofd in plaats van stof,
vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad,
feestkledij in plaats van verslagenheid.
Men noemt hen Terebinten van gerechtigheid,
geplant door de Heer als teken van zijn luister.

Jesaja 61:4:
Wat eertijds vernield werd, zullen zij herbouwen,
de lang verlaten streken weer bevolken;
ze herstellen de vervallen steden,
verlaten sinds mensenheugenis.

De zieken, de gebondenen, de misleiden, de (verstandelijk) gehandicapten en de psychisch gestoorden zijn de mensen die vernield en (o)vervallen zijn.
Deze geestelijke ‘puinhopen’ in de stad van God worden hersteld.
Voor het Israël van God is de tijd aangebroken van bevrijding en ontspanning.
Jezus wordt dan zichtbaar in een zeer groot aantal gelovigen.
Zij zijn allemaal, net als Hij, gezalfd met Gods heilige geest en (dus) met kracht.
De gemeente met haar hoofd Jezus Christus wordt hier zijn messias, dat is de gezalfde van God genoemd.

De aanklager is ten val gebracht.
Hij beschuldigt de zonen van God er onophoudelijk van dat zij in hun wezen slecht zijn en dus zondaar blijven tot hun dood aan toe.
Hij probeert hen dag en nacht schuldgevoelens aan te praten, hoewel daar geen enkele grond voor is.
Maar nu belijden zij: wij zijn rechtvaardig, wij zijn zuiver omdat we het woord van God in ons laten doorwerken.
Nu kan hij hen nergens meer (vals) van beschuldigen.
De zonen van God kunnen elkaar oproepen:
… laten we God dan naderen met een oprecht hart en een vast geloof, nu ons hart gereinigd is, wij van een slecht geweten bevrijd zijn en ons (geestelijke) lichaam met zuiver water is gewassen
(Hebreeën 10:22).

Door hun geloof belijden ze dat ze niet meer hun hele leven verbonden zijn met de demonen.
Ze belijden niet meer hun onmacht, maar wél hun constante contact met Jezus Christus als dé kracht van God om de volmaaktheid te bereiken.
Want in de zonen van God is de macht van Jezus Christus in al zijn facetten werkzaam.
Naar geest, ziel en lichaam worden ze in elk opzicht hersteld.
Zij werken door de liefde, de kracht en de wijsheid van Gods geest en zo zijn ze in zijn ogen koningen en priesters.

12:11

Zij hebben hem dankzij het bloed van het Lam en dankzij hun getuigenis overwonnen.
Zij waren niet aan het leven gehecht en hebben hun dood aanvaard.

Grondtekst: En zij hebben overwonnen hem door het bloed van het Lam en door het woord van het getuigenis van hen en zij hebben niet liefgehad de ziel van hen tot (de) dood.

Het doel van de gelovigen die nog leven, is bereikt.
Satan is in de geestelijke wereld verslagen.
Op de plaats van de strijd is de overwinning behaald.
Want de gemeente heeft geen strijd op aarde tegen mensen van vlees en bloed, maar in de geestelijke wereld, ondersteund door de heilige engelen.
Efeziërs 6:12:
Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen.

De zonen van God hebben op de juiste manier gestreden en daardoor de overwinning behaald.
Ze hebben daarmee het evenbeeld van de Zoon van God of zijn geestelijke niveau bereikt.
Romeinen 8:9:
Wie Hij al van tevoren heeft uitgekozen, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeborene moest zijn van talloze broeders en zusters.
Zij zijn geworden zoals Jezus tijdens zijn verblijf op aarde.
In de onzichtbare wereld, dat wil zeggen naar hun innerlijke mens, hebben zij de volmaaktheid bereikt.
Paulus schrijft in Filippenzen 3:12:
Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt.
Maar ik houd vol in de hoop (eens) dat te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft.

Het laatste Bijbelboek tekent ons deze overwinning door het koninkrijk van God.
Hoe hebben de zonen van God deze triomf behaald?
Het begint bij het kruis: zo weten zij dat ze rechtvaardigen zijn door zijn bloed, dit is zijn leven dat het Lam voor hen heeft gegeven aan de dood.
Daardoor heeft Jezus hun hele schuld betaald die het gevolg is van hun zonden.
Door te zondigen, dit is: te werken voor satan, krijgt deze het recht om ons negatief loon uit te betalen.
Dit loon bestaat uit schuldgevoel, ziekte, gebondenheid en allerlei andere vormen van ellende.
Satan heeft al dit ‘loon’ (bestemd voor alle mensen) in één keer aan Jezus uitbetaald als Hij in het rijk van de dood is.

Als we dit geloven zijn we rechtvaardigen geworden en kan en mag satan ons niet meer ‘belonen’.
Als hij dit toch (dus nu ten onrechte) doet, dan is hij onwettig bezig en kunnen we hem ‘terecht’ (en wettig) weerstaan in de autoriteit van Jezus Christus.
Dit rechtvaardig zijn is niet (meer) gebaseerd op het opvolgen van wetsregels, maar op (het geloof in) het offer van Jezus aan het kruis op Golgotha.

Deze rechtvaardigheid is altijd het einddoel van het oude verbond geweest.
Nu is zij het uitgangspunt van de gelovige in het nieuwe verbond.
Deze ‘zegen van Abraham’ wordt gevolgd door het schenken van de geest van God aan ons, als rechtvaardigen.
Galaten 3:13-14 zegt in dit verband:
Maar Christus Jezus heeft ons vrijgekocht van deze vloek door voor ons te worden vervloekt, want er staat geschreven:
Vervloekt is ieder mens die aan een paal hangt.
Zo zouden door Hem alle volken delen in de zegen van Abraham en zouden wij, zoals ons is beloofd, door het geloof de geest ontvangen.

Dus zo is de rechtvaardigheid het begin van het nieuwe verbond dat het volledige herstel van de mens op het oog heeft.
Daarna kan de gelovige het einddoel: de geestelijke volwassenheid, de volmaaktheid bereiken.
Het woord van God is ons gegeven om de rechtvaardigheid verder in ons te laten doorwerken zodat we uiteindelijk volmaakt zullen zijn en de werken van Jezus optimaal kunnen doen.

2 Timoteüs 3:16-17 NBG:
Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zal zijn, tot elk goed werk (zoals Jezus heeft gedaan) volkomen toegerust.
De mens (naar) Gods (hart) is iemand die God helemaal toegewijd is, die zich vol liefde en verlangen volledig richt op God en zijn plan in en met zijn leven.

Het schijnchristendom staat per definitie afwijzend tegenover alleen al het idee dat een mens volmaakt kan worden.
Men beweert dat dit doel slechts bereikt kan worden ná het sterven.
Uiteraard is dit onlogisch, want onze rechtvaardigheid blijkt nu al uit wat we doen en hoe we bezig zijn in het koninkrijk van God.
We zijn nu al bezig met het weven aan onze kleding van bevrijding en herstel en wel door te streven naar de begaafdheden van Gods heilige geest in onszelf en in de gemeente.
En door de liefde na te jagen.
1 Korintiërs 14:1:
Jaag de liefde na en streef naar de gaven van de geest, vooral naar die van de profetie.
In welke kerk of kring wordt dit gedaan?

Hier en nu wordt deze kleding die onze eeuwige statuur of grootte in de onzichtbare wereld bepaalt, draad voor draad geweven.
Van de gemeente wordt gezegd en hiermee dus ook van ons:
… haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen (zie Openbaring 19:8 NBG).
En ook Jesaja 61:10 (ged.) is hier van toepassing:
Ik vind grote vreugde in de Heer,
mijn hele wezen jubelt om mijn God.
Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan,
hulde mij in de mantel van de gerechtigheid.

Ook beweren veel ‘christenen’ dat de dood de ‘oplossing’ zal geven van alle ellende in deze wereld.
Hiermee ondermijnt men het woord van God en berooft men het van zijn kracht.
De mens (naar) Gods (hart) is niet de gestorven mens, maar de levende!
We zien dus dat we in ons streven en in deze strijd om het doel te bereiken een volhardend geloof nodig hebben.
We moeten wel doorzetten en ons niet door allerlei tegenslagen die er zijn en zonder twijfel nog meer gaan komen, uit onze koers laten brengen.
Het is de gemakkelijkste (de brede) weg om te zeggen dat we ons hele leven een zondaar blijven.
Wie dit zegt, heeft helemaal geen geloof (nodig).
Hij kent geen strijd, maar dus ook geen overwinning.
Wie dit zegt, erkent tegelijk dat hij tot zijn dood aan toe verbonden blijft met satan en zijn engelen.

Maar dít is niet de bedoeling van God!
Daarom zegt Jezus in Matteüs 21:21:
Ik verzeker jullie: als jullie geloven zonder te twijfelen, zul je niet alleen teweeg kunnen brengen wat er gebeurde met de vijgenboom, maar zul je zelfs tegen die berg kunnen zeggen: Kom van je plaats en stort je in zee, en het zal gebeuren.
Als we tegen een demon, hoe groot ook, zeggen: ga uit deze mens, naar het rijk van de dood, dan zal hij dat doen!
Al eerder zegt Jezus ongeveer hetzelfde:
Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: Verplaats je van hier naar daar! en dan zal hij zich verplaatsen.
Niets zal voor jullie onmogelijk zijn
(Matteüs 17:20).

Het boek Openbaring vertelt ons over de zekerheid dat we zullen overwinnen.
In onze worsteling tegen de demonen in de geestelijke wereld staan de heilige engelen aan onze kant, als de zonen van God.
Het leven van Jezus wordt zo in veel gelovigen zichtbaar.
De dienende engelen worden herkend als een realiteit.
Zij ondersteunen ons die recht hebben op de erfenis van God, die bestaat uit volledige bevrijding en genezing van geest, ziel en lichaam.
En tot slot het (ver)krijgen van de onbegrensde luister van God.

Kracht om te overwinnen komt ook van ons getuigenis dat niet alleen bestaat uit onze woorden, maar vooral uit ons leven dat we in alle opzichten delen met God.
Net als Jezus tijdens zijn leven op aarde.
Deze kracht krijgen we van Gods geest die in ons woont en ons totaal vult en toerust met zijn begaafdheden.
We belijden en houden vast dat we koningen en priesters zijn, maar onze heerschappij en koninklijke waardigheid horen wel bij de onzichtbare wereld.
Alleen dáár belijden we ons koningschap en doen we ons priesterlijke werk.
Dáár is Jezus onze Hogepriester en de Koning van de koningen en de Heer van de heren (zie Openbaring 19:16, grondtekst).

Maar in de natuurlijke wereld zijn de zonen van God niet echt in tel.
Hoe meer hun innerlijke mens vernieuwd wordt, hoe minder belangrijk misschien wel hun zichtbare manifestatie wordt.
De zonen van God hebben niet veel in te brengen in deze wereld, ze hechten geen overdreven waarde aan hun uiterlijke bestaan.
Ze leggen zich niet toe op het hebben van veel geld en spullen en het zoveel mogelijk genieten van de zichtbare dingen.
Zij geloven met heel hun hart het volgende:
Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief.
Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, want alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht –, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld.
De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid
(1 Johannes 2:15-17).

Van geld, macht, aanzien, cultuur, traditie en eer van mensen hebben zij innerlijk afstand genomen.
Zij hebben de hebzucht, waaruit alle vormen van kwaad ontstaan, overwonnen.
In de wedstrijd om de eerste prijs te behalen, hebben ze alles afgelegd wat hen hierbij in de weg kan staan.
Om het koninkrijk van God in hun leven te realiseren houden ze niet koste wat kost aan hun natuurlijke leven en status vast.
Maar als het moet, hebben ze hiervoor hun aardse bezit en zelfs hun leven over!
In dit opzicht volgen zij de Man van Nazareth:
Naar het lichaam werd Hij gedood maar naar de geest tot leven gewekt (zie 1 Petrus 3:18).
Jesaja 53:2 zegt van Hem:
Onopvallend was zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren.
Maar Johannes kijkt verder en ziet met zijn geestelijke oog:
Het woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader (Johannes 1:14).

12:12

Daarom: juich, hemel, en allen die daar wonen!
Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald!
Hij is woedend, want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft.’

Grondtekst: Vanwege dit weest vrolijk hemelen en de in hen hun tentwoning hebbenden.
Wee aan de bewonenden de aarde en de zee, omdat neergekomen is de duivel tot jullie, hebbende toorn/woede grote, wetende dat weinig tijd hij heeft.

Er is feest in de geestelijke wereld, in het koninkrijk van God en bij allen die daarbij horen.
Jezus Christus en zijn gemeente openbaren steeds meer wie de Vader is, wat zijn plan en doel is én hoe dat bereikt kan worden.
Het herstel van de tempel van God, de mensheid in wie Hij woont, nadert zijn voltooiing.
De zonen van God, die burgers zijn van het koninkrijk van God, gaan steeds meer de echte vreugde van de geest van God in hen zelf ervaren.
De duisternis verdwijnt, de zon komt op in hun harten.

Ook de heilige engelen ervaren een toenemende vreugde, want ze krijgen steeds meer ruimte en mogelijkheden om de zonen van God te helpen en te ondersteunen.
Zo hebben ook deze engelen een bijzonder waardevolle plaats in het plan van God met de mens.
Ook zij mogen meewerken aan het volmaakt worden van de mens, zoals God bedoelt!

Zeven keer is opgeroepen om te overwinnen.
Aan deze oproep aan de zeven gemeenten is nu voldaan en wat beloofd is, gaat nu gebeuren.
Jezus is de eerste van veel zonen en zij zijn het waard om te verschijnen voor de Mensenzoon.
Lucas 21:36:
Wees waakzaam en bid onophoudelijk om te ontkomen aan de dingen die gebeuren gaan en om voor de Mensenzoon te kunnen verschijnen.
Doordat ze hebben doorgezet en vastgehouden aan hun geloof, hebben ze kunnen overwinnen op roes en dronkenschap en de zorgen van het dagelijks leven (zie Lucas 21:34).
Hun innerlijk is niet afgestompt door dwalingen en zo is de komst van de Heer in zijn gelovigen niet buiten hen omgegaan.

Ontkomen aan onheil is geen automatisme of ‘stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’, maar het is een actief zoeken naar het goede en naar de luister van God.
Als we dát doen zullen we Jezus Christus steeds meer werkelijkheid zien worden in ons leven en zó dicht bij Hem kunnen zijn.
2 Petrus 3:11-12 (ged.) is hier van toepassing:
Als dit allemaal op die manier te gronde gaat, hoe heilig en vroom moet u dan niet leven, u die uitziet naar de dag van God en het aanbreken daarvan bespoedigt!

Zij overwinnen zoals Hij overwonnen heeft (zie Openbaring 3:21).
De gemeente van de laatste tijd bestaat uit een onafzienbare menigte van overwinnaars.
Ze zijn door opnieuw geboren te worden ( = geestelijk gaan denken) burgers geworden van een geestelijk rijk, ze voeren daar hun strijd en ook hun kostbaarste bezit is daar.
Dit laatste bestaat uit het niveau van ontwikkeling van de begaafdheden en de vrucht van Gods geest in hun leven: hun geestelijke statuur.
Maar wat hun aardse leven betreft, hebben de zonen van God hun opstandingslichaam nog niet gekregen.
Zij wonen nog in een lichaam dat kan vergaan, maar dat wel levend wordt gemaakt door de geest van God die in hen woont (zie Romeinen 8:11).
Dat wil zeggen: na verloop van tijd zal hun aardse lichaam veranderen in een geestelijk lichaam: het opstandingslichaam.

Ze hebben de demonen die zonde, ziekte en leugen veroorzaken, overwonnen.
Alleen de laatste vijand, de dood, moet nog volgen.
Na nog een korte periode van zware pressie zullen zij in een ondeelbaar moment veranderd worden om zo ook lichamelijk bij de Heer te kunnen zijn.
Want zolang zij in hun sterfelijke lichaam leven, zijn ze volgens 2 Korintiërs 5:6 ver van de Heer, letterlijk: in het buitenland.

Naar de innerlijke, geestelijke mens bereikt de gemeente dan haar einddoel.
Haar leden worden het evenbeeld van Jezus Christus, zoals Hij als voorbeeld heeft laten zien tijdens zijn verblijf op aarde.
Er staat in Openbaring 19:7:
Laten we blij zijn en jubelen, laten we Hem de eer geven!
Want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn bruid staat klaar.

Dit drukt uit dat de gemeente geestelijk tot haar volmaaktheid gekomen is.
Zo wordt het gebed van Jezus verhoord:
Vader, U hebt hen aan Mij geschonken, laat hen dan zijn waar Ik ben.
Dan zullen zij de grootheid zien die U Mij gegeven hebt omdat U Mij al liefhad voordat de wereld gegrondvest werd
(Johannes 17:24).

Tijdens zijn verblijf op aarde is Jezus tegelijkertijd in de hemel.
De eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is (zie Johannes 1:18 NBG).
Jezus leeft in nauw contact met God en daarvoor moet Hij ‘in de hemel zijn’, in de geestelijke wereld.

Er is nu nog maar één terrein over waarop satan macht kan uitoefenen: de aarde en de zee.
… wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald!
Hij is woedend …

Jaren daarvoor daalt het woord van God naar de aarde af, in grote liefde en ontferming.
Het wordt dan zichtbaar in een mens.
De enige schuilplaats die voor satan en zijn engelen in de eindstrijd overblijft, bevindt zich in de natuurlijk gerichte religieuze mens.
Tot nu toe is er steeds van hem gezegd:
Hij is de slang van weleer, die duivel of satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt (zie vers 9).

Bij mis- en verleiding staan de demonen nog aan de buitenkant van de mens en laten zij deze doen wat zij willen, als de mens zich tenminste door hen laat inspireren.
Nu al is het hun bedoeling in de mens te gaan wonen, hem geestelijk vast te binden of hem volledig in bezit te nemen.
Zo wordt de hele wereld zonder God, gedemoniseerd.
Het oordeel of de scheiding tussen goed en kwaad is dan gekomen.
Aan de ene kant staan de (vrije) zonen van God die volledig vervuld zijn met Gods heilige geest en die leven in en denken vanuit de geestelijke wereld.
Aan de andere kant staat de mensheid die volledig een prooi geworden is van de demonen: dit is een bezeten wereld.
Deze toestand duurt niet zo lang, want er staat dat satan weet dat hij niet zo veel tijd heeft.
Hij heeft dus geen tijd te verliezen.
Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat Hij (God) er (direct) de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst (Marcus 4:29).

Wee aarde en zee, het ziet er slecht voor jullie uit!
Heel anders dan de vreugde in de onzichtbare wereld, wordt er een jammerklacht uitgeroepen over de aarde en de zee.
Grimmig manifesteert satan zich in de aardsgerichte, met name religieuze mensheid, die geen weet heeft van het geestelijke koninkrijk van God.
De woorden aarde en zee moeten we niet geografisch zien.
De Openbaring is het boek dat de zichtbare schepping gebruikt als beelden of symbolen van de onzichtbare werkelijkheid.

Zo is het paradijs een beeld van de gemeente.
De Levensboom is het beeld van Jezus Christus en de levensbomen dat van de zonen van God.
In dit paradijs is het water dat leven geeft symbool van Gods heilige geest.
De dieren met hun eigen karakter zijn beelden van de geestelijke schepsels in de hemelse regionen.
We kunnen hierbij denken aan het lam, de duif, de leeuw, de jakhals, de slang, de schorpioen, de draak, de sprinkhaan en weerzinwekkende vogels.
Maar ook de hemellichamen zijn er om als ‘teken’ te fungeren.
We noemen de sterren die in hun groeperingen beelden zijn van de hemelse legers.
Tenslotte kunnen we ook constateren dat de koning van de schepping (zie o.a. 2 Timoteüs 2:12), de mens, zelf ook een beeld, een afbeelding is.
Want God zegt in het begin:
Laten Wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken;
zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt
(Genesis 1:26).

Zoals de hele schepping een maquette is van de geestelijke werkelijkheid, zo is ook de mens de afbeelding van de Schepper zelf.
Ook de scheiding tussen dag en nacht, licht en duisternis heeft haar symbolische betekenis.
Evenals de scheiding tussen de ene watermassa en de andere.
Genesis 1:6-8 zegt:
God zei: Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.
En zo gebeurde het.
God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven.
Hij noemde het gewelf hemel …

Dit gewelf ís de hemel niet, maar het is een afbeelding van de hemel.

Zo is er ook een scheiding tussen het geestelijke leven in de hemelse regionen en dat op aarde.
Het onzichtbare leven van de mens op aarde is gescheiden van de geesten in de geestelijke wereld.

De wereldwijde overstroming in de tijd van Noach is een afbeelding van wat in de laatste dagen gebeuren gaat.
Bij de ondergang van de wereld van vóór deze overstroming worden de sluizen van de hemel opengezet.
Samen met het water van de machtige oervloed bedekt het hemelwater de hele aarde.
Zo profeteert de Bijbel over een invasie van demonen uit de geestelijke wereld in de laatste tijd, die zich uit de hemel op de aarde storten.
En ook van demonische legers die opgeroepen worden uit de onderwereld of de onderaardse diepte en die ook de aarde overspoelen.
Uiteraard moeten we dit alles geestelijk zien, anders krijgen we een vreemde voorstelling van zaken!

De wereldwijde overstroming is het beeld van de zware geestelijke pressie die over de aardsgerichte religieuze en afgoden dienende mensheid komt (en voor het grootste deel al gekomen is).
Het geestelijke leven van deze mensen die een bestaan hebben zonder Christus, zal dan volledig worden beheerst door de demonen.
Jezus zegt hierover:
Dan zullen er tekenen zijn aan de zon en de maan en de sterren en op aarde zullen de volken sidderen van angst voor het gebulder en het geweld van de zee;
de mensen worden onmachtig van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemelse machten zullen wankelen
(Lucas 21:25-26).

In het boek Openbaring zijn water, bronnen, rivieren en zeeën beelden van het geestelijke, onzichtbare leven.
De aarde, de bomen, het groene gras en struiken zijn beelden van het leven dat op het natuurlijke, het zichtbare gericht is.
De mens leeft wat zijn innerlijk betreft zowel op de aarde als in de zee.
Hij heeft een natuurlijk én een geestelijk leven.
De grote zee is het beeld van het religieuze leven op aarde; zij is een samenvloeien van zeer veel ‘geestelijke stromingen’.

Wolken bestaan uit water uit de zee, dat door de warmte van de zon verdampt en opstijgt naar boven.
Zo zijn wolken een beeld van de mens die zich geestelijk losmaakt van het natuurlijke leven en zijn denken en handelen laat bepalen vanuit het koninkrijk van God.
Als we opnieuw geboren worden, krijgen we een nieuw geestelijk leven.
Onze geest maakt zich los uit de ‘zee’ en stijgt op naar de geestelijke wereld, naar de wolk.
We leven dan op de aarde én in de hemel.
Als we sterven, worden we van de aarde losgemaakt, maar blijft onze geest in de hemelse regionen en neemt hij volledig zijn intrek bij Jezus.
Dat wil zeggen: dan kan niets of niemand ons nog scheiden van de liefde van God die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer (zie Romeinen 8:35 en 39).

De mens die niet tot inkeer komt, geen nieuw leven gaat leiden of die niet opnieuw geboren wordt, blijft leven op de aarde en in de zee.
Sterft hij, dus wordt zijn band met het aardse leven doorgesneden, dan blijven zijn geest en ziel in de zee.
Afhankelijk van hoe zijn leven geweest is, zal dit of:
boven in de zee zijn, waar nog wel licht en leven is of:
op de zeebodem (de afgrond of het rijk van de dood) waar alleen maar duisternis en dood heersen.
Uiteraard bestaan er de verschillende tussenvarianten.
Geestelijk gezien wil dit zeggen:
na ons sterven komen of blijven we, of:
in de nabijheid van God, of:
komen of blijven we in een situatie ver van God verwijderd, in diverse gradaties van duisternis.

Als de zonen van God en de heilige engelen de geestelijke wereld zuiveren van demonen, zijn dezen wel gedwongen hun werkterrein te verleggen naar het leven op aarde.
Ze zullen dan op een vreselijke manier beslag leggen op lichaam, ziel en geest van de natuurlijk gerichte mens, deze aan zich verbinden en onderwerpen.
Er is dan een geestelijke pressie op de ‘aarde’ zoals er nooit geweest is en er ook nooit meer zijn zal.
Zalig en heilig, dus: volmaakt gelukkig en totaal afgezonderd van iedere vorm van kwaad is hij die als geestelijk mens heeft leren leven.
Want hij is onaantastbaar voor de vijand!
Gelukkig en heilig zijn zij die deelhebben aan de eerste opstanding.
De tweede dood heeft geen macht over hen.
Zij zullen priester van God en van de Messias zijn en duizend jaar lang samen met Hem heersen
(Openbaring 20:6).
Laten we, door de kracht van Gods geest in ons, alles wegdoen wat ons verhindert dít doel te bereiken!

12:13

Toen de draak zag dat hij op de aarde gegooid was, achtervolgde hij de vrouw die een zoon gebaard had.

Grondtekst: En toen zag de draak dat hij geworpen was op de aarde, vervolgde hij de vrouw die gebaard heeft de mannelijke (zoon).

De zonen van God hebben overwonnen en zij zoeken de realisatie van wat Jezus Christus hen beloofd heeft:
Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit (Openbaring 3:21).

Satan kan hen niet meer dag en nacht aanklagen, want zij ontmaskeren hem en verbreken alle banden met hem.
Zij mogen oog in oog staan met de Mensenzoon, dat wil zeggen: in een rechtstreeks contact met Hem leven.
In hen heeft het woord van God overwonnen en zij zijn onberispelijk geworden.
In hen is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde;
want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen
( zie vers 10 NBG).
In hen is het herstel gekomen door de liefde, de kracht en de wijsheid van de geest van God.
Zij zijn geestelijke koningen geworden.
En zo delen ze met Christus in zijn macht in de toekomstige eeuwen.
De reden is: ze hebben de aanklager uit hun gedachten kunnen verwijderen, die in hen ontkent dat het doel van God, de volmaakte mens, haalbaar is.

Ze hebben ook een zuiver geweten!
Het enige waarvan satan hen nog steeds beschuldigt is: hoogmoed.
Het valt op dat waar de zonen van God op weg gaan naar de volmaaktheid, direct van hen gezegd wordt dat ze God lasteren.
Ook al belijden ze niets anders dan wat in de Bijbel staat, namelijk dat ze koningen, priesters en erfgenamen van God zijn, ze worden vrijwel altijd beschuldigd van hoogmoed.
We kunnen wel raden waarom satan deze beschuldiging uit, vaak via mensen.
Hij zelf heeft in zijn hoogmoed zijn oog laten vallen op de troon die voor de mens bestemd is.
Maar hij is verworpen.
Is het wonder, dat als hij mensen ‘de hand op de troon van God ziet leggen’, hij hen ook van hoogmoed beschuldigt?

De draak en zijn duistere engelen worden uit de geestelijke wereld geworpen.
Vanaf nu hoort het hemelse rijk alleen nog toe aan God en zijn Zoon, de heilige engelen en de zonen van God, naar hun innerlijke mens.
Nu komt uit wat Jezus heeft verteld in een vergelijking:
Zoals het onkruid bijeengebonden wordt en in het vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld:
de Mensenzoon zal zijn engelen eropuit sturen en ze zullen uit zijn koninkrijk allen die anderen ten val hebben gebracht en de wetten hebben verkracht bijeenbrengen
(Matteüs 13:40-41).

De hemel is vernieuwd en zij is bevrijd van de demonen.
De nieuwe aarde moet nog komen.
Nu horen we nog:
… wee aarde en zee: de duivel is naar jullie afgedaald!
Hij is woedend, want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft
(zie vers 12).
In 2 Tessalonicenzen 2:3-4 staat dat de wetteloze mens zichtbaar zal worden.
Laat u door niemand misleiden, op geen enkele manier.
De dag van de Heer breekt niet aan voordat velen zich van het geloof hebben afgekeerd en de wetteloze mens verschenen is, hij die verloren zal gaan.
Hij zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf.

Zoals de vrouw staat voor de gelovigen en de mannelijke zoon voor de zonen van God, zo heeft ook ‘de wetteloze mens’ een meervoudige betekenis.
Het proces van het in bezit nemen van mensen door de demonen is al lang begonnen.
De wetteloosheid is nu al werkzaam in het verborgene.
2 Tessalonicenzen 2:7:
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst degene die hem tegenhoudt verdwijnen.
Maar in de laatste tijd gaat hij volop en in alle openheid door en bereikt de natuurlijk gerichte mens zijn dieptepunt: de wetteloze mens.

De draak achtervolgt de vrouw die het mannelijke kind baart.
Ook dit baren moeten we zien als een proces.
Nog niet ieder lid van de gemeente op aarde heeft de mannelijke rijpheid al bereikt.
Velen van hen die verzegeld zijn met Gods heilige geest moeten nog toegroeien naar de volmaaktheid.
Nog niet iedereen is al volledig hersteld en onberispelijk.
Is het dan wonder dat satan, als een brullende leeuw, probeert wie van hen hij nog kan intimideren, verscheuren en verslinden?
Als ze niet doorgaan met hun groeiproces zullen ze afvallen.
De gemeente komt hierdoor onder zware geestelijke pressie van de vijand te staan.

12:14

Maar de vrouw kreeg de twee vleugels van de grote adelaar om naar haar plaats in de woestijn te vliegen, waar gedurende een tijd en twee tijden en een halve tijd voor haar gezorgd zou worden, buiten het bereik van de slang.

Grondtekst: En werden gegeven aan de vrouw twee vleugels van de arend grote, opdat zij vliegt naar de woestijn naar de plaats van haar, waar zij wordt gevoed daar (een) tijd en tijden en (een) halve tijd, weg van (het) aangezicht van de slang.

We kunnen bij deze tekst denken aan het wegtrekken van Israël uit Egypte.
Er is pressie en vervolging, maar God is bezig zijn volk los te maken van zijn tirannen en in de vrijheid te brengen.
In Exodus 19:4 zegt de Heer tegen zijn volk:
… en hoe Ik je op adelaarsvleugels gedragen heb …
De vleugels van een vogel komen overeen met de armen van een mens.
Daarom wordt in Psalm 77:16 gezegd: … uw arm heeft uw volk bevrijd …

In onze tekst lezen we:
Maar de vrouw kreeg de twee vleugels van de grote adelaar …
Sommigen denken dat twee vleugels het ‘bid en werk’ betekenen.
Maar wij geloven dat met de grote adelaar God bedoeld wordt en dat de twee vleugels die Hij heeft, de kracht van zijn geest uitbeelden.
De mens bidt en werkt, maar God werkt door zijn geest.
De arm, de hand en de vinger van God zijn in de Bijbel symbolen van Gods heilige geest.

Als Jezus door de kracht van deze geest veel wonderen doet, wordt in Johannes 12:37-38 opgemerkt:
Ondanks de wondertekenen die Hij voor hun ogen gedaan had, geloofden ze niet in Hem.
Zo gingen de woorden van de profeet Jesaja in vervulling, die zei:
Heer, wie heeft onze boodschap geloofd?
Aan wie is de macht
(grondtekst: arm) van de Heer geopenbaard?
In verband met een doorgaande werking van Gods geest in het leven van Johannes de Doper wordt gezegd:
Want de machtige hand van de Heer beschermde hem (zie Lucas 1:66).

Ook staat er:
Doordat U uw hand uitstrekt tot genezing en dat tekenen en wonderen plaatsvinden door de naam van uw heilige knecht Jezus (Handelingen 4:30 NBG).
Als Jezus de demonen uit de mens jaagt, zegt Hij:
Maar als Ik dankzij een kracht die van God komt (grondtekst: door de vinger van God) demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen (Lucas 11:20).

Als God Israël uit Egypte leidt, gaat dit samen met grote wonderen en tekenen.
Dit volk komt in de woestijn, evenals in de laatste tijd het volk van God.
De vrouw wordt naar de woestijn gebracht, naar de plaats waar God voor haar zorgt.
De woestijn is een plaats waar men zijn onderhoud niet van het natuurlijke verwachten moet.
Israël heeft dit ondervonden.
Het is voor zijn onderhoud helemaal afhankelijk geweest van de ‘sterke arm’ van God.

Zo ook zal de gemeente in de laatste tijd haar zekerheden niet in de natuurlijke wereld of in uiterlijke religieuze zaken zoeken.
Zij zal volledig afhankelijk zijn van haar verbinding met God.
De Heer zal zijn gemeente op een heel bijzondere manier voeden, beschermen en leiden.
In de woestijn wordt de christen op God alleen teruggeworpen.
Jeremia 31:2:
Dit zegt de Heer:
In de woestijn kreeg Ik Israël lief,
het volk dat aan vernietiging ontkomen was.
Ik ging hun voor en gaf hun vrede.

of zoals de NBG-vertaling zegt:
Zo zegt de Heer: Het volk van wie ontkomen is aan het zwaard vond genade in de woestijn, Israël, op weg naar zijn rust.

De gemeente van de laatste tijd komt helemaal los te staan van:
tradities, gebouwen, dogma’s, ceremonies, religieuze gevoelens, rituelen, wetten en regels en alle andere uiterlijke en emotionele zaken die haar een schijnbaar religieus houvast kunnen geven.
De Heer onderhoudt zijn gemeente onder deze soms zeer moeilijke omstandigheden.
Dit doet Hij door het levende woord, het manna en zijn geest, dit is het water dat leven geeft, zodat de draak haar niet kan treffen of zelfs maar kan aanraken.
Ze wordt geestelijk goed gevoed.

Als een slang z’n prooi ontdekt, begint hij deze te biologeren.
Maar de gemeente van Jezus Christus laat zich door de ‘oude slang’ geen angst meer aanjagen en zich niet meer door hem intimideren.
De liefde, de kracht, de wijsheid en de begaafdheden van Gods heilige geest beschermen haar, zodat de draak haar zelfs niet kan benaderen.
Zij is buiten zijn gezichtsveld.
Midden in de zware geestelijke pressie houdt God (zo) zijn ‘hand’ boven zijn volk.

We zien dat deze woestijnreis ‘een tijd en twee tijden en een halve tijd’ duurt (zie vers 14).
In de beeldspraak komt deze periode overeen met de tweeënveertig maanden en twaalfhonderdzestig dagen in Openbaring 11:2-3 en 12:6.
Ze is ook gelijk aan de tijd van de bediening van Jezus als mens op aarde.
Maar we geloven niet dat we er verstandig aan doen in deze getallensymboliek een letterlijke kalenderaanduiding te zoeken.
Het is een periode van grote geestelijke druk en van zware verleiding die over de hele natuurlijk gerichte religieuze mensheid komt.
Maar dus daarin beschermt de Heer zijn (eigen) volk.

In Daniël 12:7 staat:
Eén tijd, een dubbele en een halve tijd: wanneer de macht van het heilige volk niet langer verbrijzeld zal worden, dan zullen al deze dingen zich hebben voltrokken.
Duidelijk wordt in Daniël gewezen op de overwinning van het volk van God, dit is: een totale overwinning door de gemeente op haar geestelijke vijanden.
Dit tijdperk wordt getypeerd door het rijp worden van het graan en het onkruid.
Dan volgt de opbrengst van de aarde.

12:15-16

Toen spuwde de slang een stroom water als een rivier achter de vrouw aan om haar daarin mee te sleuren.
Maar de aarde schoot haar te hulp: de aarde sperde haar mond open en dronk de rivier op die de draak had uitgespuwd.

Grondtekst: En wierp de slang achter de vrouw uit de mond van hem water als (een) rivier, opdat deze (een) door (een) rivier meegesleurde hij maakt.
En kwam te hulp de aarde de vrouw en opende de aarde de mond van haar en slurpte op de rivier die geworpen heeft de draak uit de mond van hem.

Door ‘de adem van zijn mond’ spreekt de mens en dit beeld wordt in de Bijbel ook gebruikt voor het spreken van God.
Bijvoorbeeld in 2 Tessalonicenzen 2:8 staat dat de Heer Jezus door de adem van zijn mond de wetteloze zal doden.
In de grondtekst staat voor doden: verteren.
Dit wil niets anders zeggen dan dat dit gebeuren zal door Gods woord en zijn geest.
Wat uit zijn mond komt, zijn de door God geïnspireerde gedachten.
Ook water is het beeld van leringen, visies of gedachten, bewerkt door de invloed van de Goddelijke geest, van menselijke gedachten of van demonische inspiratie.
We kunnen lezen over water dat leven geeft en aan de andere kant over het vergiftigen of bitter maken van water.

In onze tekst staat dat de slang een stroom water als een rivier achter de vrouw aan spuwt.
Dit wijst op een grote infiltratie van duivelse verleidingen en misleidingen die het mensenleven proberen te verzieken.
Het woord ‘stroom’ geeft de enorme zuigkracht van deze verleidingen aan.

In 1 Timoteüs 4:1 staat:
… dat in de laatste tijd sommigen het geloof zullen verlaten, doordat ze luisteren naar dwaalgeesten en naar wat demonen hun leren.
Paulus heeft het in 1 Korintiërs 12:2 over het feit dat de heidenen zich blindelings naar de stomme afgoden laten heendrijven.
Maar de stroom onheil die achter de vrouw aankomt, wordt door de aarde geabsorbeerd.
We weten dat de aarde in de Openbaring ook beeld is van het natuurlijk gerichte religieuze leven.
De bedoeling van dit beeld wordt in onze dagen wel duidelijk.
Dit aardsgerichte leven wordt op een abnormale manier beïnvloed door zedeloze reclame en artikelen in tijdschriften en op sociale media, door verworden kunst, cultuur en literatuur en film, door demonische kunstuitingen in muziek en schilderkunst.

Radio, televisie, internet en andere communicatiemiddelen worden gebruikt om het fantasieleven en het geestelijke leven van de mens te vervuilen.
Zo verwordt het natuurlijke, maar ook het natuurlijk gerichte religieuze leven.
Dit alles heeft vanuit het rijk van satan primair de bedoeling de gemeente van Jezus Christus van haar kracht en invloed te beroven.
We zien, heel opvallend, dat deze decadente verschijnselen zich in het bijzonder voordoen in de zogenaamde christelijke landen.
Maar de gemeente van Jezus Christus wijst deze aanvallen van de vorst van de duisternis radicaal en resoluut van de hand.

Als christenen in hun leven een breuk gemaakt hebben met de ongerechtigheid en gedoopt zijn in en vervuld met de geest van God, worden zij onaantastbaar voor deze verleidingen.
Verleidingen zijn er altijd geweest, maar nu de verleidende demonen ‘op de aarde geworpen’ zijn, neemt hun inspiratiekracht in de laatste tijd ontstellend toe.
De bedoeling hiervan is om de gemeente van Jezus Christus te elimineren.
Maar de stroom van vuiligheid bereikt de gemeente niet, echter wel de aardsgerichte afvallige schijngemeente.
En zij neemt maar al te graag deze stroom in zich op.

Zo zal iedere zonde die in de wereld gevonden wordt, ook in de schijngemeente aangetroffen worden.
Johannes ziet dit al eerder gebeuren tijdens het klinken van de eerste vier bazuinen, waarbij elke keer een deel van de mensen in de schijngemeente een prooi wordt van de duisternis.
Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten en wie onrein is zal nog onreiner worden.
Maar:
Wie goeddoet zal nog meer goeddoen en wie heilig is zal nog heiliger worden
(Openbaring 22:11).
Deze aanval van de draak is al begonnen en de natuurlijk gerichte religieuze mens zal hierdoor ook het laatste restant aan geestelijk leven verliezen dát hij nog heeft.

12:17

De draak was woedend op de vrouw en ging weg om strijd te leveren met de rest van haar nageslacht, met allen die zich aan Gods geboden houden en bij het getuigenis van Jezus blijven.

Grondtekst: En werd toornig de draak op de vrouw en hij ging weg (om) te maken oorlog met de overigen van het zaad van haar, de bewarenden de geboden van God en (de) hebbenden het getuigenis van Jezus Christus.

De draak ontsteekt in woede omdat zijn aanslag mislukt en hij door de verleidingen het volk van God niet afvallig kan maken.
Dan heeft hij nóg een pijl op zijn boog.
Hij gaat geweld gebruiken.
Als een slang heft hij zich op in felle haat.
Hij gaat op weg om oorlog te voeren tegen de gemeente van Jezus Christus.

Hij ziet hoe de zonen van God het evangelie van het koninkrijk van God over de hele wereld bekendmaken op dezelfde manier als Jezus tijdens zijn bediening op aarde.
De miljoenen worden binnengebracht.
Zij komen tot inkeer, beginnen een nieuw leven, worden gedoopt in water en in de geest van God en door handoplegging worden zij bevrijd van alle ziekten en demonen.
De volwassen geworden zonen van God zijn onaantastbaar, maar de draak valt hen aan die nog in het groeiproces zitten.
De draak gaat oorlog voeren tegen de rest van haar nageslacht of nakomelingen.
Tegen hen die zich aan de geboden van God houden en die ervan getuigen dat Jezus in alles hun grote voorbeeld is.
De draak zal de geestelijke groei van deze gelovigen proberen stop te zetten, hun handel en wandel in het licht te bemoeilijken en hun geloof te vernietigen.

Maar door het aanvaarden van het evangelie van Jezus Christus kunnen zij de adviezen en de richtlijnen van God opvolgen.
En God geeft maar één (dubbel-)gebod, namelijk:
Het voornaamste is: Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer;
heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.
Het op een na belangrijkste is dit: Heb uw naaste lief als uzelf.
Er zijn geen geboden belangrijker dan deze
(Marcus 12:29-31).

Daarnaast geven kennis van de wet van de geest van het leven (zie Romeinen 8:2) en inzicht in het koninkrijk van de hemel de weg aan om de hele Goddelijke volheid te bereiken.
Paulus schrijft in Romeinen 8:4:
… opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist.
En wat wil de wet van de geest?
… maar wat de geest wil brengt leven en vrede (zie Romeinen 8:6).

Want getuigen van Jezus is profeteren.
Bij de profeet is het niet de mens die getuigt, maar Jezus!
Onder het oude verbond spreken de profeten op aandrang van God en ook onder het nieuwe verbond worden ze door zijn geest gedreven.
2 Petrus 1:21:
… want nooit is een profetie voortgekomen uit menselijk initiatief: mensen die namens God spraken werden daartoe altijd gedreven door de heilige geest.
En Jezus zegt van Gods heilige geest:
De geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid.
Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat.
Door jullie bekend te maken wat hij van Mij heeft, zal hij Mij eren
(Johannes 16:13-14).

Tijdens hun ontwikkelingsperiode van pasbekeerde gelovigen tot zonen van God worden zij door de draak aangevallen.
Maar zij zullen overwinnen met het Lam:
Ze (de tien koningen) binden de strijd aan met het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen.
Want het Lam is de hoogste heer en koning en wie Hem toebehoren, wie geroepen zijn en uitgekozen, zijn trouw
(Openbaring 17:14).
Zij overwinnen satan met zijn leugenachtige infiltraties dankzij het bloed van het Lam en dankzij hun getuigenis (zie vers 11).
Door dit bloed van het Lam zijn ze zonder schuld en hebben ze een volkomen zuiver geweten.
Ze kunnen niet meer aangeklaagd worden.
Uit hun getuigenis blijkt hun geloof, waarmee zij zich de beloften van God kunnen toe-eigenen:

Het is de slang één keer gelukt de hiel van de vrouw, beeld van de gemeente, te verbrijzelen bij haar ontwikkelingsproces op de levensweg.
Zo is de kracht van het volk van God eeuwenlang gebroken geweest.
Zo is ze eeuwenlang gehinderd in haar ontwikkelingsproces in het plan van God.
Maar in de laatste tijd komt de profetie uit dat de nakomelingen van de vrouw de kop van de slang zullen verbrijzelen.
Genesis 3:15 zegt:
Vijandschap sticht Ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.
Dan komt ook uit wat staat in Daniël 12:7:
… wanneer de macht van het heilige volk niet langer verbrijzeld zal worden, dan zullen al deze dingen zich hebben voltrokken.

12:18

Hij ging op het strand bij de zee staan.

Grondtekst: En ik stond op het zand van de zee.

De draak heeft de gemeente niet kunnen verleiden en misleiden door bij haar onzuivere en perverse verlangens op te wekken.
Nu staat hij op de scheiding tussen de aarde en de zee.
De zee is het beeld van het geestelijke leven van de natuurlijk gerichte mensen.
In haar diepten vinden we de afgrond, het rijk van de dood, dus waar de dood de scepter zwaait.
Hierin zinken de geesten en de zielen van de mensen als ze bij het sterven van hun natuurlijke leven losgemaakt worden en niet verbonden zijn met Jezus Christus.

