Doop

10. Doop in vuur

De vuurdoop

Jezus zegt tegen zijn leerlingen:
Jullie zullen de beker drinken die Ik zal drinken en de doop ondergaan die Ik zal ondergaan … (zie Marcus 10:39).
Zijn volgelingen zullen in deze wereld aan de felle aanvallen van de demonen blootstaan.
Hoe meer zij de voetstappen van Jezus drukken, hoe meer zij hun strijd in de geestelijke wereld te voeren hebben.
Jezus brengt geen Goed Nieuws van rust en vrede voor het uiterlijke, want Hij zegt:
Ik vraag niet of U hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of U hen wilt beschermen tegen de duivel (Johannes 17:15).

Ook Paulus zegt:
Als wij alleen voor dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste mensen die er zijn (1 Korintiërs 15:19).

Juist de zonen van God worden in de eerste plaats blootgesteld aan de aanvallen van de demonen, want iedereen moet met vuur gezouten worden (zie Marcus 9:49).
Maar wie in de kracht van Gods heilige geest blijft staan, kan niet beschadigd worden.
We weten dat iemand die uit God geboren is niet zondigt.
De Zoon, die uit God geboren werd, beschermt hem, zodat het kwaad geen vat op hem heeft
(1 Johannes 5:18).
De Heer roept ons op om in zijn kracht te staan als wij door de demonen aangevallen worden.
Bij het verbrandingsproces voeden hout, hooi en stro het vuur.
Dit zijn dan ook producten die uit de aarde voortkomen, zij hebben te maken met een aardsgericht geloof.
Maar goud, een edelmetaal, gaat geen fusie met het vuur aan: door verhitting smelt het en wordt het juist gezuiverd!
Zie 1 Korintiërs 3:12-15.

Schuim en slakken worden dan afgescheiden en komen bovendrijven.
In het edele metaal vindt het vuur totaal geen voeding.
Nadat het goud gezuiverd is, wordt het dan ook uit het vuur gehaald, want het is niet de bedoeling dat het altijd daarin blijft.
Paulus schrijft in 1 Korintiërs 3:13:
Op de dag (van het oordeel, de scheiding tussen goed en kwaad) zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht.
Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is.

De Heer adviseert ons bij Hem goud te kopen dat in het vuur gezuiverd is, zodat wij rijk mogen worden (zie Openbaring 3:18).
Van de Messias die naar zijn tempel komen zal, profeteert Maleachi:
Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers.
Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend.
Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver
(Maleachi 3:2 en 3 NBG).

Jezus is de Doper in de heilige geest van God, maar daardoor in het verlengde hiervan ook in vuur!
Wie kiest voor Christus, krijgt ‘automatisch’ ook met zijn tegenstander, satan, te maken!
Onze ogen moeten opengaan voor de geestelijke strijd en wij moeten daarvoor niet aan de kant gaan.
Zo krijgen ook wij deel aan het lijden van Christus.
De geestelijke vuurproef hoort bij ons omdat hij ook bij Christus heeft gehoord.
Geliefde broers en zussen, wees niet verbaasd over de vuurproef die jullie ondergaan; er overkomt jullie niets uitzonderlijks.
Hoe meer jullie deel hebben aan Christus’ lijden, des te meer moeten jullie je verheugen en des te uitbundiger zal jullie vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt
(1 Petrus 4:12 en 13).

De vuurproef, de geestelijke strijd, wordt steeds sterker als we dichter bij het einddoel van het plan van God komen.
Die dag zal zeker komen, brandend als een oven.
Wie hoogmoedig zijn of wie zich goddeloos gedragen, zullen dan slechts stoppels zijn die door de hitte van die dag worden verschroeid – zegt de Heer van de hemelse machten.
Geen wortel of tak zal er van hen overblijven.
Maar voor jullie die ontzag voor mijn naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt
(Maleachi 3:19 en 20a).

Laat de gemeente van Jezus Christus niet aan struisvogelpolitiek doen!
De tijd is gekomen dat het oordeel, de definitieve en totale scheiding tussen goed en kwaad, begint bij het huis van God (zie 1 Petrus 4:17 NBG), de gemeente van Jezus Christus.
Wij moeten de kracht van Gods heilige geest in ons hebben om de demonen te weerstaan, terug te drijven en te overwinnen.
Jezus heeft dit gedaan en wij moeten en willen Hem ook hierin volgen.
Dát betekent: zijn voetstappen drukken!
Zó zijn wij volgelingen van Jezus!
Zó kunnen we het doel dat God met ons heeft realiseren: de gelijkvormigheid aan Jezus Christus.

Stel jezelf niet tevreden met ‘vroom’ bedrog.
Je ziet aan alles om je heen hoe de macht van de duisternis toeneemt.
Wanneer wij als zonen van God al zó door de onzichtbare machten worden bestookt, waar zal het dan op uitlopen met hen die niet willen luisteren naar het Goede Nieuws van God?
Wat zal er uiteindelijk gebeuren met hen die niet tot inkeer komen en die niet in water en niet in Gods geest gedoopt zijn?
Hoe zal het in de toekomst aflopen met de mensen die zeggen God te dienen, maar die de onzichtbare wereld niet kennen?
En die zich tevreden hebben gesteld met geestelijke voeding die niet uit de hemel - de onzichtbare wereld - komt?
Van een volk dat niet geleefd en gestreden heeft in de hemelse regionen?
Van een volk waarvan gezegd kan worden:
Het gaat te gronde, het komt om, het wordt een prooi van de demonen, door gebrek aan kennis (zie Hosea 4:6 NBG)?

Door de tegenstand van satan wordt de christen als het ware getest.
Zoals een nieuwe brug extra belast wordt om haar maximale draagkracht vast te stellen, zo komt ook de nieuwe schepping onder vuur te liggen.
Niet dat dit de wil van God is, maar zoals al gezegd, het is een geestelijke wetmatigheid, een ‘automatisme’: wie kiest voor het licht, zal moeten strijden tegen de duisternis!
De oude schepping heeft geen stand gehouden, maar de nieuwe zal overwinnen.
Maar alleen als zij gelijkvormig wordt aan Jezus Christus.
Als satan met zijn machtige, verdervende leger van sprinkhanen, knagers, kaalvreters en verslinders er (onwetend) aan meewerkt dat het volk van God gezuiverd wordt, is dit het leger dat zijn bijdrage levert aan een onderdeel van het plan van God:
Ja, groot en ontzagwekkend is de dag van de Heer, wie kan die dag doorstaan? (zie Joël 1:4 en 2:11b).
Jezus is de Doper in vuur.
Hij houdt de wan in zijn hand, Hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur (Matteüs 3:12).
Er komt een tijd dat ook het kaf, dat vroeger toch wel een functie heeft gehad, een prooi wordt van het rijk van de duisternis.

In de tijd dat het graan rijp geworden is, is ook het kaf overbodig geworden.
Het koninkrijk van God kent alleen maar groei.
Wie achterom kijkt, is net als de vrouw van Lot ten dode opgeschreven.
Misschien hebben de onverstandige meisjes (zie Matteüs 25:1-11) voor hun tijd een aardig lampje, maar als de geestelijke duisternis zijn hoogtepunt bereikt, gaat het uit.