Doop

7. Doop als beeld van opstaan in een nieuw leven

De tarwekorrel

Dat wat de bijbelse doop symboliseert, wordt in de Bijbel ook door andere beelden weergegeven.
Jezus gebruikt hiervoor de vergelijking van de tarwekorrel.
Deze valt in de grond en sterft, hij is verder waardeloos, maar het beginsel van het nieuwe leven, de kiem, sterft niet, want hieruit groeit de nieuwe plant.
God geeft daaraan de vorm die Hij heeft vastgesteld en Hij geeft elke zaadkorrel zijn eigen vorm (1 Korintiërs 15:38).
Daarom mag alleen een opnieuw geboren mens, die nieuw leven bezit, zich laten dopen.
Alleen volgelingen van God bezitten dit wezenlijke dat uit het watergraf kan opstaan.
Wie zich als mens die niet tot inkeer gekomen is of die niet opnieuw geboren is, laat dopen, is als hij die verwacht dat uit een keisteen iets groeien kan.
Alleen een pas (opnieuw) geboren zoon van God staat op in een nieuw leven.

De apostel Paulus heeft het over dit ‘wegsterven’ van de korrel als over het verval van de uiterlijke mens of het verloren gaan van ons uiterlijke bestaan (zie 2 Korintiërs 4:16).
Deze bezit misschien wel een schat aan kennis en wijsheid die in de zichtbare wereld ertoe doet.
Paulus kent zelf deze schat uit zijn vroegere leven.
Hij wordt dan gerespecteerd en iedereen buigt zich diep voor deze geleerde en vrome rabbi, Saulus van Tarsen.
Zijn schat is de eer van mensen en zijn wetenschap, kennis, aanzien, positie, naam en afkomst.
Maar wie de weg van Jezus kiest en zijn nieuwe leven wil ervaren, merkt dat deze uiterlijke mens er steeds minder toe doet.
Maar wat voor mij winst (mijn natuurlijke ‘schat’) was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen (Filippenzen 3:7).

Want Jezus brengt het koninkrijk van God aan het licht, dat niet van deze wereld is, maar dat van belang is voor onze innerlijke mens.
De uiterlijke mens heeft te maken met het zichtbare: eer, positie, invloed, macht, wetenschap, cultuur, kunst en rijkdom.
De innerlijke mens is de onzichtbare, die zich in de wereld van de geesten beweegt.
De innerlijke mens is dat deel van de mens (ziel en geest) dat zich aan de zintuiglijke waarneming onttrekt.
Terwijl de uiterlijke mens vervalt, wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd, dat wil zeggen: hij ontwikkelt zich van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid (zie 2 Korintiërs 4:16).

Vanaf het moment dat jij in het nieuwe leven opgestaan bent, mag jij je positie in de hemel innemen.
Jouw plaats is dan in het koninkrijk van God, als een deel van het lichaam van Christus.

Ook van dit burgerschap in de hemel heeft de besprenkelde baby geen besef.
In deze geestelijke wereld worden alleen maar zonen ingevoegd die niet op natuurlijke wijze zijn geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God (zie Johannes 1:13).
Hun (geestelijke) geboorte brengt hen in de hemel, hun leven is in de hemel, hun strijd is in de hemel en hun schatten verzamelen zij in de hemel.
Zij kunnen zeggen:
Hij heeft ons samen met Hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelsferen, in Christus Jezus (Efeziërs 2:6).