In de strijd die satan nu gaat ontketenen, zullen de demonen uit die afgrond opgeroepen worden om de mensen rechtstreeks in hun geest aan te vallen.
Het rijk van de antichrist is occult en het werkt met valse, dus schijntekenen en -wonderen.
Wat nu volgt herinnert ons aan de gebeurtenissen na het blazen van de vijfde bazuin in Openbaring 9.

Hoofdstuk 13

13:1 (ged.)

Toen zag ik uit de zee een beest opkomen.

Grondtekst: En ik zag uit de zee (een) beest opkomende,

De eerste vraag die we ons kunnen stellen, is: wie is dat beest?
Niet alleen in het boek Openbaring ontsluiert Johannes ons het geheim van het antichristelijke rijk, maar hij schrijft er ook over in zijn brieven aan de gemeenten.
De geest van misleiding en verwarring is dan al herkenbaar in de eerste christengemeenten.
Satan doet er al vanaf het allereerste begin alles aan om de groei van het volk van God naar de volmaaktheid tegen te houden.
Door de dwalingen die hij via mensen ontwikkelt, kan hij hier terecht de hielenbijter genoemd worden.
En de dwalingen zijn in de loop van de eeuwen hand over hand toegenomen.
Zij zijn alle geïnspireerd door de geest van de antichrist.

Met de gemeente van Jezus Christus is het gegaan als met een lichaam dat eerst een paar ziekteverschijnselen heeft, maar waarvan men later moet zeggen:
Van voetzool tot kruin, niets is ongeschonden:
een en al wonden en builen en striemen,
niet verbonden, niet verzorgd, niet met olie verzacht.

En:
Je land is verwoest, je steden zijn verbrand.
Vreemden stropen onder je ogen de akkers af,
vreemdelingen maken alles tot een woestenij.

En:
Wat rest er nog van Sion?
Het is als een hut in een wijngaard,
een schuilkeet in een komkommerveld,
een stad in het nauw
(Jesaja 1:6-8).

2 Petrus 2:1 zegt:
Toch zijn er destijds onder het volk ook valse (= schijn-)profeten opgetreden en zo zullen er ook onder u dwaalleraars verschijnen.
Ze zullen met verderfelijke ketterijen komen en zelfs de meester die hen heeft vrijgekocht verloochenen.

De geest van de antichrist begint op een stiekeme manier afwijkingen in de gemeente van Jezus Christus te brengen.
Dat gebeurt niet (alleen) door mensen van buiten, maar vooral door leden van de gemeente zelf die zich door hem laten inspireren.
En toch zijn ze niet wezenlijk met de gemeente verbonden, het zijn schijngelovigen.
Kinderen, het laatste uur is aangebroken.
U hebt gehoord dat de antichrist zal komen.
Nu al treden er veel antichristen op en daardoor weten we dat dit het laatste uur is.
Ze zijn uit ons midden voortgekomen maar ze hoorden niet bij ons, want als ze werkelijk bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons gebleven zijn.
Maar het moest aan het licht komen dat niemand van hen bij ons hoorde
(1 Johannes 2:18-19).

De geest van de misleiding begint zijn werk in mensen die eerst een nieuw leven (zeggen te) zijn begonnen.
Maar ze kunnen het niet vasthouden, hun hart blijft er niet op gericht!
Zoals staat in 2 Petrus 2:20:
En als zij die zich door hun kennis van onze Heer en redder Jezus Christus hebben losgemaakt van het vuil van de wereld, daar weer in verstrikt raken en er opnieuw door worden beheerst, zijn ze er erger aan toe dan voorheen.

Het gaat met een dwaling als met de vorm van de letter v.
Aan de onderkant raken de twee benen elkaar in één punt, maar ze gaan steeds verder uit elkaar en de kloof ertussen wordt steeds groter.
De dwaalleraar kan in het begin nog veel goeds vertellen, maar hij brengt op een of meer punten een foutieve visie of zelfs een leugen.
Deze ontwikkelt zich en gaat overheersen, met als gevolg dat de misleider steeds verder van de waarheid af komt te staan en zo het einddoel van het geloof mist.
En dat niet alleen, ook anderen neemt hij mee op zijn dwaalweg.

Paulus heeft het in 2 Korintiërs 11:13-15 over dit soort schijnapostelen.
Schijnapostelen zijn het, die zich door oneerlijk te werk te gaan voordoen als apostelen van Christus.
Dat is ook geen wonder, want niemand minder dan satan vermomt zich als een engel van het licht.
Het ligt dus voor de hand dat ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars van de gerechtigheid.

Maar toch kunnen we heel gemakkelijk het masker van deze bedriegers afrukken, want:
Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn.
Aan hun vruchten zul je hen herkennen.
Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels?
Zo draagt elke goede boom goede vruchten, maar een slechte boom draagt slechte vruchten
(Matteüs 7:15-17).
Vinden we in hen de vrucht van Gods heilige geest zoals bijvoorbeeld in Galaten 5:22 staat beschreven?

De leugen is de fundering waarop de afvallige schijngemeente gebouwd wordt.
In 1 Johannes 4:1 staat:
Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest.
Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen.

Johannes schrijft aan de gemeenten en waarschuwt hen voor de verleidende geest van de antichrist.
We komen deze geest tegen als we hem horen praten door de mond van schijnprofeten en schijnleraars.
Hieruit kunnen we iets opmaken dat ons inzicht geeft om het visioen over het beest uit Openbaring 13 te begrijpen.
Johannes heeft het over iedere geest en over veel schijnprofeten, dat zijn dus mensen.
Zo is er ook sprake van ‘de geest van de antichrist’ en van de ‘antichrist’, ook werkzaam in een mens.

Het beest dat Johannes ziet, komt op uit de zee.
We hebben al eerder gezien dat de zee symbool is van het geestelijke en religieuze leven van de mensen.
Dit beest heet ook: beest uit de afgrond of uit de onderaardse diepte (zie Openbaring 11:7 en 17:8).
We hebben hier te maken met een ontzagwekkende geest uit het rijk van de duisternis.
In het boek Openbaring bemoeit Johannes zich niet direct met de talrijke andere religies, zoals de islam, het boeddhisme of welke andere geestelijke stroming ook.
Hij beschrijft voornamelijk de ontwikkeling van en de strijd tussen de gemeente van Jezus Christus en de schijngemeente.

Op de zeven koppen van het beest zit de hoer.
De zeven koppen zijn zeven heuvels (grondtekst: bergen) waarop de vrouw zit en het zijn zeven koningen (zie Openbaring 17:9).
De gemeente van Jezus Christus is gebaseerd op de kracht van de geest van God, de grootste en hoogste berg.
Zo wordt de schijngemeente van kracht voorzien door de zeven grote antichristelijke demonen uit de afgrond.
Dezen zijn als koppen met de geest van de antichrist verbonden; ze worden rechtstreeks door hem geïnspireerd.
Het beest uit de afgrond is dus de geest van de antichrist.
De antichrist zelf wordt besproken bij vers 11 van dit hoofdstuk.

In 1 Johannes 4:3 wordt opgemerkt:
… dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen – nu al is hij in de wereld.
Bij de gemeente is sprake van de geest van God, die er al is maar die in de laatste tijd ook nog eens in overvloed uitgegoten zal worden als de late regen.
Bij de schijngemeente is sprake van de geest van de antichrist, die er al is en die ook nog komen zal.

Natuurlijk gerichte, ongeestelijke gelovigen zien Gods heilige geest als materie.
Ze zeggen: "Als deze er is, dan kan hij niet meer komen."
Maar zo is het in de geestelijke wereld niet.
Ook van God, die geest is, wordt gezegd: Die is en die was en die komt!
Mensen worden gedoopt in Gods geest; van hen wordt ook gezegd dat ze vol zijn van deze geest, maar over hen kunnen we ook lezen: … en allen werden vervuld van (of: met) de heilige geest (zie Handelingen 4:31).
Van het beest uit de afgrond, een geest, staat:
Het beest dat je zag, was en is niet … (zie Openbaring 17:8).

Paulus schrijft in dit verband:
De dag van de Heer breekt niet aan voordat velen zich van het geloof hebben afgekeerd en de wetteloze mens verschenen is, hij die verloren zal gaan.
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is …
(zie 2 Tessalonicenzen 2:3-7).
Het beest dat uit de zee opkomt, de geest van de antichrist, is er altijd al geweest.
Het beest in dit visioen bevindt zich eerst onder de oppervlakte van het water.
Dit is een schets van de situatie waarin de geest van de antichrist in het geheim steeds zijn werk in de gemeente heeft gedaan.
Maar in de laatste tijd komt het op uit het water en laat het zich zien in al zijn afschuwelijkheid.
Dan wordt deze geest ook duidelijk herkend.
Zijn onzichtbare werking wordt dan voor allen aanwijsbaar.

Het is van belang dat wij de geest van de antichrist kunnen onderscheiden en aanwijzen.
Want in de laatste tijd zal het onkruid van het goede koren gescheiden worden en dit kan alleen als het verschil duidelijk is.
De tweede vraag die we ons dan ook kunnen stellen, is: hoe en waaraan herkennen we dit beest?
De geest van God herkent u hieraan: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God.
Iedere geest die dit niet belijdt, komt niet van God; dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen – nu al is hij in de wereld
(1 Johannes 4:2-3).

De geest die niet uit God is, zal ontkennen dat Jezus een mens geweest is zoals wij, met de mogelijkheid om te zondigen.
Maar Jezus is als mens geboren en als mens heeft Hij de Goddelijke status bereikt door het werk van de geest van God in Hem.
Hierin is Hij ons grote voorbeeld.
Door een mens (Adam) is de zonde in de wereld gekomen en ‘de hemelse rechtvaardigheid’ vereist dat ook weer een mens dit probleem oplost.
God kan niet door geweld ingrijpen, ook niet in de demonie.
God heeft de vrijwillige medewerking van de mens nodig, om met hulp van zijn geest in die mens de duisternis te verdrijven door het licht.

Er wordt door de antichristelijke geest gezegd:
"Jezus had gemakkelijk praten, Hij was God en als God kon Hij overwinnen."
De Bijbel geeft aan dat dit niet zo is; we kunnen hierover lezen in de levensbeschrijving van Jezus.
Wie zich hierin nog verder wil verdiepen wordt aangeraden het hoofdstuk Romeinen 8 te lezen en de toelichting hierop in het boek ‘Romeinen’ op www.rhemaprint.nl.

Jezus heeft als ‘gewoon’ mens overwonnen op de zonde.
Hij is geboren als alle andere mensen die allen vanaf Adam gezondigd hebben.
Niemand heeft zich ooit vrij kunnen houden van de infiltratie en de verleiding door de demonen.
Maar Jezus laat de demonen niet toe in zijn menselijke bestaan.
In zijn leven bewijst Hij dat het door de geest van God (in Hem) mogelijk is om als mens zonder zonde te leven.
Hij is hiermee de eerste van veel broers en zussen, dus ook van ons!
Door zijn lijden en sterven en door de doop in Gods geest maakt Hij het mogelijk dat ook wij dit realiseren.
… opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist.
Want ons leven wordt niet langer beheerst door onze eigen natuur
(grondtekst: het vlees), maar door de geest (zie Romeinen 8:4).
De verlangens van het vlees zijn:
ontucht, zedeloosheid en losbandigheid, afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras- en slemppartijen en nog meer van dat soort dingen.

Maar de vrucht van de geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing
(zie Galaten 5:17-23)
De verlangens van het vlees, die satan in ons wil bewerken, staan dus tegenover die van de geest van God.

In 2 Johannes:7 staat:
Er zijn veel dwaalleraars in de wereld verschenen die de komst van Jezus Christus als mens niet belijden.
Dat nu is de verleider, de antichrist!

Bij Johannes gaat het om de geest van God óf de geest van de antichrist in de mens.
Wie de geest van de antichrist in zich heeft, spreekt de taal van de wereld en de wereld luistert naar hem (zie 1 Johannes 4:5).
Het is de religieuze geest die zich voordoet als een engel van het licht.
Hij heeft een schijn van vroomheid of godsvrucht, maar ontkent de kracht ervan (zie 2 Timoteüs 3:5).
Hij ontkent dat er zo’n kracht in het woord van God is, dat de mens (al) tijdens zijn leven op aarde het gelijke niveau van Jezus Christus kan bereiken.
Hij ontkent dus dat het plan van God haalbaar is.

De afgevallen schijngemeente kent geen groei, geen kracht om het herstel van lichaam, ziel en geest te realiseren en zij kent geen overwinning op de zonde.
Maar de geest van Johannes jubelt het uit:
U, kinderen, komt uit God voort en u hebt de valse profeten overwonnen, want Hij die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst.
Wij komen uit God voort.
Wie God kent luistert naar ons.
Geliefde broers en zussen, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort.
Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God
(1 Johannes 4:4, 6 en 7).

Jezus en Johannes waarschuwen voor veel schijnprofeten die veel mensen zullen misleiden.
Matteüs 24:11:
Er zullen talrijke valse profeten komen die velen zullen misleiden.
1 Johannes 4:1:
Geliefde broers en zussen, vertrouw niet elke geest.
Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen.

Daarom ontkennen ook zoveel mensen in de schijngemeente dat de geest van God zijn werk in hen volledig kan doen.
Men accepteert liever zijn hele leven zondaar te blijven, dus géén overwinning te hebben.
Is dit gemakzucht, verblinding of misschien wel beide?

Men gaat zelfs verder in het negatieve en gelooft in de inspiratie van satan dat de mens, ook de christen, totaal niets goeds kan doen en de neiging heeft naar alle vormen van kwaad.
Hiermee staat de mens dus gelijk aan satan zelf …!
Daarom drijft de schijngemeente geen demonen uit, geneest zij de zieken niet en gebeuren in haar geen wonderen van herstel.
Men gelooft in deze gemeente in een schijnevangelie dat uitgaat van het mislukken van de mens en waarbij geen overwinning mogelijk is.
Hooguit hoopt men ‘behouden’ te zijn, maar men zit ook hierover nog vaak vol twijfels, velen zelfs na een leven lang (ook ‘beroepsmatig’) God gediend te hebben!

De geest van de antichrist heeft in de schijngemeente de komst of het openbaar worden van Jezus Christus tegengehouden.
Daarom is het ook: ‘antichrist’, dat wil zeggen: Christus niet openbaar in de gelovigen.
Deze geest heeft tegengehouden dat de mensen door de kracht van de inwonende geest van God het einddoel van het geloof bereiken.
Men gelooft er niet in overwinnaar te kunnen zijn, laat staan zelfs meer dan overwinnaars (zie Romeinen 8:37 NBG).
Andere vertalingen of de grondtekst geven:
dat wij glansrijk kunnen overwinnen of dat wij een buitengewone overwinning kunnen behalen of dat wij bovenmate kunnen overwinnen.
Dát is heel andere taal: de taal van het geloof!
Helaas, in de schijngemeente vindt men de zonde een verschijnsel waaraan niemand kan ontkomen en ziekte ‘als door Gods Vaderhand over ons beschikt’.
Over het verbrijzelen van de hiel gesproken!

Maar in de gemeente van Jezus Christus gelooft en belijdt men:
Wij zijn uit God!
Christus is in ons: de hoop op de luister van God.

Daar is overwinning, een doorgaand proces van zuivering en groei in het geloof.
Daar laat God zien dat zijn woord waar is door tekenen en wonderen van herstel, zoals bij de bediening van Jezus zelf en van de apostelen.

Ook de geest van de antichrist zal tekenen en wonderen laten zien.
Maar de Bijbel noemt deze letterlijk: pseudo, dat wil zeggen: wonderen van leugen en bedrog.
Want ze hebben niet als doel het herstel van de mens en zijn toegroeien naar de onberispelijkheid van geest, ziel en lichaam.
Deze geest stuurt hen die dwalen niet naar Jezus, de Hersteller, maar naar magnetiseurs en andere occultisten.
Deze geest jaagt hen op tot prestaties die het religieuze gevoel strelen.
Men probeert zichzelf gerust te stellen door te beweren bij de zuivere of alleenzaligmakende kerk te horen.
Men probeert God tevreden te stellen door het vasthouden aan de zondag of de sabbat als speciale ‘dag van de Heer’ of aan andere ‘christelijke’ feestdagen.
Men houdt angstvallig vast aan bepaalde leerstellingen en visies die afkomstig zijn van het voorgeslacht, maar men kent de verschillen met andersdenkenden niet of nauwelijks.

Schijnprofeten presenteren zich als godsmannen, maar vaak tolereren zij zonde, gebondenheid, verslaafdheid, seksuele onreinheid en overspel, hebzucht en hoogmoed.
Ze leren zelfs dat de mens met zijn zondige ‘afwijkingen’ moet leren leven en dat de naaste hem met zijn ‘fouten’ moet accepteren en leren verdragen.
De mensen worden in slaap gesust met allerlei theorieën die helaas geen overwinning op de zonde geven.
Johannes, de apostel vol van Gods liefde, waarschuwt:
Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest.
Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen
(1 Johannes 4:1).

In de Openbaring zien we hoe de waarheid én de leugen beide volwassen worden.
De geest van God wordt overvloedig uitgegoten in de zonen van God en in hen wordt daardoor de luister van God zichtbaar.
De geest van God leidt hen stap voor stap en zo overwinnen zij altijd en in alle opzichten op de zonde.
In de schijngemeente wordt iedere manifestatie van Gods geest uitgebannen.
Het resultaat is de openbaring van de wetteloze mens:
Laat u door niemand misleiden, op geen enkele manier.
De dag van de Heer breekt niet aan voordat velen zich van het geloof hebben afgekeerd en de wetteloze mens verschenen is, hij die verloren zal gaan.
Hij zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf
(2 Tessalonicenzen 2:4).

Hier tegenover staat de profetische belofte in Handelingen 2:17:
Aan het einde van de tijden, zegt God, zal Ik over alle mensen mijn geest uitgieten.
Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren, jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten.

Er staat verder:
Toen zag ik uit de zee een beest opkomen.

13:1 (vervolg) en 2

Het had tien horens en zeven koppen; het had een kroon op elke horen, en er stonden godslasterlijke namen op zijn koppen.
Het beest dat ik zag leek op een panter, met poten als van een beer en een bek als de muil van een leeuw.
De draak droeg zijn kracht en heerschappij en gezag aan het beest over
.

Grondtekst: hebbende koppen zeven en horens tien en op de horens van hem tien diademen en op de koppen van hem (een) naam van (gods)lastering.
En het beest dat ik zag was gelijkend op (een) panter en de voeten van hem als van (een) beer en (de) bek van (een) leeuw.
En gaf hem de draak de kracht van hem en de troon van hem en (vol)macht grote.

Het beest uit de zee is een sterke geestelijke macht uit de afgrond.
Op deze geest met zijn zeven koppen is de schijngemeente gebaseerd doordat hij haar doordrenkt met zijn denkwereld.
Via de schijngemeente heeft hij ook invloed op het politieke, culturele en economische leven.
Voor Johannes is het eerste primair, maar toch legt hij een relatie tussen het beest en ideologieën van wereldrijken.
Daarbij sluit hij aan bij het visioen dat Daniël ‘s nachts krijgt en dat hij beschrijft in Daniël 7.
Daniël ziet daar vier wereldmachten opkomen en ondergaan om plaats te maken voor het koninkrijk van Jezus Christus.
Deze vier rijken zijn er nog niet in de tijd van Daniël, want in Daniël 7:17 is er sprake van vier koningen die uit de aarde zullen opkomen.
Het laatste wereldrijk is dat van de antichrist.
En in Daniël 7:12 staat dat de drie voorafgaande rijken tijdens het laatste wereldrijk nog zullen bestaan en dit zelfs zullen overleven.
Na de ondergang van het vierde dier wordt voorspeld:
De andere dieren werd wel hun macht ontnomen, maar hun werd nog enige tijd van leven gegund (vers 12).

We kunnen zien dat deze vier dieren uit de grote zee opkomen (vers 3), maar in de uitleg van het visioen staat:
Die grote dieren, vier in getal, duiden op vier koningen die uit de aarde zullen opkomen (vers 17).
We zien dus dat dit geen gewone koninkrijken zijn, maar dat zij hun ontstaan te danken hebben aan de aardsgerichte wereld.
Het zijn rijken die hun basis vinden in wereld- en levensbeschouwingen.
In onze tijd kennen we bijvoorbeeld staten die gefundeerd zijn op de doctrines van het communisme, socialisme en kapitalisme.
En weer andere die geregeerd worden volgens de wetten van de democratie

Zo is Duitsland overheerst geweest door het nationaal-socialisme, de levensbeschouwing die uitgaat van de superioriteit van ras, bloed en bodem.
De (voormalige) Sovjet-Unie en andere landen zijn tientallen jaren lang overheerst geweest (of deels nu nog) door de leer van het communisme, dat stelt dat alle mensen gelijk zijn.
In de praktijk blijken dictators gretig gebruik te maken van deze doctrines om hun absolute tirannieke macht te vestigen en hun gruwelijke werk van onderdrukking uit te voeren.
De westerse wereld ligt onder beslag van het kapitalisme dat uitgaat van de hebzucht van de mens en waardoor ook grote aantallen mensen in ellende terechtkomen.
We begrijpen allemaal dat dit rijken zijn die op heel andere principes gefundeerd zijn dan bijvoorbeeld die van Nebukadnezar, Alexander de Grote, Napoleon of de Russische tsaren.
We laten hier buiten beschouwing de honderden rijken en vorstendommen die er verder nog in de wereld zijn (geweest) en die hun basis vinden in de daar heersende religies.

In Daniël 7 lijkt het eerste dier dat opkomt op een leeuw, het tweede op een beer en het derde op een panter.
Aan deze dieren zien we verschillende wetteloze dingen, o.a.: (adelaars)vleugels en vier koppen.
Maar het vierde dier is helemaal angstaanjagend en afschrikwekkend in zijn totale wetteloosheid.
Drie dingen van dit dier vallen Daniël vooral op: zijn ijzeren tanden en bronzen klauwen en de tien horens op zijn kop (zie verzen 19 en 20).

Als Johannes het beest uit de zee ziet opkomen, ziet hij een soortgelijk vreselijk monster.
Ook valt hem de muil op en hij ziet dat deze lijkt op die van een leeuw.
Hij ziet ook dat de poten lijken op die van een beer en tenslotte doet het lichaam van dit wetteloze gedrocht hem denken aan een panter.

Johannes ziet uit de zee, de geestelijke wereld, de geest van de antichrist opkomen met zeven koppen.
Het zijn juist deze zeven koppen waarop de schijngemeente gebaseerd is.
Daniël ziet maar één kop, maar dat dier symboliseert daar dan ook het rijk van de antichrist en niet zijn geest.
Ook Johannes ziet later dat zes koppen wegvallen en dat er één kop overblijft.
Deze laatste kop is de wezenlijke kop van het beest, want:
Het beest dat was, en niet is, is zelf de achtste koning, al is het een van de zeven … (zie Openbaring 17:11).
Deze blijvende kop is de geest van het occultisme of de toverij, die dé basis en dé inspiratie vormt van het rijk van de antichrist.
De geest van de antichrist is er altijd wel geweest, maar niet zijn rijk.
Dat wil zeggen: ze hebben nog niet de boventoon gevoerd in de schijngemeente.

Al deze zeven koppen dragen namen waarmee God wordt gelasterd.
Ze tasten zijn goede naam aan door te zeggen dat uit Hem ook het kwaad komt.
Ze tasten zijn naam aan door te beweren dat Hij geen macht meer heeft op aarde en dat zijn koninkrijk nooit meer zal komen.
Ze tasten zijn naam aan door te zeggen dat zijn hoogste schepsel, de mens, niet in staat is om ook maar iets goeds te doen.
Ze beweren zelfs dat de mens de neiging heeft om alle mogelijke vormen van kwaad te verrichten.
Ze beweren dat de natuur van de mens door en zondig is geworden na de zondeval in het paradijs.
Ze beweren dat God geen hand heeft gehad in de schepping, maar dat alles is ontstaan door toeval en evolutie.

De geesten waar de schijngemeente op steunt, werken het plan en het doel van God tegen.
Ze ontkennen, ook door het stimuleren van een losbandig leven, dat Jezus Christus vorm kan krijgen in mensen, door de vervulling met Gods geest.
Daarmee spotten zij met de mogelijkheid die het woord van God biedt om de luister van Hem in de mens te realiseren.
2 Petrus 2:2:
Velen zullen hun losbandig gedrag overnemen en zo de weg van de waarheid in opspraak brengen.
en vers 10b:
Overmoedig en arrogant als ze zijn, schrikken ze er niet voor terug hemelse machten te lasteren.

Als het beest uit de zee opkomt, dus zichtbaar gaat worden, krijgt hij veel kracht en grote macht van satan.
Zes van de zeven koppen verdwijnen en de afvallige schijngemeente rust dan nog alleen op de zesde kop.
Deze kop wijst op het geheime contact met de geest van de antichrist die zich gaat openbaren als de gemeente van de antichrist.

Daniël ziet het rijk van de antichrist als de zes koppen of de zes machten al gevallen zijn en dus niet meer functioneren.
In de toelichting op Openbaring 17 lezen we meer hierover.

De muil van het beest dat Johannes ziet, bevindt zich dus aan de zesde of blijvende kop.
Daarop zitten dan ook de tien horens, die zowel Daniël als Johannes zien.
Johannes ziet op deze horens kronen of diademen.
Dit is een teken dat deze horens - grootmachten of koningen uit het rijk van de duisternis - opvallend veel macht gekregen hebben.
De tien horens of tien koningen krijgen hun kracht en hun macht tegelijk met het beest.

De tien horens die je zag zijn tien koningen die nu nog geen koning zijn, maar straks samen met het beest voor één uur koninklijke macht zullen krijgen (Openbaring 17:12).
De duivel gaat zover dat hij zijn macht als heerser over deze wereld afstaat aan de geest van de antichrist.
Deze neemt het regime over de ‘aarde’ dan over.
God de Vader heeft op aarde, in mensen, gewerkt door zijn heilige geest om voor zich een volk te verzamelen.
Zo geeft satan zijn macht over aan de geest van de antichrist om voor zich een volk te verzamelen op aarde.
We zien dus dat de geest van de antichrist de tegenhanger en ook de na-aper is van Gods geest.

13:3-4

Een van de koppen van het beest zag eruit alsof hij geslacht was; het was een dodelijke verwonding, maar de wond genas.
Vol bewondering ging de hele wereld achter het beest aan.
Iedereen aanbad de draak, omdat hij het beest gezag had gegeven.
Ook het beest zelf aanbaden ze, met de woorden:
‘Wie is gelijk aan het beest?
Wie kan het tegen hem opnemen?’

Grondtekst: En ik zag één van de hoofden van hem als geslacht zijnde tot (de) dood en de wond van de dood van hem werd genezen en (men) werd verwonderd in heel de aarde achter het beest.
En zij aanbaden de draak die gaf (vol)macht aan het beest en zij aanbaden het beest, zeggende: wie (is) gelijk aan het beest?
Wie is in staat oorlog (te) voeren met hem?

In zijn vergelijkingen over het koninkrijk van de geestelijke wereld vertelt Jezus dat iemand goed zaad op zijn akker zaait, maar dat de vijand er ‘s nachts onkruidzaad tussen strooit.
Het goede zaad zijn de inwoners van het koninkrijk van God die overdag, dus in het licht gezaaid zijn.
Het onkruid bestaat uit de volgelingen van satan die ‘s nachts, in de duisternis, gezaaid worden.
Deze schijngelovigen leven dus tussen de zonen van God in.
In de laatste tijd worden beide categorieën volledig rijp en dan wordt zichtbaar wie ze werkelijk zijn.

We kunnen een overeenkomst zien in de ontwikkeling van de schijngemeente en de groei van de gemeente van Jezus Christus.
De geest van de antichrist is die van de dwaling en Gods heilige geest is die van de waarheid.
1 Johannes 4:6 zegt in dit verband:
Wij komen uit God voort.
Wie God kent luistert naar ons.
Wie niet uit God voortkomt luistert niet naar ons.
Hieraan kunnen we de geest van de waarheid en de geest van de dwaling herkennen.

Deze geesten werken naast elkaar.

Het licht van de geest van God wordt vergeleken met het branden van zeven vurige fakkels voor de troon van God (zie Openbaring 4:5).
Er is sprake van een lam met zeven horens en zeven ogen die de zeven geesten van God uitbeelden, die over de hele wereld zijn uitgestuurd (zie Openbaring 5:6 en Jesaja 11:2).

Tegenover Gods heilige geest, die van de waarheid, staat die van de leugen.
De geest van de antichrist laat zich in het visioen zien door middel van zeven koppen of bergen, symbool van zeven geestelijke machten.
Alle schijnreligies hebben gemeenschappelijk dat ze een natuurlijk gerichte opstelling bij de mens veroorzaken.
Hun volgelingen zijn geestelijk blind.
Hierdoor ziet de mens niet wat er werkelijk in de geestelijke wereld aan de hand is.

Daarom gebruiken schijnreligies vaak uiterlijke dingen (b.v. beelden, relikwieën, gebouwen, gewijde kleren, regels en wetten, ceremonies, liturgieën, emotionele aanbidding, e.d.) om de mens het zicht op en het inzicht in de geestelijke wereld te belemmeren.
Kortom: uiterlijke zaken, waardoor een verbinding wordt gelegd met religieuze demonen.
Het gevolg is dat de religieuze mens een speelbal wordt van deze demonen, die hij onwetend dient en zo de luister van God niet onderscheidt.
Ook ziet hij hierdoor het doel van God met de mens, de volmaaktheid, totaal niet zitten.

Maar innerlijk is de mens altijd op zoek naar geestelijke zaken en religieuze uiterlijkheden kunnen zijn geest geen voldoening geven.
Daarom proberen veel mensen, verblind als ze zijn, hun geestelijke verlangens te bevredigen door rechtstreeks verbinding te zoeken met de geesten van de duisternis.

We zullen nu een paar koppen van het beest, waarop de schijngemeente zit, proberen te identificeren.
Het zijn een paar voorbeelden die met andere kunnen worden aangevuld.
De afgevallen schijngemeente is niet gebaseerd op de wet van de geest die in Christus Jezus leven brengt en ons bevrijdt van de wet van de zonde en de dood (zie Romeinen 8:2).
De schijngemeente houdt vast aan uiterlijke wetten en regels, bijvoorbeeld aan de ‘wet van de Sinaï’ of aan veel andere religieus getinte regels , waardoor helaas niemand bevrijd kan worden.

De oudtestamentische wet is gebaseerd op inspanning, zoals staat aangegeven in Galaten 3:12:
Wie doet wat de wet voorschrijft, zal leven.
Hier gaat het dus om vertrouwen op uiterlijke religie en niet op de (werking van de) geest van God.
Ook tradities of vaste gewoontes van mensen vormen een kop van het beest en een pijler voor de schijngemeente.
Hoe meer een schijngemeente is afgeweken van de waarheid, hoe meer zij zich bindt aan de inzichten van het voorgeslacht.
De voorouders hebben door hun keus de godsdienstige weg van hun kinderen in veel generaties bepaald.
Ook dit is dus duidelijk een vertrouwen op het vlees: het menselijke, niet geestelijke inzicht.

Zo kunnen we ook het besprengen van baby’s zien als een zuil onder de schijngemeente.
De grote wereldkerken rekenen niet of nauwelijks met het beginnen van een nieuw leven, het opnieuw geboren worden en een persoonlijk geloof.
Zij baseren hun religie voor een groot deel op het invoegen van onwetende kinderen in hun kerken, in plaats van ze een eigen keus te laten maken.
Daarom worden deze zuigelingen met water besprengd, hoewel ze het verschil niet weten tussen hun linker- en hun rechterhand.
Men vraagt zich niet af of deze ‘doop’ uit de mensen is of uit de hemel is (zie Lucas 20:4).
‘Vlees en bloed’ heeft hier de overhand en niet het aangenomen worden als een geestelijke zoon van God langs de geestelijke weg.

We zien in de schijngemeente veel meer uiterlijk vertoon, alsof hiermee haar belangrijkheid en geestelijke macht zo nodig moeten worden gedemonstreerd.
Jezus zegt tegen zijn volgelingen:
Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld .. (zie Johannes 16:33).
Maar de schijngemeente jaagt naar invloed, macht, natuurlijke kennis, titels en predicaten, imposante gebouwen en ceremonies.

Het modernisme in haar heeft tot gevolg dat ze bovennatuurlijke zaken ontkent of doodzwijgt.
De moderne theoloog accepteert geen wonderen en tekenen, zoals de geboorte van Jezus uit de maagd Maria en het geestelijk zuiver worden door het offer van Jezus Christus.
Al helemaal moet hij niets hebben van de geestelijke wereld, van Gods geest met zijn vrucht en begaafdheden.
Hij ontkent de wonderen van genezing uit de Bijbel en maakt de wonderen die vandaag gebeuren, belachelijk.
Hij gebruikt het woord inspiratie zelden of nooit, maar hij heeft als basis de menselijke filosofie.
Het modernisme is dus alleen op het natuurlijk gerichte verstand georiënteerd.
Het is in feite niet modern, maar het wordt geïnspireerd door dezelfde demonen die altijd al het woord van God hebben willen tegenhouden.
Met David willen we uitroepen:
Hoe lang nog, God, zal de tegenstander u bespotten?
Zal de vijand uw naam voor altijd beschimpen?
(Psalm 74:10).

Ook is er met vallen en opstaan een streven naar uiterlijke eenheid, die gebaseerd is op het feit dat men het met elkaar eens wil worden.
Maar Jezus bedoelt het één zijn zoals de Vader en de Zoon één zijn, dat wil zeggen: zonder zonde, smet of ongerechtigheid.
En één van doel: de mens naast God en Jezus op de troon!
Goede wil en gezond verstand alleen zijn geen basis voor de gemeente van Jezus Christus, want déze rust alleen op het Bijbelse fundament.
Uitsluitend hierop wordt deze geestelijke tempel van God gebouwd.

Maar de voornaamste drager van de antichristelijke gemeente is het occultisme, uitgebeeld door de zesde, de echte en blijvende kop van het beest.
Deze is van alle koppen het meest rechtstreeks met het beest verbonden.
Het occultisme is de grote tegenhanger van de kracht van het evangelie van Jezus Christus.
Beide geven verbinding met de onzichtbare wereld waar zij hun geestelijke energie uit putten.
Beide kennen een doop in de geest en ze manifesteren zich beide in tekenen en wonderen.

In Openbaring 17:10 lezen we dat alleen de zesde kop overblijft.
Deze onthult of openbaart het wezen of het echte karakter van het beest uit de afgrond.
Deze nauwe verbinding blijkt uit de zin:
Het beest dat was en niet is, is zelf de achtste koning, al is het een van de zeven … (zie vers 11)
Johannes ziet de kop alsof hij dodelijk gewond is.
In Openbaring 13:14 is sprake van de wond of letterlijk de ‘slag’ van het zwaard.
Er is maar één wapen dat de Bijbel kent tegen alle schijnleringen en tegen iedere demon.
Dat is het zwaard van de geest, het woord van God.

Ook in de middeleeuwen al viert het occultisme hoogtij in de schijngemeente.
Het woord van God is bij haar leden vrijwel totaal onbekend.
Zij worden opgevoed met fantasievolle verhalen over allerlei heiligen en onvoorstelbaar groot is bij hen het bijgeloof.
Wij kunnen hierbij denken aan de beeldendienst, de aanbidding van heiligen en daarmee het contact zoeken met doden, de adoratie van Maria, met de Maria-legenden, de Maria-apocriefen en de Marialogie.
Over zieken worden magische formules uitgesproken en ze krijgen ‘besproken’ kruiden en amuletten.
Het is de tijd van de geselaars, de Sint-Vitusdansers en het geloof in heksen met zijn bekende dramatische gevolgen voor duizenden onschuldigen, meest vrouwen.

Dan komt de slag met het zwaard: de ‘reformatie’ gebruikt het woord van God tegen al dit bijgeloof.
Ze maakt in een aantal landen een einde aan de Mariaverheerlijking en het aanbidden van de beelden en de zogenaamde heiligen.
De zegen van de reformatie is dat het volk de Bijbel gaat lezen en weer zelfstandig kan nadenken over de geestelijke dingen.
Maar toch worden de afgoderij en het bijgeloof niet helemaal overwonnen.

Ook de ‘reformatoren’ hebben geen inzicht in de oorlog tussen licht en duisternis in de geestelijke wereld, net zo min als hun geestelijke nakomelingen in onze tijd.
In het gruwelijke heksenproces van Penay staat Calvijn vooraan.
Hij gelooft dat de pestziekte veroorzaakt wordt door zalf van de duivel die de heksen volgens hem op de deurklinken smeren.
De ‘godsman’ Calvijn drijft geen demonen uit, maar hij laat vierendertig stakkers, ‘pestzaaiers’, op een verschrikkelijke manier martelen en executeren.
Staat er niet dat het volk van God verloren gaat door gebrek aan inzicht?

Luther noemt de zogenaamde heksen bij herhaling duivelshoeren die onweer bewerken, het vee, het koren of het huis en de hof schadelijk beïnvloeden.
"Met zulken moet men geen medelijden hebben; ik zou ze zelf willen verbranden, overeenkomstig de (mozaïsche) wet, toen de priesters begonnen zijn de boosdoeners te stenigen."

Melanchton is een grootmeester in de sterrenwichelarij.
Hij doceert in Wittenberg astrologie, terwijl hij meer nog dan Luther de eis van de ‘pura doctrina’, de zuivere leer, op de voorgrond stelt!
Hij schrijft de belangrijkste belijdenisgeschriften van de Lutherse kerken, de Augsburgse Confessie en Apologie daarvan!

Ook de ‘derde reformatie’, die van de Dopers, werkt mee om aan de kop van het beest een dodelijke wond toe te brengen.
De Dopers hebben meer inzicht in de geestelijke wereld.
Onder hen wordt naar de geestelijke begaafdheden gestreefd, velen van hen kennen de doop in Gods geest en het bidden in geestelijke talen.
Achteraf weten we hoe vol overgave de Doperse richting Christus heeft gevolgd, hoe verlangend ze is geweest de Bijbel te onderzoeken en deze te gehoorzamen.
En ook hoe ze gewetensvrijheid voor alle mensen heeft gevraagd.
Vanaf het begin heeft zij het begrip staatskerk verworpen en heeft ze niets willen weten van ceremonies en uiterlijk vertoon.

Met grote ijver verkondigen de Dopers in Europa het evangelie en zij schijnen een ogenblik de reformatie voorbij te streven.
Maar ze worden zowel door roomsen als reformatoren vervolgd en uitgeroeid!

De Waldenzen, de Moravische broeders, de Mennonieten en anderen krijgen nooit vrijheid van godsdienst.
Hun naam blijft verbonden met alles wat in de ogen van de schijngemeente verachtelijk is, maar ook met het bloed van de duizenden martelaars.
Zonder een greintje medelijden wordt deze beweging onderdrukt en worden haar volgelingen geëlimineerd.
In Openbaring 17:6 merkt Johannes op dat de schijngemeente dronken is van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus.

Wat Nederland betreft wordt een aantal van vijftienhonderd Dopers als martelaars gemeld.
Is het Marnix van Sint-Aldegonde niet die er bij de Algemene Staten op aandringt de wederdopers met het zwaard te straffen?
In zijn ‘Martelaarsboek der doopsgezinden’ schrijft Van Braght:
"Het godsdienstige leven der martelaars was weinig gecompliceerd; het had niet meer dan één doel: ‘Imitatio Christi’ (navolging van Christus)."
Diep zijn zij ervan doordrongen dat de liefde tot God en de naaste het hoofdgebod is en dat navolging van Christus onmogelijk is zonder de geest van Christus.
Wil de daad waarde hebben, dan moet zij voortkomen uit evangelische gezindheid.
Vandaar dat de martelaars de leiding door Gods geest als hoogste gift erkennen.
"Die van Gods geest gedreven worden", zegt een van hen, "die behoren Christus toe."

We zien dus dat het woord van God weer zijn plaats inneemt in het ‘christelijke’ leven en dat daardoor het occultisme in de gemeente een zware slag krijgt.
Een ogenblik lijkt het of de wond dodelijk is.
Maar Johannes schrijft dat de ogenschijnlijk dodelijke wond geneest.
De duisternis neemt weer toe, maar krijgt nu een ander jasje.
Zo brengt bijvoorbeeld het jaar 1517 een breuk met bijgeloof en dwaling, maar wat ons land betreft worden in 1618 bij de Dordtse synode nieuwe bindingen gelegd.
Er is veel van God bij: we denken bijvoorbeeld aan de prachtige Statenvertaling.
Maar ook is er veel van satan bij: we denken bijvoorbeeld aan de mensonwaardige en demonische belijdenisgeschriften.
Er is altijd tarwe en onkruid geweest.

Men kan zich voortaan beroepen op reformatoren als Luther en Calvijn.
Hun denkbeelden worden in de praktijk van het kerkelijke leven in de belijdenisgeschriften gecanoniseerd.
Paulus schrijft over mensen die een evangelie brengen en die daarbij een schijn van vroomheid ophouden, maar de kracht van het evangelie miskennen (zie 2 Timoteüs 3:5).
De begaafdheden van de geest van God worden veracht, zieken niet genezen, gebondenen niet bevrijd en demonen niet in de naam van Jezus uitgeworpen.
De weg naar de volmaaktheid wordt hierdoor volledig gebarricadeerd.
Het evangelie van Jezus Christus zoals Hij dit zelf heeft gebracht en door zijn daden heeft bevestigd, wordt door alle officiële religieuze instellingen metterdaad verworpen.

Oude occulte vormen herleven.
In plaats van (maar ook naast) de verering en het aanroepen van gestorven heiligen, komen het vasthouden aan en het vereren van de ‘vaderen’ en het beroep op hen.
In plaats van gewijde voorwerpen komen nu gewijde geschriften.
Tegenover de ‘alleenzaligmakende kerk’ waarvan alle heil verwacht wordt, komt nu het kerkelijk besef.

Men verwacht het heil alleen van die kerk waarmee men van ouder op ouder is verbonden.
Men gaat meer vertrouwen stellen in het belijden van een ‘zuivere leer’ dan in Jezus Christus en de vernieuwende werking van zijn geest.
Bovendien gaat men zich hoe langer hoe meer als kerkganger begeven op het wereldse occulte terrein.
Vooral door het raadplegen van magnetiseurs is een hoog percentage van de orthodoxe kerkgangers in onze tijd aan duistere machten gebonden.
Ook het actief deelnemen aan de rites van allerlei oosterse religies geeft in de laatste jaren een steeds verdergaande enorme occulte binding.

Vol bewondering ging de hele wereld achter het beest aan.
De hele aarde, dat wil zeggen: de aardsgerichte gelovigen die alleen bezig zijn met uiterlijke dingen, bundelen hun krachten en streven naar wereldwijde eenheid binnen de schijngemeente.
Ze houden zich vooral bezig met religieuze zaken die op zich niets met het geestelijke koninkrijk van God te maken hebben.
Er is een terugkeer naar uiterlijke zaken, liturgieën en ceremonies en een samenbundeling van waarheid en leugen, van geloof, bijgeloof en ongeloof.
Voor een uitgebreide toelichting hierop zie bij Openbaring 6:2.
Het zwaard van de geest, het woord van God dat scheiding brengt tussen waarheid en leugen, wordt niet (meer) gehanteerd.

Het evangelie ván Jezus Christus met zijn bevrijding, genezing en doop in de geest van God als kracht om het leven van God te ervaren, wordt verworpen.
De dwaling wordt, als het onkruid in de vergelijking van Jezus, samengebundeld.
Johannes beschrijft ons waar de dwaling op uitloopt: de aanbidding van God verandert in die van satan.
In hun strijd in de geestelijke wereld worden de zonen van God ondersteund door Michaël, de aartsengel.
Zijn naam betekent: wie is aan God gelijk?
De afvallige schijngemeente die op het beest zit, roept uit :
Wie is gelijk aan het beest?
Het is óf:
men volgt onder leiding van Gods heilige geest het Lam waarheen het gaat (zie Openbaring 14:4)
óf:
men gaat de antichrist achterna onder leiding van het beest uit de zee (zie vers 3).

