Doop

9. Opdracht om te dopen

De juiste volgorde en de juiste manier

Handelingen 2:38 en 39:
Petrus antwoordde: Keer jullie af van jullie huidige leven en laat jullie dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor jullie zonden.
Dan zal de heilige geest jullie geschonken worden, want voor jullie geldt deze belofte, evenals voor jullie kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.

De eerste opdracht van Jezus aan mensen die pas tot inkeer gekomen zijn, is dat zij zich moeten laten dopen, in het geloof dat de beloften van God aan hen vervuld zijn.
Tussen tot inkeer komen en doop ligt van de kant van de mens geen enkele andere ‘verplichting’ dan geloof.
Men hoeft met dopen dus niet te wachten tot men al een eind op weg is naar het bereiken van de volmaaktheid.
De dopeling zal doen wat God zegt in het geloof dat de Heer zijn schuld heeft vergeven.

Volgens de opdracht van Jezus volgt de doop dus op het tot inkeer komen (bekering) , want het maken van leerlingen sluit dit in.
Het feit dat men gelovige ouders heeft, maakt deze opdracht niet ongeldig.
Wij moeten zelf allemaal bewust tot inkeer komen en zo leerlingen van Jezus worden.
Dan volgt direct daarna de doop.
Wie de bijbelse (volg)orde loslaat, verzwakt ook de noodzaak om tot inkeer te komen.
Het is trouwens opmerkelijk hoe weinig onder christenen, die voorstander zijn van de kinderbesprenkeling, gestimuleerd wordt om zelf een beslissing te nemen.

Overal in de Bijbel gaat het zich bekeren of het komen tot inkeer aan de doop vooraf.
Deze handeling volgt er direct op.
Op de Pinksterdag komen drieduizend mensen tot geloof en diezelfde dag nog laten zij zich dopen (zie Handelingen 2:41).
Van de Samaritanen wordt gezegd:
Maar toen Filippus hen door zijn verkondiging van het koninkrijk van God en de naam van Jezus Christus tot geloof had gebracht, lieten ze zich dopen, mannen zowel als vrouwen (Handelingen 8:12).
Hier waren geen kinderen bij.

Een hoge ambtenaar (een eunuch) van de koningin van Ethiopië krijgt voorlichting van Filippus over Jezus en als zij nog onderweg zijn, vraagt hij:
Kijk, water!
Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden?
Filippus zei tegen hem: Als u gelooft met heel uw hart, is het toegestaan.
Hij antwoordde: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is
(Handelingen 8:36 en 37).
Het is niet erg aannemelijk dat Filippus hier slechts een paar druppels water heeft gebruikt om de ambtenaar te dopen …

De cipier in Filippi neemt Jezus als zijn persoonlijke redder aan.
Hij begrijpt dat hem dan nog maar één ding te doen staat: hij laat zich diezelfde nacht nog dopen (Handelingen 16:33).

Saulus heeft, als hij denkt aan zijn misdaden tegenover het volk van God, er moeite mee zich direct na zijn bekering te laten dopen.
Maar Ananias zegt:
Wat aarzel je dan nog?
Sta op, laat je dopen en je zonden wegwassen, terwijl je zijn naam aanroept
(Handelingen 22:16).

We zien dat het opnieuw geboren worden een vernieuwing van denken betekent, het begin van een nieuwe fase in het menselijke leven.
Deze kan niet plaatsvinden voordat de oude fase van denken en leven eerst afgesloten is.
Dit beëindigen van het oude leven noemen wij het ‘sterven van de oude mens’.
Dit feit wordt gevolgd door een ‘begrafenis’ als duidelijk bewijs dat het oude voorbij is gegaan en voor dood gehouden wordt.

Bij een begrafenis (in feite uiteraard al eerder) word je onttrokken aan de natuurlijke en zichtbare wereld en leef je verder in de onzichtbare wereld.
Zo laat je als christen door het opstaan uit het watergraf zien dat je de wereld met haar slechte en onzuivere verlangens hebt losgelaten.
En dat in jou een nieuw hemels leven begint en dat je je in je denken daarop gaat oriënteren.
Je hoeft niet alles wat er innerlijk in je is gebeurd met woorden te vertellen, maar het beeld van de waterdoop is een zichtbaar teken dat voor iedereen waarneembaar en duidelijk is.
Want in de doop wordt je oude leven begraven en sta je met Christus op in een nieuw leven.
Door de doop laat je in het openbaar de beslissing zien die je voor je hele leven hebt genomen.
Je weet dat je deze stap gezet hebt voor altijd.
Je behoort voor altijd aan Jezus Christus toe en je komt daar niet meer op terug.
Een ‘kinderdoop’ kan zoiets uiteraard nooit uitbeelden.

Iemand wordt dus eerst leerling van Jezus en daarna volgt de doop.
Wanneer de Hebreeënschrijver het fundament van het christelijke geloof behandelt, wijkt hij niet van deze volgorde af .
Het zich afkeren van daden die tot de dood leiden (zich bekeren) en geloof in God worden gevolgd door de leer van de drie soorten doop (zie Hebreeën 6:1).

De opdracht van Jezus om te dopen is erg belangrijk.
Deze kan moeilijk duidelijker en zekerder uitgedrukt worden.
Daarom mag niemand deze volgorde wijzigen of de manier waarop de doop toegediend wordt veranderen of er ongehoorzaam aan voorbijgaan.

Bij de kinderbesprenkeling draait men de bijbelse volgorde om.
Men ‘doopt’ eerst en daarna hoopt men dat de ‘gedoopte’ te zijner tijd een leerling van Jezus wordt.
Jezus geeft de opdracht om de nieuwe leerlingen in water onder te dompelen.
Bij besprenkeling ‘met’ water in plaats van dopen ‘in’ water gaat in het beeld de betekenis van de doop verloren.
Wie zich laat dopen, neemt geen genoegen met een paar druppels, maar hij gaat volledig in het watergraf onder.
Johannes doopte toen ook, in Enon, dicht bij Salim, een waterrijk gebied.
Daar kwamen de mensen naar toe om zich te laten dopen
(Johannes 3:23).
Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam … (zie Matteüs 3:16).

Zowel doper als dopeling moeten zich in het water bevinden.
Hij liet de wagen stilhouden en beiden liepen het water in, zowel Filippus als de eunuch (de hoge ambtenaar van de koningin van Ethiopië), waarna Filippus hem doopte en …
Toen ze uit het water kwamen … (zie Handelingen 8:38 en 39).
De apostelen en volgelingen van onze Heer nemen zijn woorden serieus.
Zij doen wat Hij hun opgedragen heeft te doen.

In de Statenvertaling staat in Matteüs 3:11: Ik doop u wel met water tot bekering.
De kanttekenaars merken bij het woordje ‘met’ op: ‘In het Grieks staat er ‘in’ het water.
We laten het aan de lezer over om te verklaren waarom men dan niet gewoon dit voorzetsel ‘in’ heeft laten staan.
Trouwens: zelfs in de NBG- en in de NBV-vertaling wordt het woordje ‘met’ gebruikt in plaats van ‘in’ …!
Ja, waarom …?