Doop

6. Doop als beeld van begrafenis

Ook het principe van de wet begraven

Saulus van Tarsen heeft een slechte conduitestaat.
In zijn fanatieke vervolgingsijver heeft hij een enorme schuldenlast op zich geladen.
Na zijn bekering (tot inkeer komen) op de weg naar Damascus wordt Ananias, een trouwe dienaar van God, naar deze wanhopige en geestelijk gebroken fanatiekeling gezonden.
Hij moet hem van zijn blindheid genezen en hem de handen opleggen voor de doop in de heilige geest.
Wat heeft Saulus het moeilijk!
Als Jood, die zich nauwkeurig aan de wet houdt, moet hij aanvaarden wat hij later zo duidelijk omschrijft:
Maar God bewees ons zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.
Des te zekerder is het dus dat wij, nu we door zijn dood zijn vrijgesproken, dankzij Hem zullen worden gered en niet veroordeeld
(Romeinen 5:8 en 9).

De kern van het Goede Nieuws is dat je alleen een rechtvaardige wordt door het geloof op grond van het volbrachte werk van Christus.
Maar Saulus is bij de wet opgevoed en hierbij geldt:
De wet daarentegen is niet gegrond op geloof, want er staat: Wie doet wat de wet voorschrijft, zal leven (Galaten 3:12).

In Damascus wordt Saulus een nieuwe schepping en erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus.
In geestelijke talen mag hij daarna de Heer grootmaken, zoals ook de leerlingen van Jezus in het begin.
Het oude is voorbij en toch kan deze man zich heel moeilijk van zijn vastgeroeste opvattingen losmaken.
Mag hij nu zo maar opeens alles achter zich laten?
Vraagt God van hem geen boetedoening of een offer?
Gaat het zo gemakkelijk?
Saulus weet dat hij een vervolger van de gemeente van God is geweest.
Hij heeft toch bloed aan zijn handen?
Is dit zomaar weg omdat hij nu ineens de naam van Jezus belijdt?

Ananias merkt deze innerlijke strijd op.
Wat aarzel je dan nog?
Sta op, laat je dopen en je zonden wegwassen, terwijl je zijn naam aanroept
(Handelingen 22:16).

De doop is het getuigenis van de opnieuw geboren mens dat deze afstand gedaan heeft van zijn oude leven.
God rekent er niet meer mee en de dopeling zelf voortaan ook niet meer.
Zijn zonden zijn afgewassen door het geloof in het woord van God, hij heeft nu een zuiver geweten.
Jezus reinigt ons innerlijk, zoals er staat:
Evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord (Efeziërs 5:25 en 26, NBG).

Petrus roept op de Pinksterdag uit:
Keer jullie af van jullie huidige leven en laten jullie je dopen onder aanroeping van (in de naam van) Jezus Christus om vergeving te krijgen voor jullie zonden.
Dan zal de heilige geest jullie geschonken worden ….
(Handelingen 2:38).
Veel mensen aarzelen omdat zij niet met hun verleden durven te breken.
Zij weigeren zich te laten dopen omdat zij nooit de knoop radicaal doorhakken.

Door je doop getuig je voor God en mensen dat het oude voorbij is en dat het nieuwe leven gekomen is.
Ook Saulus moet gered worden uit dit verdorven mensengeslacht (zie Handelingen 2:40).
Hij moet het zondige leven dat hij als plichtsgetrouwe Jood heeft opgebouwd, begraven.
Want hij heeft gemeend God een dienst te bewijzen door de gemeente te vervolgen.
Hij getuigt later: … ik ben een geboren Hebreeër met de wetsopvatting van een Farizeeër en heb de gemeente fanatiek vervolgd.
Aan wat er in de wet over gerechtigheid staat, voldeed ik volledig
(Filippenzen 3:5b en 6).

Maar ook dit leven van nauwkeurig voldoen aan wetsvoorschriften, vasthouden aan tradities en overleveringen van mensen en opvolgen van regels, moet begraven worden.
Want de nieuwe mens, de rechtvaardige, leeft alleen door het geloof in de beloften van God.
In het nieuwe verbond geldt niet: wie dit doet zal leven, maar: wie gelooft zal leven.

De wet van de Sinaï, van het oude verbond, stelt aan de mens een aantal eisen waaraan deze moet voldoen.
De uitdrukking: Wie doet wat de wet voorschrijft, zal leven (zie Galaten 3:12) richt zich op de inspanning en op het onafhankelijkheidsgevoel van de (vrome) natuurlijke mens.
Dit principe van de wet van het oude verbond, dat de mens zelf iets kan of moet bijdragen aan zijn rechtvaardigheid, moet ‘voor dood worden gehouden’ en begraven.
De nieuwe mens is geschapen om in Christus Jezus de weg te gaan van de goede daden die God mogelijk heeft gemaakt (zie Efeziërs 2:10), zoals bijvoorbeeld het oog gemaakt is om te zien.
Wanneer het gezond is, hoeft het hiervoor geen moeite te doen.

De geestelijke mens bezit Gods heilige geest die in hem de wetten van de geest heeft gelegd (zie Hebreeën 8:10).
De eisen die de wet stelt, worden vervuld in hem die niet ‘naar het vlees’ leeft, dit is: door inspanning, maar ‘naar de geest’, dit is: door geloof - (zie Romeinen 8:4 NBG).
Daarom wordt tegen de wetsgetrouwe Joden gezegd:
Keer jullie af van je huidige leven en laten jullie je dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor jullie zonden.
Dan zal de heilige geest jullie geschonken worden
… (Handelingen 2:38).
Heiligmaking, dit is: volledig herstel naar lichaam, ziel en geest, wordt zonder inspanning van onze kant verkregen.
Hij die jullie roept is trouw en Hij doet zijn belofte gestand (1 Tessalonicenzen 5:24).

Nadat hij het principe van de wet in zijn doop begraven heeft, kan de apostel schrijven:
Maar wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen.
Sterker nog, alles beschouw ik als verlies.
Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles.
Omwille van Hem heb ik alles prijsgegeven; ik heb alles als afval weggegooid.
Ik wilde Christus winnen en één met Hem zijn – niet door mijn eigen rechtvaardigheid omdat ik de wet naleef, maar door die van God, de rechtvaardigheid die er is door het geloof in Christus
(Filippenzen 3:7-9).

Door je doop getuig je dat je niets meer verwacht van het onderhouden van de wet van de Sinaï.
Als je ingevoegd bent in het lichaam van Christus, de gemeente, weet je namelijk dat je niet alleen dood voor de zonde bent, maar ook dood voor de wet.
Zo moeten jullie ook jezelf zien: dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God (Romeinen 6:11).
Zo zijn ook jullie, broers en zussen, dood voor de wet dankzij de dood van Christus en behoren jullie nu een ander toe: Hem die uit de dood is opgewekt.
Ons leven moet vruchtdragen voor God
(Romeinen 7:4).
Door de doop wordt uitgebeeld dat je dode bestaan, gebaseerd op het naleven van de wet, begraven is.
Dat wil zeggen dat je er helemaal afstand van genomen hebt.
Het is duidelijk dat een ‘kinderbesprenkeling’ nooit zoiets kan uitbeelden!