Zoals de geest van God de uitvoerder is van het plan van de Vader en van de Zoon, zo is het beest uit de zee de kracht waardoor satan en de antichrist in de wereld werken.
Satan zelf verbindt zich niet met de geest van de mens.
Hij blijft staan op het strand en gaat de zee niet in, maar geeft zijn macht over aan het beest.

Op de vraag:
Wie kan het tegen hem opnemen of zoals de grondtekst zegt: wie kan er oorlog tegen voeren? is de reactie:
Ik zag dat het beest en de koningen op aarde zich met hun troepen hadden verzameld om oorlog te voeren met de ruiter op het paard en zijn legermacht.
Het beest werd gevangengenomen, samen met de valse profeet die in zijn bijzijn tekenen had verricht, waardoor hij iedereen had misleid die het merkteken van het beest droeg en zijn beeld aanbad.
Levend werden ze in de vuurpoel met brandende zwavel gegooid
(Openbaring 19:19-20).

We merken in onze tijd dat de antichristelijke geest alle kerken, kringen en gemeenten probeert te beïnvloeden.
Overal vinden we mensen die luisteren naar de verleidingen van deze geest en die visies ontwikkelen of vasthouden die niet overeenkomen met de bedoeling van het woord van God.
Als we geleid worden door de geest van God, zullen we deze dwalingen opmerken en hen die erdoor misleid zijn, proberen weer op de juiste weg te krijgen.
Aan de vruchten kent men de boom.

13:5-6

Het beest kon zijn bek gebruiken (of: hem werd een bek gegeven) voor grootspraak en godslasteringen, en dat tweeënveertig maanden lang.
Het opende zijn bek en lasterde God, zijn naam en zijn woning en hen die in de hemel wonen.

Grondtekst: En werd gegeven aan hem (een) mond sprekende grote (dingen) en (gods)lasteringen en werd gegeven aan hem (vol)macht (te) maken maanden veertig twee.
En hij opende de mond van hem tot (gods)lastering tegen God, (om te) lasteren de naam van Hem en de tent(woning) van Hem en de in de hemel hun tent(woning) hebbenden.

In 2 Korintiërs 5:20 schrijft Paulus:
Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep.
Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen.

En Lucas 1:70 zegt:
… zoals hij van oudsher heeft beloofd bij monde van zijn heilige profeten ..
Zo heeft het rijk van de duisternis ook een mond of een spreekbuis nodig.
Een leugengeest kan alleen maar leugens in de wereld brengen door de mond van de mens.
Een geest van onreinheid heeft de mens nodig om zijn aard en zijn wezen in deze wereld te openbaren.
Ook het beest uit de afgrond, de geest van de antichrist, heeft vlees en bloed nodig om zich te kunnen manifesteren.
De mond van de geest van de antichrist is de antichrist of de schijnprofeet met zijn aanhang.
Johannes waarschuwt dat er in zijn tijd al veel schijnprofeten in de wereld zijn verschenen en dat er al veel antichristen zijn opgestaan (zie 1 Johannes 4:1 en 2:18).

We hebben al kunnen zien dat de antichrist ontkent dat Jezus Christus als mens gekomen is, dat wil zeggen dat Hij daarmee aangeeft dat een mens het Goddelijke niveau niet kan bereiken (zie 2 Johannes :7).
Deze schijnprofeten zijn dan ook niet gedrenkt met de geest van God, maar ze worden gebruikt door het beest.
Deze geest zal deze dwaling tot op het hoogste niveau ontwikkelen en tenslotte in Gods tempel (de mens) plaatsnemen (op de troon) en zich voordoen als God zelf (zie 2 Tessalonicenzen 2:4).

Daniël profeteert:
Hij zal in opstand komen (woorden spreken) tegen de hoogste God en de heiligen van de hoogste onderdrukken (zie Openbaring 7:25).
Ook heeft Daniël het over:
een mond vol grootspraak (zie Openbaring 7:8) en
de grootspraak van de horen (zie Openbaring 7:11).
Jezus spreekt over de verwoestende gruwel die op de heilige plaats staat (zie Matteüs 24:15).
De geest van de antichrist heeft alle eeuwen door belet dat de christenen belijden dat God door zijn geest in hen woont en in hen bewerkt wat Hij in de mens Jezus bewerkt heeft.
Nu komt de geest van de antichrist in de mens en doet hij zich openlijk voor als God zelf.

Het gaat bij God om de openbaring van zijn zonen die belijden:
Wij komen uit God voort.
Wie God kent luistert naar ons
(zie 1 Johannes 4:6).
Aan de andere kant gaat het de antichrist om de openbaring van zijn ‘zonen van de antichrist’, die het beest in zich als god erkennen.

De zware geestelijke wereldwijde pressie duurt tweeënveertig maanden, een vastgestelde en beperkte tijd.
Hij is specifiek gericht tegen de zonen van God, dat zijn zij die in de hemel wonen, de geestelijk gerichte gelovigen.
De lasteringen door het beest zijn tegen God, tegen zijn naam, dat is zijn wezen en tegen zijn woning, de mens in wie Hij woont.
De misleidende geest blijft tot het laatst aan toe ontkennen en bespotten dat God zijn woning heeft in de mens, dat wil zeggen: dat Hij door zijn geest met hem verbonden is.

Tegenover de natuurlijk gerichte gelovigen, die ‘op de aarde leven’ (zie vers 8, 12 en 14) staan de geestelijk georiënteerde zonen van God, die burgers zijn van Gods geestelijke koninkrijk.
Filippenzen 3:20:
Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel en van daar verwachten wij onze redder (of: hersteller), de Heer Jezus Christus.

13:7-8

Het mocht de strijd met de heiligen aanbinden en hen overwinnen.
Ook kreeg het macht over alle landen en volken, over mensen van elke stam en taal.
Alle mensen die op aarde leven zullen het beest aanbidden, iedereen van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, het boek van het Lam dat geslacht is.

Grondtekst: En werd gegeven aan hem oorlog (te) maken met de heiligen en (te) overwinnen hen; en werd gegeven aan hem (vol)macht over elke stam en taal en natie.
En zullen aanbidden het/hem al de wonenden op de aarde van wie niet geschreven zijn [/is] de namen in het boek van het leven van het Lam geslacht zijnde vanaf (de) grondlegging van (de) wereld.

Wanneer zij hun getuigenis hebben afgelegd, zal het beest dat uit de onderaardse diepte opstijgt de strijd met hen aanbinden, hen overwinnen en hen doden.
Dit vers uit Openbaring 11:7 correspondeert met de inhoud van bovenstaande teksten.
Hét thema van de Openbaring is de controverse tussen de gemeente van Jezus Christus en de schijngemeente.
Met de openbaring van de antichrist heeft de schijngemeente haar gruwelijkste vorm bereikt.
Zij is omgezet in een puur antichristelijke gemeente, waaruit ieder spoor van Goddelijk leven verdwenen is.

Zij overwint in deze wereld de heiligen, dat wil zeggen: de invloed van het (zich zo noemende) volk van God wordt geëlimineerd.
Als de getuigen opdracht krijgen te profeteren, krijgt ook het beest een spreekbuis: de antichrist.
Tweeënveertig maanden lang, een bepaalde periode, staan deze twee partijen tegenover elkaar.
Aan het eind van dit tijdperk wordt het bloed van heiligen en profeten vergoten (zie Openbaring 16:6).
Zij worden onthoofd omdat ze van Jezus hebben getuigd en omdat ze over God hebben gesproken (zie Openbaring 20:4).
De geestelijke verwarring en pressie worden zo groot, dat de zonen van God geen licht meer kunnen brengen in de duisternis.
Zij kunnen in deze geestelijke nacht niet meer werken (zie Johannes 9:4).
Door de dwalingen stagneert hun geestelijke leven (hun bloed wordt vergoten) en kunnen ze hun gedachten niet meer voeden met het woord van God.
De mogelijkheden worden hun daarvoor ontnomen.

Jezus zegt over dit tijdperk:
Want het zal een tijd zijn van enorme verschrikkingen, zoals er sinds het ontstaan van de wereld tot nu nooit geweest zijn en er ook niet meer zullen komen.
En als die tijd niet verkort zou worden, dan zou geen enkel mens worden gered; maar omwille van de uitverkorenen zal die tijd worden verkort
(Matteüs 24:21-22).

Het verkorten van die tijd wijst niet alleen op de tijdsduur, maar ook op de rustpauzes tussen de weeën in (zie o.a. Openbaring 9).
Er komt iedere keer weer een adempauze waarin de gelovigen de gelegenheid krijgen zich te herstellen en zich voor te bereiden op een nieuwe beproeving.
De overwinning van het beest op de zonen van God is eerder een uiterlijke dan een geestelijke zaak.
Aan de buitenkant lijkt het werk van God stil te liggen en lijken de zonen van God in de verste verte nog niet zichtbaar te worden.

De aanhangers van de antichrist zijn groot in aantal.
Maar zo is er aan de andere kant een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal.
In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het Lam
(zie Openbaring 7:9).
Zo rekruteert de antichrist zijn aanhangers en volgelingen ook uit alle landen en volken, uit elke stam en taalgroep.
De scheiding tussen de tarwe en het onkruid heeft dan volledig plaatsgevonden en zij is dus wereldwijd van omvang.
De mensen aanbidden dan óf de ware God óf men aanbidt het beest.
Men is óf ingeschreven in de registers van de gemeente van de antichrist óf in het boek van het leven, het boek van het Lam (zie Openbaring 21:27).
Het lijden en sterven van Jezus Christus, uitgebeeld door het geslachte lam, is de basis van het echte leven in verbinding met God.

De uitdrukking ‘vanaf het begin van de wereld’ geeft aan dat het plan van God vanaf het allereerste begin voorziet in de bevrijding van de mens uit de duisternis.
Bij elke zet van satan heeft God zijn tegenzet al voorbereid.
Hoe listig en sluw satan ook is, God komt nooit voor verrassingen te staan.
Waar het leven van de heiligen door de antichrist schijnbaar onmogelijk wordt gemaakt, juist daar is sprake van het boek van het leven, waaruit niemand hen kan verwijderen!

13:9-10

Wie oren heeft, moet horen.
Wie gevangenschap moet verduren, zal in gevangenschap gaan.
En wie door het zwaard moet sterven, zal sterven door het zwaard.
Hier komt het aan op de standvastigheid en trouw van de heiligen

Grondtekst: Indien iemand heeft (een) oor, hij moet horen!
Indien iemand (in) krijgsgevangenschap bijeendrijft in krijgsgevangenschap gaat hij heen; indien iemand met (het) zwaard zal doden, moet hij met (het) zwaard gedood worden.
Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.

Als er gezegd wordt: Wie oren heeft, moet horen, wordt de aandacht gevraagd voor wat er gebeuren gaat.
De gemeente van Jezus Christus wordt hier aangespoord om tot het einde toe aan het woord van God vast te houden.
Om te blijven streven naar het doel: het openbaren van het leven en de kracht van Jezus Christus in de gelovige, de volmaakte geestelijke mens.
Miljoenen gelovigen zijn in de afgelopen eeuwen gevangengenomen door wetten en regels en zij hebben nooit geweten van de mogelijkheid om door de geest van God geleid te worden.
Ze kunnen met Romeinen 6:7 zeggen: We waren aan de wet geketend …
Het zwaard van de antichrist is de leugen, waardoor hij het geestelijke leven bij zeer veel mensen heeft kunnen wegnemen.
Hij gebruikt daarvoor misleiding, maar ook intimidatie en pressie.

Ook in het natuurlijke leven heeft de moordzucht van satan zijn uitwerking niet gemist.
De machten van de duisternis die de geestelijke dood veroorzaken, inspireren hun ‘slachtoffers’ om gelovigen die anders durven te denken dan zij (de ‘ketters’), te vervolgen en uit te roeien.
In Openbaring 11 kunnen we hiervan een aantal voorbeelden zien.

Maar de zonen van God zijn niet bang voor wie wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden (zie Matteüs 10:28).
Het eeuwige leven met God kan nooit van deze heiligen afgenomen worden, want:
zij houden vast aan het woord van God en daarom zullen zij de dood nooit te zien krijgen! (zie Johannes 8:51).

Deze geestelijk inktzwarte duisternis zal over de hele aarde gaan, dus van grote invloed zijn op alle mensen die alleen maar rekening houden met uiterlijk godsdienstige zaken.
Want door hun gebrek aan inzicht in de geestelijke wereld hebben ze geen verweer tegen de (in)vloed van de demonie die het religieuze leven overspoelt.
Maar het volk van God wordt aangeraden zich opnieuw op de waarheden van het koninkrijk van God te bezinnen.
Het zal vooral in deze tijd moeten doorzetten om tot het laatst aan toe het geloof in het plan van God vast te houden.
En dit juist onder deze moeilijke omstandigheden als gevolg van de zware pressie en de terreur van de vijand.

Ze zullen met Paulus kunnen zeggen:
Mijn bloed wordt al als een offer uitgegoten, het moment waarop ik heenga nadert.
Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden.
Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien
(2 Timoteüs 4:6-8).
Paulus heeft aan het geloof in het plan van God vastgehouden!

De heiligen blijven in de overwinning geloven, zoals Johannes in zijn brief aan de gemeenten schrijft:
En de overwinning op de wereld hebben wij behaald met ons geloof (zie 1 Johannes 5:4).
Hun geloof is niet zonder resultaat, want we zien hen staan op de berg Sion, samen met het Lam (zie Openbaring 14:1).
Petrus zegt in dit verband:
In de Schrift staat immers:
In Sion leg Ik een hoeksteen die Ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit
(1 Petrus 2:6).
De berg Sion is een symbool van Gods heilige geest waarop de gemeente van Jezus Christus is gebaseerd.

13:11-12

Toen zag ik een tweede beest, dat opkwam uit de aarde.
Het had twee horens, net als een lam, en het sprak als een draak.
Voor de ogen van het eerste beest oefende het heel diens macht uit.
Het dwong de aarde en alle mensen die erop leefden het eerste beest, dat van zijn dodelijke verwonding genezen was, te aanbidden.

Grondtekst: En ik zag (een) ander beest opkomende uit de aarde en het horens twee, gelijkend op (een) lam en het sprak als (een) draak.
En de (vol)macht van het eerste beest alle oefent het uit voor het aangezicht van hem; en het maakt de aarde en de wonenden op haar dat zij aanbidden het beest eerste, van wie is genezen de wond van de dood van hem.

Er komt nu geen beest op uit de zee, maar uit de aarde.
De aarde is het beeld van het natuurlijk gerichte godsdienstige leven van de mensen.
Het beest uit de zee is de geest van de antichrist, maar het beest uit de aarde is de antichrist zelf.
De parallel ligt voor de hand:
In de gemeente van Jezus Christus zijn de Vader en de Zoon actief door de geest van de Vader, door wie Hij zich openbaart.
Hij is de geest van de waarheid (zie Johannes 14:17).
Zo openbaart de draak, de vijand van God, zich door de geest van de antichrist of de geest van de dwaling (zie 1 Johannes 4:6).

Jezus Christus is het woord van God dat vorm gekregen heeft in de mens.
Hij is dus de mond van God en Hij spreekt door (middel van) de geest van God.
Zo is de antichrist de mond van satan die door het beest uit de afgrond spreekt.
De Zoon van God is een mens en zo is ook de antichrist, het beest dat uit de aarde opkomt, een mens.
Jezus Christus is de echte profeet en de antichrist wordt de valse of schijnprofeet genoemd (zie Openbaring 19:20).

De horens die dit beest heeft, wijzen op geestelijke krachten.
Van het Lam wordt in Openbaring 5:6 gezegd dat het zeven horens heeft en zeven ogen die de zeven geesten van God voorstellen.
De twee horens van het Lam waarmee het zich in de wereld openbaart zijn die van de profetie en de geest van kracht, die tekenen en wonderen uitwerkt.
De antichrist spreekt als de draak, de aartsleugenaar of de vader van de leugen of de inspirator van alle dwalingen.
In 2 Tessalonicenzen 2:9-12 noemt de apostel deze horens van leugen en kracht:
De komst van de wetteloze mens is het werk van Satan en gaat gepaard met groot machtsvertoon en valse tekenen en wonderen …
Daarom treft God hen met verblinding, zodat ze dwalen en de leugen geloven.

Doordat ze de waarheid niet liefhebben, krijgen ze automatisch te maken met de leugen.
Doordat ze niet vóór Jezus zijn, de mens in wie God zichtbaar is geworden, zijn ze tégen Hem.
En dus ook tegen het plan van God.
In de geestelijke wereld is het een situatie van zwart of wit, van het één of het ander.
We kunnen door onze eigen keus bepalen aan welke kant we staan.

De wonderen van Jezus hebben altijd het herstel van de mens tot doel.
Valse of schijnwonderen zijn niet gericht op de bevrijding van de mens.
Jezus geneest zieken, bevrijdt geestelijk gebonden mensen en herstelt de mens zo naar lichaam, ziel en geest.
Zelfs het stilleggen van de storm was om zijn bange leerlingen te beschermen.
Als een fakir zich laat begraven om na enkele weken, door occulte krachten, levend tevoorschijn te komen, is dit wel een wonder, maar het heeft geen enkele zin.
Een heidense priester kan zich met messen steken zonder dat hij bloedt, maar het is een schijnwonder, het levert geen herstel op.

In de op uiterlijkheden georiënteerde godsdienstige wereld oefent de antichrist dus alle macht uit die hij van het beest uit de afgrond gekregen heeft.
Zij die op de aarde leven, die dus geen ‘burger in de hemel’ zijn, volgen de antichrist en daardoor aanbidden zij de geest die in hem woont.
Wie het beest uit de afgrond aanbidt, vereert de draak omdat hij aan het beest gezag gegeven heeft (zie vers 4).
De antichrist werkt met verborgen, occulte, ontwrichtende krachten die hij rechtstreeks uit het rijk van de duisternis krijgt.
De dodelijke wond aan de zesde kop, die van het occultisme, is weer genezen en sterker dan ooit ervoor ondersteunt hij de religie van de antichristelijke gemeente.

13:13-14

Het verrichtte indrukwekkende tekenen, het liet voor de ogen van de mensen zelfs vuur uit de hemel neerdalen op de aarde.
Het wist de mensen die op aarde leven te misleiden door de tekenen die het voor de ogen van het eerste beest kon verrichten.
Het droeg hun op een beeld te maken voor het beest dat ondanks zijn steekwond toch leefde.

Grondtekst: En het doet tekenen grote, zodat zelfs vuur het doet neerdalen uit de hemel naar de aarde voor het aangezicht van de mensen.
En het misleidt de wonenden op de aarde door de tekenen die gegeven werden aan hem (te) doen voor het aangezicht van het beest, zeggende tot de wonenden op de aarde (te) maken (een) beeld voor het beest dat heeft de wond van het zwaard en het leefde.

De antichrist is de wetteloze mens en in hem is de ongerechtigheid verpersoonlijkt, zoals in Jezus Christus de gerechtigheid een lichaam gekregen heeft.
De Farizeeën moeten van Jezus erkennen:
Deze man doet veel wondertekenen … (zie Johannes 11:47).
Maar de Heer heeft ook gewaarschuwd:
… er zullen valse messiassen en valse profeten komen, die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen verrichten om ook Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden (Matteüs 24:24).

Want het karakter van het rijk van de antichrist zal helemaal anders zijn dan van alle rijken die ooit op aarde geweest zijn.
Dat vierde dier duidt op een vierde koninkrijk dat op aarde zal komen, anders dan alle andere koninkrijken .. (zie Daniël 7:23).
Het krijgt zijn macht en kracht door een rechtstreekse verbinding met het rijk van de duisternis.
Van de zonen van God in de laatste tijd kunnen we zeggen dat aan hen het hele leger van de vijand onderworpen wordt.
Maar deze legermacht wordt eerst door de draak geplaatst onder het opperbevel van de antichrist en zijn aanhang.
Want hij neemt plaats in de tempel van God (de mens) om zich voor te doen als God zelf (zie 2 Tessalonicenzen 2:4).

De antichrist is een mens in wie de geest van de antichrist is gaan wonen.
Zo lezen we dat Christus in een mens gaat wonen, maar ook hier is sprake van: door de geest.
Op het commando van de antichrist komen de demonen en manifesteren zij zich in de zichtbare wereld.
Het beest doet vuur uit de hemel neerdalen op aarde.
Dit betekent dat de duistere geesten uit de onzichtbare wereld zich op zijn bevel openbaren in de zichtbare wereld.
Zelfs de meest verstokte materialist zal dan moeten erkennen dat hier bovennatuurlijke krachten in het spel zijn.

Ook zal het beest door deze occulte macht de ‘aarde’ onderwerpen, dus alle mensen die niet in verbinding met God leven, maar die alleen een uiterlijke religie praktiseren.
Wie niet geleid wordt door Gods geest, dus wie niet beschikt over de krachten van het toekomstige vrederijk, wordt een prooi van deze ontketening van bovennatuurlijke krachten.

Sommige uitleggers maken verschil tussen de antichrist en de valse of schijnprofeet.
Zij menen dat dit twee verschillende figuren zijn.
Maar de geest van de antichrist is de geest van de schijnprofetie en daarom is de antichrist de schijnprofeet.
In hem vinden we de geest van de dwaling gepersonifieerd, zoals de geest van de waarheid in Jezus Christus een lichaam heeft gekregen, dus zichtbaar is geworden.
1 Johannes 4:6:
Wij komen uit God voort.
Wie God kent luistert naar ons.
Wie niet uit God voortkomt luistert niet naar ons.
Hieraan kunnen we de geest van de waarheid en de geest van de dwaling herkennen.

Door de schijnwonderen en -tekenen wordt de grote massa verleid.
Deze verleiding vindt haar climax in de vorming van een beeld voor het beest uit de afgrond:
op de puinhopen van Babylon, de afgevallen schijngemeente, verrijst een gemeente die iedere band met God en zijn Zoon doorgesneden heeft.
Bestaat er een grotere leugenaar dan iemand die ontkent dat Jezus de Christus is?
De antichrist is ieder die de Vader en de Zoon niet erkent
(1 Johannes 2:22).
We zien dat in de laatste tijd een gemeente van Christus ontstaat waarvan de leden een exacte afbeelding zijn geworden van de Zoon van God.
Romeinen 8:29 zegt in dit verband:
Wie Hij al van tevoren heeft uitgekozen, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeborene moest zijn van talloze broeders en zusters.

Maar er vormt zich aan de andere kant een antichristelijke gemeente die een afbeelding, uitdrukking of beeld is van de antichrist.
Duidelijk wordt vermeld dat deze gemeente gebaseerd is op een bovennatuurlijk contact met het rijk van de duisternis door middel van het beest in wie de wond van het zwaard nog zichtbaar is.

13:15

Het kreeg de macht om dat beeld leven in te blazen zodat het beeld van het beest ook kon spreken en ervoor kon zorgen dat iedereen die het beeld niet aanbad, gedood zou worden.

Grondtekst: En werd gegeven aan hem (te) geven (een) geest aan het beeld van het beest, opdat ook spreekt het beeld van het beest en het maakt zovelen als ook maar niet aanbidden het beeld van het beest dat zij gedood worden.

Op de Pinksterdag zegt Petrus in Handelingen 2:33 over het uitgieten van de geest van God:
Hij is door God verheven, zit aan zijn rechterhand en heeft van de Vader de heilige geest, die ons beloofd is, ontvangen.
Die geest heeft Hij op ons doen neerdalen
(grondtekst: die Hij heeft uitgestort) en dat is wat u ziet en hoort.
De geest van de waarheid wordt door Jezus gegeven:
… de pleitbezorger (of: de plaatsvervanger van Jezus), de heilige geest die de Vader jullie namens Mij zal zenden (zie Johannes 14:26).

De gemeente van de laatste tijd wordt door Jezus Christus gedoopt in en vervuld met Gods heilige geest.
Daar tegenover staat de gemeente van de antichrist die ook een geest krijgt.
Er is aan de ene kant de doop in de geest van God en aan de andere kant de doop in de geest van de antichrist.
De zonen van God spreken en handelen in de autoriteit van Jezus en in zijn kracht verrichten zij grote wonderen en tekenen.
Zo spreken ook de leden van de antichristelijke gemeente in de autoriteit van het beest uit de aarde.
In vers 5 zien we dat het beest een bek krijgt om de gedachten van de antichrist in deze wereld te openbaren.
De gemeente van de antichrist is een nabootsing van de zonen van God die de woorden spreken van Jezus Christus en zijn werken doen.

De antichrist eist dat iedereen die zich bij zijn gemeente voegt, haar eert en zich één maakt met haar gedachtenwereld.
Dit is: het beeld aanbidden.
Wie zich niet onderwerpt of ervoor buigt en niet de bescherming van God heeft, wordt een prooi van de dood.
Zijn geest wordt totaal gedemoniseerd en alles wat er nog over is van het eigen leven of dat van God, verdwijnt uit hem.

Een voorafspiegeling hiervan vinden we in Daniël 3, waar koning Nebukadnezar eist dat iedereen zich voor het gouden beeld in het dal Dura neerbuigt.
Wie weigert wordt in de vuuroven gegooid, beeld van de demonische concentratie.
Ook daar lezen we dat de vertegenwoordigers van ieder volk, elke taalgroep en natie moeten knielen voor het beeld.
We zien dat in de Openbaring beschreven wordt hoe de antichrist de schijngemeente gaat beheersen.
En in Daniël 7:23 wordt aangegeven dat deze antichristelijke macht ook een wereldreligie wordt, die alle mensen die niet met God verbonden zijn, zal verslinden, vertrappen en vermorzelen.

Het beeld van de antichrist is een keurbende die vervuld is met de geest van de antichrist.
Vrijwel alle mensen ‘op aarde’ met hun schijngodsdiensten vereren deze manifestatie van geestelijke kracht.
In Genesis 11 zien we hoe de inwoners van het land Sinear een stad bouwen met een (‘heilige’) toren, waarvan de top tot in de hemel moet reiken.
Volgens de archeologen hebben we hier te doen met een tempel van een aantal verdiepingen, die zikkurat (Hochtempel) genoemd wordt.
In de bovenste verdieping houden de priesters hun seances en zoeken ze contact met de onzichtbare wereld.
De top van de toren moet ‘tot in de hemel reiken’, dat wil zeggen dat men van daaruit gemeenschap kan hebben met de geestenwereld.
Omdat men één van gedachten is, één van geest en één van taal, worden de krachten van het rijk van de duisternis door de mens samengebundeld tot een enorme geestelijke macht.
De Heer ziet dit en overweegt bij zichzelf:
Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal en wat ze nu doen is nog maar het begin.
Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik
(naar vers 6).

Als mensen contact hebben met demonen krijgen ze het vermogen om verschillende (geestelijke, door demonen geïnspireerde) talen te spreken.
Maar de talen die zij uit de geestenwereld overnemen bouwen hen niet op, maar brengen hen in tegendeel in een enorme verwarring.
God is dus niet de oorzaak van de talenchaos die daardoor ontstaat, want Hij is geen God van wanorde (zie 1 Korintiërs 14:33).

Door het spreken van verschillende talen komt er verwijdering tussen de groepen bouwers.
Hieruit blijkt dat ‘Babylon’ en ‘Pinksteren’ tegengesteld aan elkaar zijn.
Want ook de geest van God doet ons geestelijke of nieuwe talen spreken, maar hierdoor worden de gelovigen opgebouwd en komen ze dichter bij God en bij elkaar.
In Babylon wordt de mensenwereld door het ‘talenwonder’ geestelijk verdeeld.
In plaats van één wereldgodsdienst ontstaan er veel verschillende religies die elkaar haten en bestrijden.

Elke religie wordt gedomineerd door haar eigen demonische oppervorst of grootvorst.
Door deze verdeeldheid van de religies kan het volk van God in zekere zin rustig en ongestoord leven, in alle vroomheid en waardigheid (zie 1 Timoteüs 2:2).
Als een land of volk slechts één (officiële) religie kent, hebben andersdenkenden meestal te maken met verdrukking en vervolging.

Een magneet ontleent zijn kracht aan het feit dat de moleculen niet door elkaar liggen, maar gericht zijn.
Zo ontleent de antichrist in de laatste tijd zijn grote kracht daaraan dat hij de wereld van de demonen en zijn gemeente samen (weer) op één doel weet te richten.
Dit vindt dan zijn climax in het optrekken van zijn legers naar Harmagedon, waarvan in Openbaring 19:19 staat:
Ik zag dat het beest en de koningen op aarde zich met hun troepen hadden verzameld om oorlog te voeren met de ruiter op het paard en zijn legermacht.
Maar dan is, ondanks deze concentratie van helse machten, de overwinning aan de Koning van de koningen en aan het leger dat Hem volgt.
De overwinning is aan Jezus Christus, samen met zijn gemeente!

13:16-18

Verder liet het bij alle mensen, jong en oud, rijk en arm, slaaf en vrije, een merkteken zetten op hun rechterhand of op hun voorhoofd.
Alleen mensen met dat teken – dat wil zeggen de naam van het beest of het getal van die naam – konden iets kopen of verkopen.
Hier komt het aan op wijsheid.
Laat ieder die inzicht heeft het getal van het beest ontcijferen; er wordt een mens mee aangeduid.
Het getal is zeshonderdzesenzestig.

Grondtekst: En het maakt allen, de kleinen en de groten en de rijken en de armen en de vrijen en de slaven, dat het geeft hun (een) merkteken op de hand van hen de rechter, of op de voorhoofden van hen.
En dat niet iemand kan kopen of verkopen, behalve de hebbende het merkteken of de naam van het beest, of het getal van de naam van hem.
Hier de wijsheid is; de hebbende het verstand, moet berekenen het getal van het beest; (een) getal want van (een) mens het is en het getal van hem (is) 666.

De zonen van God hebben een merkteken of een afdruk of stempel op hun rechterhand of op hun voorhoofd.
Efeziërs 1:13:
In Hem hebt ook u de boodschap van de waarheid gehoord, het evangelie van uw redding, in Hem bent u, door uw geloof, gemerkt met het stempel van de heilige geest die ons beloofd is.
Efeziërs 4:30:
Maak Gods heilige geest niet bedroefd, want Hij is het stempel waarmee u gemerkt bent voor de dag van de verlossing.
Openbaring 7:3:
Laat het land en de zee en ook de bomen nog ongemoeid!
Eerst moeten wij het zegel van onze God op het voorhoofd van zijn dienaren aanbrengen.

Openbaring 7:4:
Toen hoorde ik het aantal van hen die het zegel droegen: honderdvierenveertigduizend in totaal, afkomstig uit elke stam van Israël.
Ze zijn gedoopt in en vervuld met Gods heilige geest, die door Hem al eeuwen geleden beloofd is.

Maar ook de gemeente van de antichrist heeft haar teken, waaraan haar leden direct te herkennen zijn.
Ze zijn gebrandmerkt als beelddragers van de antichrist en in hen werkt de geest van de wetteloosheid.
Een merkteken op hun voorhoofd of op hun rechterhand wil zeggen dat hun denken én doen rechtstreeks onder invloed van het rijk van de duisternis staan.

Zoals de gemeente van Jezus Christus dan de volheid van de geest van de waarheid krijgt, zo zijn deze antichristenen volledig in bezit genomen door de geest van de dwaling.
Als tegenstelling hiervan zien we in het volgende hoofdstuk dat op het voorhoofd van de zonen van God de namen van de Vader en van de Zoon staan.

De antichristelijke gemeente is een wereldwijde organisatie.
Ze bestaat uit rijken en armen wat betreft kracht, macht, kennis en cultuur.
In haar zijn mensen die zelf uitmaken wat ze willen (de vrijen) en anderen die alleen maar kunnen doen wat anderen hun voorschrijven (de slaven).
Ook zijn er groten en kleinen onder deze zonen van het verderf (of van verwoesting of ondergang).

Ook in de gemeente van Jezus Christus vinden we groten en kleinen (zie Openbaring 11:18 NBG en grondtekst), mensen met veel kracht en gezag en anderen die geestelijk minder zijn ontwikkeld.
Het rijk van de antichrist en de gemeente van de antichrist zijn de antipoden van het rijk van God en van de gemeente van Jezus Christus.
In Daniël 7:25 staat van de antichrist dat hij eropuit zal zijn feesten (tijden) en de wet van God en de heiligen te veranderen.
Zijn volgelingen haten en bespotten het woord van God, dat inhoudt dat God wil dat de overwinnaars naast Jezus Christus plaatsnemen op zijn troon (zie Openbaring 3:21).

2 Tessalonicenzen 2:3 zegt:
Laat u door niemand misleiden, op geen enkele manier.
De dag van de Heer breekt niet aan voordat velen zich van het geloof hebben afgekeerd en de wetteloze mens verschenen is, hij die verloren zal gaan.

Na de grote afval zal de wetteloze mens(heid) zich openbaren.
Jesaja zegt hierover al het volgende:
Wee degenen die het kwade goed noemen
en het goede kwaad,
die het licht tot duisternis maken
en het duister tot licht,
die van zoet bitter maken
en van bitter zoet
(5:20).

In onze tijd begrijpen we steeds meer van die verandering van zeden, gewoonten en normen.
We kunnen hierbij bijvoorbeeld denken aan het tolereren van ontrouw in het huwelijk en allerlei niet door God bedoelde samenlevingsvormen en geaardheden.
Verder is er steeds meer liefde voor genot dan voor het leven met God.
Eigenbelang gaat hierbij vaak voorop.
Men heeft steeds minder over voor zijn naaste omdat de liefde steeds minder wordt.
Religieuze leiders grijpen hier niet in, maar gaan hierin zelfs voorop!

Tussen de gemeente van Jezus Christus en de gemeente van de antichrist is geen uitwisseling van gedachten en innerlijk contact meer mogelijk.
Men staat óf totaal in dienst van de ongerechtigheid óf men volgt het Lam en wordt zo een volmaakt rechtvaardige.
De echte christen kan niet meer ‘kopen of verkopen’ zonder met de zonde in aanraking te komen.
Voor hem is uitwisseling van contacten met religieus andersdenkenden in de laatste tijd niet meer mogelijk of gewenst.

Volledige werkelijkheid wordt dan wat staat in 2 Johannes 1:7-11:
Er zijn veel dwaalleraren in de wereld verschenen die de komst van Jezus Christus als mens niet belijden.
Dat nu is de verleider, de antichrist!
Wees op uw hoede en verspeel niet wat we bereikt hebben, maar zorg dat u het volle loon ontvangt.
Wie niet bij de leer van Christus blijft maar verder wil gaan, heeft God niet.
Wie bij die leer blijft, heeft zowel de Vader als de Zoon.
Als er iemand bij u komt die deze leer niet uitdraagt, ontvang hem dan niet in uw huis en groet hem niet,
want wie zo iemand groet, is medeplichtig aan zijn kwalijke praktijken.

Johannes spreekt over het merkteken van het beest, de naam van het beest en het getal van zijn naam.
In Openbaring 14:11 wordt het merkteken van zijn naam behandeld.
We hebben al eerder gezien dat de naam van het beest de geest van de dwaling, die van de antichrist of van de wetteloosheid is.
Er is verstand of inzicht in de geestelijke wereld nodig om het getal van zijn naam te ontcijferen en ook wijsheid en praktische kennis.

Johannes schrijft niet voor mensen die uit de krant en via radio, tv of social media de kenmerken of tekenen van de tijd willen opmaken.
Maar hij schrijft voor hen die de woorden van deze profetie horen en zich houden aan wat er gezegd wordt (zie Openbaring 1:3).
De media brengen het nieuws van de zichtbare wereld, maar geven ons geen inzicht in het geestelijke gebeuren dat hierachter zit.
Ook is er geen kennis van Hebreeuws en Grieks nodig om het getal van de naam van het beest te ontcijferen, zoals de kanttekenaars van de Statenvertaling dit doen.

Zij nemen aan dat de paus de antichrist is.
Hij is het hoofd van de roomse of Latijnse kerk, waar de kerktaal Latijn is (was) en de Vulgata de Latijnse vertaling van de Bijbel.
Nu hebben in het Grieks de letters, net als de Latijnse, een getalswaarde.
Men kan dus de getallen volledig uitschrijven of aangeven door letters van het alfabet.
De cijferwaarde van ‘lateinos’ wordt dan: l = 30, a = 1, t = 300, e (epsilon) = 5, i = 10, n = 50, o = 70 en s = 200.
Samen 666.

Veel uitleggers hebben ‘met spits vernuft’ geprobeerd om historische personen zo als antichrist te bestempelen, zoals Nero, Napoleon, Mussolini, enzovoort.
Bij de naam Jezus, in het Grieks gespeld, komt men zo aan het getal 888: j = 10, e (éta) = 8, s = 200, o = 70, u = 400 en s = 200.
Kurios (Heer) wordt dan 800, Christos 1480 (8 maal 185).
Het is een voorrecht om deze oude, dode talen te kennen, maar het is zeker niet de bedoeling van de geest van God dat zijn volk zich in de laatste tijd met zulke woordpuzzels bezighoudt.

In Openbaring 17:9 wordt opnieuw op het feit gewezen dat men verstand en wijsheid nodig heeft om het mysterie van het merkteken te doorgronden.
We hebben al eerder gezien dat de geest van het occultisme, de zesde kop, de eigenlijke en blijvende kop van het beest is.
We moeten, ook in dit opzicht, Bijbelgedeelten verklaren door deze te vergelijken met andere.

Het getal zes wijst op de kracht van het occultisme, waardoor de hele macht van de antichrist met de afgrond of het rijk van de dood in verbinding staat.
Het getal dat bij het beest uit de afgrond, bij het beest uit de aarde en bij het beeld hoort, is dus het getal zes.
Wanneer gezegd wordt dat het getal ontcijferd moet worden, terwijl op hetzelfde moment het getal zeshonderdzesenzestig wordt genoemd, betekent dit dat het getal ‘verklaard’ moet worden.
Er wordt niet gezegd dat we de berekening pas kunnen maken of de verklaring ervan geven als de laatste tijd gekomen is en de antichrist zich geopenbaard heeft.
Er wordt gezegd: laat ieder die inzicht heeft het getal van het beest ontcijferen.

Het beest hoort bij de onzichtbare wereld, maar het getal van het beest is dat van de mens.
Eenzelfde opmerking vinden we ook in Openbaring 21:17, waar staat: ‘mensenmaat, die ook engelenmaat is.’
Het getal zeshonderdzesenzestig bestrijkt dus twee sferen: de onzichtbare, geestelijke en de zichtbare, natuurlijke.
Zowel de geest van de antichrist als de antichrist en de gemeente van de antichrist zijn erbij betrokken.
In het oude verbond vinden we een voorafspiegeling of voorafschaduwing van dit beeld in het beeld van Nebukadnezar
Er valt direct op dat hier maar twee afmetingen genoemd worden: de hoogte is zestig el en de breedte zes el.

De verhouding 10:1 wijst erop dat het hier om een beeld van abnormale proporties gaat, terwijl ook daar sprake is van afschuwelijke afgoderij en gemeenschap met demonen (zie 1 Korintiërs 10:20).
Johannes gebruikt nu het getal zeshonderdzesenzestig om in de wetteloosheid nog een extra dimensie aan te brengen.
Het gaat hier niet meer om contact met demonen door middel van afgoden of afgodsbeelden, maar om directe gemeenschap met de draak en het beest langs paranormale weg.
De antichristelijke gemeente is een puur spiritualistische gemeenschap.
Haar contact met demonen loopt niet via overleden mensen of schijngoden, maar in haar heeft de menselijke geest rechtstreeks gemeenschap met de geest van de afgrond.

Daarmee imiteert deze gemeente de directe gemeenschap van de menselijke geest met Gods geest.
Deze heilige geest maakt de mens tot een heilige tempel waarin God woont.
Zo zal de geest van de antichrist zich ook (wetteloos) vestigen in de mens, in de tempel die God toebehoort.
Hij manifesteert zich hierbij door middel van wonderen en tekenen en doet zich zo voor als God.
2 Tessalonicenzen 2:4:
Hij zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf.

Hoofdstuk 14

14:1

Toen zag ik dit: het Lam stond op de Sion en bij het Lam waren honderdvierenveertigduizend mensen die zijn naam en die van zijn Vader op hun voorhoofd hadden.

Grondtekst: En ik zag en zie, Lam staande op de berg Sion en met Hem honderd veertig vier duizend, hebbende de naam van de Vader van Hem geschreven zijnde op de voorhoofden van hen.

Nadat Johannes in Openbaring 13 in visioenen en symbolen de opkomst van de antichristelijke gemeente ziet, toont Gods geest hem nu een oneindig lieflijker toneel
Hij ziet de voltooiing van de gemeente van Jezus Christus, waarvan de leden zijn geestelijke niveau bereikt hebben.
Hij beschrijft het ogenblik dat de gemeente van de laatste tijd in een ondeelbaar moment uit de invloedssfeer van het natuurlijke leven wordt weggenomen.
Het zijn dezelfde honderdvierenveertigduizend van wie we in Openbaring 7:4 lezen dat zij verzegeld worden met de heilige geest van God, een andere omschrijving voor de doop in en het vol worden van deze geest.

Nu zien we hoe deze verzegelden door de zware geestelijke pressie zijn gekomen en door de kracht van Gods geest de overwinning behaald hebben.
Wat is het boek Openbaring toch een geweldig troostboek voor de gemeente in deze laatste tijd!
In een groot aantal beelden zien we dat na de periode van de zware geestelijke pressie en verzoeking, nu ook de grote uitkomst gegeven wordt.

Het is duidelijk dat we de berg Sion niet geografisch moeten zien.
We moeten deze berg in en vanuit de geestelijke wereld verklaren.
Zo verklaren we ook de woorden Lam, honderdvierenveertigduizend en de naam op hun voorhoofden niet natuurlijk.
We moeten deze zien als afbeeldingen van geestelijke werkelijkheden.
Zo blijven we in de lijn van het boek Openbaring als geheel.
Want dit boek geeft ons een verklaring van de visioenen die gaan over de geestelijke ontwikkeling van de gemeente van Jezus Christus en van de schijngemeente in de afgelopen eeuwen.

De tijd van het oude verbond is een voorafschaduwing of voorafspiegeling van die van het nieuwe verbond.
Kolossenzen 2:17:
Dit alles (de wet en de uiterlijke regels) is slechts een schaduw van wat komt – de werkelijkheid is Christus.
Hebreeën 8:15:
Zij verrichten hun dienst in wat de afspiegeling en de voorafschaduwing is van het hemelse heiligdom, zoals dat aan Mozes geopenbaard werd …
Hebreeën 10:1:
Omdat de wet slechts een voorafschaduwing toont van al het goede dat nog komen moet en daarvan niet de gestalte zelf laat zien.
In deze periode ligt de tempel op de berg Sion.
Psalm 9:12:
Zing voor de Heer die zetelt op de Sion,
maak aan de volken zijn daden bekend.

Ook Jesaja zegt in 8:18:
Ik ben, met de kinderen die de Heer Mij heeft gegeven, een teken voor Israël, een zinnebeeld van de Heer van de hemelse machten, die op de Sion woont.

In het nieuwe verbond is de berg Sion opnieuw de tempelberg, maar dan in de geestelijke, onzichtbare wereld.
We zien dat bergen symbolen zijn van geestelijke machten en de Sion is dat van de macht van Gods heilige geest.
Op deze geestelijke berg worden wij samen opgebouwd tot een plaats waar God woont door zijn geest (zie Efeziërs 2:22).
De tempel van God is in de hemel (zie Openbaring 11:19).

Jezus zelf is de hoeksteen, de steen die richting en steun geeft aan het hele gebouw, dat is: zijn gemeente.
De gelovigen moeten gefundeerd en verder gebouwd worden op deze steen, zoals in Romeinen 9:33 staat:
In Sion leg ik een steen neer waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot.
Maar wie in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit.

Niet alleen Paulus, de apostel voor de volken, gaat van deze geestelijke betekenis uit, maar ook Petrus.
Deze werkt dit beeld uit als hij schrijft in 1 Petrus 2:4-6:
Voeg u bij Hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel.
Vorm een heilig priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn.
In de Schrift staat immers:
In Sion leg ik een hoeksteen die Ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit.

