Doop

10. Doop in vuur

De grote scheiding

Eens was de macht van satan over de aarde zo groot dat hij door middel van een wereldwijde overstroming de mensheid bijna heeft kunnen uitroeien.
Maar Noach en zijn gezin worden gered door de ark.
Deze Godsman bevindt zich met zijn familie en de dieren die de schepping vertegenwoordigen, middenin het watergeweld.
Maar door te luisteren naar de stem van God én de ark te bouwen, komen zij niet om.

Het volk Israël loopt over de bodem van de zee, maar ook zij komen niet om.
Midden tussen de brandende steden Sodom en Gomorra en de hele streek daar omheen wordt alleen het plaatsje Zoar gespaard terwille van de rechtvaardige Lot.
Alleen door zijn geloof kan God hen beschermen.

Wanneer Petrus deze voorbeelden uit het tijdperk van de schaduw van wat komen zou (zie Kolossenzen 2:17), die ons tot lering overgeleverd zijn, overdenkt, merkt hij op:
De Heer blijkt dus vromen uit de beproeving te kunnen redden en onrechtvaardigen gevangen te kunnen houden tot de dag van het oordeel, om hen dan te straffen.
… en dat de toenmalige wereld vergaan is toen ze door het water werd overspoeld.
Maar de tegenwoordige hemel en aarde worden door datzelfde woord bewaard om op de dag van het oordeel, waarop de goddelozen ten onder zullen gaan, te worden prijsgegeven aan het vuur
(2 Petrus 2:9 en 3:6 en 7).

Als God ‘straft’ wil dit zeggen dat de mensen die meer houden van de duisternis, daarmee verbonden blijven.
Deze mensen, van wie de daden slecht zijn, (zie Johannes 3:19) kiezen hier zelf voor.
God kan hen niet dwingen om zijn koninkrijk binnen te gaan, want Hij gebruikt nooit geweld.
Zij zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen (in dit geval: verkeerde) keus.

Het oordeel, de definitieve en totale scheiding tussen goed en kwaad, is van tevoren bekendgemaakt.
Er komt een grote overstroming van vuur over de onzichtbare wereld, die zijn invloed ook zeker zal laten gelden in de zichtbare wereld.
Nu is het duidelijk dat de hemelse regionen nooit door tastbaar en zichtbaar vuur zullen vergaan.
Het vuur dat bedoeld wordt, is het ontketenen van de demonen.
Maar in deze ‘laatste dagen’ (de eindfase van het herstelplan van God) zal God op een buitengewone manier zijn geest geven aan al wat leeft - zie Joël 3:1).
Zo kan ieder die bij Jezus Christus hoort (en dus ‘leeft’), blijven staan in de tijd dat de Heer in hen zichtbaar zal worden op aarde.

In onze tijd liggen goed en kwaad dicht bij elkaar, ze wonen soms samen in één mensenhart (dubbelhartigheid).
Hoe meer de tijd van het eindoordeel (de totale scheiding tussen goed en kwaad) nadert, hoe duidelijker goed en kwaad zich als wit en zwart zullen aftekenen.
Dit gebeurt door de machtige werking van de heilige geest van God aan de ene en de opdringende pressie van het rijk van de duisternis aan de andere kant.
Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten en wie onrein is zal nog onreiner worden.
Wie goed doet zal nog meer goed doen en wie heilig is zal nog heiliger worden
(Openbaring 22:11).

De rechtvaardigheid staat dan zichtbaar tegenover de zonde en de gebondenheid.
Het koren is rijp geworden, maar het onkruid ook.
Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal Ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen:
Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het.
Breng dan het graan bijeen in mijn schuur
(Matteüs 13:30).
De tijd is dan gekomen dat de machten van de hel zich allen concentreren in dat deel van de mensheid waarin de kracht van God niet aanwezig is en dus ook niet werkzaam is.

De gemeente van Jezus Christus wordt dan voor iedereen zichtbaar, ze is dan zonder vlek of rimpel, vervuld met en geleid door Gods geest.
Hemel en aarde worden door vuur gezuiverd en opgeschoond.
Er is een niet te blussen vuur, zoals er aan de andere kant ook een rivier is met levend water.
Beide zijn geestelijk, wat wil zeggen dat het begrippen zijn uit de onzichtbare wereld.
Wanneer het vuur (de demonen) op aarde en in de hemel zijn werk gedaan heeft, wordt het teruggeworpen in de vuurpoel (zie Openbaring 19:20 en 20:14).

Het eeuwige vuur, dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen, heet ook wel de uiterste duisternis (zie Matteüs 8:12 en 25:41).
Deze poel of concentratie van demonie is de eeuwige afgrendeling tussen aan de ene kant de duivelse legers met hun machten en krachten en de mensen die met hen verbonden zijn en aan de andere kant de zonen van God.
De laatsten hebben een plaats in het koninkrijk van God, samen met de heilige engelen.

Tussen deze twee werelden is een onoverbrugbare kloof, een eeuwige scheiding.
In het rijk van de uiterste duisternis is de geest van de mens zonder God volkomen overgegeven aan de willekeur en de heerschappij van de demonen (het vuur).
Een toestand die we niet duidelijker kunnen uitdrukken dan met de woorden van Jezus: Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust (Marcus 9:48 NBG).
Daar stroomt geen levend water meer om het vuur te blussen en is er ook geen volkomen vernietiging van de mens, want zijn worm - zijn onvernietigbaar overblijfsel - sterft niet.
Hij blijft altijd in de duisternis.

De geesten van de zonen van God worden volkomen één met Gods heilige geest.
Deze heeft hen met liefde en zachtmoedigheid geleid, getroost, bemoedigd, opgebouwd, sterk gemaakt en beschermd, om hen zuiver en onberispelijk voor de Vader te kunnen plaatsen.
Zij zijn geschikt om met de Vader te zitten op zijn troon.
Openbaring 3:21 - Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ikzelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit.