Doop

12. Geen bijbelse grond voor de ‘kinderdoop’

Verwaterd

De bekende theoloog, professor dr. Karl Barth, maakte de volgende opmerkingen over de ‘kinderdoop’:
‘Na alles wat wij in het Nieuwe Testament over de doophandelingen lezen, te beginnen met de doop van Johannes in de Jordaan tot aan de verschillende doopbedieningen in de Handelingen van de apostelen, is het duidelijk dat zowel de dopenden als de gedoopten weten wat zij doen.
Er wordt niet zomaar op los gedoopt.
Men laat zich niet dopen zonder er zelf bij betrokken te zijn, maar om de doop wordt gevraagd; het Goede Nieuws wordt verkondigd; er zijn mensen die geloven en die zeggen: "Wat verhindert mij om gedoopt te worden?"
En dan worden zij gedoopt.

Deze gang van zaken schijnt mij de enig mogelijke, als wij niet willen dat de doop in de loop van de eeuwen verder verwildert.
Daarbij komt het er niet op aan of de dopeling een volwassene is of iemand van tien of twaalf jaar.
Het komt erop aan dat de dopeling gedoopt wil worden, dat hij uit zichzelf zegt:
"Ik geloof, daarom wil ik bij de gemeente horen", dat de gemeente hem daarop doopt en dat dit gemeenschappelijk handelen plaatsvindt op grond van een vrij denken en beslissen.

Wij moeten uit deze donkere en duistere atmosfeer geraken, waarin men niet eens precies weet wat er nu eigenlijk gebeurt.
De dopeling weet het niet, de peetouders weten het evenmin en de gemeente, die erbij zit en liederen zingt, weet het ook al niet.
In een - ik wil niet zeggen mystische - maar toch half magische stemming wordt er iets gedaan en dan wordt gelezen: "Laat de kinderen tot Mij komen", hoewel dat helemaal niets met de doop te maken heeft.

Ook de beroemde passage uit Handelingen 2: "U komt de belofte toe en uw kinderen" heeft er niets mee te maken.
Men gaat er echter maar mee door en de kerk wordt daadwerkelijk verwaterd, letterlijk ‘verdoopwaterd’.
En dan klaagt men er later over dat het met de volkskerk zo treurig gesteld is, waar de mensen dan nog wel bijhoren, maar toch geen belijdenis willen afleggen.
Hoe kan men dit van die stumpers ook verwachten, daar men ze toch immers niets gevraagd heeft, toen men ze in deze vereniging binnenbracht in een wit kleed.
Hier de peettante, daar de peetoom en daarna het lekkere eten en mijnheer de dominee die zich zo vriendelijk over het kindje heen boog en wat water druppelde.
Allemaal mooi en goed, maar in de grond van de zaak is het - niet alleen bij de katholieken, maar ook bij ons, lutheranen en gereformeerden - een stuk overgebleven magie, wat wij daar bedrijven.
Deze atmosfeer moeten wij kwijt.
Daarom houd ik het met de broers die de kinderdoop willen opgeven."

Ook schrijft dr.Karl Barth: "Een bevel om kinderen te dopen vindt men nergens in de mond van Jezus of ergens anders in het Nieuwe Testament. Dit begon pas in de tweede en derde eeuw."

Zijn zoon, dr. Markus Barth, maakt de volgende opmerkingen: "Het Nieuwe Testament spreekt niet van een doop van onmondige kinderen.
De kinderdoop van de katholieke kerk betekent een afval van het apostolisch Christendom.
Onze hedendaagse kerkelijke praktijken zijn met de feiten van het Nieuwe Testament nauwelijks in overeenstemming te brengen.
Juist het algemeen verbreide doopbijgeloof is reden genoeg om voortaan in geloof aan Jezus Christus ootmoedig en nuchter de bijbelse doop te aanvaarden.
Het geloof moet gericht zijn op Christus, niet op het sacrament zelf."