De tempel van God ontstaat en groeit dus doordat op Jezus Christus als eerste steen de andere levende stenen gebouwd worden.
En zo wordt deze tempel gedragen door de geest van God, uitgebeeld door de berg Sion.
Ook Hebreeën 12:22 verwijst ons naar deze geestelijke berg:
Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem …
En wie mogen deze berg beklimmen: de top, het doel bereiken, zoals de psalmist de vraag stelt?
Wie mag de berg van de Heer bestijgen,
wie mag staan op zijn heilige plaats?
Wie reine handen heeft en een zuiver hart,
zich niet inlaat met leugens
en niet bedrieglijk zweert
(Psalm 24:3-4).
Vrij vertaald: alleen rechtvaardigen kunnen en mogen de volheid van Gods heilige geest in hun leven realiseren.

Helaas vallen veel mensen terug bij het bestijgen van de berg Sion.
Voor hen blijkt de weg van het geloof in het einddoel te moeilijk.
Ze glijden terug door verslapping en door de obstakels (zonden, tegenstand, misleiding, e.d.) die ze onderweg tegenkomen.
Maar de gemeente van Jezus Christus bereikt in de laatste tijd de top en daarmee dus het einddoel van het geloof.
Dit is mogelijk omdat er een Lam is, van wie in het begin van het boek Openbaring geschreven staat:
Aan Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft bevrijd door zijn bloed,
die een koninkrijk uit ons gevormd heeft en ons heeft gemaakt tot priesters voor God, zijn Vader – aan Hem komt de eer toe en de macht, tot in eeuwigheid. Amen
(Openbaring 1:5 ged. en 6).

Voor deze honderdvierenveertigduizend is waar geworden:
Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God (zie Lucas 18:27).
Het is het geheim van de laatste tijd als de geest van God in overvloed uitgegoten wordt om het werk van Jezus Christus op aarde te realiseren.
Dit werk bestaat uit:

We kunnen ook in Openbaring 7 al lezen over deze honderdvierenveertigduizend verzegelden uit de enorm rijke schakering van het Israël van God, dus het geestelijke Israël.
Nu hebben zij het einddoel van hun geloof, het totale herstel van ziel en geest bereikt.
De tempel van God in de geestelijke wereld is afgebouwd.
De geweldige zuilengalerij die dit bouwwerk ondersteunt, laat zien wie deze zonen van God in de laatste tijd zijn.
In Openbaring 3:12 staat over hen:
Wie overwint maak Ik tot een zuil in de tempel van mijn God.
Daar zal hij voor altijd blijven staan.
Ik zal op hem de naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen en ook mijn eigen nieuwe naam.

Deze overwinnaars hebben een compleet nieuw gedachtenleven ontwikkeld.
Ze denken alleen nog vanuit geestelijk perspectief en ze laten zich niet (meer) leiden door de zichtbare dingen.
Ze hebben inzicht in de geestelijke wereld.
Want zij doen wat staat in Kolossenzen 3:2:
Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is.
Of, zoals de NBG vertaalt:
Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Hun lichaam kan nu in een ondeelbaar moment veranderd worden in een geestelijk lichaam, omdat hun onzichtbare, innerlijke mens volledig vernieuwd is.
Daarom staan de namen van het Lam en van de Vader op hun voorhoofd geschreven.
Dit in tegenstelling tot de volgelingen van de antichrist, die het merkteken van het beest op hun voorhoofd krijgen.
Voorhoofd staat voor hun denken, hun gedachtenwereld.

In Openbaring 7:3 heten de honderdvierenveertigduizend dienaren van God.
Want zij hebben geestelijk eenzelfde voorkomen als van het Lam, de dienaar van de Heer uit Jesaja 53.
Want ook zij zijn dóór de grote geestelijke pressie gegaan en ze zijn er doorheen gekomen (zie Openbaring 7:14).
Zij zijn aan hun Heer gelijkvormig geworden, ze hebben zijn geestelijke statuur verkregen.

In deze wereld tellen ze in het maatschappelijke, culturele en politieke leven niet of nauwelijks mee.
Het zijn meestal onopvallende mensen en ze hebben op het zichtbare vlak vaak niet veel in te brengen.
Ze worden om hun ‘vreemde ideeën’ misschien zelfs geminacht en zo horen ze min of meer bij de verschoppelingen van de maatschappij.
Als ze bespot of vervolgd worden om hun geloof zijn ze als ‘lammeren die geslacht worden’: ze doen hun mond niet open tegen hun vervolgers.
Naar Jesaja 53:7:
Ze worden mishandeld, maar verzetten zich niet en doen hun mond niet open.
Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders doen zij hun mond niet open.

Maar in geestelijk opzicht zijn ze overwinnaars en sterk verbonden met hun Meester die hen met zijn leven heeft vrijgekocht.
Daarom kunnen ze ook hun aardse vijanden liefhebben en bidden voor hun vervolgers.
Als satan hen wil misleiden of verleiden vindt hij bij hen geen enkel aanknopingspunt meer, net als bij Jezus.
Johannes 14:30 NBG:
Niet veel zal Ik meer met u spreken, want de overste der wereld komt en heeft aan Mij niets (of NBV: hij heeft geen macht over Mij).

Wat een geweldige belofte houdt dit visioen in!
Want in de laatste tijd zal God zijn geest uitgieten zoals nog nooit eerder is gebeurd.
Dan wordt de berg Sion een bijzonder hoge en opvallende berg.
Eens zal de dag komen dat de berg
met de tempel van de Heer rotsvast zal staan,
verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.
Alle volken zullen daar samenstromen,
machtige naties zullen zeggen:
Laten we optrekken naar de berg van de Heer,
naar de tempel van Jakobs God.
Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,
en wij zullen zijn paden bewandelen.’
Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,
vanuit Jeruzalem spreekt de Heer
(Jesaja 2:2-3).
Hiermee stemt overeen Efeziërs 3:10 NBG:
… opdat nu door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekend zou worden,

Het zal een tijd zijn van bloed en vuur en zuilen van rook (zie Joël 3:3), van beproeving en pressie, maar voor wie gelooft geldt de belofte uit Joël 3:5:
Dan zal ieder die de naam van de Heer aanroept ontkomen:
op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden,
zoals de Heer heeft beloofd;
ieder die Hij roept zal worden gered.

In Sion, de gemeente van Jezus Christus, vol van de geest van God, zullen gevonden worden:

14:2-3

Ik hoorde uit de hemel een geluid komen dat klonk als het geluid van geweldige watermassa’s, van zware donderslagen; het klonk als het geluid dat muzikanten maken die op de lier spelen.
Er werd voor de troon en voor de vier wezens en de oudsten iets gezongen dat leek op een nieuw lied.
Niemand kon het lied begrijpen, behalve de honderdvierenveertigduizend mensen die van de aarde zijn vrijgekocht.

Grondtekst: En ik hoorde (een) stem uit de hemel als (een) stem van wateren vele en als (een) stem van donder grote en (een) stem ik hoorde van lierzangers lier spelende op de lieren van hen.
En zij zingen als (een) lied nieuw voor het aangezicht van de troon en voor het aangezicht van de vier levende wezens en van de oudsten.
En niemand kon leren het lied, behalve de honderd veertig vier duizend, de gekocht zijnden van de aarde.

Johannes ziet in zijn visioen de honderdvierenveertigduizend staan op de berg Sion, maar hij hoort bovendien hun stem in de geestelijke wereld.
Hij hoort een geluid als van een machtige waterval die zich in een diepe ravijn stort.
Het komt uit de mond van de zangers, de onafzienbare menigte die niet te tellen is, uit alle landen en volken, uit elke stam en taalgroep.
De donderslagen wijzen op de enorme doorwerking van de kracht van Gods heilige geest in deze vrijgekochte mensheid.

De menigte vormt dus een geestelijke eenheid, hoewel er een rijke variatie aan geluid is.
Dit geluid klinkt ook als muziek van lieren, een uiting van grote blijdschap van mensen die ontsnapt zijn aan hun vijand!
Want in Openbaring 15:2 zien we dat zij die op de lieren spelen op de oever van de ‘glazen zee’ staan en het lied zingen van Mozes, de dienaar van God en het lied van het Lam.
De vlucht door de Rode Zee is het beeld van de laatste fase van de zware pressie: het veilig trekken door de zee als van glas, met vuur vermengd (zie Openbaring 15:2).
Het volk van God trekt juichend door de drooggevallen zee op weg naar zijn doel:
U brengt hen naar de berg die uw domein is, Heer,
en daar zult U hen planten,
in uw eigen woning, het heiligdom door U gebouwd
(Exodus 15:17).

Maar de Farao-van-de-laatste-tijd met zijn wapentuig en zijn leger van demonen komen om in deze zee.,
Exodus 15:4, 5:9-10:
De wagens van de farao slingerde Hij in zee.
Daar, in de Rietzee, verdronk het leger,
zijn beste officieren kwamen om.
Wild kolkend water overspoelde hen,
ze verdwenen in de diepte, zonken als een steen.
De vijand dacht: Ik achtervolg hen, haal hen in, verdeel de buit.
Weldra wordt mijn wraaklust bevredigd,
ik trek mijn zwaard, ik onderwerp hen weer.
Maar U blies, uw adem waaide en de zee bedekte hen,
zij kwamen om in het ontzagwekkende water,
ze zonken weg als lood.

Openbaring 19:20:
Het beest werd gevangengenomen, samen met de valse profeet die in zijn bijzijn tekenen had verricht, waardoor hij iedereen had misleid die het merkteken van het beest droeg en zijn beeld aanbad.
Levend werden ze in de vuurpoel met brandende zwavel gegooid.

In het lied van Mozes in Exodus vinden we dus de twee beelden van de zonen van God in één profetie.
Het is het volk dat door de zee trekt en de veilige oever bereikt en het is ook het volk dat geplant wordt op de berg Sion.
Zo is ook hier weer het oude verbond de voorafspiegeling van het nieuwe.
De Rode Zee, de tempelberg en de priesters zijn niet de werkelijkheid, maar ze zijn niets anders dan afbeeldingen van de geestelijke zaken die Johannes in visioenen ziet.

Maar ook een ‘gezicht’ is niet de eigenlijke zaak zelf, maar een vergelijking ervan.
Als we de voorstelling letterlijk natuurlijk nemen, maken we een chaos van het gezicht en krijgen we een bijzonder warrige uitleg.
Een letterlijke natuurlijke verklaring is dan als volgt:
honderdvierenveertigduizend mensen staan samen op de top van een berg,
ze hebben allemaal twee namen op hun voorhoofd,
ze spelen allemaal op een lier,
om maar niet te spreken van het (geslachte) lam dat zich onder deze onafzienbare menigte ophoudt.

Als we het zó uitleggen laten we zien dat we nog nooit een visioen of een (hemels) gezicht hebben gehad of in elk geval de geestelijke waarde ervan niet begrijpen.
We kunnen dus nooit zeggen, zoals anderen dit wel doen:
”Men moet lezen wat er staat en geloven wat er staat."
De Bijbel zegt het heel anders, namelijk zoals in 1 Korintiërs 2:12-14 staat:
Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de geest die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in zijn goedheid heeft geschonken.
Daarover spreken wij, niet op een manier die ons door menselijke wijsheid is geleerd, maar zoals de geest het ons leert: wij verklaren het geestelijke met het geestelijke.
Een mens die de geest niet bezit, aanvaardt niet wat van de geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid.
Hij kan het ook niet begrijpen, omdat het geestelijk moet worden beoordeeld.

En komen juist visioenen niet van de geest van God?

We moeten niet lezen wat er staat, maar vooral verstaan (begrijpen) wat we lezen!
Handelingen 8:30:
Filippus haastte zich naar hem toe en hoorde hem de profeet Jesaja lezen, waarop hij vroeg: Begrijpt u ook wat u leest?

Openbaring 7:9 zegt dat deze menigte overwinnaars voor de troon en voor het Lam staat, met witte kleren aan en met palmtakken in hun handen.
Het beeld is dus: het Lam dat eruitziet alsof het geslacht is, staat midden voor de troon en de vier wezens en de oudsten (zie Openbaring 5:6).
Nog staan de honderdvierenveertigduizend vóór de troon.
Ze zijn wel overwinnaars tijdens hun leven op aarde, maar ze zullen met het Lam de laatste slag in de geestelijke wereld, die van Harmagedon, nog moeten winnen.
Pas dan kunnen ze hun plaats óp de troon innemen (zie Openbaring 20:4).

De vertegenwoordigers van de schepping (de vier wezens) en de oudsten van het nieuwe Jeruzalem delen in de vreugde, nu de tempel van God afgebouwd is.
De gemeente is nu volmaakt geworden: ze heeft in alles hetzelfde niveau bereikt als haar Heer Jezus Christus.
Duidelijk wordt erop gewezen dat we hier te maken hebben met een bijzondere categorie gelovigen.
Middenin in de zware geestelijke pressie hebben zij de volmaaktheid naar ziel en geest bereikt.
Als zij het lied van hun bevrijding zingen, kan niemand anders de inhoud ervan overnemen.
De voltooide gemeente die zover is dat ze in een ondeelbaar moment van de aarde kan worden weggenomen, zingt een lied dat in geen enkel liedboek voorkomt.

Het is een lied van Gods geest.
Het ‘zingen in de geest’ in een groot aantal talen wordt geïnspireerd door de geest van God en het is een van de begaafdheden van zijn geest.
Dit lied van de vrijgekochten van de aarde lijkt op het geluid van geweldige watermassa’s, van zware donderslagen, als het geluid dat muzikanten maken die op de lier spelen.
Het is vol van de kracht en de macht van Gods heilige geest en vol onmetelijke blijdschap: het is vol van de luister van God.

Deze vrijgekochten zijn niet meer aan de ‘aarde’ gebonden, ze worden niet meer geïnspireerd door aardse wijsheid, want deze is ongeestelijk, ja kan zelfs demonisch zijn (zie Jakobus 3:15).
Zij hebben altijd naar de ‘wijsheid van boven’ gezocht, naar de bedoeling van het oneindige en eeuwige plan van God met hun leven en ze hebben haar gevonden.
Hun lichamelijke transfiguratie komt snel en ook nu nog zingen zij een lied ‘in de geest’ of door de geest, zoals Paulus dit heeft gedaan en ook wij dit (kunnen) doen.
Maar nog nooit is op aarde zo’n prachtig lied in nieuwe (geestelijke) talen gezongen, want we horen iets wat lijkt op een nieuw lied.
De ontelbare menigte zingt namelijk het overwinningslied, uitgedrukt in een groot aantal geestelijke talen.
Het lied van de volkomen overwinning op al wat duister is.
Het is één lied en het geluid van de vele watermassa’s wijst op de vele door Gods geest geïnspireerde talen die representatief zijn voor veel volken (vergelijk Openbaring 7:9).

De grote menigte van overwinnaars hoort na de openbaring van Jezus Christus in zijn gemeente bij hen die mederegeerders zijn in het zogenaamde duizendjarige rijk.
Zij zullen als koningen heersen op aarde (zie Openbaring 5:10) en
Zij waren tot leven gekomen en heersten duizend jaar lang samen met de Messias (zie Openbaring 20:4).
We weten dat het boek Openbaring zich grotendeels bezighoudt met de gemeente van de laatste tijd, die de tempel van God is en deze ook afbouwt of voltooit.

14:4-5

Dat zijn degenen die zich niet met vrouwen hebben afgegeven maar maagdelijk zijn gebleven.
Zij volgen het Lam waarheen het maar gaat.
Ze zijn uit de mensheid vrijgekocht om als de eerste opbrengst te worden aangeboden aan God en aan het lam.
Geen leugen komt over hun lippen, er valt niets op hen aan te merken.

Grondtekst: Zij zijn degenen die met vrouwen niet besmet geworden zijn: maagden namelijk zijn zij.
Zij zijn de volgenden het Lam waar ook maar Het heengaat.
Zij zijn gekocht uit de mensen, (een) eersteling voor God en voor het Lam.
En in de mond van hen niet is gevonden bedrog, onberispelijk namelijk zijn zij voor het aangezicht van de troon van God.

De gemeente van de laatste tijd heeft maar één doel, zoals Paul Gerhardt in zijn lied zegt: ‘Om hemelwaarts te streven.’
Zij volgt het Lam waar Hij haar in de hemel leidt, want alleen Hij voorziet haar op de juiste tijd en op de juiste plaats van het benodigde geestelijke voedsel.
Psalm 23:2:
Hij laat mij rusten in groene weiden en voert mij naar vredig water …
Zij kiest de weg van het Lam, dit is: denkt zoals Hij, spreekt zoals Hij, handelt zoals Hij, leeft zoals Hij en heeft dezelfde strijd tegen de demonen als Hij heeft gehad.

Deze overwinnende menigte heeft radicaal met de ongerechtigheid van de aarde gebroken.
Zij hebben zich niet ‘met vrouwen besmet’, want ze zijn maagden.
Hier gaat het om de zonen van God, die een gemeente vormen waarin geen verschil is tussen man en vrouw.
Bedoeld wordt dat zij geen geestelijk overspel, geen ‘geestelijke tempelprostitutie’ gepleegd hebben, zoals gebruikelijk in de tijd van Johannes.
Het woord ‘besmet’ vinden we ook in 1 Korintiërs 8:7 waar het te maken heeft met afgodendienst.
Als de hele wereld achter het beest aanloopt, volgen zij deze meerderheid in het kwaad niet (zie Exodus 23:2).

Deze gemeente die de zware geestelijke pressie heeft doorstaan, is maagdelijk, want zij is trouw aan haar eigen Heer gebleven.
Ze heeft zich niet afgegeven met het grote Babylon, de moeder van de hoeren.
Door het werk van de geest van God in haar is deze vrouw van het Lam zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, heilig en zuiver gebleven (zie Efeziërs 5:27).

Jezus zelf vergelijkt deze gemeente met vijf verstandige meisjes die hun lampen middenin de nacht in orde brengen (zie Matteüs 25:6-7).
De lamp is het woord van God, zoals de Psalmdichter zegt in 119:105:
Uw woord is een lamp voor mijn voet,
een licht op mijn pad.

Deze lamp kan alleen licht geven als er genoeg ‘geloofsolie’ in zit, zoals we kunnen zien bij de verstandige meisjes.
De gemeente van de laatste tijd gelooft het hele woord (of plan) van God van a tot z en ze vertrouwt er volkomen op.
Daarom volgen de wonderen en tekenen haar, die ook bij het onderwijzen van dit woord door Jezus te zien zijn.
Door het geloof heeft dit woord van God gewerkt als een zaadje dat in de grond van het hart valt, daarin wortel schiet en vrucht voortbrengt, dertig- , zestig- en honderdvoudig.

De honderdvierenveertigduizend zijn vrijgekochte mensen.
In Openbaring 5:9 wordt van het Lam gezegd:
Want U bent geslacht en met uw bloed hebt U voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, van elke stam en taal.
Door zijn eerste zondige daad brengt de eerste Adam de aarde onder de heerschappij van de duivel.
Met zijn bloed, dat is zijn leven, koopt Jezus als de tweede Adam de mens en de schepping vrij.
De honderdvierenveertigduizend hebben de luister van God in haar volle rijkdom aanvaard.

God wil alleen de mens samen met Hem op zijn troon.
Deze zal voor altijd en eeuwig met Hem regeren over alles wat Hij gemaakt heeft.
Dat wil zeggen: hij zal zich ervoor inzetten om de hele schepping te vullen met de liefde en de luister van God.
Deze troonpretendenten zijn gekocht uit de mensen en niet uit de engelen.
Hebreeën 2:5-8 (ged.)
Welnu, de komende wereld, waarover wij hier spreken, heeft Hij niet onder het gezag van engelen gesteld.
Veeleer geldt dit getuigenis, ooit door iemand afgelegd:
Wat is de mens dat U aan hem denkt,
het mensenkind dat U naar hem omziet?
U hebt hem voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst;
U hebt hem met eer en luister gekroond
alles hebt U aan hem onderworpen.

Zij worden eersten van de nieuwe oogst genoemd, bestemd voor God en het Lam.
Jakobus 1:18:
Hij wilde ons door de verkondiging van de waarheid tot leven roepen, om ons de eersten te maken in zijn schepping.
Want zij horen bij de gemeente van opnieuw geboren mensen die burgers zijn geworden van een geestelijk rijk.
De Vader (God) en de Zoon (het Lam) zijn in hen komen wonen door Gods geest, zodat ze ook in de geestelijke dimensie van het koninkrijk van God kunnen leven en functioneren.

Ze zijn allemaal vol van geloof en van Gods heilige geest.
Hier is geen sprake meer van een stengel of aar, maar van rijp graan.
Uit hun mond komt niet tegelijk zoet en bitter water (zie Jakobus 3:11).
Maar ze zijn vervuld van de waarheid van God en van de wijsheid ‘van boven’.
Jakobus 3:17:
De wijsheid van boven daarentegen is vóór alles zuiver en verder vredelievend, mild en meegaand; ze is rijk aan ontferming en brengt niets dan goede vruchten voort, ze is onpartijdig en oprecht.
Geen leugen komt over hun lippen, er valt niets op hen aan te merken (zie ons vers).
Of zoals de grondtekst aangeeft: ze zijn onberispelijk, zonder gebrek.
Ze vormen en zijn samen de vrouw van Christus: zonder vlek en rimpel, heilig en zuiver.

We zien dat de Heer zijn gemeente nu nog niet bij zich kan nemen.
Eerst zal ze de volmaaktheid bereikt moeten hebben, eerst moet Christus in haar worden gezien en pas dan is de laatste fase van het herstelplan van God aangebroken.
God zal juist in de laatste tijd zijn volle luister aan zijn volk geven.
Dat is: de totale vervulling met zijn geest.
Dan komt uit wat in Efeziërs 3:16-19 aan ons wordt beloofd:
Moge Hij vanuit zijn rijke luister uw innerlijke wezen kracht en sterkte schenken door zijn geest,
zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde.
Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen,
ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.

Er zijn schijnprofeten die ons willen laten geloven dat ‘de tijd dichtbij is’, waarmee ze bedoelen dat het einde (..) eraan staat te komen.
Maar ‘het einde’ betekent: de voltooiing van het plan van God met ons.
Zulke leugenaars moeten we niet achternalopen, zegt Jezus.
Lucas 21:8:
Let op, laat je niet misleiden.
Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen:
Ik ben het, of
De tijd is gekomen.
Volg hen niet!

14:6-7

Toen zag ik opnieuw een engel, die hoog in de lucht vloog.
Hij had een eeuwig evangelie dat hij bekend moest maken aan de mensen op aarde, uit alle landen en volken, van elke stam en taal.
Luid riep hij:
‘Heb ontzag voor God en geef Hem eer, want nu is de tijd gekomen dat Hij zijn oordeel zal vellen.
Aanbid Hem die hemel en aarde, zee en waterbronnen geschapen heeft.’

Grondtekst: En ik zag (een) andere engel vliegende in (het) midden van de hemel, hebbende (een) evangelie eeuwig (om te) verkondigen de wonenden op de aarde, en elke natie en stam en taal en volk.
Zeggende met een stem grote: vreest God en geeft Hem eer, omdat gekomen is het uur van het oordeel van Hem; en aanbidt de gemaakt hebbende de hemel en de aarde en zee en bronnen van wateren.

Johannes krijgt zijn openbaring door middel van de engel van de Heer (zie Openbaring 1:1 en 22:16).
Zoals Mozes de wet ook krijgt via woorden door engelen uitgesproken (zie Hebreeën 2:2), zo staan zij ook in dienst van Johannes.
Ook Paulus noemt deze mogelijkheid, als hij schrijft:
Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel.. (zie Galaten 1:8).

Bij de wisseling van het tafereel ziet Johannes nu in een visioen een andere engel, vliegend in het midden van de hemel.
Na de engel die op de zevende bazuin blaast, is er sprake van ‘een andere engel’.
Deze beweegt zich in het midden of in het centrum van de onzichtbare wereld, bij de troon van God.
Deze machtige geest moet een eeuwig evangelie bekendmaken aan alle mensen die op de aarde wonen.
Dit eeuwige evangelie houdt in dat er geen tweede van is; het gaat door tot in de oneindige eeuwigheid.
Het is eeuwig omdat het een uitwerking is van het plan dat God vanaf het begin van de schepping al in gedachten heeft (zie Handelingen 15:18).
Het is het evangelie zoals Jezus Christus dat heeft bekendgemaakt en door krachten, tekenen en wonderen praktisch heeft uitgewerkt.
Het is het enige, echte en pure evangelie.

Nu is dit evangelie in de loop van de eeuwen in de schijngemeente door gebrek aan kennis en interesse voor een groot deel verloren gegaan.
Veel mensen vinden het bestuderen van het woord van God maar moeilijk en saai en de dingen van de wereld trekken sterker.
Zo raken ze verstrikt in: zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid en pronkzucht (zie 1 Johannes 2:16).
Wie dit evangelie daarom in onze tijd wil brengen, wordt vaak niet begrepen of niet geaccepteerd.
Maar de ‘verstandige meisjes’ zijn aan het wakker worden uit hun diepe slaap.
Op bovennatuurlijke manier krijgen gelovigen weer kennis van en inzicht in de hemelse zaken.
Want in de laatste tijd giet God zijn geest uit en zijn er weer profetieën en visioenen, tekenen en wonderen.

Namens Jezus worden weer demonen uit mensen verdreven, legt men op zieken de handen voor genezing en worden gelovigen in Gods heilige geest gedoopt.
De gelovigen van het oude verbond hebben van dit eeuwige evangelie slechts een glimp begroet en ze zeiden van zichzelf dat zij op aarde leefden als vreemdelingen en gasten (zie Hebreeën 11:13).
Jezus zegt hiervan in Matteüs 24:14:
Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen.
Einde in de zin van: voleinding, voltooiing.

Deze woorden komen overeen met de opdracht aan de engel dat hij dat evangelie bekend moet maken aan de mensen op aarde, uit alle landen en volken, van elke stam en taal.
Neen, de gemeente gaat niet als een walmende vlam uit, maar zij heeft een geweldige en heerlijke toekomst.
De hele wereld zal de woorden horen die Jezus gesproken heeft en de wonderen zien die Hij gedaan heeft en zelfs grotere (zie Johannes 14:12).

Alleen als we vasthouden aan dít evangelie kunnen we satan en zijn demonen weerstaan en overwinnen!

Dit visioen laat ons de opdracht zien die de gemeente van de laatste tijd moet uitvoeren.
De inhoud ervan is:
Heb ontzag voor God en geef Hem eer, want nu is de tijd gekomen dat hij zijn oordeel zal vellen.
Er komt een definitieve scheiding tussen de schijngemeente die overgaat in de gemeente van de antichrist aan de ene kant en de gemeente van Jezus Christus aan de andere kant.
Oordelen (Grieks: krisis) betekent: scheiding maken.
De kloof wordt duidelijk aanwijsbaar.
Tegenover de aanbidding van het beeld en het beest staat het aanbidden van God, want er wordt geroepen:
Heb ontzag voor God en geef Hem eer …!
God alleen is de grote Koning, Hij is de almachtige Schepper van zowel de zichtbare als de onzichtbare dingen.

In deze laatste tijd zullen door het bekendmaken van het evangelie door de laatste getuigen miljoenen mensen uit hun geestelijke slaap wakker worden.
Want er is sprake van een onafzienbare menigte die niemand tellen kan.
Het evangelie van Jezus Christus is de bekendmaking van het geloof in het schijnbaar onmogelijke.
Dit geloof overwint de wereld, wat betekent de overwinning op alles wat satan gebruikt om ons van het plan van God af te leiden.
Hiervoor gebruikt hij voornamelijk: zonde, ziekte, verleiding, misleiding, leugen, gebondenheden, gebreken, hebzucht, intimidatie, geweld, het alleen gericht zijn op het zichtbare, het hebben van meer liefde voor genot dan voor God, enzovoort.

14:8

Hij werd gevolgd door een tweede engel, die uitriep:
‘Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad, die door haar ontucht alle volken de wijn van haar wellust heeft laten drinken.’

Grondtekst: En (een) andere engel volgde, zeggende: gevallen is, gevallen is Babylon de stad grote, omdat van de wijn van het opbruisen van de hoererij van haar zij heeft te drinken gegeven alle volken.

Als de scheiding bij het huis van God begint (zie 1 Petrus 4:17 NBG), zien we direct al dat Babylon, de schijngemeente, aan de verkeerde kant van de lijn staat.
Er is een vervulling met Gods heilige geest waardoor de mens zich richt op het koninkrijk van God, maar er is ook een drinken van wellust waardoor men geestelijk ontucht pleegt.
Het rijpe graan en het rijpe onkruid worden nu in aparte bundels bijeengebonden.
De gemeente van Jezus Christus bereikt de volmaaktheid en wordt totaal één met haar Heer.
De afvallige wereldwijde schijngemeente met haar hebzucht, hoogmoed en dwalingen is gevallen.
Zij wordt een prooi van en één met de antichrist.

De schijngemeente die miljoenen heeft verleid en van God heeft laten afvallen, wordt uitgerangeerd.
Het is haar gelukt om alle volken op een sluwe manier, door geestelijke ontucht, van de ware God te scheiden.
Dit Babylon bestaat nú en er wordt opgemerkt dat het een heel grote stad is.
We moeten dan ook niet denken dat geen enkele gemeente of religieuze geloofsgemeenschap niets met Babylon te maken heeft.
De geest van Babylon, de geest van de dwaling, is doorgedrongen in het hele ‘christendom’.

Daarom leeft het volk van God in ballingschap.
Het is verdreven uit de geestelijke wereld en gebracht in een ‘stad’ die alleen in de zichtbare wereld haar invloed heeft en alleen daar haar stem laat horen.
Babylon kent geen leven en denken vanuit de geestelijke wereld, het voert daar geen oorlog tegen de demonen en het verzamelt daar ook geen geestelijke rijkdommen.
Babylon kent geen doop in de geest van God en geen streven naar de begaafdheden van deze geest.
Zijn bewoners kennen geen liefde, geen vrede, geen rechtvaardigheid en geen vreugde die het werk is van Gods geest.

Met Babylon bedoelt de Bijbel niet direct een bepaalde gemeente of religieuze groepering, maar een religieus bezig zijn waarbij uiterlijke, zichtbare zaken de hoofdrol spelen.
Hierdoor wordt het geloof een systeem, waarbij ernaar gestreefd wordt om ‘mee te doen met de wereld’.
Dit uit zich in een gericht zijn op cultuur, kennis, macht, aanzien en wetenschap.
Babylon lokt de mens uit de geestelijke wereld en geeft hem een surrogaat uit de zichtbare wereld, een schijngodsdienst.
Deze bestaat onder andere uit kerkbesef, theologie, dogmatiek, liturgie, traditie, gewijde personen, gebouwen en voorwerpen.
Over:

De schijngemeente Babylon wordt weggevaagd door de antichristelijke macht die bezig is zich (in haar) te ontwikkelen.
Haar kathedralen, universiteiten, concilies, synoden, haar invloed, cultuur en theologische wijsheid worden door het beest en zijn profeet overgenomen en geëlimineerd.
De grote verwarring heeft dan opgehouden te bestaan.
Van nu af aan staan twee geestelijke grootmachten tegenover elkaar:
Jezus Christus en zijn gemeente en de antichrist met hen die het beest en zijn beeld aanbidden.

14:9-11

Zij werden gevolgd door een derde engel, die met luide stem riep:
‘Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of zijn hand krijgt, zal hij de wijn van Gods woede moeten drinken, die onverdund in de beker van zijn toorn is geschonken.
Hij zal in vuur en zwavel worden gepijnigd, onder de ogen van de heilige engelen en van het Lam.
De rook van die pijniging zal opstijgen tot in eeuwigheid.
Wie het beest en zijn beeld aanbidden, of wie het merkteken van zijn naam draagt, ze krijgen geen rust, overdag niet en ‘s nachts niet.’

Grondtekst: En (een) derde engel volgde hen, zeggende met een stem grote: indien iemand het beest aanbidt en het beeld van hem en hij ontvangt (een) merkteken op het voorhoofd van hem of op de hand van hem ook hij zal drinken van de wijn van de grimmigheid van God, de gemengd zijnde ongemengd in de beker van de toorn van Hem en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel voor het aangezicht van de heilige engelen/ [van engelen] en voor het aangezicht van het Lam.
En de rook van de pijniging van hen stijgt op in (de) eeuwigheden van (de) eeuwigheden; en niet hebben rust dag en nacht de aanbiddenden het beest en het beeld van hem en indien iemand ontvangt het merkteken van naam van hem.

Openbaring 14 beschrijft het begin van het einde.
De periode van de laatste plagen wordt ingeluid.
Babylon, de grote verwarring, is uit het godsdienstige leven weggevaagd.
Het vlees van de grote hoer, haar uiterlijke verschijning, is door de antichristelijke macht verslonden, dat wil zeggen: er is niets meer van over (zie Openbaring 17:16).
Haar rijkdom, haar organisaties en haar invloed zijn overgenomen door de wetteloze mens, een verzamelnaam van de zonen van het verderf (zie 2 Tessalonicenzen 2:3).
De scheiding tussen licht en duisternis is nu voor iedereen duidelijk te zien.
Het Lam met zijn vrijgekochten staat aan de ene kant en de antichrist met zijn gemeente aan de andere.
De eersten staan in het volle licht, de anderen in de totale duisternis.

Beide groepen hebben een duidelijk kenmerk:

Er wordt op hoog niveau gestreden:
Geest tegenover geest, geloof tegenover geloof en geestelijke kracht tegenover geestelijke kracht.
Doordat ze verbonden zijn met het beest, worden de wetteloze zonen bij elkaar gevoegd en komt zo uit wat Jezus zegt:
Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal Ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen:
Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het.
Breng dan het graan bijeen in mijn schuur
(Matteüs 13:30).

Wie het beest aanbidt en gedoopt wordt in zijn geest, zal de wijn van ‘Gods woede’ moeten drinken.
In de hele Bijbel zien we dat de woede of de toorn van God een beschrijving is van de onstuimige werking van demonen.
Dit is altijd een gevolg van het feit dat mensen zich bewust van God afkeren en dus zijn bescherming niet meer (kunnen of willen) genieten.
Het loon van de zonde is de dood, (zie Romeinen 6:23) dit is het voor altijd gescheiden zijn God!
De demonen hebben dan vrij spel.

Johannes 3:36:
… wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten.’
Romeinen 2:5:
Doordat u zo hardleers bent en niet tot inkeer wilt komen, maakt u dat de straf (NBG: toorn) waartoe God u veroordeelt op de dag dat Hij zijn rechtvaardig vonnis uitspreekt en uitvoert, alleen maar zwaarder wordt.
Efeziërs 5:6:
Laat u door niemand met loze woorden misleiden, want wie God ongehoorzaam is, wordt getroffen door zijn toorn.
Kolossenzen 3:6:
… want om deze dingen treft Gods toorn degenen die Hem ongehoorzaam zijn.

God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis, volgens 1 Johannes 1:5.
De tegenstelling tussen God die licht is en de duisternis wordt hier in het Grieks sterk benadrukt.
Er staat in feite een dubbele ontkenning:
in God is absoluut geen duisternis, geen spoortje van duisternis.
Als wij in de duisternis leven, kunnen we geen contact met God onderhouden.
Toorn of woede hoort bij duisternis, dus niet bij God!
Ook ziekte en ellende die in ons leven duisternis veroorzaken, komen nooit van God, maar uitsluitend van de vorst van de duisternis.
Dat blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit wat Jezus gedaan heeft.
Handelingen 10:38 zegt:
… Jezus uit Nazaret met de heilige geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed.
Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij.

Ook kan God geen gebruik maken van duisternis, bijvoorbeeld om ons terecht te wijzen.
Veel mensen denken dat God mensen ziek maakt of andere rampen stuurt om hen weer in het rechte spoor te krijgen.
Maar dit is wel in grote tegenspraak met wat de Bijbel zegt in Romeinen 12:21:
Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.
Als God dit principe aan óns voorhoudt, zal Hij zich zélf daar ook zeker aan houden!

De laatste zeven plagen beschrijven de ondergang van het rijk van de antichrist.
De wijn moet onvermengd gedronken worden, dat wil zeggen gemengd met kruiden, zonder dat hij met water aangelengd is.
Het resultaat is een krachtige, koppige wijn, beeldspraak van de hevigheid van de werking van de demonen.
In deze plagen is niets dat hun uitwerking verzacht.
Iedere vorm van liefde en genade ontbreekt bij dit oordeel of scheidingsproces.
Maar deze stortvloed van duisternis komt niet over de gemeente van Jezus Christus.
Want de schalen met de ‘toorn van God’ worden uitgegoten over:
Alle mensen die het merkteken van het beest droegen en zijn beeld aanbaden … (zie Openbaring 16:2).

De doop in de geest van het beest maakt de mensen immuun voor welke positieve invloed dan ook vanuit het koninkrijk van God.
Het merkteken van het beest maakt hen één met het rijk van de duisternis.
Zoals de zonen van God het niveau van Jezus Christus bereikt hebben, zo ook de zonen van het verderf dat van hún meester.
Daarom is hier geen sprake meer van Goddelijke verdraagzaamheid en zachtmoedigheid.
De dienaren van de antichrist ‘leven en bewegen zich’ (vergelijk Handelingen 17:28) buiten God.
Daarom wordt zijn rijk meegesleurd tot diep in de hel.

Ook bij de verwoesting van de steden Sodom en Gomorra regent het vuur en zwavel (zie Genesis 19:24-25).
De bewoners bedrijven hooghartig en met dichtschroeien van hun geweten grove onnatuurlijke en perverse zonden.
Hierop volgt hun ‘loon’ in de zichtbare wereld.
Vergelijk hiermee Romeinen 6:23, waar staat dat het loon van de zonde de dood is.
Straf komt dus niet van God, maar van satan, die zijn (negatieve) ‘loon’ uitbetaalt aan de mensen die voor hem ‘werken’, dat wil zeggen: die zijn duistere daden doen.

Bij de antichrist ligt de zonde veel dieper: zij wordt daar geboren uit een bewust contact met het beest uit de afgrond.
Daarom zal voor de steden Sodom en Gomorra de oordeelsdag beter te verdragen zijn dan voor hen die het merkteken van het beest dragen.
In Matteüs 10:15 gaat het in dit verband over mensen die het evangelie bewust niet willen accepteren:
Ik verzeker jullie: de dag van het oordeel zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan voor die stad.
De bewoners van Sodom en Gomorra hebben het evangelie nooit gehoord.
De wereld van de laatste tijd heeft de tekenen en de wonderen van de zonen van God wél gezien en toch komen haar bewoners niet tot inkeer.
Zij hebben de leugen lief boven de waarheid en de dwaling boven het eeuwige evangelie van God, die puur licht is en die een onvoorstelbaar mooi plan met de mens heeft.

Tegen Jezus roepen de demonen:
Ben je hier gekomen om ons pijn te doen nog voordat de tijd daarvoor is aangebroken? (zie Matteüs 8:29).
De antichrist met zijn gemeente ondervindt in deze periode al de intensiteit van de helse folteringen.
Haar leden worden compleet overgeleverd aan het vuur en aan de zwavel, beelden van de demonische machten met hun ontbindende, vergiftigende en verstikkende werking.

Er is een eeuwig evangelie zonder einde, dat van toepassing is in alle tijdperken.
Maar aan de andere kant is er ook een eeuwig vuur waarvan de rook opstijgt.
Dit is de dodelijke hitte en de verstikkende werking van de demonie.
Bij de laatste plagen wordt deze walm steeds dichter.
De bewuste en fanatieke volgelingen van de antichrist leven (nu) al in de hel en zij blijven voor altijd in deze toestand.
Als ze geen keus maken voor God bij het horen van het rijke evangelie van Jezus Christus, wie kan hen er dan nog toe brengen om wél de juiste keus te maken?
Zelfs al worden de zonen van God openbaar, zal dit hen dan op andere gedachten brengen?
Helaas kunnen we in de Bijbel vaak lezen dat mensen zelfs niet tot inkeer komen als ze grote wonderen en tekenen zien, zowel bij Jezus als bij de apostelen.

Ze zijn één in het kwaad geworden, zoals de duivel en het beest hier één in zijn.
In hen is geen verlangen naar herstel, geen dorst naar rechtvaardigheid en geen wil om naar God te gaan.
Ze moeten heel bewust niets van het evangelie hebben en zo kunnen ze ook niet gered worden van de ondergang.

Van de vier wezens in Openbaring 4 wordt gezegd dat ze dag en nacht bezig zijn met de lof en de aanbidding van God.
Ze zijn voortdurend vol eerbied en ontzag voor de grote Schepper van alle dingen en voor zijn machtige en prachtige plan met zijn schepping en vooral met de mens.
Als tegenhanger daarvan achtervolgen de angst en de ontzetting de wetteloze zonen, dag en nacht.
Deze aanbidders van het beest en van zijn beeld liggen onder een eeuwige vloek.
Ze dragen de naam van het beest en daarin bezitten ze ook zijn wezen.
Waar het beest is in woord en daad, daar zijn ook zij en ze blijven met hem verbonden in de vuurpoel die van zwavel brandt.
Dit is: ze kunnen niet meer loskomen van de demonen met wie zij bewust contact hebben gezocht.

14:12-13

Hier komt het aan op de standvastigheid van de heiligen, die zich houden aan Gods geboden en aan de trouw van Jezus.
Ik hoorde een stem uit de hemel zeggen:
‘Schrijf op: "Gelukkig zijn zij die vanaf nu in verbondenheid met de Heer sterven."’
En de geest beaamt:
‘Zij mogen uitrusten van hun inspanningen, want hun daden vergezellen hen.’

Grondtekst: Hier volharding van de heiligen is; hier (zijn) de bewarenden de geboden van God en het geloof van/in Jezus.
En ik hoorde (een) stem uit de hemel, zeggende tot mij: schrijf: zalig (zijn) de doden de in (de) Heer stervenden van nu af.
Ja, zegt de geest, opdat zij uitrusten van de moeiten van hen; de nu werken van hen volgen met hen.

Vers 12 begint met ‘hier’, wat betekent: in deze tijd.
In de laatste tijd zullen de heiligen moeten doorzetten.
De heiligen zijn de mensen die gered, gezuiverd, bevrijd en hersteld zijn.
Heilig wil zeggen: afgezonderd voor God, gescheiden van het kwaad en genezen en hersteld.
Een heilige kunnen we vergelijken met een op zich gaaf kind, maar dat nog moet opgroeien naar de volwassenheid.
Er is doorzettingsvermogen voor nodig, willen we in deze wereld verder doorgroeien naar de mannelijke rijpheid.
En daarbij ernaar te streven altijd gaaf of ‘heel’ (heilig) te blijven, dat wil zeggen: niet meer aangetast worden door de demonen, in geen enkel opzicht.

In 1 Timoteüs 4:1 staat:
Maar de geest zegt nadrukkelijk dat in de laatste tijd sommigen het geloof zullen verlaten, doordat ze luisteren naar dwaalgeesten en naar wat demonen hun leren.

Er is dus een ‘afval’ mogelijk van de heiligen of van de ‘geheelden’.
Dan hebben we het over mensen die hun geloof verlaten, dus:
die wel ooit door het licht beschenen zijn,
die wel geproefd hebben van de hemelse gave,
die wel deel gekregen hebben aan de heilige geest,
die wel het weldadige woord van God en
de kracht van de komende wereld ervaren hebben.
Ze kunnen zich onmogelijk voor een tweede keer bekeren, omdat ze voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en aan bespotting blootstellen
(naar Hebreeën 6:4-5).

Maar er is ook een doorzetten door de heiligen of een standvastig zijn van hen.
Wie zegt dat afval van heiligen niet mogelijk is, ziet meestal ook niet het nut en de noodzaak om door te zetten of te volharden.
Als Paulus het heeft over het openbaar worden van de zonen van God en over de strijd om het gestelde doel te bereiken, zegt hij in Romeinen 8:25:
Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden.
Hier gaat het om het zichtbaar worden van de zonen van God (zie Romeinen 8:23).

De gemeente van Jezus Christus kijkt niet uit naar een komst van haar Heer ‘op de wolken’, maar wel naar de realisatie van haar volmaaktheid die God al vanaf het begin met haar voorheeft.
Zo komt Jezus Christus terug ‘in de wolken’, in zijn gemeente.
Daarvoor jaagt de gemeente het einddoel na, dat God met haar voorheeft.
Zodat de dienaar van God volkomen zal zijn, tot elk goed werk volkomen is toegerust (zie 2 Timoteüs 3:17).
Van deze heiligen die God liefhebben, wordt in Johannes 14:15 gezegd dat zij zich houden aan zijn geboden:
Als je Mij (Jezus) lief hebt, houd je dan aan mijn geboden.
Wie dát doen, zegt Jezus, mogen de geest van God verwachten in hun leven (zie vers 16).
Zij leven dan niet meer vanuit ‘het vlees’, dus vanuit het zichtbare, maar vanuit ‘de geest’, vanuit het onzichtbare koninkrijk van God.
Wat de wet in feite als doel heeft, wordt in hen verwerkelijkt:
Zij hebben God lief boven alles en hun naaste als zichzelf.

Ze geloven ook in het woord, de uitgesproken gedachte van God, want geloof moet zich altijd hechten aan iets wat gehoord kan worden.
Ze blijven in zijn liefde en ze worden volmaakt doordat ze verdergaan en doorzetten op deze weg van het geloof in het einddoel.
Want Jezus is de voltooier van hun geloof en Hij maakt het mogelijk om vastberaden aan deze ‘wedstrijd’ die heel ons leven doorgaat, deel te nemen.
Hebreeën 12:1:
Nu wij door zo’n menigte geloofsgetuigen omringd zijn, moeten ook wij de last van de zonde, waarin we steeds weer verstrikt raken, van ons afwerpen en vastberaden de wedstrijd lopen die voor ons ligt.

De gemeente van de laatste tijd is een strijdende én overwinnende gemeente.
In haar komt uit:
Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus (1 Tessalonicenzen 5:23).
In 1 Petrus 1:9 wordt opgemerkt dat het einddoel van het geloof de redding, het behoud, het herstel of de bevrijding van de mensen is.
Het hier gebruikte woord voor redding (soteria) staat voor het totale herstel van de mens naar zijn geest, ziel en lichaam.
Dat bereiken we niet als we doodgaan, want de dood is onze vijand, maar wij bereiken het einddoel door ons in geloof te richten op Jezus Christus.
Concreet houdt dit in: geloven dat ook wij als mensen net zo vol kunnen en zullen worden van de geest van God als de mens Jezus.

Als we vertrouwen op deze Goddelijke geest en streven naar zijn kracht en liefde, zullen we volmaakt worden.
Paulus schrijft aan de Filippenzen over deze volmaaktheid:
Broeders en zusters, ik beeld me niet in dat ik het al heb bereikt, maar één ding is zeker:
ik vergeet wat achter me ligt en richt mij op wat voor me ligt.
Ik ga recht op mijn doel af: de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept.
Hierop moeten wij ons allen als volmaakte mensen richten.
Mocht u er op enig punt anders over denken, dan zal God het u wel duidelijk maken
(Filippenzen 3:13-15).
We horen hier een wel heel andere taal dan: "We blijven toch maar zondaars zolang we leven"!

Paulus streeft naar de ontwikkeling van de begaafdheden van Gods geest in zich.
Ook jaagt hij daarbij de liefde na.
En dit doet hij niet alleen om ‘de Heer in de lucht te ontmoeten’, maar om de Goddelijke volmaaktheid in zijn leven te realiseren.
Zoals hij schrijft in Efeziërs 4:13:
… totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.
De gemeente van de laatste tijd bereikt dit doel.
Want het schijnbaar onmogelijke is bij Jezus mogelijk.
Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand (1 Tessalonicenzen 5:24).

In deze tijd zullen zij die in verbondenheid met de Heer sterven, gelukkig zijn, want ze blijven met de Heer verbonden en ze zullen de (macht van de) dood niet zien.
Deze gelovigen gaan uitrusten van hun leven vol moeiten, lijden en inspanning.
Ze zijn in de geestelijke wereld rijk geworden, ze hebben daar resultaat behaald of schatten verzameld.
Ze zijn op aarde bezig geweest met de opdracht van Jezus, ze hebben zijn daden gedaan en zelfs nog grotere.
Ze zijn net als Jezus:
… die met de heilige geest was gezalfd en met kracht was bekleed.
Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij
(zie Handelingen 10:38).

Hun daden blijven met hen verbonden.
Deze vormen de grootte of de statuur van hun geestelijke of onzichtbare lichaam.
Deze daden worden vergeleken met zuiver, stralend linnen.
Want dit linnen staat voor al het goede dat gedaan is door de heiligen (zie Openbaring 19:8).
Met deze zuivere, stralende linnen kleren aan nemen ze hun intrek bij Jezus.
Ze komen thuis in het koninkrijk van de Zoon van Gods liefde.
Daar leven ze verder.
En bij leven horen activiteiten.
Ze gaan door met het naar de volmaaktheid leiden van alle gelovigen die in de stad van God, het nieuwe Jeruzalem, verblijven (zie hiervoor de uitleg bij Openbaring 21).
Ze worden daarbij niet meer gehinderd door de tegenwerking en de aanvallen van satan en zijn demonen.
Ze kunnen nu zonder moeite en in volledige vreugde en vrijheid doorgaan met het werk dat ze zo liefhebben, namelijk: het herstellen van beschadigde mensen!

14:14

Toen zag ik dit: een witte wolk, en daarop zat iemand die eruitzag als een mens.
Hij had een gouden krans op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand.

Grondtekst: En ik zag en zie, (een) wolk witte en op de wolk zittende (iemand) gelijkend op (een) zoon van (een)mens, hebbende op het hoofd van Hem (een) krans gouden en in de hand van Hem (een) sikkel scherpe.

Johannes ziet nog meer in de geestelijke wereld.
We moeten gedoopt zijn in de geest van God om deze visioenen te kunnen begrijpen.
We zijn blij dat ook in onze gemeenten weer gezichten en profetieën zijn en dat we in deze ervaringen het woord van God herkennen.
Ook in onze tijd spreekt Gods geest tegen en door de gemeente en het is belangrijk om de profetieën niet te verachten of misschien af te doen als verzinsels van mensen.

We hebben de visioenen van de drie engelen besproken.
Het eerste maakt het eeuwige evangelie bekend en de twee andere tonen het oordeel over Babylon en het rijk van de antichrist.
De voorgaande visioenen maken nu plaats voor een prachtig nieuw gezicht.
Johannes ziet een witte wolk.

Bij dit beeld denken we aan de zilverkleurige of opalen morgenwolken in het Midden-Oosten.
We zien de toppen van de bergen als rotsgevaarten en als eilanden in de schuimende zee.
De opkomende zon doortintelt de drijvende dampmassa die snel verdwijnt door de hitte van de zonnestralen.
Op de grond blijft de verfrissende nachtmist achter, die aan de planten leven en vruchtbaarheid geeft.
Deze wolkenmassa is een wolk of nevel van dauw in de hitte van de oogsttijd.
Jesaja 18:4b:
… als de verzengende hitte op het middaguur
of als nevel in de hitte van de oogsttijd.

De witte wolk waarover hier gesproken wordt, verschijnt ook in de oogsttijd, namelijk in die van de aarde.
In dichterlijke taal heeft David het over deze schitterende wolkengevaarten als over de ‘vleugels van de dageraad’.
Psalm 139:9:
Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,
al ging ik wonen voorbij de verste zee …

De (terug)komst of beter: het zichtbaar worden van Jezus Christus in zijn gemeente, wordt diverse keren uitgebeeld door een komst op (met of in) de wolken van de hemel.
In Palestina kunnen we begrijpen dat de lichtende zilveren cumulus, die vroeg in de morgen de lucht vult, het beeld is van deze luister van God.
De bedoeling is duidelijk.
Vanuit de zee is een damp opgestegen en er heeft zich een wolk gevormd.
De zee is in de Bijbel het beeld van de geestelijke wereld, zoals de aarde dat is van de natuurlijke, aardsgerichte wereld.

Zoals een waterdruppel uit de zee verdampt en opstijgt, zo wordt een mens, als hij opnieuw geboren wordt (dit is: vernieuwd in zijn denken), overgezet in de hemelse dimensie, de geestelijke wereld.
Hij wordt er met zijn innerlijke mens naar overgeplaatst en hij begint in het koninkrijk van God te functioneren.
Efeziërs 2:6 zegt in dit verband:
Hij heeft ons samen met Hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelsferen, in Christus Jezus.
Ook dit beeld is duidelijk.
De waterdruppel, de onzichtbare innerlijke mens stijgt omhoog door de kracht en de liefde van Gods heilige geest.
Want alleen zo ervaart hij de warmte van de Zon van de gerechtigheid: God.

Het water vormt een geestelijke wolk.
Deze bestaat uit miljoenen waterdruppels en zo is ze het beeld van de gemeente van Jezus Christus.
De wateren (de geesten) zijn in de onzichtbare wereld gescheiden.
Alle godsdiensten op aarde zijn ‘van beneden’.
Alleen zij die bij Jezus Christus horen, zijn ‘van boven’.
Tegen de religieuze leiders van zijn dagen zegt de Heer:
U bent van beneden, ik ben van boven; u hoort bij deze wereld, ik hoor niet bij deze wereld
(zie Johannes 8:23).

Als een gelovige sterft, wordt zijn onzichtbare lichaam van de aardse sfeer losgemaakt, want zijn ziel en geest, zijn inwendige of innerlijke mens, zijn eeuwig.
Deze innerlijke mens komt dan niet los van het lichaam van de Heer, maar hij blijft erin opgenomen en ermee verbonden.

Het lichaam van de Heer wordt uitgebeeld door een wolk.
De Mensenzoon is met de wolk verbonden, zoals Hij in een ander beeld, als hoofd verbonden is met zijn lichaam.
En om zijn hoofd ligt nog altijd de gouden krans van overwinnaar, de krans van de luister van God (zie Openbaring 6:2).
Ook wij krijgen zo’n krans.
1 Petrus 5:4:
Dan zult u wanneer de hoogste herder verschijnt de krans van de luister ontvangen, die nooit verwelkt.

Als er staat dat Jezus in de laatste tijd met de wolken van de hemel komt, betekent dit dat Hij zichtbaar wordt in (de afzonderlijke leden van) zijn gemeente.
Zoals bij het aanbreken van een nieuwe dag de morgenwolk op aarde neerdaalt als een hemelse dauw, zo manifesteert de Heer zich in de laatste tijd in zijn volgelingen op aarde.
Dit zichtbaar worden van de Heer houdt uiteindelijk in dat de innerlijke mens van de gelovige weer een nieuw lichaam krijgt, waarmee hij ook in de zichtbare wereld kan functioneren: het opstandingslichaam.

1 Korintiërs 15:44 zegt:
Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt.
Wanneer er een aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam.

Onder opwekken kunnen we verstaan dat iemand door een impuls van buitenaf in de aardse sfeer teruggebracht wordt.
Bij het opstaan van de doden worden geest en ziel (= samen het geestelijke lichaam) opgewekt en kunnen zij zich zo openbaren of manifesteren in de natuurlijke wereld.
Bij zijn zichtbaar worden neemt het geestelijke lichaam de vorm van een menselijk lichaam aan, dat bestaat uit de elementen van de aarde.
Kracht of energie wordt dan overgezet in materie.

Zo kan het geestelijke lichaam of de innerlijke mens ‘opstaan’, om zijn taak in de zichtbare wereld opnieuw op zich te nemen.
Over dit ‘opstandingslichaam’ zegt Jezus het volgende in Lucas 24:39:
Kijk naar mijn handen en voeten, Ik ben het zelf!
Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat Ik heb.

Eenzelfde gedachte als over het ‘opstaan’ vinden we ook als het hemelse of geestelijke Jeruzalem uit de onzichtbare wereld neerdaalt op aarde, de zichtbare wereld.

In onze tekst zien we het moment waarop de overleden heiligen op het punt staan verenigd te worden met hen die nog op aarde zijn in een sterfelijk lichaam.
Deze laatsten zullen in een ondeelbaar moment veranderen in mensen met een verheerlijkt lichaam.
Het is de tijd van de zevende of de laatste bazuin.
Zij die levend overblijven, zullen nu in een ondeelbaar ogenblik getransformeerd worden.
1 Tessalonicenzen 4:15-17:
Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan.
Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen.
Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet.
Dan zullen we altijd bij Hem zijn.

Maar als iemand sterft die niet ‘in Christus’ is, dat wil zeggen: niet hoort bij de gemeente van Jezus Christus, dan blijft hij bij zijn sterven verbonden met de zee.
Want zijn geest is niet vanuit de zee opgestegen naar de wolk.
Zijn geest en ziel zinken dan weg naar de afgrond, de gevangenis, waarin ook veel gevallen demonen opgesloten zitten.
Bij het opstaan van alle mensen (zie Openbaring 20:12) lezen we niet dat de aarde haar doden teruggeeft, maar de zee.
De zee stond de doden die ze in zich had af en ook de dood en het rijk van de dood stonden hun doden af.
En iedereen werd geoordeeld naar zijn daden
(vers 13).

Zee en rijk van de dood zijn dus begrippen die beide hetzelfde aangeven.
De dood ziet vooral op de geestelijke macht of de vorst die over dit rijk van de dood heerst.
Zo kunnen we nu ook begrijpen dat eens, als deze wolk is neergedaald van de hemel naar de aarde, de zee er niet meer zijn zal.
Ook zullen de nacht en de bergen er niet meer zijn.
Het zijn de demonen die de ziel en de geest van de mens afvoeren naar de afgrond, terwijl door de kracht van Gods geest de zonen van God onderdeel worden van de wolk.
Of beter uitgedrukt: zij vórmen de wolk.

14:15-16

Uit de tempel kwam een andere engel, die Hem die op de wolk zat met luide stem toeriep:
‘Laat uw sikkel komen om te oogsten.
Want de tijd om te oogsten is gekomen; de aarde is meer dan rijp voor de oogst.’
Toen wierp degene die op de wolk zat zijn sikkel op de aarde en de aarde werd geoogst.

Grondtekst: En (een) andere engel ging naar buiten uit de tempel, roepende met grote stem tot de Zittende op de wolk: zend de sikkel van U en maai, omdat gekomen is voor U het uur om (te) maaien, omdat verdroogd is de oogst van de aarde.
En wierp de Zittende op de wolk de sikkel van Hem op de aarde en werd geoogst de aarde.

Als Jezus lichamelijk opgenomen wordt in de geestelijke wereld (hemelvaart), krijgt Hij van God alle macht in hemel en op aarde.
In Openbaring 6 staat dat de Heer als ruiter op het witte paard een krans of kroon krijgt, het symbool van de overwinning en de koninklijke waardigheid.
Hij giet dan de geest van God uit in de gelovigen (die daarom vragen) en vanaf dat moment gaat deze ruiter als een overwinnaar de overwinning tegemoet (zie Openbaring 6:2).
In zijn handen is een boog, zoals ook zijn grote tegenstander satan er een heeft.
De laatste schiet hiermee brandpijlen af op het volk van God om dit dodelijk te kwetsen.

Maar er bestaat voor de gelovigen ook een doeltreffend verdedigingswapen, waarover Zacharia schrijft:
De Heer zal boven hen verschijnen: zijn pijlen flitsend als bliksemschichten, zijn ramshoorn grommend als de donder trekt God, de Heer, op in een zuiderstorm.
De Heer van de hemelse machten is hun schild
(Zacharia 9:14-15 ged.).
Het woord van God moet in de wereld samengaan met de liefde, de wijsheid, de kracht en de begaafdheden van Gods geest.
Hierdoor kunnen de gelovigen de vijand onderscheiden, weerstaan, overwinnen en binden.

Ook kunnen we lezen van het scherpe dubbelsnijdend zwaard van Gods geest dat uit de mond van Mensenzoon komt (zie Openbaring 1:16).
Dit zwaard is het woord van God, waardoor het goede van het kwade gescheiden wordt, de gerechtigheid van de ongerechtigheid.
Het is het zwaard van het oordeel, de scheiding.
In Hebreeën 4:12 staat hierover:
Want levend en krachtig is het woord van God en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been (of: gewrichten) en merg elkaar raken en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden.

De bedoeling van deze woorden is niet dat de ziel van de geest gescheiden moet worden of het merg van de gewrichten.
Maar wel dat het woord van God diep in het innerlijke mensenleven doordringt en daar de scheiding veroorzaakt.
In geest, ziel en lichaam wordt zo een onoverbrugbare kloof gemaakt tussen wat uit God is en wat níet bij Hem hoort.
Het doel hiervan is dat heel onze geest, onze ziel en ons lichaam bij de komst van onze Heer Jezus Christus (in ons) zuiver bewaard zijn (zie 1 Tessalonicenzen 5:23).
In het Grieks staat voor ‘zuiver’ zelfs: onberispelijk!

Het woord van God (dat is het evangelie zoals Jezus het gebracht heeft, de leer met gezag)) is dus als een zwaard om te oordelen, dat wil zeggen: scheiding te maken.
In de laatste tijd is deze scheiding voltooid.
De gelovigen zijn volmaakt hersteld en de zonen van het verderf volmaakt wetteloos.

Er komt nu een ander beeld.
In de hand van de Mensenzoon is het zwaard vervangen door een scherpe sikkel (zie vers 14).
Over de ontwikkeling van de gemeente zegt de Heer:
De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar en dan het rijpe graan in de aar.
Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst
(Marcus 4:28-29).
De halm en de aar geven het leven door, maar ze zijn niet het doel van de plant.
Zo heeft de (schijn)gemeente de afgelopen eeuwen als halm en aar gefungeerd, maar in de laatste tijd wordt het graan rijp.
De vrucht is dan gelijk aan het zaad dat de boer in de grond gebracht heeft.
De zonen van God zijn dan gelijk van vorm of van hetzelfde niveau als de Zoon van God; ze zijn Hem gelijkvormig.

Uit de tempel komt een engel.
De tempel is de woning van God, de gemeente van Jezus Christus, die de volmaaktheid bereikt heeft.
Deze ‘engel van de gemeente’ brengt als dienende geest het gebed vol verlangen over:
Kom Heer Jezus!
De vrouw van het Lam heeft zich voorbereid en is gereed voor haar huwelijk
(zie Openbaring 19:7), want ze is zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, heilig en zuiver (zie Efeziërs 5:27).
De tijd is aangebroken om het rijpe koren in de hemelse schuur op te slaan.
Deze schuur is een beeld van de gemeente die vol is van de luister van God.

Dan laat de Mensenzoon zijn sikkel in de vrucht van de aarde slaan.
De sikkel is het woord van God dat scheiding maakt tussen het echte koren en het kaf dat geen functie meer heeft.
Dit is de tijd waarvan sprake is in Lucas 3:17 (ged.):
… het graan zal hij bijeenbrengen in zijn schuur en het kaf in onblusbaar vuur verbranden.
Om deze oogst binnen te halen is geen zwaard nodig, maar een sikkel waarmee het graan van de aarde losgemaakt wordt.
In een ondeelbaar moment wordt de gemeente veranderd.
Haar leden die al een volmaakte innerlijke mens hebben, krijgen nu ook een onsterfelijk, geestelijk lichaam.
Dit is gelijk aan het lichaam van Jezus na zijn opstaan uit de dood.
Het is niet meer onderworpen aan natuurlijke wetmatigheden, maar alleen aan die van de geest.
Het is het opstandingslichaam.

De sikkel - dat is de opdracht van God via zijn woord – wordt over de hele aarde gehanteerd door de engelen, want:
… de oogst staat voor de voltooiing van deze wereld en de maaiers zijn de engelen (zie Matteüs 13:39).
Ook bij de verandering van het lichaam van Jezus in een onsterfelijk lichaam zijn engelen in en bij het graf aanwezig.
We weten nog niet welke functie de engelen bij dit gebeuren hebben gehad.
Ook begrijpen we hun taak nog niet als er staat dat Israël de wet heeft gekregen … door tussenkomst van de engelen (zie Handelingen 7:53) of in het geval van … het door engelen gesproken woord (zie Hebreeën 2:2).

De hele eerste oogst wordt nu binnengehaald.
Deze eersten (zie ook bij vers 4) vormen:
… de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn, voor God, de rechter van allen en voor de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn (zie Hebreeën 12:23).
Later zullen na het zogenaamde duizendjarige rijk en na het eindoordeel de anderen volgen.
We hebben hier te doen met de eerste opstanding.
Gelukkig en heilig zijn zij die deelhebben aan de eerste opstanding (zie Openbaring 20:6).

14:17-18

Er kwam een andere engel uit de hemelse tempel, die ook zo’n scherpe sikkel had.
Bij het altaar vandaan kwam weer een andere engel, degene die zeggenschap heeft over het vuur.
Hij riep de engel met de scherpe sikkel luid toe:
‘Laat je scherpe sikkel komen om de druiven te oogsten in de wijngaard op de aarde, want de druiven zijn rijp.’

Grondtekst: En (een) andere engel kwam naar buiten uit de tempel de (zijnde) in de hemel, hebbende ook hij (een) sikkel scherpe.
En (een) andere engel ging naar buiten vanaf het altaar, hebbende macht over het vuur en hij riep met geroep groot/ [grote] tot de hebbende de sikkel scherpe, zeggende:
Zend van u de sikkel scherpe en zamel in de druiventrossen van de aarde, omdat rijp zijn de druiven van haar.

Een andere engel komt uit de geestelijke tempel, de gemeente; want ook hij is een engel van de gemeente.
In de Openbaring 2 en 3 zien we dat er steeds over zo’n engel van de gemeente gesproken wordt.
Hij staat als beschermer voor en als gezant van de gemeente in de onzichtbare wereld.
De tempel, het beeld van de gemeente, is in de hemel omdat het volk van God daar zijn leven en bestaan heeft.
Ook hier is de sikkel weer het woord van God; door en vanuit de gemeente vindt hiermee het oordeel of de scheiding plaats.
Zoals Paulus al schrijft in1 Korintiërs 6:2 (ged.):
Weet u dan niet dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen?

Maar de engel wacht nog op een bevel om het vonnis te voltrekken.
In zijn visioen ziet Johannes weer een andere engel uit of vanaf het altaar komen.
We hebben al gezien dat dit altaar met het offer het beeld is van Jezus Christus.
Hebreeën 13:10:
Wij hebben een altaar waarvan zij die in de tent dienst doen niet mogen eten.
Deze engel die uit of vanaf het altaar komt, is dus de engel van Jezus.
Onderaan dit altaar bevinden zich de zielen van allen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis (zie Openbaring 6:9).
Want deze martelaars hebben bij hun sterven hun intrek bij Jezus genomen.
2 Korintiërs 5:8:
We blijven vol goede moed, ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen.

In dit stadium heeft het altaar geen functie op aarde: er worden geen zielen of mensen gered.
Niemand kon de tempel binnengaan voordat aan de zeven plagen van de zeven engelen een einde was gekomen (zie Openbaring 15:8).
Want de gemeente wordt opgenomen en daarmee wordt het ‘orgaan’, waardoor het evangelie van Jezus Christus bekendgemaakt kan worden, van de aarde weggenomen.
De engel die vanuit het altaar tevoorschijn komt en met een geweldige stem zijn commando geeft, is dus zeker de engel van de Heer.
Daarom heeft hij macht over het vuur, dat wil zeggen: over de demonie.

Bij zijn lijden en sterven geeft Jezus zichzelf over aan de demonen van de duisternis, dat is aan dit vuur.
Na zijn opstaan uit de dood zegt de Heer:
Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde (zie Matteüs 28:18).
Hij heeft dus niet alleen de macht over de heilige engelen van God, maar ook over de demonen.
Hij draagt deze macht zelfs aan zijn volgelingen over en heeft hen de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en om de kracht van de vijand te breken (zie Lucas 10:19).

Matteüs 3:12:
Hij houdt de wan in zijn hand, Hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.
Door het woord van God als enige leidraad te gebruiken kan elke dwaling ontmaskerd worden.
Alles wat afwijkt en afleidt van het doel van God – de volmaakte mens- zal uit het gedachtenleven van de gelovigen worden verwijderd.
Zo wordt alles wat geen nut (meer) heeft in het rijk van God uitgezuiverd en blijft alleen de echte vrucht over, namelijk die waar het hele plan van God naar toewerkt.
Zoals o.a. staat in Efeziërs 3:18-19:
Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen,
ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.

Alles wat rijp is, wordt geoogst.
De gemeente van Jezus Christus is het rijpe graan en de gemeente van de antichrist vormt de trossen van de wijngaard van de aarde, vol met rijpe druiven.
Deze druiven zijn de oorzaak van ‘de wijn van haar ontucht’ (zie Openbaring 17:2), ze zijn dus vol van ongerechtigheid en geestelijk overspel met de demonen.
De wijngaard van de aarde is het beeld van de opbrengst van de wijsheid die niet van boven komt, ze is aards, ongeestelijk, demonisch (zie Jakobus 3:15).

Als we menen God te (kunnen) dienen door religieus bezig te zijn, begeven we ons op gevaarlijk terrein.
We laten ons dan alleen maar leiden door de zichtbare dingen die ons echter verhinderen om een leven met God op te bouwen.
We hebben dan wel een schijn van godsdienst, maar we ontkennen de kracht ervan (zie 2 Timoteüs 3:5).
We volgen dan niet het evangelie van Jezus, want dat houdt in een ‘leer met gezag’!
We merken dan niet hoe satan ons misleidt en verleidt omdat we geen geestelijk inzicht hebben.
Een zeer belangrijk advies van Jezus in Matteüs 7:15 is dan ook:
Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn.
Schijnprofeten brengen de schijngemeente tot geestelijk overspel.

14:19-20

Toen wierp de engel zijn sikkel op de aarde en hij oogstte de druiven in de wijngaard op de aarde en gooide ze in de grote perskuip van Gods woede.
De wijnpers werd buiten de stad getreden.
Er kwam een grote stroom bloed uit, zestienhonderd stadie lang en zo hoog als het bit bij een paard.

Grondtekst: En wierp de engel de sikkel van hem op de aarde en hij zamelde in de wijnstok van de aarde en hij wierp (die) in de wijnpersbak van de grimmigheid van God grote.
En werd getreden de wijnpersbak buiten de stad en kwam naar buiten bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, op een afstand van stadiën duizend zeshonderd.

De engel oogst van de aarde of zoals we ook kunnen lezen: … hij snijdt met een sikkel de druiventrossen van de wijnranken af.
Niet alleen de vruchten worden verwijderd, maar ook de wijnstok zelf wordt weggedaan.
Als het beest uit de afgrond en de schijnprofeet levend in de vuurpoel gegooid worden, houdt daarmee ook de kracht van de dwaling op.
Deze dwaling heeft welig in het aardsgerichte christendom getierd, maar haar voedingsbodem heeft ze altijd gehad in de afgrond.

De antichrist met zijn gemeente vormt de ‘schijnwijnstok’ met zijn ranken en zijn trossen.
Zo staat zij tegenover de echte wijnstok Jezus Christus met zijn gemeente, die zijn voedingsbodem heeft in het koninkrijk van God.
Alles wat hoort bij de wijnstok van dwaling en wetteloosheid wordt in de grote persbak van ‘Gods woede’ geworpen.
Deze ‘woede van God’ is hier het beeld van de concentratie van de demonen die door Gods woord machteloos gemaakt worden.
2 Tessalonicenzen 2:7-8:
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst degene die hem tegenhoudt verdwijnen.
Pas dan verschijnt hij – en dan zal de Heer Jezus hem doden met de adem van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst.

Johannes ziet ook hoe deze druiventrossen platgetrapt worden om de wijn eruit te persen.
En de ongerechtigheid komt uit de persbak, de gevolgen van wat de demonen hebben aangericht.
Ze lasterden de God van de hemel, vanwege hun pijn en hun zweren en ze braken niet met het leven dat ze leidden (Openbaring 16:11).

Wie is het die de druiven in deze persbak plattrapt?
Het antwoord vinden we in Jesaja 63:2- 4:
Hoe komen uw kleren zo rood,
als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?
Ik heb de perskuip alleen getreden,
geen van de volken hielp Me daarbij.
Ik trad hen in mijn woede,
vertrapte hen in mijn toorn.
Hun bloed spatte op mijn kleren,
al mijn kleren werden besmeurd.
Ik had besloten tot een dag van wraak,
het jaar van vergelding was aangebroken.

Ook de profeet Joël beschrijft deze gebeurtenis in de onzichtbare wereld met de woorden:
Sla de sikkel erin, want de oogst is rijp.
Kom, treed, want de perskuip is vol; de wijnbakken stromen over.
Want hun boosheid is groot
(Joël 3:13).

We zien ook hier weer duidelijk dat deze laatste serie oordelen het volk van God niet treffen.
De druiven in deze persbak worden buiten de stad van God, het hemelse Jeruzalem, platgetrapt.
Als Johannes wat beter kijkt naar het druivensap, ziet hij dat het bloed is.
Het bloed, beeld van het leven, stroomt weg en de dood blijft over.

De gemeente van de antichrist wordt volkomen een prooi van het vuur, dat is van de demonie.
Zij wordt nu volledig geïnspireerd door satan en is zo totaal een prooi van de wetteloosheid geworden.
Haar leden kunnen zelfs niet meer als gewone natuurlijke mensen leven.
Enorm van omvang is deze serie plagen.
Het beeld spreekt van een afgrijselijk slachtveld, waar bij wijze van spreken paarden tot aan hun koppen door het bloed kunnen waden.
Het is een zee van bloed, van driehonderd kilometer lengte.
Dit is alleen als geestelijk beeld voor te stellen van de enorme impact die dit heeft op de religieuze aardsgerichte mensheid.

Miljoenen mensen zijn slachtoffer en een volledige prooi van de geestelijke dood.
Er is sprake van zestienhonderd stadiën, een volheid van veertig maal veertig.
Kerkgeschiedenis …!
Bij de zonen van God maakt zijn geest, die in hen woont, hun sterfelijke lichamen levend.
Zo zijn de zonen van het verderf zo gedemoniseerd, dat dit ook in hun lichamen doorwerkt.
Tenslotte worden ook dezen een prooi van de laatste vijand: de dood.

Hoofdstuk 15

15:1-4

Ik zag in de hemel opnieuw een indrukwekkend, wonderbaarlijk teken: het waren zeven engelen met de zeven laatste plagen, waarmee aan Gods woede een einde komt.
Toen zag ik iets als een zee van glas, vermengd met vuur.
Op de glazen zee stonden zij die het beest, zijn beeld en het getal van zijn naam hadden overwonnen.
Ze hadden lieren om daarop te spelen voor God.
Ze zongen het lied van Gods dienaar Mozes en het lied van het Lam:
‘Groot en wonderbaarlijk zijn uw werken, Heer, onze God, Almachtige,
rechtvaardig en betrouwbaar is uw bestuur, vorst van de volken.
Wie zou U, Heer, niet vereren, uw naam niet prijzen?
Want U alleen bent heilig.
Alle volken zullen komen en zich voor U neerbuigen,
want uw rechtvaardige daden zijn geopenbaard.’

Grondtekst: En ik zag (een) ander teken in de hemel groot en wonderbaar: engelen zeven, hebbende plagen zeven de laatste, want met deze is voleindigd de toorn van God.
En ik zag (iets) als (een) zee glazen gemengd zijnde met vuur en de overwinnenden van het beest en van het beeld van hem en van het merkteken van hem, van het getal van de naam van hem, staande aan/op de zee glazen, hebbende lieren van God.
En zij zingen het lied van Mozes, dienstknecht van God en het lied van het Lam, zeggende:
Groot en wonderbaar (zijn) de werken van U, Heer God Almachtige, rechtvaardig en waarachtig (zijn) de wegen van U, Koning van de heiligen.
Wie geenszins vreest U, Heer en verheerlijkt de naam van U? Want (U) alleen bent heilig.
Want al de volken zullen komen en zullen aanbidden voor het aangezicht van U, want de rechtvaardige oordelen van U zijn openbaar geworden.

In Openbaring 12 ziet Johannes het teken van de vrouw en van de draak.
Johannes ziet nu een ander, groot en bijzonder opvallend teken in de hemel.
Hij ziet de overwinning van het volk van God en de ondergang van de vijand in een ontzagwekkend beeld, ontleend aan het oude testament.
We worden teruggeplaatst naar de tijd waarin het volk Israël onder aanvoering van Mozes uit de slavernij onder Farao wegvlucht.
Nadat zware plagen deze tiran en zijn volk getroffen hebben, trekt het volk Israël door de Rode Zee, waarin de Egyptische koning met al zijn soldaten verdrinkt.

Johannes ziet eerst zeven engelen die de laatste zeven plagen moeten uitvoeren.
Deze zijn de zwaarste van alle plagen en hiermee heeft ‘Gods woede’, zijn enorme tegenkracht, zijn toppunt bereikt.
Na de tweede wee is het volk van God met ‘droge voeten’ door de zee getrokken en staat het nu veilig en wel aan de overkant.
Het moment van de derde of laatste wee is aangebroken.

Als het volk van God in het oude verbond op de oever van de Rietzee staat, strekt Mozes, de Godsman, zijn hand uit over de zee.
Het water stroomt weer samen en bedekt de vijanden van het volk.
Nu is het de engel van de Heer die aangeeft dat God niets meer kan doen voor de mens die bewust voor het kwaad heeft gekozen.
God moet zich dan wel terugtrekken omdat Hij zich niet met geweld kan en wil opdringen aan de mens.
Zo wordt de aarde, dus de religieuze mensheid die geen leven en denken heeft in en vanuit het koninkrijk van God, overspoeld door de demonen.

Johannes ziet iets ‘als de zee’ tot rust komen of stollen.
Ze lijkt op een glazen knikker met vurige strepen vanbinnen.
Het water is hard geworden als glas, want het karakter van de demonen die in deze zee zijn, is hard, vol geweld en gruwelijk.
De stolling van het water betekent dat de demonen niet meer actief kunnen zijn, maar dat ze veroordeeld zijn tot een eeuwige inactiviteit.
Ze kunnen nooit meer de mens verleiden, misleiden, intimideren, ziek maken of naar de dood voeren.

In dit glas spelen de vuurvlammen die een beeld zijn van het geestelijk verterende karakter van de demonen.
De hitte van dit vuur heerst in de laatste tijd over de Farao van de antichristelijke gemeente en deze gaat uiteindelijk dan ook met zijn trawanten onder in deze vuurzee.

Het volk van God staat op het droge.
Het heeft altijd geweigerd het beest te aanbidden of lid van zijn gemeente te zijn.
Het heeft de doop in Gods heilige geest gekozen boven die van het beest uit de afgrond en het gaat nu de overwinning vieren.

De zonen van God hebben een lier in hun handen en ze zingen een nieuw lied vóór de troon en vóór de vier wezens en de oudsten (zie Openbaring 14:3).
Ze zingen het bevrijdingslied van de betere Mozes die de bemiddelaar is van het betere verbond.
Hebreeën 7:22:
Daardoor staat Jezus garant voor een veel beter verbond.
Hebreeën 8:6:
Maar Jezus is dus aangesteld voor een eerbiedwaardiger dienst, in die zin dat hij bemiddelaar is van een beter verbond, dat zijn wettelijke grondslag heeft gekregen in betere beloften.

Ze zingen het lied van het Lam omdat Dit staat tussen de honderdvierenveertigduizend, de vrijgekochten van de aarde.
Zijn leven dat Hij heeft gegeven en de kracht van Gods geest daarna, zijn de basis van hun bevrijding.
Zoals Mozes en het volk God verheerlijken in de periode van de voorafschaduwing, zo prijzen hier het Lam en zijn vrijgekochten samen God, de Almachtige, als Koning van de volken.
Ze uiten hun geweldige bewondering voor zijn plan én hoe Hij de uitvoering ervan heeft bewerkt en nog steeds bestuurt.
Zijn plan is gebaseerd op recht en rechtvaardigheid, op waarheid en betrouwbaarheid.
Geweld is er geen onderdeel van, de mens kan alleen deelhebben aan dit plan op basis van volledige vrijwilligheid.

In dit visioen zien we dus de periode van de zevende bazuin.
Bij het begin ervan heeft de gemeente de luister van God verkregen en is ze onaantastbaar voor de duisternis geworden.
In deze tijd komt de gemeente van de antichrist doordat de schalen van ‘Gods toorn’ worden leeggegoten, tot totale wetteloosheid.
Het oproepen van en het zich openstellen voor de werking van de demonen hebben hun hoogtepunt bereikt.
Dit tijdperk eindigt met een treffen in de geestelijke wereld tussen het woord van God en zijn met zijn geest vervulde gemeente en de antichrist met zijn gedemoniseerde leger.
In de slag bij Harmagedon wordt de eindstrijd beslist.

15:5-6

Hierna zag ik de hemelse tempel, de verbondstent, opengaan.
De zeven engelen met de zeven plagen kwamen naar buiten, in stralende kleren van zuiver linnen en met een gouden band om hun borst.

Grondtekst: En na deze (dingen) zag ik en zie, werd geopend de tempel van de getuigenis in de hemel.
En gingen naar buiten de zeven engelen, hebbende de zeven plagen, uit de tempel, bekleed zijnde met linnen zuiver en blinkend en omgord zijnde met rondom de borsten gordels gouden.

In Openbaring 11:19 ziet Johannes dat de tempel van God in de hemel opengaat en dat de ark van het verbond verschijnt.
Daar gaat het over het zichtbaar worden van Jezus Christus in zijn gemeente.
Ook in onze tekst is de tempel het beeld van de gemeente.
Het zichtbare Joodse heiligdom wordt genoemd de tent van de getuigenis of de tent waarin de verbondstekst bewaard wordt (zie Exodus 38:21).
Vanuit zijn geestelijke heiligdom openbaart God nu zijn plan met de wereld door middel van de zonen van God.

Op een aantal plaatsen in het oude testament wordt de wet ‘het getuigenis’ genoemd.
De twee platen van het verbond of platen met de verbondstekst (de wet) liggen in de ark (zie Exodus 31:18, 32:15, 2 Kronieken 5:10 en Hebreeën 9:4).
In het nieuwe verbond maakt God zijn plan en zijn wil bekend door zijn geest die in de gelovigen woont, die in deze geest gedoopt zijn en er vol van (geworden) zijn.
Deze legt Gods wetten in hun verstand en schrijft ze in hun hart.
Hebreeën 8:10 zegt het zo:
Maar dit is het verbond dat Ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten – spreekt de Heer:
In hun verstand zal Ik mijn wetten leggen en in hun hart zal Ik ze neerschrijven.
Dan zal Ik hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.

Zoals de platen met de wet in de ark zijn, zo is Jezus Christus de eerste in wie de geest van God uitgegoten is en die zich in alle opzichten aan de wetten van deze geest gehouden heeft.
Daarom heet Hij in het boek Openbaring ‘de betrouwbare getuige’.
Hij is ook hierin de eerste van de vele zonen van God, zijn geestelijke broers.

De verbondstent is het beeld van Jezus Christus.
Het woord ‘tent’ wijst hier op het feit dat in de mens Jezus het leven van God, door zijn heilige geest, zich heeft geopenbaard.
Daarom heet Jezus ook de Christus, dit is: de gezalfde met de geest van God.
Ook deze heeft in een ‘aardse tent’ gewoond, wat hetzelfde betekent als leven in een menselijk lichaam.
In 2 Korintiërs 5:1 en 8 lezen we hierover:
Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel.
We blijven vol goede moed, ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen.

Als er staat dat de hemelse tempel, de verbondstent opengaat, kunnen we zeggen:
de gemeente van Jezus Christus die in de onzichtbare wereld is en functioneert, openbaart zich in de zichtbare wereld.
Bij deze openbaring van de gemeente verschijnen ook de zeven engelen van de gemeenten, waarvan in Openbaring 1:20 gesproken wordt.
In verband met de bruid, de vrouw van het Lam worden ze ook genoemd in Openbaring 21:9.

Deze engelen vertegenwoordigen in het visioen de gemeente van Jezus Christus van alle tijden en plaatsen.
De stralende kleren van zuiver linnen die zij aan hebben, wijzen erop dat vanuit deze gemeente de geestelijke priesters zijn voortgekomen die veel daden van herstel hebben verricht (zie Openbaring 19:8).
Hiernaar verwijst ook Jesaja 61:10:
Ik vind grote vreugde in de Heer,
mijn hele wezen jubelt om mijn God.
Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan,
hulde mij in de mantel van de gerechtigheid,
zoals een bruidegom een kroon opzet,
zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.

De gouden band of gordel is een teken van het koningschap van de heiligen.
Dat zij de gordels niet om hun middel maar over hun borst dragen, wil zeggen dat ze overwinnaars zijn die niet meer hoeven te werken en te strijden.
Ze hoeven hun middel niet meer te omgorden, dat is: hun kleed optrekken, zoals in die tijd gebruikelijk is bij arbeiders en soldaten.

Vanuit de tempel, dat is de gemeente, begint het definitieve scheidingsproces tussen goed en kwaad, het eindoordeel.
Voor de gemeente geldt in dit verband:
Wie zetelt op de rechterstoel
zal hij met zuiver recht bezielen,
en heldenmoed schenkt Hij aan hen
die de vijand uit de stad verdrijven
(Jesaja 28:6).

En in 1 Korintiërs 6:2 staat:
Weet u dan niet dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen?

15:7-8

Toen gaf een van de vier wezens aan alle zeven engelen een gouden offerschaal, vol met de woede van de God die leeft tot in eeuwigheid.
Gods majesteit en kracht vulden de tempel met rook.
Niemand kon de tempel binnengaan voordat aan de zeven plagen van de zeven engelen een einde was gekomen.

Grondtekst: En één uit de vier levende wezens gaf aan de zeven engelen zeven schalen gouden, gevuld zijnde met de toorn van God de levende tot in de eeuwen van de eeuwen.
En werd gevuld de tempel [rook]/met rook vanwege de heerlijkheid van God en vanwege de kracht van Hem.
En niemand kon binnengaan in de tempel, tot voleindigd waren de zeven plagen van de zeven engelen.

In de schepping van God neemt de dierenwereld een aparte plaats in.
Met de mens hebben deze levende wezens in het algemeen gemeenschappelijk dat ze blijdschap en levensvreugde kennen, maar ook lijden en angst.
Ook deze schepping is aan ‘de slavernij van de vergankelijkheid’ onderworpen door de ongehoorzaamheid van de mens.
Door zijn luisteren naar, dus zijn gehoorzamen aan satan heeft de mens (de eerste Adam) de heerschappij over deze wereld aan satan overgedragen.
Want wie we gehoorzamen, zijn dienaar zijn we, zoals Romeinen 6:16 aangeeft:
Wanneer u zich als slaaf in iemands dienst stelt, weet u toch dat u hem moet gehoorzamen?
Wanneer u de zonde dient, leidt dat tot de dood; wanneer u God gehoorzaamt, leidt dat tot vrijspraak.

Maar het is eveneens de mens (de tweede Adam) die de schepping weer zal herstellen.
En de zekerheid dat deze bevrijding zal plaatsvinden, is dat we als zonen van God openbaar zullen worden.
Romeinen 8:19-21:
De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen (zonen) zijn.
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem
(Adam) die haar daaraan heeft onderworpen.
Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.

De treurende en zuchtende bezielde schepping wordt bevrijd van haar lijden en angst als de gemeente van Jezus Christus haar koningschap over deze aarde aanvaardt.
U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd en hen tot priesters gemaakt.
Zij zullen als koningen heersen op aarde
(Openbaring 5:10).
De levende schepping is overal beschadigd, verworden en gedemoniseerd.
Als de zonen van God als priesters en koningen hun werk afgerond hebben, zal blijken wat de echte aard van de dieren is.
Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden
en een kleine jongen zal ze hoeden.
Een koe en een beer grazen samen,
hun jongen liggen bijeen;
een leeuw en een rund eten beide stro.
Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.

In de visioenen vertegenwoordigen de vier wezens Gods levende schepping, zoals de vierentwintig oudsten dit doen voor het voltooide nieuwe Jeruzalem.
Deze stad staat voor de gelovigen, de rechtvaardigen van alle eeuwen en plaatsen, die bij God horen.
Deze uitverkorenen of door God geselecteerden nemen in de gedachten van God en in zijn plan de eerste plaats in.
Daarom worden ze door vierentwintig oudsten vertegenwoordigd.
Zo neemt ook de bezielde schepping in het bevrijdingsplan van God een eigen plaats in.

Jezus is door de Vader ‘uitverkoren’, dat wil zeggen dat Hij de volmacht van God heeft gekregen om zijn plan met mens en schepping verder uit te voeren.
Lucas 9:35:
Er klonk een stem uit de wolk, die zei: Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar Hem!
Als wij in Hem zijn en blijven, zijn ook wij ‘uitverkorenen’, wat wil zeggen dat wij met Jezus mogen meewerken aan de uitvoering van het plan van God.
1 Petrus 2:9:
Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.

Een van de vier wezens geeft een gouden (offer)schaal aan elk van de zeven engelen, de vertegenwoordigers van de gemeenten van het nieuwe verbond.
Deze schalen zijn vol van de gramschap van God of zoals ook vertaald wordt: de toorn of de woede van God.
Wat betreft de gouden schalen kunnen we denken aan de schalen of gouden kommen, waarin het plengoffer gebracht wordt.
In deze schalen bevindt zich de wijn van ‘Gods woede’ die niet verdund is met andere bestanddelen (zie Openbaring 14:10).
Er is geen enkele vorm van licht meer in aanwezig.
De wijn is een beeld van de gruwelijke dingen, de perversiteiten, de wreedheden en de ziekten waardoor de bezielde schepping al eeuwenlang geteisterd wordt als gevolg van de invloed van satan en zijn demonen.

Een vertegenwoordiger van deze bezielde schepping, die vol verlangen heeft uitgezien naar de tijd van haar bevrijding, geeft de schalen nu aan de zeven engelen van de gemeenten.
De ‘woede van God’ is hier een andere uitdrukking voor (de werking van) de demonen van zonde, ziekte, geweld en misleiding die de pijniging met vuur en zwavel veroorzaken.
Zij hebben het leven aangetast en dit is een rechtstreekse aanval op het bestaan van God, want Hij is de Levende en de levensgever, vanaf het begin tot in alle eeuwen die nog volgen.
Handelingen 17:25, 28 en 29 ged.:
Hij laat zich ook niet bedienen door mensenhanden alsof er nog iets is dat Hij nodig heeft, Hij die zelf aan iedereen leven en adem en al het andere schenkt.
Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.
Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: Uit Hem komen ook wij voort.

De geestelijke en de natuurlijke dood zijn de principiële vijanden van God, die tegen zijn wezen gericht zijn.
Waar de mens immuun geworden is voor iedere vorm van Goddelijk leven in zich, kan hij alleen nog maar de kwelling naar zijn innerlijk en uiterlijk ondergaan, zoals ook de dierenwereld deze kent.

Dan neemt de Vader met al zijn luister en kracht bezit van zijn tempel en openbaart Hij zich van hieruit.
De gemeente, de tempel van God, wordt tot in al haar vezels, tot in het diepste bestaan van al haar afzonderlijke leden, met grote kracht en luister gevuld.
Zij krijgt de kracht en het inzicht om de laatste oordelen over deze aarde te vellen, dat wil zeggen: om de totale en definitieve scheiding aan te brengen tussen goed en kwaad.
Ook aanvaardt ze het koningschap en wel om te heersen over de vijanden en om de schepping te dienen in en met de liefde, de wijsheid en de kracht van Gods heilige geest.

De persbak wordt nu buiten de stad getreden, dit houdt in dat als de laatste schalen met de toorn van God over de aarde leeggegoten worden, dit de gelovigen niet zal raken.
Maar aan de andere kant kan ook niemand tijdens deze plagen de luister van God verkrijgen.
De scheiding tussen de gemeente vol luister en kracht van God en de gedemoniseerde mensheid die verloren gaat of in feite al is, is duidelijk tot stand gekomen.

Hoofdstuk 16

16:1

Toen hoorde ik een luide stem uit de tempel komen die tegen de zeven engelen zei:
‘Ga nu!
Giet de zeven offerschalen met Gods woede leeg op de aarde!’

Grondtekst: En ik hoorde (een) stem grote uit het tempelhuis, zeggende tot de zeven engelen: gaat heen en giet uit de schalen van de toorn van God op de aarde.

We worden nu verplaatst naar de tijd dat de gemeente in de hemel opgenomen is en direct volgt dan de derde of laatste wee (zie Openbaring 11:14).
Het Lam met zijn vrijgekochten staat op de veilige oever van de ‘glazen zee’, als het water zich boven de Farao van de laatste tijd en zijn leger gaat sluiten.
De gemeente van de antichrist wordt in deze laatste plagen volkomen prijsgegeven aan de demonen die zij dient.
Het bij elkaar vloeien van het water waarin zij ondergaat, wordt in dit visioen voorgesteld door zeven grote offerschalen waarvan de inhoud op de vijanden van het koninkrijk van God wordt uitgegoten.

Zoals we al eerder hebben gezien, zijn de zeven engelen die van de gemeenten.
Zij vertegenwoordigen in deze visioenen de gemeente van alle eeuwen en alle plaatsen in de geestelijke wereld.
Zij zijn de sterren die de Mensenzoon in zijn rechterhand houdt.
Zoals de gemeente niet te scheiden is van haar hoofd, Jezus Christus, zo staan ook deze engelen van de gemeente rechtstreeks onder zijn bevel.
Als Johannes dan ook een luide stem hoort uit de tempel, dit is de verheerlijkte gemeente, is dit het commando van Jezus Christus te midden van zijn volk.
Zijn stem klonk als het geluid van geweldige watermassa’s (zie Openbaring 1:15).

Het is:
een genadejaar van de Heer …
en een dag van wraak voor onze God,
om allen die treuren te troosten,
om aan Sions treurenden te schenken
een kroon op hun hoofd in plaats van stof,
vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad,
feestkledij in plaats van verslagenheid
(zie Jesaja 61:2-3).

De ‘woede van God’ is de inwerking van de demonen uit de onderaardse diepte, die de aarde pijnigen in ‘vuur en zwavel’ (zie Openbaring 14:10).
De wijn is een beeld van de gruwelijke dingen, de perversiteiten, de wreedheden en de ziekten waardoor de bezielde schepping geteisterd wordt.
In de laatste wee wordt de gemeente van de antichrist weggegooid als een nageboorte.

16:2

De eerste engel ging weg en goot zijn offerschaal leeg over de aarde.
Alle mensen die het merkteken van het beest droegen en zijn beeld aanbaden, kregen kwaadaardige en pijnlijke zweren.

Grondtekst: En ging weg de eerste en hij goot uit de schaal van hem op de aarde en (er) ontstond (een) gezwel slecht en boosaardig op de mensen de hebbende het merkteken van het beest en de het beeld van hem aanbiddenden.

In het water van de Rietzee komen Farao en zijn leger om.
Zo begint nu bij de eerste schaal het eindoordeel over de antichrist en zijn gemeente.
De strijd tussen de waarheid en de leugen, tussen de dwaling en de leer die herstel brengt, wordt beslecht.
De mensen met het merkteken van het beest, dat is: de doop in de geest van het beest, worden volledig met deze geest vervuld.
Doordat ze het beest aanbidden, het dus bewust in hun denken en daden toelaten, gaan ze steeds meer zijn karakter aannemen en zijn wezen openbaren.

Dit gaat in feite op dezelfde manier als bij de zonen van God die het leven van Jezus Christus laten zien door de geest van God die in hen woont.
Hier zien we de vrucht van Gods geest groeien en volwassen worden:
Liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (zie Galaten 5:22).

Bij de leden van de gemeente van de antichrist zien we ook naar buiten komen wat erin zit.
Kwaadaardige en pijnlijke zweren zijn een beeld van onzuiverheid en een weggevreten worden van het leven door negatief geestelijk leven: kanker.
In 2 Timoteüs 2:16-17 wordt hiervoor al gewaarschuwd:
Luister niet naar zinloos en leeg gezwets, want het voert steeds verder van God weg.
Wat dwaalleraren vertellen, woekert voort als een gezwel.

Gezwel kan worden uitgelegd als: iets wat verder woekert, wat het lichaam aantast, kanker.

Hun geestelijke lichaam wordt aangetast en de gevolgen hiervan zijn dan ook te zien.
In tegenstelling tot de vrucht van de heilige geest van God openbaart zich bij de antichristelijke gemeente de vrucht van de antichristelijke geest.
Enkele voorbeelden:
Matteüs 15:19
… boze gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster.
2 Korintiërs 12:20
… tweespalt, jaloezie, woede, gekonkel, kwaadsprekerij, geroddel, arrogantie en wanorde.
Galaten 5:19 en 20
… ontucht, zedeloosheid en losbandigheid,afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras- en slemppartijen, en nog meer van dat soort dingen.
2 Timoteüs 3:2
… egoïsme, hebzucht, zelfingenomenheid en arrogantie, geen ontzag voor ouders, ondankbaarheid en niets heilig achten.
Openbaring 9:20
… goden aanbidden en beelden van goud, zilver, brons, steen en hout …

16:3

De tweede engel goot zijn offerschaal leeg over de zee.
Het water werd bloed, als het bloed van een dode, en alle wezens die in zee leefden kwamen om.

Grondtekst: En de tweede engel goot uit de schaal van hem in de zee en (er) ontstond/werd bloed als van (een) dode en elke ziel levende stierf in de zee.

In Openbaring 8:8 kunnen we zien dat de zee het beeld is van het geestelijke leven van de mensen, dat onder de macht van de duisternis ligt.
En wel in het bijzonder onder de macht van de dood (de afgrond).
Bij de tweede bazuin valt een enorme macht in de zee en beschadigt (verbrandt) het geestelijke leven van de mensen.
Een groot deel van hen wordt een volkomen prooi van de duistere demonen.
Ze zijn geestelijk totaal afgeschreven en onbereikbaar geworden voor het evangelie.
Ook voor deze mensen geldt dat ze niet meer kúnnen geloven omdat hun ogen verblind zijn en hun hart verhard (versteend) is.
Johannes 12:40:
Hij heeft hun ogen verblind
en hun hart gesloten,
anders zouden zij met hun ogen zien
en met hun hart begrijpen,
zij zouden zich omkeren
en Ik zou hen genezen.

Dat komt omdat ze bewust gekozen hebben voor de duisternis.

Het bloed wijst erop dat men alleen nog bezig is met een uiterlijke religie waaruit het geestelijke leven volkomen verdwenen is.
Ze staan geestelijk niet meer in verbinding met de Bron van het leven, maar ze zijn onderworpen aan de macht van de dood.
Ze zijn geestelijk dan ook dood, hun gedachtenleven is daarmee compleet verweven.
Romeinen 8:6 (ged.):
Want de gezindheid (wat men in gedachten heeft) van het vlees (de natuurlijk gerichte mens) is de dood …

Bij het leeggieten van de tweede schaal wordt de hele zee als bloed van een dode.
Alles wat nog aan Godgericht geestelijk leven over is, verdwijnt.
Want het religieuze leven van de antichrist is verbonden met en gewijd aan de dood en het voert naar het eeuwige verderf.

16:4-7

De derde engel goot zijn offerschaal leeg over rivieren en waterbronnen, en het water werd bloed.
Ik hoorde de engel van al het water zeggen:
‘Rechtvaardig bent U, de heilige, die is en die was, omdat U op deze manier straft
(of: oordeelt).
Bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten en bloed laat U hen drinken.
Ze hebben het verdiend.’
Ik hoorde het altaar antwoorden:
‘Ja, Heer, onze God, Almachtige, uw oordelen zijn betrouwbaar en rechtvaardig.’

Grondtekst: En de derde engel goot uit de schaal van hem in de rivieren en in de bronnen van de wateren en (er) ontstond/(het) werd bloed.
En ik hoorde de engel van de wateren zeggende: rechtvaardig, Heer, bent U, de Zijnde en de(gene die) was en de Heilige, omdat deze (dingen) U hebt geoordeeld.
Want bloed van heiligen en profeten hebben zij uitgegoten en bloed aan hen gaf U (om te) drinken; waard namelijk zijn zij (het).
En ik hoorde (een) ander uit het altaar zeggende: ja, Heer God Almachtige, waarachtig en rechtvaardig (zijn) de oordelen van U.

In aansluiting bij en in aanvulling op de toelichting op Openbaring 8:10-11 kunnen we over rivieren en waterbronnen het volgende zeggen:
In het boek Openbaring is sprake van bronnen van en een rivier met water dat leven geeft, helder als kristal, die ontspringt uit de troon van God en van het Lam (zie Openbaring 21:6 en 22:1).
Daar wordt gesproken over Gods heilige geest en het woord, de uitgesproken gedachte van God.
Jezus zelf zegt in verband met het werk van Gods geest in het innerlijk van zijn volk:
Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft (zie Johannes 7:38).

Demonen vergiftigen door hun misleidende gedachten en leringen de bronnen van geestelijk leven.
Ze brengen geen leven maar dood aan de mensen die uit deze besmette bronnen drinken.
De (andere) rivieren wijzen op geestelijke, antichristelijke stromingen.
Wát hierin nog aan leven aanwezig is, valt af van het echte geloof en sterft een geestelijke dood.

Nu zijn we in het laatste stadium van de grote geestelijke afval.
Alles wat in de schijngemeente verkondigd en gedaan wordt, geeft geen geestelijk leven, want het gaat alleen nog maar om uiterlijke dingen.
Men verbindt religie alleen nog maar aan zichtbare zaken, als:
wetenschap, gewijde gebouwen en kleding, organisaties en structuren, macht en invloed, religieuze emotie, zogenaamd ‘christelijk’ vermaak en allerlei andere dwalingen en zaken die van God en zijn plan afleiden en afvoeren.
Men richt zich niet op wat God met de mens voorheeft:
De liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, zodat jullie zullen volstromen met Gods volkomenheid (zie Efeziërs 3:19).

Omdat men dit doel niet nastreeft, probeert men nog met leringen, stelsels en voorschriften zijn religie in stand te houden.
Men is opvattingen en ideeën gaan volgen die geïnspireerd worden door (religieuze) demonen en zo komt men bedrogen uit.
Het doel van God wordt niet bereikt, maar men wordt een prooi van leugen en bedrog en uiteindelijk van de dood, het gescheiden zijn van God.

Er is een engel met macht over het water, zoals er ook een engel is die macht over het vuur heeft.
We zien ook dat er engelen zijn die in dienst staan van de gemeenten.
Bovendien zijn er engelen die voor God staan.
Engelen worden dus aangeduid naar de functie die ze hebben.

De engel van het vuur houdt zich bezig met de demonen, die van het water met de geesten van de mensen, terwijl de engel van de Heer de heilige engelen aanstuurt.
De engel van het water houdt toezicht op het geestelijke leven van de volken.
Op zijn balans staat te lezen welke bloedschuld de schijngemeente heeft bij de gemeente van Jezus Christus.
Hij concludeert dan ook dat het oordeel dat over deze gemeente uitgesproken wordt, rechtvaardig en billijk is.
Het vonnis wordt uitgevoerd namens Hem, die is en die was, de onveranderlijke en eeuwige God.
Zijn wetten veranderen niet en zijn plannen hangen niet af van de waan van de dag.
God is de Heilige, Hij die herstel brengt en daarom is zijn oordeel over zonde en dwaling rechtvaardig en juist.
God is uitsluitend licht en geen duisternis kan Hem bij het scheiding maken tussen goed en kwaad, dit is zijn oordeel, beïnvloeden of in verwarring brengen.

De schijngemeente heeft zich vergrepen aan het bloed van de heiligen en de profeten.
Zij heeft oorlog tegen hen gevoerd om hun geestelijke (en vaak ook natuurlijke) leven te roven omdat zij geweigerd hebben het beest te aanbidden.
Ze heeft het geestelijke leven bij veel oprechte gelovigen weggenomen doordat ze hen niet op de hoogte gebracht heeft van het plan van God, maar hiervoor de leugen in de plaats heeft gezet.

Ze heeft zich zelfs altijd verzet tegen het plan van God om de mens een plaats op zijn troon te geven.
En wel door inspiratie van haar leider: satan, van wie gezegd wordt:
O morgenster, zoon van de dageraad,
hoe diep ben je uit de hemel gevallen.
Overwinnaar van alle volken,
hoe smadelijk lig je daar geveld.
Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel,
boven Gods sterren plaats ik mijn troon.
Ik zetel op de toppen van de Safon,
de berg waar de goden bijeenkomen.
Ik stijg op tot boven de wolken,
ik evenaar de Allerhoogste
(Jesaja 14:12-14).
Hij wil de gemeente elimineren om zelf haar plaats in te nemen en zelfs een nog hogere.

Heiligen zijn gelovigen die geheeld of hersteld zijn, ze zijn volledig afgezonderd van het kwaad en zo kunnen ze een volmaakt en zuiver geestelijk leven leiden.
Profeten zijn gelovigen die worden geïnspireerd door Gods heilige geest om de gedachten van God door te geven aan de gemeente.
Beide categorieën worden gevoed door het water dat leven geeft (zie Openbaring 21:6, 22:1 en 22:17).
De heiligen en de profeten worden ‘gedood’ in het geestelijke Babylon of in het afvallige Jeruzalem en in de laatste tijd in de antichristelijke kerk.
Ze kunnen daar niet meer leven en hun stem wordt er niet meer gehoord.
De antichristelijke gemeente is de voortzetting en de voltooiing van de schijngemeente en zij openbaart in alle openheid haar duisternis en moordzucht.

Men maakt de heiligen en de profeten monddood, omdat men het echte geestelijke leven haat.
Satan zal alles in het werk stellen om de geest van de mens op het zichtbare gericht te houden, zodat hij zelf buiten schot blijft en zo bovendien vrij spel krijgt.
Nu worden haar leden van iedere vorm van geestelijk leven afgesneden.
Zij moeten nu bloed drinken, want zij hebben het verdiend, dat wil zeggen: ze moeten de gevolgen van hun foutieve handel en wandel dragen!
Met een oudtestamentisch beeld:
Maar Egypte wordt een woestenij
en Edom een kale woestijn,
om hun misdaden tegen Juda,
om het onschuldig bloed dat ze daar hebben vergoten
(Joël 4:19).

Al langere tijd zien we het begin van de ondergang van het geestelijke leven, onder andere doordat men de kracht van het evangelie ontkent en zelfs bestrijdt.
Vooraanstaande theologen en in hun kielzog veel gelovigen, nemen uit de Bijbel weg wat naar hun mening niet in het moderne, natuurwetenschappelijke beeld past.
Men gelooft zelfs in een volstrekt onlogische en onwetenschappelijke evolutietheorie, waardoor God niet meer als Schepper erkend wordt.
Maar wat minstens zo erg is: men hecht geen enkele waarde aan het plan van God met de mens, voor zover men daar al enig inzicht in heeft.

Daarom ontkennen de moderne ‘schriftgeleerden’ de wonderen en tekenen in de Bijbel, waaronder de doop in Gods heilige geest en de ontwikkeling van de begaafdheden van deze geest.
Ook wordt het opstaan uit de dood van zowel Jezus Christus als van de gelovigen als een fabel beschouwd.
Vooral (de mogelijkheid van) het bereiken (in dit leven al) van het niveau van Jezus Christus door de mens, wordt als volstrekt ongeloofwaardig van de hand gewezen.

Natuurlijk maken veel mensen in gemeenten en kringen zich zorgen over deze ontwikkelingen.
Ze roepen ach en wee, maar tegelijkertijd negeren ze zelf de grote opdracht van Jezus om in en vanuit de geestelijke wereld te denken en te handelen.
Dit kan door te leven in het licht, in de naam van Jezus demonen te verdrijven, talen te spreken die door Gods geest geïnspireerd worden en op zieken de handen te leggen voor genezing.
Het geeft toch wel aan dat men er een gespleten levenshouding op nahoudt.
Aan de ene kant wil men met hand en tand aan de historische wonderen vasthouden.
Men gelooft de Bijbel immers ‘van kaft tot kaft ..’!
Aan de andere kant maakt men de christenen belachelijk die deze wonderen opnieuw willen beleven.

Zo is voor veel gelovigen het evangelie van het koninkrijk van God nu alleen nog maar aardsgericht en heeft het niets meer te maken met de geestelijke dimensie.
In het rijk van de antichrist worden dit modernisme en dit dode fundamentalisme tot het bittere einde doorgevoerd.
Er wordt geen water dat leven geeft meer gedronken uit de levensrivier, uit de bronnen van het herstel.
Nee, het zogenaamde christendom verzadigt zich met bloed, dat is met een natuurlijke religie, om zichzelf nog het idee te geven dat men met God leeft.
Dit zijn geen loze kreten, want laten we nog maar eens kijken naar een aantal van die uiterlijkheden en dwalingen waarmee de gelovigen worden beziggehouden en misleid.

Het kan echt niet vaak genoeg gezegd worden, een (beslist onvolledige) bloemlezing:

Door al deze dingen is en wordt de bron van levend water helaas voor veel oprechte gelovigen totaal vergiftigd.
Het gevolg is dat er nog weinig mensen zijn (de Bijbel heeft het steeds over een ‘rest’ of ‘overschot’) die echt begrijpen waar het bij God precies om gaat!

Wat wel het belangrijkste in het christelijke leven is, vinden we bijvoorbeeld in Filippenzen 3:

Het geestelijke denken van veel mensen is door allerlei demonische humbug volledig ondergesneeuwd.
Ze leiden een min of meer dierlijk – hoewel in verstandelijk en moreel opzicht hoger ontwikkeld - bestaan.
Wie bloed drinkt, verzadigt zich met het natuurlijke leven, want de ziel is in het bloed.
Een dier mag wel bloed drinken, maar een mens niet.
Ook dit heeft een bedoeling.
De mens moet zich niet verzadigen met het natuurlijke of het zichtbare, maar met het geestelijke.
Het hoogste geluk dat een mens kan ervaren is het oog in oog mogen staan met zijn God die volmaakt liefdevol en vriendelijk is.
Psalm 17:15 zegt:
Laat mij, recht gedaan, uw gelaat aanschouwen,
bij het ontwaken mij verzadigen aan uw beeld.

Gods vriendelijk stralende ogen verheugen ongetwijfeld ook ons hart! (zie Spreuken 15:30 NBG).

Wij moeten vol worden van het water dat leven geeft.
Wij moeten dus vol worden van de heilige geest van God.
Wij moeten voorkómen dat we ons leven vullen met natuurlijke en zichtbare zaken, vooral waar deze betrekking hebben op ons religieus bezig zijn.
Als we toch ‘bloed drinken’, verlagen we ons tot de status van een dier en bereiken we onze geestelijke bestemming nooit.
We worden dan slachtoffer van hebzucht en dat is afgoderij, zoals nadrukkelijk wordt gezegd in Kolossenzen 3:5:
Laat dus wat aards in u is afsterven: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht – hebzucht is afgoderij …

Dan hoort Johannes het altaar spreken.
Wij weten al dat het brandofferaltaar het beeld is van Jezus Christus.
Onder(aan) dit altaar bevinden zich de zielen van hen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis (zie Openbaring 6:9).
Deze martelaars die na hun overlijden een blijvende intrek bij de Heer genomen hebben, (vergelijk 2 Korintiërs 5:8) bevinden zich dus in of onderaan het altaar.
Dat wil zeggen dat hun schuld is vergeven, dat ze rechtvaardigen zijn.
Ze roepen:
O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult U de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken? (Openbaring 6:10).
Voor een verklaring hiervan zie de toelichting bij dit vers.

Toen is tegen hen gezegd nog een korte tijd geduld te hebben, maar nu zien ze dan hoe de definitieve scheiding plaatsvindt tussen goed en kwaad.
Ze zijn hiervan nu getuigen en ze stemmen ermee in door te zeggen dat dit scheidingsproces betrouwbaar is en rechtvaardig.
Ze vinden hierin bijval van een grote menigte mensen (zie Openbaring 19:1-2).

16:8-9

De vierde engel goot zijn offerschaal leeg over de zon, waardoor ze de mensen kon verbranden met haar vuur.
De grote hitte verzengde de mensen en ze lasterden de naam van God, die macht heeft over deze plagen.
Ze toonden geen berouw en bewezen Hem geen eer.

Grondtekst: En de vierde engel goot uit de schaal van hem op de zon; en werd gegeven aan hem (te) verbranden de mensen met vuur.
En werden verbrand de mensen met hitte grote en zij lasterden/[lasterden] de naam van God hebbende (vol)macht over plagen deze en niet bekeerden zij zich (tot het) geven aan Hem eer.

De laatste dagen kenmerken zich - volgens de profeet Joël – door bloed en vuur en zuilen van rook (zie Openbaring 3:3).
Bloed is het symbool van het zichtbare religieuze leven waarmee de gelovigen alleen nog maar rekening houden als zij hun plaats in de geestelijke wereld verlaten of niet innemen.
Vuur is het beeld van demonische beïnvloeding, overheersing en aantasting van het leven.
Zuilen van rook geven de verstikkende werking aan van deze invloed, waarbij deze het zicht op God, de Zon van de gerechtigheid, belemmeren of zelfs totaal wegnemen.

Na de opname van de gemeente, die dan vol is van de geest van God, blijven er twee categorieën mensen over:
natuurlijk gerichte mensen zonder geestelijke interesse zoals in de dagen van Noach én
zij die vol zijn van de demonische geest van de antichrist.

In de eerste drie plagen zien we de verwording van de mens die een natuurlijk gericht leven leidt.
Bij de vierde plaag zien we hoe de wereld zonder God rechtstreeks overgegeven wordt aan de ontbindende machten uit de afgrond.
De vierde engel giet zijn schaal leeg in de richting van de zon.
In Openbaring 14:18 lezen we dat deze engel macht heeft over het vuur, dat wil zeggen autoriteit heeft over de demonen uit het rijk van de duisternis.
Deze macht kan hij nu activeren.

Het resultaat is dat de lasteringen als een fontein naar de levende God opspuiten (in de richting van de zon).
De engel heeft de macht gekregen om de demonen met hun geweldige haat te ontketenen.
In de schijngemeente wordt nu de duivelse lastering tegen God geopenbaard.
De mensen verwijten God hun ellende, maar de liefde van God die hen kan redden, wordt door hen geminacht en afgewezen.
Dit als gevolg van hun hoogmoed, het niet willen erkennen van God als hun Schepper en Heer.

Hoe heeft de engel deze macht gekregen?
Doordat de gemeente van Jezus Christus groeit in heiligheid en volmaaktheid, neemt ook de weerstand van het rijk van de duisternis enorm toe.
De demonen weten dat ze niet veel tijd meer hebben te verliezen.
Daarom: juich, hemel, en allen die daar wonen!
Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald!
Hij is woedend, want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft
(Openbaring 12:12).
Satan zal alles op alles zetten om alsnog zijn doel te bereiken en daarom trekt hij al zijn duistere registers open.
De mensen die zich voor hem openstellen en met hem heulen, ondervinden daarvan de vreselijke gevolgen.

Nogmaals: ze tonen geen berouw en bewijzen God geen eer.
Hetzelfde zien we nu ook al in de wereld gebeuren als men God de schuld geeft van alle ellende, ziekte, lijden, oorlogen en natuurrampen.
Dit komt aan de ene kant doordat men geen inzicht heeft in wie God werkelijk is: uitsluitend licht en liefde.
Aan de andere kant komt dit doordat men ook het bestaan en het werk van satan ontkent en het geloof hierin verwijst naar het land van de sprookjes.
Mensen hebben geen geestelijk inzicht en ze maken een ‘mix’ van God, dat wil zeggen dat ze aan Hem zowel het goede als het kwade toeschrijven.
Zo krijgt men een onbeschrijflijk onlogisch en verward denkbeeld over God en over het geloof als geheel.
Dit vormt een rijke voedingsbodem voor satan om de mensen te verstrikken in allerlei vormen van misleiding.

De zeven engelen komen uit de tempel (zie Openbaring 15:6), dat wil zeggen: ze worden actief door en vanuit de gemeente van Jezus Christus.
Van de engel die de macht over het vuur heeft, wordt nog specifieker gezegd dat hij uit het altaar komt (zie Openbaring 14:18).
Dit altaar is Jezus Christus en Hij is de doper in Gods heilige geest en in vuur (zie Matteüs 3:11).
Terwijl de zonen van God in zijn geest gedoopt zijn voordat zij de zware geestelijke pressie ondergaan, worden de mensen zonder God gedoopt in vuur.
De oorzaak hiervan is niet God of Jezus, maar hun eigen keus die uitmondt in onbetrouwbaarheid en verwerpelijke daden.
Romeinen 1:28:
Omdat ze het beneden hun waardigheid achtten God te erkennen, heeft God hen overgeleverd aan hun eigen onbetrouwbaarheid en doen ze wat verwerpelijk is.
Deze keus opent in de geestelijke wereld de poort waardoor satan hen kan infiltreren.
Dat God een verterend vuur is (zie Hebreeën 12:29) is dus een beeld van de destructieve invloed van de demonen in mensen die God willens en wetens afwijzen (zie Hebreeën 12:25).

Al eerder schrijft Johannes:
Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten (Johannes 3:36).

Men komt niet tot inkeer en men toont geen berouw, zoals eenmaal de koning van Ninevé met zijn volk.
Men roept in zijn ellende God niet aan en men heeft geen inzicht in de werkelijke situatie.
Men is verhard in zijn denken en men laat de geest van God niet toe in zijn leven.
2 Korintiërs 3:14:
Hun denken verstarde en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt.
Hij wordt alleen in Christus weggenomen.

Men is niet bezig met het veranderingsproces in zijn leven om hetzelfde geestelijke niveau als van Jezus Christus te verkrijgen.
2 Korintiërs 3:18:
Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.

Men weet niet dat men zich in het voorportaal van de hel bevindt, de vuurpoel die van zwavel brandt.
Men lastert de naam van God:
Moedeloos en hongerig zullen de mensen door het (religieuze) land zwerven.
Ze zullen honger lijden en in hun woede de koning en hun God vervloeken.
Ze kijken omhoog of staren naar de grond, maar overal heerst verstikkende duisternis; donker en somber is het, nacht overal.
En wie daardoor omsloten wordt, zal niet ontkomen
(Jesaja 8:21-23).

16:10-11

De vijfde engel goot zijn offerschaal leeg over de troon van het beest.
Zijn rijk werd in duisternis gehuld.
De mensen beten op hun tong van de pijn.
Ze lasterden de God van de hemel, vanwege hun pijn en hun zweren en ze braken niet met het leven dat ze leidden.

Grondtekst: En de vijfde engel goot uit de schaal van hem op de troon van het beest en werd het koninkrijk van hem verduisterd; en zij kauwden de tongen van hen vanwege de pijn.
En zij lasterden de God van de hemel vanwege de pijnen van hen en vanwege de zweren van hen en niet bekeerden zij zich van de werken van hen.

De vijfde engel richt zich nu vooral op de troon van het beest en zijn rijk.
De demonen die de oorzaak zijn van gruwel en ellende concentreren zich nu op de antichristelijke gemeente.
Want het beest is de geest van de antichrist en het heeft zijn troon gevestigd in de gemeente van de antichrist.
De imitatie is duidelijk.
God heeft zijn troon door zijn geest in het hart van zijn volk gevestigd; Hij regeert in en door hen.
De gemeente van de antichrist is begonnen als een schijngemeente (verwarring, Babylon) met naast bepaalde waarheden ook allerlei soorten dwalingen in haar dogma’s.
Maar de chaos wordt steeds groter en de waarheden steeds minder: de dwalingen krijgen volledig de overhand.
Als nu de vijfde engel zijn schaal leeggiet, is de tijd gekomen dat ook het laatste stukje waarheid verwijderd wordt en men radicaal en openlijk de kant van satan kiest.
De verwarring heeft dan opgehouden te bestaan en het onkruid is volledig rijp geworden.

Het beest en de tien koningen uit het rijk van de leugen ontplooien een blinde haat tegen alles wat nog maar enigszins aan God en aan zijn woord of plan herinnert.
De tien horens die je zag en het beest zelf zullen een afschuw krijgen van de hoer en ze zullen haar te gronde richten.
Ze zullen haar uitkleden, haar vlees eten en haar in brand steken
(Openbaring 17:16).
Haar ware aard wordt duidelijk zichtbaar, haar uiterlijke verschijningsvorm wordt door het beest overgenomen en ze wordt door hem totaal gedemoniseerd.
De schijngemeente wordt zo volledig door de duisternis in beslag genomen en zo wordt zij de gemeente van de antichrist.
Ze wordt er identiek mee, zoals de gemeente van de laatste tijd vol van Gods licht is en in haar wezen gelijk geworden aan haar Heer Jezus Christus.

Een nieuwe aanval van haat en lastering richt zich tegen God.
De oorzaak is dat het geestelijke leven zwaar onder druk staat van de demonen.
Dit veroorzaakt in geestelijke zin pijn en zweren die zo groot zijn, dat men in machteloos verzet op zijn tong kauwt.
Zweren zijn concentraties van vuilheid en verdorvenheid, die een enorme druk veroorzaken.
Bij deze verwording wordt de tong niet gebruikt om God mee te vereren of om er talen mee te spreken die door Gods geest geïnspireerd worden.
Nee, door hun tong lastert en vloekt men alleen nog maar, een duidelijk bewijs van de bron van hun inspiratie.
Wat erin zit, komt eruit!
En zo kennen we aan de vruchten de boom.
Voor een verdere toelichting zie vers 2.

16:12

De zesde engel goot zijn offerschaal leeg over de grote rivier de Eufraat.
De rivier viel droog en maakte de weg vrij voor de koningen uit het oosten.

Grondtekst: En de zesde engel goot uit de schaal van hem op de rivier de grote de Eufraat en droogde op het water van hem, zodat gereed gemaakt werd de weg van de koningen de (komende) van (de) opkomsten van (de) zon.

De Eufraat is een van de vier rivieren in het aardse paradijs.
Zo hebben alle vier rivieren een gemeenschappelijke bron of oorsprong.
Genesis 2:10:
Er ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit.
Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen.

Door de zondeval wordt dit vertakken van deze waterwegen het beeld van de dwaling.
Deze begint als een kleine afwijking van het woord van God, maar ze wordt steeds groter en nooit ontmoet ze de oorspronkelijke stroom weer.
Maar de rivier van het water dat leven geeft, in het hemelse of geestelijke paradijs, heeft geen vertakkingen.

Aan de oever van de Eufraat verrijst de wereldstad Babylon, beeld van de schijngemeente en de tegenspeelster van de gemeente van Jezus Christus.

De Bijbel vertelt ons hoe het antieke Babylon door Cyrus belegerd wordt (zie Daniël 5).
Deze Perzische vorst damt de Eufraat af, waardoor er een meer ontstaat.
De uitgedroogde bedding aan de andere kant van de dam wordt zo een natuurlijke toegang naar de stad.
De Perzen dringen ‘s nachts de stad binnen en vermoorden de brooddronken en zwelgende Belsazar met zijn medefeestvierders.

Het water waardoor de schijngemeente gevoed wordt, is een mengsel van waarheid en leugen, van delen van het evangelie en van verkeerde inzichten of dwalingen.
Als de afval zijn toppunt bereikt heeft, breekt de tijd aan dat alles wat aan de waarheid, aan de liefde van God en aan het werk van Jezus Christus herinnert, weggenomen wordt.
Er ontstaat dan een gemeente die alleen nog maar gevoed wordt met leugens van dwaalgeesten, dus met leringen van demonen.
1 Timoteüs 4:1:
Maar de geest zegt nadrukkelijk dat in de laatste tijd sommigen het geloof zullen verlaten, doordat ze luisteren naar dwaalgeesten en naar wat demonen hun leren.

Nu kunnen we nog zeggen dat het water van de Eufraat vervuild is en zwart van de modder.
Er is nog wel enig geestelijk leven, maar dit is niet ‘kristalhelder’ (zie Openbaring 22:1) omdat zij door veel onzuivere stromingen en elementen gevoed en vervuild wordt.
Als de rivier opdroogt, zal ook elk spoor van zuiver water verdwijnen.

Na het leeggieten van de zesde schaal, waardoor het aantal en de invloed van de dwaalgeesten en de demonen enorm toenemen, droogt het water dat leven geeft, helemaal op.
Waar eerst de rivier stroomt, is nu een weg ontstaan waarlangs de vijand de stad kan binnenkomen.
Deze vijand bestaat uit tien koningen, die van de ‘opgang van de zon’ of uit het oosten komen.

Jesaja profeteert over de aanvoerder van deze koningen:
Wie liet in het oosten de overwinning dagen,
wie heeft de bevrijder laten opstaan?
Wie levert volken aan hem uit
en onderwerpt koningen aan hem?
Zijn zwaard maakt hen tot stof,
zijn boog laat hen als kaf verwaaien
(Jesaja 41:2).

En Jeremia profeteert in 51:11:
De Heer heeft de koning van Medië aangevuurd,
zijn doel is de vernietiging van Babylon.
Dit is de wraak van de Heer,
Hij wreekt zijn tempel.

In het beeld van het beest uit de afgrond worden deze tien koningen voorgesteld als tien horens.
De tien horens die je zag en het beest zelf zullen een afschuw krijgen van de hoer en ze zullen haar te gronde richten.
Ze zullen haar uitkleden, haar vlees eten en haar in brand steken.
Want God heeft hen ertoe aangezet om zijn plan uit te voeren, zodat ze allemaal met hetzelfde doel voor ogen hun macht aan het beest overdragen, tot wat God gezegd heeft werkelijkheid wordt
(Openbaring 17:16-17).

De leden van de schijngemeente zoeken steeds meer en steeds intensiever contact met de demonen die hen inspireren.
Daardoor maken zij de weg vrij voor de grootvorsten, de koningen uit het rijk van de duisternis om zich in hen te manifesteren.
Zo worden dezen ‘er door God toe aangezet’ om het definitieve vonnis over de schijngemeente te voltrekken: ze wordt overgedragen aan de macht van het beest.
Ze wordt een puur antichristelijke gemeente.

In haar werken de grootmeesters van toverij en occultisme, die bedreven zijn in het omgaan met magische of verborgen krachten.
Zoals in de antichrist de geest van het beest uit de afgrond woont, zo manifesteren zich in de leiders van zijn gemeente de geesten van de tien koningen uit de afgrond.
Dat dezen uit het oosten komen (van de opgang van de zon), kan wijzen op de oorsprong van het occultisme vanuit de vele religies die daar hun wortel hebben.
Zoals de antichrist het beest uit de aarde genoemd wordt, zo heten zijn paladijnen koningen van de aarde (zie Openbaring 19:19).

16:13-14

Toen zag ik dat uit de bek van de draak, uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten tevoorschijn kwamen in de vorm van kikkers.
Dat zijn demonische geesten die tekenen verrichten en eropuit gaan om alle koningen op aarde bijeen te brengen voor de strijd op de grote dag van de almachtige God.

Grondtekst: En ik zag uit de mond/bek van de draak en uit de mond/bek van het beest en uit de mond van de valse profeet, geesten drie onreine gelijkend op kikkers.
Zij zijn namelijk geesten van demonen doende tekenen (tot het) uitgaan over de koningen van de aarde en van de bewoonde wereld hele, (tot het) verzamelen hen tot (de) oorlog [oorlog] van dag die de grote van God de Almachtige.

Paulus zegt in Efeziërs 6:11-12:
Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel.
Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen.

In onze strijd tegen de onzichtbare machten die de oorzaak zijn van zonde, ziekte, misleiding, verleiding, geweld, intimidatie, gebondenheid en dood, kunnen we alleen overwinnen als we in Gods heilige geest gedoopt zijn en er verder mee vervuld worden.
Onze menselijke geest alléén kan geen effectieve of absolute overwinning behalen.

Ook de gemeente van de antichrist kent een ‘vol zijn met de geest’, namelijk de totale doorwerking van de onzuivere demonen in haar leden.
Door dit merkteken van het beest kan zij in de geestelijke wereld met veel kracht het plan van God (de volmaakte gemeente) tijdelijk weerstaan.
Zij kan haar hiel vermorzelen (zie Genesis 3:15), haar belemmeren in haar geestelijke groei naar de volwassenheid, naar de mens zoals God bedoelt.
De zonen van God vormen daarom het voorwerp van haat van de antichristelijke gemeente.
Als zij in een ‘ondeelbaar ogenblik’ weggenomen worden, is de gemeente van Jezus Christus van de zichtbare wereld losgemaakt; dit is de opname van de gemeente.
Als de zesde engel zijn schaal leeggiet, is de tijd aangebroken dat de antichristelijke gemeente haar demonische volwassenheid bereikt.
Zij wordt nu in haar strijd tegen Christus en zijn gemeente geïnspireerd om een laatste krachtsinspanning te doen.

Het strijdtoneel speelt zich nu alleen nog af in de geestelijke wereld.
Als zij de gemeente van Jezus Christus volledig wil imiteren en (zo) elimineren, dan zal dat alleen bereikt kunnen worden door een geestelijke strijd.
Daarom zien we in deze tijd een mobilisatie van alle duistere geestelijke krachten voor een totale oorlog.
Het occultisme, het werken met verborgen krachten uit het rijk van de duisternis, zal tot zijn hoogste graad opgevoerd worden.
Een fatale leugen zal op aarde, in de aardsgerichte gemeente, verkondigd, geloofd en gemanifesteerd worden.
Deze misleiding komt rechtstreeks uit het wezen van satan, waarbij hij zich niet meer vermomt als een engel van het licht (zie 2 Korintiërs 11:14), maar openlijk laat zien wie hij echt is.

De draak, het beest en de schijnprofeet zijn de imitators van de Vader, zijn geest en de Zoon.
De draak is de duivel, de vader of inspirator van de leugen.
Het beest is de geest van de antichrist aan wie de draak al zijn macht en kracht geeft.
De schijnprofeet is de antichrist.
Zoals Jezus Christus de profeet van de waarheid is, zo is de antichrist de profeet van de leugen en de dwaling.

Uit de bek van de draak, uit die van het beest en uit de mond van de antichrist komen drie vuile geesten.
Johannes ziet ze als glibberige, weerzinwekkende kikkers.
Dat zij uit deze bekken of uit deze monden komen, wijst op een afschuwelijke dwaling, de allerslechtste die ooit op aarde bekendgemaakt en geloofd is, namelijk dat de duisternis sterker is dan het licht!
De draak zelf werkt mee door enorme tekenen en wonderen via de leden van zijn gemeente die zich openstellen voor zijn invloed.

In 2 Tessalonicenzen 2:11-12 zegt Paulus in dit verband:
Daarom treft God hen met verblinding (grondtekst: dwaling), zodat ze dwalen en de leugen geloven.
Zo zal iedereen die de waarheid niet gelooft, maar geniet van onrecht, worden veroordeeld.
Ze worden niet willekeurig slachtoffer van de duisternis, maar ze zoeken er bewust contact mee, ze stellen zich bewust open voor leugen en onrecht.
Zo worden hun krachten gebundeld voor de definitieve en laatste oorlog in de geestelijke wereld.
Maar wanneer deze plaatsvindt, wordt niet door de draak en de zijnen bepaald, maar door de almachtige God!

16:15

‘Ik kom onverwacht als een dief!’
Gelukkig is wie wakker blijft en zijn kleren aanhoudt: hij hoeft niet naakt rond te lopen en zich voor iedereen te schamen.

Grondtekst: Zie Ik kom als (een) dief.
Zalig (is) de wakende en bewarende de kleren van hem, opdat hij niet naakt wandelt en zij zien de onfatsoenlijkheid van hem.

Jezus Christus zelf onderbreekt even de schildering van dit drama van de laatste tijd.
Hij geeft een laatste waarschuwing aan de mensen om zich niet open te stellen voor de afschuwelijke verleiding door de demonen, die in vers 14 genoemd worden.
Want wat is het plan van deze duistere machten?
Op aarde heeft de antichrist zijn doel bereikt:
de invloed van de heiligen is totaal geëlimineerd en zij kunnen in deze geestelijke nacht niet meer werken (zie ook de toelichting bij hoofdstuk 13:7).

Maar bij het leeggieten van de zeven schalen is de gemeente van Jezus Christus, nadat ze in een ondeelbaar moment is veranderd, in de hemel, de geestelijke dimensie en is zij dus onbereikbaar voor geweld.
Hoe moet de antichrist dan nog strijden?
Hij zal de aanval van de aarde naar de hemel moeten verplaatsen.
Als ze op aarde zijn, leven en denken de zonen van God vanuit de geestelijke wereld.
Ze strijden daar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen (zie Efeziërs 6:12).

De duivel met zijn trawanten zijn nu op de aarde geworpen, dat wil zeggen: ze hebben nu alleen nog maar invloed op de religieuze mensen die geen geestelijk inzicht hebben.
Het Lam en de gelovigen die Hij heeft vrijgekocht, beheersen nu volledig de hemel, de geestelijke wereld.
Als de antichrist deze gemeente en haar hoofd wil overwinnen en zich meester wil maken van haar plaats, dan zal hij deze hemelse regionen moeten binnendringen.
Daarom zal de antichrist nu de methode van de zonen van God proberen te imiteren.

Hoe hebben deze zonen nu de overwinning behaald?
Alleen door hun verbondenheid met de geest van God en doordat ze zich voortdurend zijn blijven richten op het doel van God: de volmaakte mens.
Zo zullen nu de zonen van het verderf, verbonden met de machten van de hel, hún strijd voeren.

We kunnen in dit verband opnieuw terugdenken aan het moment waarop het volk Israël bij zijn vlucht uit Egypte op een wonderbaarlijke manier gered wordt.
God baant voor dit volk een pad door de Rietzee.
We weten dat Farao dan de euvele moed opbrengt om met zijn leger ook deze weg te gaan.
Met zijn paarden en wagens bereikt deze tiran op zeker moment het midden van de zee.
Daar word hun schrik aangejaagd door de vuurzuil en de wolk en zo raakt zijn leger in paniek.
Dan vloeit het water weer samen en komen Farao en zijn leger om.

De antichrist ziet hoe het geestelijke volk van de Heer op een wonderbaarlijke manier door de zee (als) van glas gaat en weggenomen wordt van de aarde.
Het staat niet meer onder aardsgerichte of demonische invloeden en het leeft alleen nog maar in en vanuit het koninkrijk van God.
De antichrist probeert nu deze gemeente nog na te jagen tot in de geestelijke wereld, maar hij zal omkomen in de zee als van glas, vermengd met vuur (zie Openbaring 15:2).
Hij houdt zijn trawanten niet langer in bedwang en zij zullen zijn macht om beurten overnemen.
Een beschrijving van deze ‘broedermoord’ vinden we onder andere in Daniël 11.

We komen nu bij de vraag:
wat betekent de beeldspraak zijn kleren aanhouden, naakt rondlopen en zich schamen of zijn schaamte laten zien?
De apostel Paulus zegt in 2 Korintiërs 5:1:
Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel.
Bij zijn sterven verlaat de christen zijn uiterlijke mens en zijn innerlijke mens bezit dan een beschutting in de onzichtbare wereld, dat is zijn geestelijke statuur.
De zonen van God krijgen een eeuwig opstandingslichaam.
Paulus heeft het in dit verband over kleding.
In vers 2 en 3 zegt hij:
Wij zuchten in onze aardse tent en zouden willen dat onze hemelse woning er nu al over wordt aangetrokken.
We zijn er echter zeker van dat we ook ontkleed niet naakt zullen zijn.

Als iemand bij het sterven geen mantel van de gerechtigheid heeft (zie Jesaja 61:10) of witte kleren heeft gekregen (zie Openbaring 3:5) is zijn innerlijke mens naakt.
Als zo iemand verbonden is met demonen, zal deze gemeenschap verborgen blijven zolang hij nog in zijn zichtbare lichaam leeft.
Als dit aardse kleed wegvalt, wordt (in de geestelijke wereld) zichtbaar waarmee zijn innerlijke mens altijd verbonden is geweest.
Het wezen van de zonde, de verbinding met de machten van de duisternis, is een schande voor hem.
Deze wordt dan gezien.

Paulus zegt ook nog dat iemand uit zijn lichaam kan treden, zonder dat hij sterft.
In 2 Korintiërs 12:2-4 zegt hij in dit verband (over zichzelf):
Ik ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd – in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen.
Maar ik weet dat deze man – in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen –
werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken.

Bekend is dat bij de duivelse imitatie en tegenhanger hiervan, bij spiritistische seances mediums uit hun lichaam treden.
Men spreekt hier over een astraal- of sterrenlichaam, waarmee men zich buiten het stoffelijke lichaam op een andere plek kan manifesteren.

De gemeente van de antichrist is een puur spiritistische kerk.
Als de verleidende geesten over de wereld gaan, doen zij grote tekenen en wonderen (zie vers 14).
Hun bedoeling is om legers te werven die de oorlog kunnen aangaan met Christus en zijn gemeente in de hemelse regionen.
Voor hun strijd in deze geestelijke wereld hebben de zonen van God de doop in de geest van God en zijn geestelijke begaafdheden nodig.
Aan de andere kant ondergaan miljoenen mensen via een dwaling de doop in de geest van de antichrist.

Door deze macht worden de mensen toegerust om via spirituele weg in de onzichtbare wereld te opereren.
Op het signaal van de schijnprofeet, de grootmeester van alle toverij, zullen de zonen van het verderf in trance raken.
In deze geestvervoering kunnen zij zich naar de geestelijke wereld verplaatsen.
Dan volgt een titanenstrijd om de hemel te bestormen.

In onze tijd zien wij al dat via de massamedia door middel van hypnose veel slachtoffers gemaakt worden.
Ook door gebruik van opwekkende en verslavende middelen kunnen mensen zich naar en in een andere wereld of dimensie verplaatsen, die voor de natuurlijke mens afgesloten gebied is.
De waarschuwing gaat over de aarde:
Ik kom onverwacht als een dief.
Op deze tocht van de gemeente van de antichrist naar de onzichtbare wereld volgt namelijk geen terugkeer.
Als de lichamen van de mediums daar roerloos liggen en hun geesten optrekken tegen het heilige leger in de hemel, zal plotseling het oordeel (= de scheiding) komen.
Dan zullen zij van hun bases (hun lichamen) afgesneden worden.

1 Tessalonicenzen 5:3:
Als de mensen zeggen dat er vrede en veiligheid is, worden ze plotseling getroffen door de ondergang, zoals een zwangere vrouw door barensweeën.
Vluchten is dan onmogelijk.

Als tegenstelling voegt de apostel in vers 4-6 hieraan toe:
Maar u, broeders en zusters, u leeft niet in de duisternis, zodat de dag van de Heer u zou kunnen overvallen als een dief,
want u bent allen kinderen van het licht en van de dag.
Wij behoren niet toe aan de nacht en de duisternis, dus laten we niet slapen, zoals anderen, maar waken en op onze hoede zijn.

Zij die bewust bij de duisternis horen, komen in trance of gebruiken middelen om ‘high’ te worden.
Vers 7 zegt als vervolg:
Wie slaapt, (door hypnose of als medium) slaapt ‘s nachts (in de duisternis) en wie zich bedrinkt, (gebruik maakt van verdovende of opwekkende middelen) is ‘s nachts dronken.

Voor de echte zonen van God geldt:
Want Gods bedoeling met ons is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden (= het verkrijgen van het volledige herstel) door onze Heer Jezus Christus,
die voor ons gestorven is, opdat wij, of wij waken, of wij slapen, samen met Hem zouden leven
(1 Tessalonicenzen 5:9-10 NBG).

Wie in die tijd niet luistert naar de verleidende geesten, kan nog ontkomen aan de duisternis.
De stem van de Heer klinkt:
Gelukkig is wie wakker blijft en zijn kleren aanhoudt (of: bewaart, erover waakt).

Zo wordt hier het woordje ‘gelukkig’ gebruikt, voor hen die aan de experimenten van de schijnprofeet niet hebben meegedaan.
Hiermee wordt aangegeven dat na de ondergang van de antichrist en zijn rijk er een tijd aanbreekt waarin de aarde kennis zal maken met het herstel door de komst van het vrederijk van Jezus Christus.

16:16

Ze brachten hen bijeen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.

Grondtekst: En men verzamelde hen naar de plaats de genoemd wordende in (het) Hebreeuws Harmagedon.

De verleidende geesten die over de wereld gaan, doen hun heilloos werk.
In dit verband denken we aan een voorval dat beschreven staat in 1 Koningen 22:19-22.
In de hemelse regionen wordt door God de vraag gesteld wie Achab verleiden wil om op te trekken naar Ramoth in Gilead, om daar een smadelijk einde te vinden.
Een leugengeest komt naar voren en zegt: Ik zal hem overhalen.
De Heer vraagt hem: Hoe wil je dat doen?
Hij antwoordt: Ik zal naar hem toe gaan en leugens spreken door de mond van al zijn profeten.

Het is voor praktisch alle uitleggers wel duidelijk dat het in vers 16 gaat om een strijd tegen Jezus Christus en zijn gemeente.
Openbaring 19:19:
Ik zag dat het beest en de koningen op aarde zich met hun troepen hadden verzameld om oorlog te voeren met de ruiter op het paard en zijn legermacht.

Hij die op het paard zit, is Jezus Christus als het woord van God en Hij wordt gevolgd door de legers die in de hemel zijn.
Zij volgen Hem op witte paarden, gekleed in zuiver wit linnen (zie Openbaring 19:14).
Hier gaat het dus niet over een oorlog tussen twee aardse legers of een strijd van antichristelijke legers tegen het natuurlijke volk Israël, waarbij God plotseling van boven ingrijpt.
Het is geen strijd op de aarde, maar in de geestelijke wereld.
Er is sprake van een oorlog tegen Jezus Christus en zijn verheerlijkte gemeente!
Het is duidelijk dat Harmagedon geen geografische plaats op aarde is.

Er is geen plaats op aarde die Harmagedon heet, het is zinloos om haar te zoeken, want zij bestaat niet!
Het is niet logisch om te denken dat aardse legers met of zonder moderne wapens oorlog in de hemel kunnen voeren.
Sommige mensen denken dat de profetieën uit het oude verbond niet voor de gemeente gelden, zoals 1 Petrus 1:10-12 wél uitdrukkelijk aangeeft:
Wat die redding (herstel) inhoudt, trachtten de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die ú ten deel zou vallen.
Zij probeerden vast te stellen op welke tijd en op welke omstandigheden Christus’ geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze hun zei dat Christus zou lijden en daarna in Gods luister zou delen.
Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor ú, en nu is deze boodschap u verkondigd door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven door de heilige geest die vanuit de hemel werd gezonden.
Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen.

Zij denken dat deze betrekking hebben op een aards, natuurlijk volk Israël.
Dit volk zal dan na de overwinning op de legers van de antichrist, volgens een geliefkoosde tekst het wapentuig van de vijand in brand steken:
Dan zullen de Israëlieten uit hun steden komen om de wapens als brandhout te gebruiken; zeven jaar zullen ze vuur kunnen stoken van de grote en kleine schilden, de bogen en de pijlen, de stokken en de lansen (Ezechiël 39:9).
Maar het lijkt ons niet waarschijnlijk dat een komende wereldoorlog met de wapens van volken uit het stenen en bronzen tijdperk gevoerd wordt.

Deze opsomming is uiteraard een schaduwbeeld van de geestelijke wapens en methoden die in alle eeuwen door de vijand gebruikt zijn tegen de gemeente van Jezus Christus.
Déze wapens worden dan vernietigd.
Efeziërs 6:16-17 geeft aan hoe we dit nu al kunnen doen:
… en draag bovenal het geloof als schild waarmee u alle brandende pijlen van hem die het kwaad zelf is kunt doven.
Draag als helm de verlossing en als zwaard de geest, dat wil zeggen Gods woorden.

Harmagedon is vermoedelijk een Griekse verbastering van het Hebreeuwse Her-Megiddo: de berg Megiddo.
Megiddo betekent plaats van troepen, stad waar veel soldaten liggen.
In de Openbaring worden twee bergen genoemd die een verzamelpunt zijn voor de strijd in de hemelse regionen.
In Openbaring 14:1 is dat de berg Sion, waar het Lam staat, omringd door een menigte van honderdvierenveertigduizend.
Op hun hoofden staan zijn naam en de naam van zijn Vader.
Zij zijn de zonen van God die het Lam volgen waarheen Hij hen (in de geestelijke wereld) leidt.
Van deze overwinnaars wordt aangegeven dat in hun mond geen leugen gevonden is, dat ze onberispelijk zijn.

Als tegenhanger van de berg Sion, beeld van de kracht van Gods heilige geest, waarop de gemeente van Christus gebaseerd is, lezen wij hier over de berg Megiddo.
Hier verzamelen zich ‘in de geest’ alle mensen voor wie geldt:
Daarom treft God hen met verblinding, zodat ze dwalen en de leugen geloven.
Zo zal iedereen die de waarheid niet gelooft maar behagen schept in onrecht, worden veroordeeld
(2 Tessalonicenzen 2:11-12).

De berg van Megiddo stelt het beest uit de afgrond voor, het rijk van de dood, de tegenhanger van de geest van God.
Op deze berg verzamelt zich rondom de antichrist - met twee horens als die van het Lam - zijn gemeente, de elitetroepen uit het rijk van de duisternis.
Vanuit onze eigen strijd in de hemelse regionen kunnen we ons bij benadering een voorstelling maken van wat daar gebeurt.
Verbonden met Gods geest strijdt onze geest in de onzichtbare wereld tegen de demonen en de overheden van het rijk van satan.
Demonen worden met het woord van God, in de naam van Jezus en door de kracht van de geest van God gebonden en naar de afgrond verwezen.

Bij de slag van Harmagedon probeert satan het andersom.
Hij verlangt ernaar om terug te gaan naar zijn oorspronkelijke plaats.
Zijn bedoeling is nog altijd om een hogere plaats in te nemen dan de wolken (= het beeld van de gemeente).
Met zoveel woorden zegt hij dat in Jesaja 14:14:
Ik stijg op tot boven de wolken,
ik evenaar de Allerhoogste.

Maar God heeft de méns bestemd om met Hem op zijn troon te zitten.
Daarom probeert satan nu zijn doel te bereiken door middel van de gemeente van de antichrist.
Daarvoor zal hij eerst Christus met zijn gemeente in de hemelse gewesten moeten overwinnen en elimineren.
De grote leugen die hij laat verkondigen is de dwaling dat de duisternis het Licht kan verdrijven.

Laten we ons eens indenken dat iemand ‘s nachts in een kamer zit, waar een lamp helder brandt.
Hij doet de gordijnen open en ziet hoe donker het buiten is.
Het is onmogelijk dat het licht in de kamer door deze duisternis verdrongen wordt.
Maar het licht baant zich wel een weg in de donkere nacht.
Nooit kan de duisternis het licht overwinnen.
In Psalm 2:2-3 (en verderop) wordt het verloop van de strijd beschreven.
De koningen van de aarde komen in verzet,
de wereldmachten spannen samen
tegen de Heer en zijn gezalfde:
Wij moeten hun juk afwerpen,
ons van hun boeien bevrijden.’

Wie die koningen van de aarde zijn, hebben we al kunnen zien.

Let nog op de tien horens die voor één uur koninklijke macht met het beest krijgen (zie Openbaring 17:12).
Van deze geestelijke overheden kan gezegd worden:
Immers, God heeft zelfs engelen die gezondigd hadden niet gespaard maar hen in de Tartarus geworpen.
Daar, in de diepste duisternis, blijven ze opgesloten om hun vonnis af te wachten
(2 Petrus 2:4).
In Judas vers 6 staat, dat God ze met onverbreekbare boeien in de onderwereld gevangen houdt.
Nooit kan daarom een demon gered worden, hij blijft geketend aan de duisternis.
Duisternis en licht gaan per definitie nooit samen.
Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit. (2 Tessalonicenzen 1:9).

Deze boeien willen ze in Harmagedon verbreken.
Ze willen terugkeren naar het licht en binnendringen in het koninkrijk van God.
Door hun verbondenheid met de menselijke geest proberen zij dit doel te bereiken.
Het antwoord van God de Vader op deze aanval op Christus en zijn gemeente is als volgt:
Die in de hemel troont lacht,
de Heer spot met hen.
Dan spreekt Hij tot hen in woede,
en zijn toorn verbijstert hen:
Ikzelf heb mijn koning gezalfd,
op de Sion, mijn heilige berg.’
Het besluit van de Heer wil Ik bekendmaken.
Hij sprak tot mij:
Jij bent mijn zoon,
Ik heb je vandaag verwekt.
Vraag het Mij
en Ik geef je de volken in bezit,
de einden der aarde in eigendom.
Jij kunt ze breken met een ijzeren staf,
ze stukslaan als een aarden pot
(Psalm 2:4-9).

De uitdrukking die in het Hebreeuws ‘Harmagedon’ heet wijst ons op de zinnebeeldige betekenis van deze berg, die we alleen kunnen begrijpen door bekendheid met de Bijbelse geschiedenis.
Aan de voet van de berg van Megiddo ligt het dal van Megiddo of van Esdrelon of van Jizreël.
De Israëli’s noemen haar nu de Emek, dat is de vallei.
Zij is bekend om haar vruchtbaarheid.
Het is de streek waar het leger van Sisera een smadelijke nederlaag lijdt.

Rechters 4 en 5 vertellen hoe Barak zijn infanterie op de berg Tabor (waarschijnlijk de berg van de verheerlijking in Matteüs 17) verzamelt.
Onverwacht stort hij zich met tienduizend man op het vijandelijke leger dat zich in de vlakte bevindt, met de Megiddo in zijn rug.
Van zijn bliksemactie (Barak betekent bliksem) zingt Debora:
Achter hem stormde men het dal in (zie Rechters 4:15 NBG).
De overstroming van de beek Kison (zie Rechters 5:21) maakt de operatie van de vijandelijke strijdwagens onmogelijk, want de vorsten worden meegesleurd door het water van de Kison.
Het opvallende van deze strijd is dat er zich tegelijkertijd bijzondere natuurverschijnselen voordoen:
De sterren aan de hemel streden mee tegen de vijand, zij hadden in hun baan zich tegen Sisera gekeerd (zie 5:20).
Is het wonder dat Johannes deze veldslag als beeld gebruikt van het hemelse Harmagedon?

Als Joël profeteert over deze legers in het dal van de beslissing, roept hij uit:
Doe, o Heer, uw helden daarheen afdalen! (3:11 NBG).
Bovendien is voor het volk van God in het oude verbond dit dal van Megiddo verbonden met de herinnering aan een groot aantal beslissende veldslagen.
Ook Josia levert daar slag, maar dan met een heel andere afloop dan voor het volk van God in de hemelse regionen.

In zijn visioenen ziet Johannes dus geen taferelen die zich op de aarde, maar wel die zich in de hemel, de geestelijke wereld, afspelen.
Hij ziet de dingen die in de hemelse sferen gaan plaatsvinden.
De Heer zegt tegen hem in Openbaring 4:1:
Kom hierboven, dan laat Ik je zien wat er hierna gebeuren moet.
En in vers 2 zien we dat Johannes direct in (geest)vervoering komt.
Dus beschrijft Johannes niet de dingen van deze aarde, maar houdt hij zich bezig met de gebeurtenissen in de onzichtbare wereld.
Uiteraard hebben deze hun gevolgen en doorwerking in het zichtbare.

Onder leiding van de antichrist, de schijnprofeet, met de tien koningen, worden de mensenmassa’s gemobiliseerd en samengebundeld voor een oorlog in de hemelse gewesten.
Er wordt een demonische kracht gevormd, waarvan gezegd kan worden dat deze tot in de hemel reikt (zie Genesis 11:4).
Van deze bezeten mensheid staat:
Ze binden de strijd aan met het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen (zie Openbaring 17:14).

Harmagedon is het einde van de oorlog in de geestelijke wereld.
Het nieuwe verbond bemoeit zich niet met een aards strijdtoneel, kernwapens of een natuurlijk volk van God.
In Harmagedon probeert satan het hemelse leger van Jezus Christus te binden en krachteloos te maken.
De bezeten mens is daar verbonden met de machten, de overheden, met de wereldbeheersers van de duisternis, met de demonen in de hemelse regionen.
Men heeft de leugen als gordel om de heupen en de ongerechtigheid als harnas om de borst.
Men heeft de boodschap van de haat tegen God en zijn Gezalfde (= Jezus Christus en zijn gemeente) als schoenen aan de voeten.
Men heft het schild van het ongeloof omhoog, waardoor iedere Goddelijke genade of liefdegave tegengehouden wordt.
Dit alles in volkomen tegenstelling tot wat er staat in Efeziërs 6:14 en volgende verzen.
Gestreden wordt er met geestelijke wapens.
Er komt geen natuurlijk oorlogstuig aan te pas.
2 Tessalonicenzen 2:8:
De Heer zal de wetteloze doden met de adem (Gods woord en geest) van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst.

Uit zijn mond komt een scherp zwaard waarmee Hij de volken zal slaan en Hij zal hen met een ijzeren herdersstaf hoeden (zie Openbaring 19:15).
Alleen zij die de strijd in de hemelse regionen kennen, kunnen zich een voorstelling maken van de dimensie hiervan.
Als het rijk van de duisternis het koninkrijk van God probeert binnen te dringen, is dit een wetteloze en onrechtmatige actie.
De vijandelijke legers stuiten op de kracht van hen die de witte kleren van de gerechtigheid aan hebben.
Zij komen en vinden in hen niets, net zo min als de heerser van deze wereld aansluiting vindt bij Jezus (zie Johannes 14:30).
Er is geen enkel contact mogelijk tussen licht en duisternis, er is geen enkel aanknopingspunt.

Het licht van Gods luister verdrijft dan alle duisternis, de kracht van de waarheid is dan sterker dan die van de leugen, de geest van God in de gelovigen is machtiger dan het beest uit de afgrond.
De strijd is snel beslist.
De geesten van de mensen die met de demonen verbonden zijn, worden door het woord van God naar het rijk van de dood verwezen.

Rest de vraag wat er met de antichrist gebeurt.
Hij zal niet sterven, maar levend in de vuurpoel geworpen worden.
Dit komt aan de orde in Openbaring 19:20.

16:17-18

De zevende engel goot zijn offerschaal leeg over de lucht.
Toen klonk er uit de tempel een luide stem vanaf de troon, die uitriep:
‘Het is voorbij!’
Er volgden bliksemschichten en groot geraas en donderslagen.
Er kwam een zware aardbeving, zo zwaar als nog niet was voorgekomen sinds er mensen op aarde waren; verschrikkelijk was die aardbeving.

Grondtekst: En de zevende engel goot uit de schaal van hem in de lucht en er ging uit (een) stem grote van het tempelhuis van de hemel, van de troon, zeggende: het is geschied.
En (er) geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemflitsen en (een) aardbeving geschiedde grote, zodanig als niet geschied is vanaf dat de mensen geweest zijn op de aarde, een zo grote aardbeving, zó groot.

In het hemelse Harmagedon is de oorlog in volle gang.
Bij de zesde schaal zien we hoe de vijand zich verzamelt en zich opmaakt om oorlog te voeren tegen het woord van God en zijn legers.
Nu volgt een korte weergave van de nederlaag van de antichrist en zijn occulte gemeente.
De zevende engel giet zijn schaal leeg in de lucht.
De lucht is hier het beeld van de onzichtbare wereld, het strijdtoneel.
De zonen van de wetteloosheid zijn zojuist met hun innerlijke mens uit hun lichaam getreden.
Dit om zich rechtstreeks te stellen onder de heerser over de machten in de lucht, de geest die nu werkzaam is in hen die God ongehoorzaam zijn (zie Efeziërs 2:2).

In deze ‘lucht’ is ook de gemeente haar Heer tegemoet gegaan (zie 1 Tessalonicenzen 4:17).
Daar waar de zonen van God hun Heer ontmoeten, is ook het slagveld van de antichristelijke gemeente.
God trekt in zijn volk de vijand tegemoet en er komt een machtige stem uit de tempel, dat is uit de gemeente.

Gods troon staat midden tussen zijn volk en met hen heerst Hij tot in eeuwigheid.
Wan de tent van God is bij de mensen! (zie Openbaring 21:3).
Vanuit het hemelse heiligdom, vanuit de overwinnaars, klinkt de overwinningskreet:
Het is voorbij!
Daarmee wordt vastgesteld dat de strijd in de hemelse regionen afgelopen is.
De afgevallen antichristelijke gemeente is ten onder gegaan.
De waarheid heeft de leugen volledig overwonnen en het licht de duisternis.

Nu volgt nog in het kort de beschrijving van deze laatste geestelijke strijd.
Er worden bliksemschichten gezien, beeld van de ontlading van de kracht van God.
De dreunende donderslagen barsten los, beeld van de kracht en energie van de geest van God en van zijn stem.
De hemel en de aarde beginnen te wankelen, want:
Nog eenmaal zal Ik de aarde doen beven en met de aarde ook de hemel (zie Hebreeën 12:26).

Bij deze geweldige openbaring van de kracht van Gods geest stort het hele uiterlijke bouwwerk van de antichrist en zijn rijk ineen.
Er is sprake van een aardbeving, zó verschrikkelijk als er nooit tevoren geweest is.
Hiermee wordt bedoeld dat er een ontzaglijke verschuiving plaatsvindt in het geestelijke leven op aarde.
Daarbij wordt iedere antichristelijke en anti-Goddelijke religie omvergeworpen, dat wil zeggen dat ze hun macht en invloed volledig verliezen.
Want hun afgoden, hun demonische inspirators, zijn machteloos gemaakt.

16:19

De grote stad viel in drie stukken uiteen en de steden van alle volken werden verwoest.
Het grote Babylon moest het ontgelden:
God gaf het de beker met de wijn van zijn hevige woede.

Grondtekst: En werd de stad de grote tot drie delen en de steden van de volken vielen.
En Babylon het grote werd in herinnering gebracht voor het aangezicht van God (om te) geven aan haar de beker van de wijn van het bruisen van de toorn van Hem.

Na de aardbeving ziet de apostel nog één keer terug op wat er met de grote wereldwijde schijngemeente is gebeurd.
Nu de strijd beslecht is, kan geconstateerd worden dat deze synagoge van satan in drie stukken uiteengereten is.

Dit betekent:

a. Een deel van de inwoners van Babylon geeft aan de oproep gehoor om uit deze stad te gaan zodat ze geen deel hebben aan haar zonden en ontkomen aan de plagen die haar zullen treffen (zie Openbaring 18:4).
Dit deel vormt de gemeente van Jezus Christus, die bij de zevende bazuin wordt weggenomen van de aarde.

b. Uit een ander deel rekruteert de antichrist zijn keurbende die in de slag van Harmagedon wordt ingezet en die daarna geliquideerd wordt.

c. Het laatste of derde deel vertegenwoordigt de christenen, die zich niet laten bevrijden van de in hen wonende demonen.
Ze hebben de vergeving van hun zondeschuld door het bloed van Jezus Christus aanvaard, maar ze leven nog voornamelijk op oudtestamentische basis.
Ze horen wel bij de stad van God, maar ze hebben zich niet laten invoegen als levende bouwstenen voor het vormen van een geestelijk huis, dus voor een geestelijke tempel van God.
Ze zijn daarom bij de opname achtergebleven, maar ze hebben zich ook niet laten gebruiken voor het vormen van de gemeente van de antichrist.

We wijzen er nog eens op dat de gemeente van de antichrist ontstaan is uit het afgevallen deel van de gemeente van Christus.
In 1 Johannes 4:3 en 6 wordt aangegeven dat de gemeente van de antichrist het resultaat is van de dwalingen in de gemeente.
Een schijnleer is als onkruid: het overwoekert op den duur de goede plant en verstikt haar.

Niet alleen de gemeente van de antichrist wordt weggevaagd, maar ook alle schijngodsdiensten die nog overblijven, verliezen hun invloed en gezag.
De steden van de volken worden verwoest.
Van de organisaties en de invloed van de grote wereldreligies blijft niets meer over.

In de volgende hoofdstukken moet de ziener van Patmos de geschiedenis van Babylon en haar ondergang opnieuw, maar dan uitvoeriger belichten.
Nog eenmaal zal Johannes helder en klaar moeten optekenen hoe de gemeente, die de waarheid losgelaten en de leugen liefgehad heeft, haar einde vindt.
Zij zal moeten drinken uit de beker met de wijn van de ‘toorn van God’.

We hebben al eerder gezien dat de toorn van God bestaat uit het actief worden van demonen die inspireren tot zonde en die ziekten en dood veroorzaken.
De wijn die gedronken wordt, bestaat uit de gevolgen van deze demonische werkingen:
de gruwelen, de onreinheden en de wreedheden.
Bij deze demonische woede wordt de mens vervuld met en doortrokken van de invloed van het rijk van de duisternis

16:20-21

Alle eilanden verdwenen in het niets en van de bergen was geen spoor meer te vinden.
Uit de hemel vielen loodzware hagelstenen op de mensen en de mensen lasterden God vanwege de plaag van die hagel, want het was een vreselijke plaag.

Grondtekst: En elk eiland vluchtte en bergen werden niet gevonden.
En hagel grote als een talent kwam neer uit de hemel op de mensen.
En lasterden de mensen God vanwege de plaag van de hagel, want groot is de plaag ervan zeer.

In het boek van de Openbaring is de zee het beeld van het religieuze leven van de mensen.
Bergen zijn beelden van geestelijke machten.
Eilanden zijn bergen in zee, dus ook de uitdrukking voor overheden en machten in de onzichtbare wereld, vooral in verband met de schijngodsdiensten.
Na de veldslag van Harmagedon wordt de religieuze wereld totaal ontwricht.
De geesten die tot dwalingen inspireren en de andere demonen die de mensheid verstrikken in schijngodsdienst, weten dat nu hun einde gekomen is.

Johannes ziet deze ‘eilanden’ wegvluchten naar de duisternis van het rijk van de dood.
De machten waarop men vertrouwd heeft, worden niet meer op ‘aarde’ gevonden, evenmin als de duivel zelf.
Tot slot wordt Johannes op Patmos nog eens bepaald bij de ellende die op aarde ontstaat als na de slag van Harmagedon alle duistere machten uit de hemel teruggeworpen worden op aarde.
Dit gebeurt voordat ze met satan in het rijk van de dood worden vastgezet.

Als de antichrist met zijn legers optrekt, zal hij ongetwijfeld ondersteund worden door de afgevallen engelen.
Zo worden in de strijd in de hemelse regionen de gelovigen ook bijgestaan door de heilige engelen van God.
Als de satanische legers zien dat de strijd verloren is, vallen zij uit de hemel op de mensen aan die op aarde zijn.
Er wordt gesproken over grote hagelstenen van ongeveer 50 kg.
De zwaarste hagelsteen die mensen ooit waargenomen hebben, had een gewicht van 11,5 kg.

Het is dus wel duidelijk dat het hier niet over natuurverschijnselen gaat.
Hagel valt uitsluitend bij buien en vaak bij onweer.
Tijdens de bliksemschichten, stemmen en donderslagen, waaronder het antichristelijke leger verslagen wordt, vallen deze hagelstenen op de mensen.
Zij zijn het beeld van ontzagwekkende grootmachten en van andere machtige onheilige engelen.
De mensen weten dat hun religie geen redding geven kan, terwijl er ook geen gezag en macht is waarbij ze nog kunnen schuilen.
In hun radeloosheid en wanhoop vervloeken ze de naam van God, aan wie zij deze ramp toeschrijven.

Wanneer geroepen wordt: Het is voorbij,(zie vers 17) is alle religieuze macht en gezag in de geestelijke en natuurlijke wereld verdwenen.
Alles ligt dan ‘plat’.
Er is niets meer dat zich op aarde en in de hemel verheft tegen Jezus Christus en zijn gemeente.
Alle religieuze bouwsels hebben dan hun duivelse inspiraties verloren.
De weg is gebaand voor hen, van wie gezegd wordt:
En ik zag tronen en zij zetten zich daarop (zie Openbaring 20:4 NBG).

Dan komt het ogenblik dat de overwinnende hemelse legers ook de aarde in bezit nemen en er hun heerschappij gaan uitoefenen.
Dit gebeurt nadat satan met zijn engelen gegrepen is en in de afgrond, het rijk van de dood gegooid is.
Dan breekt het eeuwige vrederijk aan.

Hoofdstuk 17

17:1-2

Een van de zeven engelen met de offerschalen kwam op me af en zei:
‘Ik wil je laten zien hoe de grote hoer die aan talrijke waterstromen zit, veroordeeld wordt.
De koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd en de mensen die op aarde leven hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht.’

Grondtekst: En er kwam één uit de zeven engelen de hebbende de zeven schalen en hij sprak met mij, zeggende tot mij: hierheen, ik zal tonen u het oordeel van / over de hoer de grote, de gezeten zijnde op de wateren de vele.
Met welke gehoereerd hebben de koningen van de aarde en zijn dronken geworden van de wijn van de hoererij van haar de bewonenden de aarde.

De hoofdstukken 17,18 en 19 geven nu een ruimere omschrijving van de laatste periode van het bestaan en de ondergang van Babylon.
Het begin van de geschiedenis van Babylon vinden we in Openbaring 6 bij de beschrijving van de vier ruiters.
In het laatste Bijbelboek gaat het aan de ene kant om de gemeente van Christus, de vrouw van het Lam, die tot volmaakte gerechtigheid komt.
Aan de andere kant wordt de schijngemeente, de hoer, beschreven.
Zij wordt volkomen slecht doordat ze totaal gedemoniseerd wordt.

Zonder enige verzachting wordt het diepste wezen van de verbasterde gemeente blootgelegd.
Johannes tekent het ontwikkelingsproces van de gemeente van Christus in de vrouw die zwanger is en die met heel veel pijn en moeite de ‘mannelijke zoon’ baart.
Aan de andere kant wordt hier de overspelige gemeente geschilderd die haar dieptepunt bereikt in de gemeente van de antichrist.
De schijngemeente heeft haar wettige man, Christus, verlaten en verhoudingen aangeknoopt met de koningen op aarde.

In laatste instantie zijn deze koningen dan de tien die in één uur met het beest de macht krijgen.
De schijngemeente heeft de wereld liefgekregen en alles wat deze te bieden heeft:

De koningen op aarde zijn de demonische inspirators van de machthebbers in het anti-Goddelijke religieuze, politieke, wetenschappelijke en culturele leven.

De uitdrukking grote hoer geeft aan dat deze gedegenereerde gemeente enorm veel macht en invloed heeft.
Zij is overal aanwezig en toch heeft men dat niet altijd even goed door(gehad).
Want wie spreekt of schrijft over haar en wie durft haar te identificeren?
Natuurlijk is het gemakkelijk om de rooms-katholieke kerk voor de grote hoer te houden, zoals veel mensen doen.
Er zijn boeken mee vol te schrijven om de misstappen van deze kerk te tonen, maar tegelijk kunnen we dan blind zijn voor de vele dwalingen van andere kerken en gemeenten.
En die dwalingen als geheel zijn de zuilen waarop Babylon rust.

Een dwaling is elke visie die niet als doel heeft de volmaakte mens die hetzelfde geestelijke niveau bereikt als van Jezus Christus.
Een dwaling blokkeert op allerlei manieren de weg naar dit Goddelijke doel.
De hoer zit niet aan de rivier van het water dat leven geeft en die zijn oorsprong vindt in de troon van God in de geestelijke wereld.
Nee, zij wordt gevoed door veel stromingen van verschillende oorsprong.
De Bijbel noemt dit een luisteren naar misleidende geesten en leerstellingen van demonen (zie 1 Timoteüs 4:1, grondtekst).

Niet de echte vrouw wordt groot genoemd, maar de hoer.
Deze laatste domineert de geschiedenis van de gemeente op aarde, dus van de aardsgerichte niet geestelijk denkende gelovigen.
De wereld heeft het beeld (de afbeelding) van Jezus in haar niet kunnen ontdekken en zij heeft de grote opdracht om de mensheid namens Hem te redden, te bevrijden en te herstellen, niet uitgevoerd.
Zij is Jezus niet gevolgd in het verrichten van wonderen van genezing en herstel.
Zo zijn de mensen die op de aarde wonen misleid, want zij hebben het onkruid niet van de tarwe kunnen onderscheiden, laat staan: scheiden.

Zij zijn dronken geworden van de wijn van haar ontucht.
Hun geest is bedwelmd door de dwalingen van de schijngemeente en ieder helder geestelijk inzicht ontbreekt daardoor.
Ongelooflijk scherp wordt hier aan Johannes het mysterie van de overspelige gemeente getoond.
Omdat zij nooit heeft geleerd dat de mens al tijdens zijn aardse bestaan het niveau van Jezus Christus kan bereiken of daar in elk geval met positief resultaat naar kan streven, heeft zij zich aan het niveau van de wereld aangepast.
Maar die wereld staat wél onder inspiratie van satan en zijn demonen.
Daarom komt ze bij de definitieve scheiding tussen goed en kwaad (= het oordeel) aan de verkeerde kant (= de vloek) terecht, in dezelfde periode waarin de zonen van God hun luister verkrijgen.

17:3

Ik raakte in vervoering en hij nam mij mee naar de woestijn.
Ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest vol godslasterlijke namen, met zeven koppen en tien horens.

Grondtekst: En hij voerde weg mij naar (een) woestijn in (de) geest en ik zag (een) vrouw gezeten zijnde op (een) beest scharlakenrood, vol met namen van godslastering, hebbende koppen zeven en horens tien.

Terwijl Johannes in geestvervoering is, voert de engel hem weg om hem het oordeel te laten zien over de schijngemeente.
Later ziet hij in eenzelfde toestand, terwijl hij (dus in de geest) op een hoge berg staat, op dezelfde manier de vrouw van het Lam (zie Openbaring 21:9-10).

De woestijn is een dor land, waar het meeste leven wijkt en sterft.
Zij is het symbool van de wereld waarin geen of nauwelijks geestelijk leven is.
Daar wordt de honger van de mens niet gestild door het brood dat leven geeft en wordt zijn dorst niet gelest door het water dat leven geeft.
De echte vrouw wordt in deze woestijn beschermd en krijgt van Christus zelf brood en water.

In zijn gebed in Johannes 17:15 zegt Jezus:
Ik vraag niet of U hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of U hen wilt beschermen tegen de duivel.
De gemeente van Christus van de laatste tijd kent in haar strijd tegen de draak maar één uitweg: zij vlucht naar de woestijn (zie Openbaring 12:6).
Zij wordt weer de ekklesia, dat is de gemeente die door God uit deze wereld geroepen en uitgekozen is.
2 Tessalonicenzen 2:13:
Maar voor u, broeders en zusters, geliefden van de Heer, moeten wij God altijd danken.
Hij heeft u als eersten uitgekozen om te worden gered door de geest die heilig maakt en door het geloof in de waarheid.

Dit betekent dat zij in geestelijk opzicht alle contacten met de wereld verbreekt en door God zelf onderhouden wordt.
In de woestijn leeft zij van het manna uit de hemel.
De overwinnaars krijgen daar het verborgen manna (zie Openbaring 2:17).

Daar krijgen zij ook het water, de geest van God, uit de geestelijke rots: Jezus Christus.
In de woestijn kan zij alleen buiten het bereik van de slang (satan) blijven omdat ze gevoed wordt door woord (manna, brood dat leven geeft) en heilige geest (water dat leven geeft).

De verbasterde gemeente lijkt ook in de woestijn te zijn.
De vrouw op het beest presenteert zich dus alsof zij niet bij de wereld hoort en woord en heilige geest kent.
Maar op hetzelfde moment zit zij aan veel stromingen en pleegt ze overspel met de koningen op aarde.
Zij wordt niet beschermd tegen de invloed van de wereld, want ze hoort er zelf bij.
Zij heeft daar haar contacten en ze leeft van haar uiterlijke rijkdommen en invloed.
De gemeente van Christus rust op het fundament Jezus Christus, maar de overspel plegende gemeente zit op een hoofdmacht van het rijk van de duisternis.
Zij is direct verbonden met het occulte beest, de geest van de antichrist, waaruit elke schijnreligie voortkomt en alle dwalingen ontstaan.

De kleur van dit beest is wijnrood.
Zoals wit het beeld is van heiligheid, zo is karmijn dit van demonische activiteit, geladenheid en hartstocht.
De godslasterlijke namen waarmee dit monster en zijn koppen bedekt zijn, geven blijk van felle, onbedekte haat tegen God.
De schijngemeente is verbonden met alles wat godslasterlijk en demonisch is en wat zich verzet tegen het plan van God.
De zeven koppen en de tien horens geven aan dat we hier te doen hebben met het beest uit de zee, dat Johannes al in Openbaring 13:1 ziet.

Aan de ene kant wordt aan de apostel het beeld van de gemeente van Christus van de laatste tijd getoond, die vol is van Gods geest.
Aan de andere kant ziet hij het beeld van de afgevallen gemeente waarin de dwaling tot haar volledige ontwikkeling is gekomen.

17:4

Ze droeg purperen en scharlakenrode kleren en gouden sieraden, edelstenen en parels.
In haar hand had ze een gouden beker vol gruwelijkheden, al haar liederlijke wandaden,

Grondtekst: En de vrouw de bekleed zijnde met purper en met scharlaken en verguld zijnde met goud en met gesteente kostbaar en met parels, hebbende (een) gouden beker in de hand van haar, vol met gruwelen en onreinheid van (de) hoererij van haar.

Purper en scharlaken zijn afbeeldingen van zichtbare aardse macht en invloed.
Dit zijn de kleuren van de gewaden van de vroegere vorsten.
Wat de aardse kant betreft, ontbreekt het de overspel plegende gemeente dus niet aan rijkdom.
Zij verzamelt geen geestelijke rijkdom, maar aardse.
Haar religieuze groeperingen verbinden zich met de aardse machthebbers, met de wereldse cultuur en met al wat groot en indrukwekkend in deze wereld is.

Ze bouwt machtige kathedralen die de mensheid imponeren en die duizenden toeristen trekken.
Haar leiders zijn geen vissers uit het Galilea van de heidenen, die door de Heer zelf onderwezen zijn.
Neen zij zijn kopstukken van de wetenschap met titels, predicaten en onderscheidingen, ook van aardse regeringen.

Naar 1 Johannes 2:16:
Zij zoekt alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht.
En dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld.

De hoer is bang dat ze in de woestijn omkomt en daarom heeft ze zich verbonden met wereldse macht, aanzien, politiek, geld, handel en wereldgeesten.

In haar hand houdt ze een gouden beker, maar de vrucht van Gods heilige geest kunnen we er niet in vinden.
Matteüs 23:25:
Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, de buitenkant van bekers en schalen spoelen jullie af, maar de binnenkant blijft vol roofzucht en onmatigheid.
De schijngemeente heeft zich afgegeven met allerlei andere machten en wat uit deze gemeenschap ontstaat, bestaat uit gruwelijkheden en liederlijke wandaden.
Haar beker is er vol van, de historie bewijst het.
Kerkhistorie …!

17:5-6

en op haar voorhoofd stond een naam met een geheime betekenis:
‘Het grote Babylon, moeder van alle hoeren en van alle gruwelijkheden ter wereld’.
Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd.
Ik was ontzet toen ik haar zag.

Grondtekst: En op het voorhoofd van haar (was) (een) naam geschreven zijnde: Geheimenis / een geheimenis: Babylon het grote, de moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde.
En ik zag de vrouw dronken zijnde vanwege het bloed van de heiligen en vanwege het bloed van de getuigen van Jezus.
En ik verwonderde mij, gezien hebbende haar, met verwondering grote.

Op de voorhoofden van de overwinnaars in de oorlog tegen de demonen staat de naam van de stad van God, het nieuwe Jeruzalem (zie Openbaring 3:12).
Op het voorhoofd van de hoer staat de naam: het grote Babylon.
Dit geeft aan waarop hun gedachtenleven en geloof gericht is.
De afgevallen gemeente verbergt een mysterie of geheim.
In een van zijn vergelijkingen over het koninkrijk van de hemel vertelt Jezus hoe deze onzichtbare wereld overeenkomt met iemand die goed zaad zaait in zijn akker.
Maar als de mensen slapen, komt zijn vijand en deze zaait onkruid tussen het graan.

Dit onkruid, de dolik, heeft scherpe, grasachtige bladeren die iets smaller zijn dan die van de tarwe en hij is blauwgroen van kleur.
Zolang we alleen maar de halmen met blad kunnen zien, is de overeenkomst met de tarwe groot.
Maar direct als de aren tevoorschijn komen, is verwisseling uitgesloten.
De aar van de dolik is korter en losser van bouw.
De opgroeiende dolik lijkt zo verbijsterend veel op het goede graan, dat men haar - om vergissingen te voorkomen – eerst moet laten staan voordat men gaat oogsten.

Tijdens de ontwikkeling van gemeente en schijngemeente in de afgelopen bijna twintig eeuwen zijn er wel veel verschillen tussen deze gemeenten en wereld aan te wijzen.
Maar de leden van de beide gemeenten zijn aan de buitenkant niet direct van elkaar te onderscheiden.
Ze groeien samen op.
Naast de gemeente van Christus verrijst in de onzichtbare wereld een andere gemeente waarvan men naar de buitenkant te oordelen, denkt dat deze ook bij het koninkrijk van God hoort.
Iedere poging om deze twee te scheiden is niet mogelijk, want Jezus zegt in Matteüs 13:29:
Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken.

De dolik kunnen we alleen maar in twee fasen duidelijk als onkruid onderscheiden: aan het zaad dat in de grond valt en aan de vrucht die hij in de oogsttijd geeft.
Zaad en vrucht zijn zoals altijd identiek.
Hoewel er bij het opgroeien uiterlijke overeenkomsten bestaan, die misleidend zijn, vertegenwoordigen tarwe en dolik toch twee heel verschillende grassoorten.
Maar het zaad dat verborgen is, is de beslissende factor.
De gemeente van Christus en de schijngemeente kunnen aan de buitenkant op elkaar lijken, maar hun fundamenten zijn totaal verschillend.
Ook aan de vrucht kent men hier de boom.
Uiteindelijk zal de gemeente van Christus goede vruchten van de volmaaktheid opleveren, terwijl de verkeerd gefundeerde gemeente vruchten van slechtheid voortbrengt.

Er bestaat onkruid dat duidelijk aanwijsbaar is en gemakkelijk te wieden.
Paulus schrijft in 1 Timoteüs 5:24:
Van sommige mensen zijn de zonden overduidelijk nog voordat erover geoordeeld wordt; bij anderen komen ze pas bij het oordeel aan het licht.
Bij een alcoholverslaafde of een hoer maken hun zonden duidelijk zichtbaar dat zij niet bij het koninkrijk van God horen.

Maar de religieuze mens heeft het over zijn kerk, over zijn gemeente en over zijn visie.
Hij neemt het allemaal niet zo gemakkelijk en iedereen kent zijn kerkelijk besef.
Maar zijn godsdienstigheid komt niet voort uit het goede zaad.
Daarom kan hij nooit de vruchten opleveren van vrede, rechtvaardigheid en vreugde (zie Romeinen 14:17).
De schijngemeente heeft een schijn van vroomheid, maar ze streeft niet naar de kracht van de geest van God.
Ze zullen de schijn van vroomheid ophouden, maar de kracht ervan miskennen (zie 2 Timoteüs 3:5).
Zij heeft daarom nooit overwinning op zonde, misleiding, verleiding en ziekte.

Bij de uitdrukking ‘schijngemeente’ moeten we niet direct denken aan een bepaalde geloofsrichting.
Zij openbaart zich in allerlei kerken, maar ook in zogenaamde vrije kringen, waar de vrucht van Gods geest niet tevoorschijn komt.
Niet de naam is van belang, want dat is een uiterlijke zaak, maar wél de verbinding met het goede zaad onder de oppervlakte, dat is de onzichtbare wereld.
Net zo min bestaat op aarde nu al een aanwijsbare, echte vrouw van het Lam.
Jezus zegt in dit verband:
Als iemand dan tegen jullie zegt: Kijk, dit is de messias of: Daar is hij, geloof dat dan niet.
(Matteüs 24:23).

Er zijn wel groeperingen die duidelijke kenmerken hebben van de vrouw op het beest, zoals er ook zijn die ernaar streven het lichaam van Christus te laten zien op aarde.
Als wij aangespoord worden om ons bij de gemeente van Christus te voegen, geldt dit in de eerste plaats in de geestelijke wereld.
In de zichtbare wereld zullen we ons dan aansluiten bij die gemeente die zo volledig mogelijk gebaseerd is op het Bijbelse fundament: Jezus Christus.
En die in de liefde van Christus wil opgroeien naar de volmaaktheid.

Er is dus in de geestelijke wereld een stad van God en er is een grote stad Babylon, de samenbundeling van het schijnchristendom.
De laatste is de geestelijke realiteit in de hemelse regionen van het uiterlijk godsdienstige Jeruzalem, dat geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte.
Daar zijn de twee getuigen gedood en is ook onze Heer gekruisigd
(zie Openbaring 11:8).

In dit Babylon woont de natuurlijk gerichte religieuze mens die dus geen gemeenschap met Jezus Christus heeft, die niet één geest met Hem is.
Kaïn, Ezau, Ismaël en de geestelijke leiders in de dagen van Jezus hebben in deze stad gewoond.
Over haar inwoners wordt geprofeteerd in Matteüs 23:35:
Al het onschuldige bloed dat op aarde is vergoten zal jullie worden aangerekend, vanaf het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zecharja, de zoon van Berechja, die jullie vermoord hebben tussen het heiligdom en het brandofferaltaar.

Deze martelaars vallen dus in de religieuze machtscentra.
Ook in de zogenaamde christelijke kerk vloeit het bloed van de martelaars met stromen.
Babylon is dronken geworden van het bloed van de heiligen en van het bloed van hen die van Jezus getuigen!
In de eerste zes zegels van Openbaring 6 zien we hoe dit gebeurt.
In Babylon vloeit het bloed van de martelaars, van de ‘ketters’.

In deze stad zijn de inquisitie, de brandstapels en de excommunicaties.
De kerkgeschiedenis is de historie van Babylon, waarin de echte kinderen van God als ballingen wonen en uitzien naar het hemelse Jeruzalem.
Ze verlangen om daar weer naar terug te keren.
Het grote Babylon is de moeder van alle hoeren en van alle gruwelijkheden ter wereld.
Het hoort dus niet bij het lichaam van de Heer en het onderscheidt dit ook niet.
Daarom vinden we in de beker van deze hoer alle zonden, ongerechtigheden en ziekten, die samen het leven op aarde met hun gruwelijkheden teisteren.

Babylon heeft geen enkele oplossing voor de nood van de mensen en voor de wereldproblemen.
Om te bedekken dat God niet meer met haar verbonden is, pleegt de vrouw overspel met de koningen op aarde en met de wereldgeesten.
Zij is de moeder van de hoeren, want uit haar komen de dwalingen en de inspiraties door demonen voort, met wie zij haar diepgaande (overspelige) contacten heeft.
Zij is de oorsprong van de dwaling die uit haar ontstaat en waaraan zij het leven geeft.
Het schijnevangelie dat in kerken en groepen gevonden wordt, bereikt zijn volkomenheid en rijpheid in de stad Babylon.
Johannes ziet vol ontzetting Babylon als het eindstadium van de toenemende verbastering van de gemeente.
Wie rekent er ook op zo’n enorme scheefgroei van wat ooit zo goed en mooi begonnen is?

17:7

Toen zei de engel:
‘Waarom ben je zo ontzet?
Ik zal je de betekenis onthullen van die vrouw en het beest waarop ze zit, met zijn zeven koppen en tien horens.

Grondtekst: En zei tot mij de engel: waarom hebt u zich verwonderd?
Ik u zal zeggen het geheimenis van de vrouw en van het beest, dragende haar, het hebbende de zeven koppen en de tien horens.

In de vergelijking van de tarwe en het onkruid vragen de knechten:
Heer, hebt u soms geen goed zaad op uw akker gezaaid?
Waar komt dat onkruid dan vandaan?
(Matteüs 13:27).
Zij verbazen zich er dus over.
Dezelfde verbazing vinden we bij Johannes op Patmos.
Als hij deze vrouw op het beest ziet zitten, is hij zelfs ontzet.
Hoe kan er zo’n afval plaatsvinden?
En hoe is het mogelijk dat dit zo lang verborgen gebleven is?
In wat voor Egyptische duisternis heeft het volk van God al die tijd geleefd dat dit geheim nooit ontraadseld is?

De oorzaak ligt hierin dat het geen visie heeft op de onzichtbare wereld.
Men weet er niets vanaf, laat staan dat men door heeft welke invloed hiervan uitgaat naar de religieuze mens.
Alleen déze kennis geeft een helder en duidelijk beeld van de situatie waarin de gemeente zich alle eeuwen bevonden heeft.
Maar gelukkig mag de gemeente van de laatste tijd de sleutels van het koninkrijk van de hemel weer gaan hanteren.
Zij ziet daarbij helder en duidelijk wat voor geraffineerd spel satan de afgelopen eeuwen gespeeld heeft.

Zoals de knechten in de vergelijking antwoord krijgen op hun verbaasde vragen, zo krijgt Johannes de toezegging dat het mysterie van deze vrouw voor hem ontsluierd zal worden.
Dit geldt ook voor haar verbondenheid met het lugubere beest uit de onderaardse diepte of afgrond.

17:8

Het beest dat je zag, was, en is niet; het stijgt binnenkort op uit de onderaardse diepte en zal vernietigd worden.
Alle mensen die op aarde leven van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, zullen verbaasd zijn bij het zien van het beest, omdat het was, niet is, en toch weer zal zijn.’

Grondtekst: (Het) beest dat u gezien hebt was en niet is en het staat op het punt op (te) stijgen uit de afgrond en tot verderf heen (te) gaan.
En zullen zich verwonderen de wonenden op de aarde van wie niet geschreven zijn de namen in het boek van het leven vanaf (de) grondlegging van (de) wereld, ziende het beest was en niet is en toch is.

Er is een geheim wat betreft de gemeente van Christus en er bestaat een geheim wat betreft de schijngemeente (zie vers 7).
Het mysterie van de gemeente is dat zij met Christus is opgewekt en met Hem een plaats gekregen heeft in de hemelse regionen, de geestelijke wereld.
Volgens Efeziërs 3:10 heeft ze dan ook als taak om:
… de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend te maken aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen.
Daar ligt haar overwinning op zonde, verleiding, misleiding, ziekte en geweld; dit zijn de toegangen naar de dood, de poorten van het rijk van de dood.
Matteüs 16:18:
En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop Ik mijn kerk zal bouwen en de poorten van het rijk van de dood zullen haar niet kunnen overweldigen.

Het geheim van de afvallige kerk is haar verbondenheid met het rijk van de afgrond, het rijk van de dood.
We zien al bij Openbaring 13:1 dat het beest dat uit het rijk van de dood opstijgt, de geest van de antichrist is.
Deze demonische heerser zal zich duidelijk openbaren, hoewel hij nu al in de wereld aanwezig is.
Dit beest is tot nu toe altijd onder de oppervlakte van het water gebleven, maar in de laatste tijd komt het omhoog.
Zo heeft de geest van de antichrist in het verborgene altijd zijn werk in de schijngemeente gedaan.
1 Johannes 4:3b:
… dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen – nu al is hij in de wereld.

Uit het verband blijkt dat met wereld hier de verbasterde gemeente bedoeld wordt.
Het werk van de geest van de antichrist is door onkunde bij de gelovigen eeuwenlang nauwelijks in haar te onderscheiden geweest.
Maar ondanks dat is hij wel degelijk altijd in haar aanwezig geweest en heeft hij de schijngemeente steeds geïnspireerd tot dwalingen.
In de laatste tijd wordt duidelijk(er) zichtbaar dat de schijngemeente rechtstreeks vanuit het rijk van de duisternis geïnspireerd en geïnfiltreerd wordt.
Ondanks de waarschuwing in Matteüs 7:15, aan het begin van de gemeentevorming:
Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn,
is men niet wakker genoeg geweest om dit gevaar door te hebben, laat staan te keren.

Het onkruid en het goede graan zijn dan herkenbaar.
Ook van de heilige geest van God kunnen we zeggen: dat hij was en niet is, hoewel hij is en dat hij in de laatste tijd in overvloed uitgestort zal worden.

In de eeuwen die voorbijgaan, werken zowel Gods geest als de geest van de antichrist in het verborgene in de gemeente.
Maar in de laatste tijd valt de gemeente duidelijk in twee delen uit elkaar:
De echte gelovigen trekken dan, geleid door en vanuit de liefde, de wijsheid en de kracht van Gods geest uit Babylon.
De geest van God openbaart zich dan heel duidelijk in deze zonen van God.
Maar Babylon stort in elkaar en is niet meer.
De verwarring heeft opgehouden, maar de geest van de antichrist is nog niet verdwenen.
Hij gaat zich op een heel opvallende en spectaculaire manier openbaren in de zonen van de wetteloosheid.
2 Tessalonicenzen 2:3:
Laat u door niemand misleiden, op geen enkele manier.
De dag van de Heer breekt niet aan voordat velen zich van het geloof hebben afgekeerd en de wetteloze mens verschenen is, hij die verloren zal gaan.

Bij de toelichting op Openbaring 9:1 is de betekenis van de afgrond beschreven.
In de donkere diepte hiervan, in het rijk van de dood, ligt de Leviathan, de kronkelende slang, het monster in de zee (zie Jesaja 27:1).
Dit gedrocht is als een prehistorisch reptiel met tien horens en zeven koppen.
Later lezen we dat het vernietigd zal worden (zie Openbaring 17:11), als het met de schijnprofeet in de vuurpoel geworpen wordt.
Het opstijgen van het beest uit de afgrond betekent dat de geest die dwalingen brengt, belichaamd wordt in de antichrist en in zijn gemeente.
Dan gebeurt wat staat in 2 Tessalonicenzen 2:4:
Hij zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf.

De aardsgerichte religieuze mensen zullen verbaasd staan als zij dit beest in de antichristelijke gemeente zichtbaar zien worden.
Ze zien de krachten, de wonderen en de grote tekenen van de antichrist.
Opgemerkt wordt dat deze bewonderaars zijn:
Alle mensen die op aarde leven van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat.

De uitdrukking boek van het leven komt ook voor in Openbaring 3:5, in 20:12 en 15.
Verder is er tweemaal sprake van het boek van het leven, het boek van het Lam (zie Openbaring 13:8 en 21:27).
We geloven dat ieder kind, wanneer het als een onschuldig mensje op de wereld komt, ‘wordt ingeschreven’ in dit boek van het leven.
Maar als het bij het opgroeien als een onrechtvaardige of wetteloze gaat leven, dus geestelijk sterft door zijn zonden, wordt zijn naam uit dit boek verwijderd.
Het loon van de zonde is de dood en het gevolg hiervan is dat de mens die zondigt geen contact meer heeft met God.
Hij heeft geen deel aan het geschenk van God: het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer (zie Romeinen 6:23).
Zo bidt David in Psalm 69:28-29 als hij in doodsgevaar verkeert, over zijn vijanden:
Voeg dit alles toe aan hun schuld,
sluit hen uit van uw genade,
schrap hun namen uit het boek van het leven,
laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen.

Ook zegt de Heer tegen Mozes die zijn leven wil inzetten om het volk te beschermen:
Alleen wie tegen Mij gezondigd heeft, schrap Ik uit mijn boek.
Met het inzicht van nu weten we dat het niet God is die de naam van de zondige mens uit zijn boek schrapt, maar dat dit een onvermijdbaar gevolg is van zijn eigen keus.

Alle mensen van wie hun namen in dit boek van het leven staan, dus zij die de rechtvaardigheid hebben liefgehad, zullen niet in de vuurpoel komen (zie Openbaring 20:15).
Zij zullen de dood zelfs niet zien!
Zij zullen op de nieuwe aarde een verdere levensontplooiing meemaken.

Als er namen staan opgeschreven in het boek van het leven, het boek van het Lam, wijst dit op een aparte categorie mensen.
Zij zijn rechtvaardig geworden door hun geloof in het offer van Jezus Christus, dat hun zondeschuld wegneemt.
Toch wordt wat betreft deze groep ook wel kortweg gesproken van het boek van het leven zonder de toevoeging het boek van het Lam.

In Filippenzen 4:3 schrijft Paulus over zijn medewerkers dat hun namen staan in het boek van het leven.
In het boek van het leven, het boek van het Lam staan alleen de namen van hen die volmaakt rechtvaardig zijn geworden door het geloof in het hele plan van God.
Daarom zullen alle gelovigen die nog het nieuwe Jeruzalem zullen binnengaan, moeten worden ingeschreven in dit boek van het leven van het Lam (zie Openbaring 21:27).
Dit boek vormt de ‘burgerlijke stand’ van deze heilige (geestelijke) stad!

Beide boeken vormen een register dat steeds bijgehouden wordt.
Het zijn geen historisch onveranderlijke documenten met een voor de eeuwigheid vastgestelde lijst met namen.
Zo’n opvatting leidt tot de fatalistische gedachte: als ik er niet bij hoor, is alles toch voor niets geweest.
Maar het is altijd mogelijk dat er nieuwe namen worden bijgeschreven en bestaande worden gewist (zie Openbaring 3:5).

Met alle mensen die op aarde leven worden uiteraard niet alle wereldbewoners bedoeld, maar zij die in Babylon wonen.
Hun namen zijn zelfs niet opgenomen in het boek van het leven.
Zij leven niet als natuurlijke rechtvaardigen, zoals bijvoorbeeld de Egyptische vroedvrouwen Sifra en Pua, vanuit hun ontzag voor God.
Die weigeren daarom de pasgeboren jongetjes van het volk Israël te doden (zie Exodus 1:15-20).
Denk ook aan Ebed-Melech, de Ethiopiër, die Jeremia het leven redt (zie Jeremia 38:7-13 en 39:15-18).

Die op aarde leven, leiden alleen nog een leven dat gevuld is met eten en drinken en ander genot, dus zaken die alleen het aardse leven in stand houden en veraangenamen.
Matteüs 24:38:
Want zoals men in de dagen voor de vloed alleen maar bezig was met eten en drinken, met trouwen en uithuwelijken, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging,
Deze natuurlijk ingestelde mensen, die geen besef hebben van God en zijn plan, worden nu verleid door het zichtbaar worden van de macht en de kracht van het beest.
Daarom gaan zij de antichrist achterna in de geestelijke wereld.

De overspel plegende schijngemeente verklaart God voor dood, praat zonden goed of stimuleert deze zelfs en inspireert de mens zo tot ongerechtigheid.
Maar zij die nu al ogen hebben om in de onzichtbare wereld de geesten te onderscheiden, zullen zich niet verbazen, maar dit degeneratieproces herkennen.

17:9-10a

Hier komt het aan op wijsheid en inzicht.
De zeven koppen zijn zeven heuvels waarop de vrouw zit en het zijn zeven koningen.
Vijf van hen zijn omgekomen, één is er nu,

Grondtekst: Hier (is) het verstand het hebbende wijsheid.
De zeven koppen bergen zijn zeven waar de vrouw gezeten is op hen.
En koningen zeven zijn (er); vijf zijn gevallen en één is (er).

Om de beschrijving van de koppen te begrijpen, is geestelijk inzicht nodig dat samen moet gaan met geestelijke wijsheid.
Het gaat hier om kennis van de pijlers waarop de schijngemeente rust.
De gemeente van Christus is gefundeerd op de zeven zuilen die in Hebreeën 6:1-2 genoemd worden, namelijk:
het zich afkeren van daden die tot de dood leiden (bekering), het geloof in God, de doop in water, de doop in de heilige geest, de handoplegging, het opstaan van de doden en de definitieve scheiding tussen goed en kwaad (eeuwige of laatste oordeel).

In de schijngemeente komen vanuit de onzichtbare diepte van de afgrond de koppen van de geestelijke machten naar boven.
Deze zijn als bergen of eilanden in de zee, waarop deze gemeente rust.
Zolang deze koppen in de wereld hun duivelse opdracht uitvoeren, zijn ze gekroond (zie Openbaring 12:3).
Daarom heten ze koningen.
Hun haat tegen het echte koninkrijk van God blijkt uit de godslasterlijke namen die op hun koppen staan (zie Openbaring 13:1).

Omdat de schijngemeente onder invloed van deze demonen staat, wordt de naam van God onder de volken gelasterd.
In zijn brief aan de Romeinen beschrijft Paulus al iets dergelijks (2:24):
U laat u voorstaan op de wet, maar onteert God door de wet te overtreden, want er staat geschreven:
Door uw toedoen wordt de naam van God onder de volken gelasterd.

De macht en de invloed van de schijngemeente bestaan niet uit de openbaring van Gods heilige geest door middel van de geestelijke begaafdheden.
Neen, deze hoer lastert de luister van God, waaronder het bereiken van de volmaaktheid van geest, ziel en lichaam door de gelovigen.
Zij wil niets te maken hebben met de begaafdheden van Gods geest, hoewel God deze geeft om zijn gemeente te zuiveren en op te bouwen.
De gelovigen die hiernaar streven, minacht en vervolgt ze zelfs.
De bergen waarop deze vrouw zit, vormen de ondergrond van de openbaring van haar echte karakter in deze wereld.

Het is mogelijk om de vertegenwoordigers van de schijngemeente op aarde te leren kennen.
We zullen dan de beschrijving nauwkeurig moeten lezen die de apostelen geven, als zij de schijnleraars en –profeten afschilderen.
Zonder deze bergen kan de vrouw niet bestaan, want zij rust op dit zevenvoudige fundament en ontvangt er haar inspiratie uit.

Door deze machten kan zij de zielen van mensen verleiden en deze in een betoverende en ijzeren greep binden en houden.
Op het voorhoofd van de hoer staat de naam Babylon.
Ze schept een totale geestelijke verwarring en haar geheim is dat ze nooit iemand redt, verlost, geneest, bevrijdt of vult met de luister van God.

We willen nu proberen ons een beeld te vormen van deze machten die voorgesteld worden door bergen.
Hoewel we er zeven zullen noemen, sluit dit niet uit dat ook andere geesten uit de afgrond het denken van de schijngemeente infiltreren.
Het getal zeven moeten we zien als een symbolische imitatie van het echte christelijke fundament van het geloof, dat ook uit zeven onderdelen bestaat, zoals we hiervoor hebben kunnen zien.

We kunnen noemen:

1. Heerszucht

Tegen zijn leerlingen zegt Jezus in Lucas 22:25-26:
Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken en wie macht heeft laat zich weldoener noemen.
Laat dat bij jullie niet zo zijn!
De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar.

Tegen de oudsten wordt gezegd in 1 Petrus 5:2-3:
Hoed Gods kudde waarvoor u de verantwoordelijkheid hebt, houd goed toezicht – niet gedwongen maar vrijwillig, zoals God dat wil, en niet om er zelf beter van te worden maar met belangeloze toewijding.
Stel u niet heerszuchtig op tegenover de kudde die aan u is toevertrouwd, maar geef het goede voorbeeld.

De gemeente van het nieuwe verbond kent geen hiërarchie, geen kerkvorsten, geen ambtsdragers die hun aanstelling danken aan natuurlijke begaafdheden, aan wetenschappelijke opleiding en universitaire diploma’s.
De regel in het koninkrijk van God is:
De belangrijkste onder jullie zal jullie dienaar zijn (Matteüs 23:11).
Om echt dienaar te zijn, heeft de christen de begaafdheden van Gods geest nodig, waarmee hij pas echt dienen kan.
Jezus is gekomen om te dienen.
Ook Hij bezit daarvoor de begaafdheden van de heilige geest van God die aan de Goddelijke liefde hun kracht geven.
Daarom kan Hij de mensen helpen door ze te redden, te bevrijden en te genezen en zelfs uit de dood op te wekken.
Zijn leerlingen hebben alleen de opdracht om gezag en heerschappij uit te oefenen over de demonen in de geestelijke wereld en niet over mensen.

Jezus geeft hen autoriteit over de onreine geesten én om de zonden te vergeven.
Zijn koninkrijk is niet van deze (zichtbare) wereld.
Daarom horen aardse heerschappij en uitoefening van macht niet bij de gemeente van Jezus Christus, maar vormen deze een pijler waarop de schijngemeente rust.
Het machtsvertoon van concilies, synodes en kerkelijke instanties heeft het echte volk van God eeuwenlang van zijn vrijheid beroofd en het geestelijk onder druk gezet.
Dit heeft zeker ook in het zichtbare zijn uitwerking niet gemist!

2. Geweld

Hét kenmerk van het nieuwe verbond is:
Niet door eigen kracht of macht zal hij slagen – zegt de Heer van de hemelse machten – maar met de hulp van mijn geest (Zacharia 4:6).

Elke dwang, elke pressie komt uit het rijk van de duisternis
In de tijd van Augustinus beginnen de bloedrode bladzijden van de schijngemeente.
De woorden van Jezus:
Nodig iedereen met klem uit, want mijn huis moet vol zijn (of: dwing hen binnen te komen) -zie Lucas 14:23 - zijn door de schijngemeente misbruikt.
Jezus bedoelt dat de gebonden of bezeten mens bevrijd moet worden door met (geestelijk) ‘geweld’ de bezettende demonen te verdrijven.
Maar Augustinus verdraait ze tot een vrijbrief voor inquisiteurs en beulen die zich altijd op deze ‘kerkvader’ hebben beroepen.

We denken aan de zeer vele godsdienstoorlogen, aan de Bartholomeüsnacht en aan het lijden en vermoorden van de Dopers en de ontelbare overige andersdenkenden.
De portalen van de kerken zijn vol van het bloed van deze martelaars, vergoten onder de inspiratie van deze pijler uit de afgrond.

In een gezin zijn twee broers.
De een wordt slager en de ander bakker, hierover krijgt men geen ruzie.
Maar direct als er één van kerkelijke richting verandert, komen de onzichtbare machten in het geweer en gaan ze pressie uitoefenen.
In het vervolg zijn de huisgenoten vijanden van elkaar.

Ook gebeurt het dat een van de partners van een echtpaar zich wil laten dopen.
Maar hij of zij krijgt niet de vrijheid hiervoor, omdat de andere dreigt met echtscheiding.

Wie kent niet de gezinnen waar de kinderen gedwongen worden hun geestelijke heil in een bepaalde kerkformatie te zoeken?
Wie kent niet de dorpen waar men door de overgang naar een andere overtuiging een outcast wordt?
Al dit geweld wordt niet uitgeoefend omdat dit de wil van Christus is, maar omdat het een pijler is waarop de schijngemeente haar gezag handhaaft.

Het bovenstaande is vrijwel eindeloos uit te breiden met allerlei vormen van geweld, oorlogen en vervolgingen die in de loop van de ‘kerkhistorie’ plaatsvinden, zogenaamd in de naam van God.
Aan beide kanten van de vuurlinie worden de kanonnen gezegend in de naam van God!
Duidelijk is dat het satan lukt om door verkeerde inzichten en haat de schijngemeente geweld in natuurlijk opzicht te laten toepassen.
En dit terwijl heel duidelijk in de Bijbel staat (Efeziërs 6:12):
Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen.

3. Uiterlijk vertoon

Duidelijk zegt onze Heer Jezus in Lukas 7:20-21:
De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen en men kan niet zeggen: Kijk, hier is het! of: Daar is het!
Tegen de schijngemeente in zijn tijd zegt de Heer:
… jullie lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden (zie Matteüs 23:27).
De schijngemeente heeft een schijn van vroomheid, maar miskent de kracht ervan (zie 2 Timoteüs 3:5).
Religieuze demonen dwingen duizenden, die zichzelf trouwens zien als mensen die niet opnieuw geboren zijn, tot een slaafs bezoeken van de samenkomsten.
Ze hechten grote waarde aan plechtige stilte, ernst en gedragen zingen, aan liturgie, aan mooie en imponerende gebouwen en aan gewijde kleding.
Aan de andere kant legt men zich toe op vaak emotionele aanbidding, waarvoor geen enkele grond in de Bijbel te vinden is.
De zogenaamde aanbiddingsliederen missen vaak een duidelijke of juiste Bijbelse visie en sluiten vrijwel nooit aan bij het plan van God.

Maar de Bijbelse gedachte dat zonde en ziekte door de kracht van de geest van God overwonnen kunnen worden en dat de mens innerlijk zuiver kan zijn, komt niet in hun hart op.
Religieuze demonen hebben het over het doen van boete en het plegen van onthoudingen.
Onreine lustgeesten verleiden de man om zijn verlangen op andere vrouwen te richten, maar ‘godsdienstige’ geesten, religieuze demonen, dwingen een man om zich van alles te onthouden.
Ze verbieden het om te trouwen aan hen die zich bijzonder willen inzetten voor het koninkrijk van God.

Lustgeesten maken de mens onmatig, maar ‘godsdienstige geesten’ dwingen de mens om zich zelfs van de allerkleinste genoegens te onthouden, die de Heer hem vanuit zijn liefde geeft.
Wat de mens graag wil, noemen ze bij voorbaat al zondig.
‘Godsdienstige’ geesten dwingen jonge meisjes om in kleren te lopen die tientallen jaren op de mode achterlopen.
Demonen proberen zo het beeld van God te schenden door de mens belachelijk te maken door zijn kleding.
Religieuze demonen zullen hem geen carnavalskleren laten dragen, maar hem wel dwingen als medewerker van God in een habijt te lopen dat uit de middeleeuwen stamt.
Al deze dingen die als doel hebben godsdienstig bezig te zijn met uiterlijke zaken, worden niet geïnspireerd door de geest van God, maar door een kop van het beest uit de afgrond.

4. Dwalingen

In 1 Timoteüs 4:1 staat:
Maar de geest zegt nadrukkelijk dat in de eindtijd sommigen het geloof zullen verlaten, doordat ze luisteren naar dwaalgeesten en naar wat demonen hun leren.
Ook Johannes schrijft al dat er veel schijnprofeten in de wereld zijn verschenen (zie 1 Johannes 4:1).
In dit verband heeft hij het erover dat we altijd moeten onderzoeken of een geest wel van God komt.
Iedere geest die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God (vers 2).
De geest van de antichrist ontkent deze waarheid.
Satan haat de gedachte dat een mens met een opstandingslichaam (zie Lucas 24:39) op de troon van God zit.

Jezus is de eerste van veel broers en zussen en Hij wijst de zonen van God de weg en geeft hen door Gods geest de mogelijkheid om ook een opstandingslichaam te verkrijgen.
Net als Hij.
Zo kunnen ook zij samen met Jezus in alle eeuwigheid regeren in het koninkrijk van God.
Openbaring 3:21:
Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon.
Dit evangelie, dat uit God is, voert de mens naar de troon van God.
Dit evangelie geeft aan dat Jezus Christus vorm kan krijgen in zijn volgelingen.

Het grote Babylon is ontstaan door de vele dwalingen die de mens niet naar deze luister van God leiden.
Ze ontnemen hem het uitzicht op de volmaaktheid, op de kroon en op de troon van God.
Zij laten de mens zondaar blijven tot zijn dood aan toe.
Religieuze demonen geven bovendien geen oplossing voor het probleem van zonde(schuld) en ziekte.

De gedachte die uit God is, heeft als doel de opbouw, de groei van het lichaam van Christus: de gemeente.
Efeziërs 4:11-13:
En Hij is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren, om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst.
Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen: de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.

Iedere gedachte die uit God is, richt zich op het volmaakte en gaat uit van de mogelijkheid dat wij de volheid van Christus hier op aarde al in onszelf realiseren (zie ook Efeziërs 4:14).
Zo zal Jezus, samen met ons, een gemeente openbaren die zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zal zijn, heilig en zuiver (zie Efeziërs 5:27).

Als een christen uit Babylon weggaat, betekent dit niet (alleen) dat hij van de ene kerk overgaat naar de andere.
Het houdt in dat hij in de geestelijke wereld, in zijn denken, de verwarring loslaat en zich uitsluitend richt op het bereiken van het niveau van Jezus Christus.
Daarvoor en daardoor gaat hij handelen naar en leven vanuit deze gedachte, dit plan van God.

Religieuze demonen zeggen heel vroom klinkend dat de mensen hun eigen wil moeten ‘breken’ omdat ze nietswaardige mensen zijn (‘niet in staat om ook maar iets goeds te doen’).
Ze hebben het over de zegen van ziekte en lijden.
Het komt erop neer dat ‘God ervan geniet’ om van ons menselijke wrakken te maken.

Maar de gedachte die uit God is, richt zich op het herstel van de mens.
Psalm 147:3:
Hij geneest wie gebroken zijn
en verzorgt hun diepe wonden.

En in Lucas 4:18 zegt Jezus:
De geest van de Heer rust op Mij,
want Hij heeft mij gezalfd.
Om aan armen het goede nieuws te brengen
heeft Hij mij gezonden,
om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden het herstel van hun zicht,
om onderdrukten
(grondtekst: gebroken mensen wat betreft het hart) hun vrijheid te geven,

Iedere gedachte die ons verder brengt op de weg om koningen en priesters te worden, is uit God.
Iedere gedachte die ons helpt en stimuleert om het niveau van Jezus Christus te bereiken, stemt overeen met het plan van God vanaf het begin van de schepping.
Iedere gedachte die de mens met de zonde(macht) verbonden laat, is uit satan, uit de vader van de leugen.
Ook dit is een fundament of pijler van de misleide schijngemeente.

5. Traditie

Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God.
(zie Lucas 9:62).
De traditie bindt de mens aan het verleden en aan de voorouders.
Het rijk van de duisternis werkt veel met overlevering.
Ook het hele heidendom is met enorme banden aan de adat en de voorouders verbonden.

Christenen hebben het over de kerk van de vaders, over de leer van de vaders en over de schatten van het verleden.
Men legt schriftelijk vast (canoniseert) wat de vaders beleden en beleefd hebben.
Hoe ouder een belijdenisgeschrift of -formulier is, in des te breder kring het gezag heeft.
Zo worden veel christenen van onze tijd gebonden en overheerst door het denken en de geestelijke ervaringen van hen die al eeuwen geleden overleden zijn.
Evenals de heidense Chinezen is men trots op de verbondenheid met de voorouders.

Maar het nieuwe verbond is een geestelijk verbond tussen God en mens en het verwerpt daarom de geestelijke banden met de voorouders en de overlevering van mensen.
De Heer leert ons dat er groei is in het koninkrijk van God, een voortgaand proces.

Wat voor onze vaders eeuwen geleden van belang geweest is, heeft nu zijn betekenis verloren.
Jezus vertelt in een vergelijking over het koninkrijk van God, dat het is:
… als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde.
Hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe.
De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar en dan het rijpe graan in de aar.
Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst
(Marcus 4:26-29).
Het koninkrijk van God neemt dus steeds een andere vorm aan: eerst een halm en bladeren, dan de aar waarin het volle koren zich ontwikkelt.

Traditie kijkt terug naar de halm, naar de aar of naar de kelkbladen.
Traditie belemmert zo de groei van ons geestelijke leven.
Het echte evangelie is gericht op het rijpe graan dat in de laatste tijd zichtbaar zal worden.
Dit graan lijkt exact op het zaad dat in het begin op of in de aarde gestrooid wordt.
De stengel, de aar en de kelkbladen zijn nodig om het leven door te geven en te beschermen, maar het doel blijft altijd: de vrucht.
Zelfs de kelkbladen die de jonge vrucht moeten beschermen, worden uiteindelijk kaf als de vrucht rijp is.

Dit laatste is alleen nog maar bestemd om verbrand te worden, het wordt prijsgegeven aan het vuur.
Wat een duidelijke beelden vinden we in de natuur voor wat zich in werkelijkheid in de geestelijke wereld voordoet!

Maar de nieuwe graankorrel heeft het leven in zichzelf.
Wat voorbij is en wat zijn functie heeft gehad, kunnen we gerust loslaten.
Traditie geeft gebondenheid.
Zij kan nooit samengaan met het werk van Gods heilige geest, want waar deze is, is vrijheid.
Een gemeente die in stand gehouden wordt op het fundament van traditie en overlevering is occult verbonden met de doden en dus met het rijk van de dood.
Zij bouwt daarmee op een fundament uit de afgrond.

Heerszucht, geweld, uiterlijk vertoon, dwalingen en traditie, waarop de schijngemeente haar macht en invloed in deze wereld gebouwd heeft, worden in de laatste tijd onder haar weggeslagen.
De gemeente van de antichrist die zich uit haar ontwikkelt, zal op andere pijlers rusten dan die van Babylon.
De hoer heeft ondanks haar loslaten van het woord van God altijd nog de schijn van christelijke gemeente of kerk weten te handhaven.
Maar de geest van de antichrist veegt ook dit surrogaatchristendom van de kaart!

In onze tijd zien we hoe de macht van de schijngemeente aan het verdwijnen is.
Haar gezag en invloed in de wereld worden steeds minder.
De macht, het aanzien en de autoriteit van de ‘geestelijke’ ambtsdragers nemen zienderogen af.
De diepe eerbied voor deze stand maakt plaats voor spot en verachting.
De fouten, de blunders en de zonden van religieuze leiders van de schijngemeente worden openlijk in de media besproken.
Er zijn weinig of geen concilies en synoden waarvoor het grote publiek nog belangstelling heeft.

Geweld komt in de schijngemeente nu alleen nog maar in afgezwakte vorm voor en de overheid leent haar zwaard niet meer om religieuze ruzies te beslechten.
Onthoudingen en vasten zeggen de moderne mens niets en ceremonies, gewijde kleding en plechtigheden zijn alleen nog attractief als curiositeit.
Het gelovige volksdeel is niet meer geïnteresseerd in leerstellingen en dogma’s.

We leven in een tijd waarin men met alle tradities breekt.
Symbolen, belijdenisgeschriften, oude vertalingen en religieuze boeken uit het verleden spreken niet meer aan.
Waar het gezinsverband aangetast wordt, verdwijnt ook de verbondenheid met een familiekerk.
Als al deze zuilen wegvallen, kan de gemeente van de antichrist op de puinhopen ervan een volkomen nieuwe religie ontwikkelen.

6. Occultisme

In de laatste periode van het bestaan van Babylon is deze met twee demonische machten verbonden, waarvan de een is en blijft, terwijl de andere komt en na een korte tijd weer verdwijnt.
Als alle machten waarop deze vrouw steunt, verdwenen zijn, blijft de zesde kop over.
Er is maar één antwoord mogelijk op de vraag naar de naam van deze blijvende macht uit het rijk van de duisternis.
Zij is typerend voor Babylon, de moeder van de hoeren.
Babylon heeft niet alleen met de koningen, de machthebbers van de aarde overspel gepleegd, maar het doet dit juist ook in de onzichtbare wereld.
De zonde van de afgoderij en de toverij wordt de hele Bijbel door als hoererij getekend.

Het fundament van Babylon is altijd al occult.
In het Hebreeuws betekent Babylon ‘verwarring’, maar in de taal van de Babyloniërs: poort van God.
Jacob droomt eens dat op de aarde een ladder opgericht is, waarvan de top tot aan de hemel reikt en waarlangs de engelen van God opstijgen en neerdalen.
Als hij wakker wordt noemt hij deze plaats ook de poort van de hemel, huis van God (zie Genesis 28:17).

De toren van Babylon is de kathedraal van de oudheid, die tot in de hemel reikt (zie Genesis 11:4).
Hij is de ladder waarlangs men door de poort van de onzichtbare wereld probeert te komen.
In de bovenste vertrekken ervan zoekt men contact met de geestenwereld.
Daarom is Babylon de tegenhanger van Pinksteren, maar beide hebben ook iets gelijk.
Het pinkstergebeuren en Babylon leggen beide contact langs bovennatuurlijke weg in de onzichtbare wereld.
In Babylon zoeken de waarzeggers, de tovenaars, de spiritisten en de astrologen contact met de demonen uit het rijk van de duisternis

In tegenstelling daarmee wordt op de Pinksterdag de hemel geopend en krijgen de volgelingen van Jezus de heilige geest van God.
Deze geeft hun een directe verbinding met de levende God.

In het vervolg is de naam Babylon verbonden met het occultisme.
De profeet Jesaja voorzegt haar verwoesting, onder de aanklacht:
Ga maar door met je bezweringsformules
en met de talloze toverkunsten
waarmee je je van jongs af aan hebt afgemat:
misschien kun je nog iets uitrichten,
misschien laat het onheil zich afschrikken
(Jesaja 47:12).

We weten dat de hoofdzonde van het volk Israël in het oude testament afgoderij is.
In 2 Koningen 23:5-24 lezen we bijvoorbeeld over afgodspriesters, over hen die voor de Baäl, de zon, de maan, de sterrenbeelden en alle hemelse machten offers ontsteken.
Over de geestenbezweerders, de waarzeggers, de huisgoden, de afgodsbeelden en alle verfoeilijke praktijken die in het land van Juda en in Jeruzalem aangetroffen worden.

Is het vreemd dat dit overspelige volk naar het centrum van de afgoderij gebracht wordt?
Het wordt door eigen schuld overgeleverd aan de koning van Babylon, aan de heerschappij van de afgoden die ze altijd gediend hebben.

Na de ballingschap lijkt het alsof het volk veranderd is.
Geen Jood zal zich nog voor beelden buigen of zijn voet in een afgodstempel zetten.
Maar de afgoderij komt terug in een meer verfijnde en gecamoufleerde vorm en zelfs met meer kracht.
Jezus noemt het volk weer een verdorven en trouweloze generatie (zie Matteüs 12:39) en vergelijkt het met een mens uit wie een demon is vertrokken.
Maar deze komt terug met zeven andere demonen, slechter dan hij zelf.
Ze komen in die mens en gaan in hem wonen en zijn uiteindelijke situatie wordt erger dan de eerste.
Opvallend voegt de Heer eraan toe:
Zo zal het ook gaan met deze verdorven generatie (zie Matteüs 12:43-45).

Israël wordt een volk met een schijngodsdienst.
Uiterlijk dienen de leiders de echte God, maar innerlijk krijgen ze een andere vader en worden ze zonen van satan.
Johannes 8:44:
Uw vader is de duivel en u doet maar al te graag wat uw vader wil.
Hij is vanaf het begin een moordenaar geweest.
Hij hoort niet bij de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is.
Wanneer hij liegt, spreekt hij zoals hij is: een aartsleugenaar, de vader van de leugen.

Hun godsdienst berust op uiterlijk vertoon.
Zij menen op die manier contact met God te kunnen hebben, maar ze krijgen rechtstreeks contact met de demonen uit de afgrond.
Hun gebed verwordt tot een eindeloos voortprevelen zoals de heidenen, die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden (zie Matteüs 6:7).
De leiders eten de huizen van de weduwen op, terwijl ze voor de schijn lange gebeden opzeggen (zie Matteüs 23:14).
Ze zijn dus hebzuchtig en huichelachtig en ze hebben daarbij geen enkel gevoel van medelijden met of ontferming voor de zwakkeren in maatschappij of gemeente.

Door occulte handelingen worden ze kinderen van de hel.
De gebedsriemen van de Farizeeën hebben een magische betekenis.
Ze dienen als beschermende middelen tegen slechte invloeden (het boze oog …).
In verband met hun verbondenheid met het rijk van de duisternis noemt Jezus hen slangen en addergebroed (zie Matteüs 23:33).
Daarom doodt dit volk de profeten die op een zuivere en bovennatuurlijke manier met God contact hebben en maakt het zo de maat van zijn voorouders vol.
Een uiterlijke godsdienst, waarbij het hart ver van God is, is verbonden met de occulte invloedssfeer van het rijk van de duisternis

Daarom is Jeruzalem de grote stad die in figuurlijke (geestelijke) zin Sodom of (en) Egypte heet, de stad waar ook hun Heer gekruisigd is (zie Openbaring 11:8).

In 1 Korintiërs 10:7 waarschuwt Paulus de gemeente van het nieuwe verbond tegen afgoderij.
In vers 14 schrijft hij:
Om deze reden moet u, geliefde broeders en zusters, u verre houden van afgodendienst.
Niet dat een afgod op zich iets is, maar deze baant wel de weg voor contact met demonen (zie vers 19 en 20).
Afgoderij is de zonde die naar de geestelijke dood leidt, dat wil zeggen dat de mens rechtstreeks op een bovennatuurlijke manier in contact met het rijk van de dood komt.
1 Johannes 5:16-17 zegt:
Dit geldt wanneer er sprake is van een zonde die niet tot de dood leidt.
Er bestaat ook zonde die wel tot de dood leidt.
Alle kwaad is zonde, maar niet elke zonde leidt tot de dood.

Waar (zogenaamde) heiligen of heiligenbeelden vereerd worden, staan deze in dienst van de religie en pleegt men afgoderij.
Dit geldt uiteraard ook voor andere beelden en andere afbeeldingen (bijvoorbeeld iconen en boeddhabeelden) wanneer mensen daaraan ook maar enige religieuze waarde toekennen.
In bijna alle religies komen we dit tegen.

Demonen zoeken vaak een stoffelijk of in het zichtbare te ervaren object om de aandacht en het geloof van de mensen naar zich toe te halen.
Zo gebruiken ze onder het religieuze volk gewijde voorwerpen (o.a. beelden en relikwieën), gewijde plaatsen, heilige gebouwen, rozenkransen (veelheid van gebeden), gewijde aarde, gewijde kleding, wierook en gewijde boeken (b.v. Statenbijbel met Gotische letters).
Ook ceremonies, riten, liturgieën en religieuze emoties trekken de aandacht af van de levende God.
Dit zijn dode vormen die de demonen gebruiken om het innerlijk van de mens te misleiden en zo af te houden van contact met de levende Heer.

De demonen uit het rijk van de dood zoeken een blikvanger om de aandacht van de mens te trekken en zo een open poort te krijgen voor duistere bindingen.
Maar Jezus zegt in Johannes 4:23:
Maar er komt een tijd en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt in geest (of: door de geest) <