Doop

3. Paulus de ‘herdoper’

Een ‘herdoop’

Op zijn derde zendingsreis ontmoet Paulus in de havenstad Efeze een twaalftal leerlingen van Johannes de Doper (zie Handelingen 19:2).
Hij stelt deze mannen twee vragen.
De eerste is: Hebben jullie de heilige geest gekregen toen jullie het geloof aanvaardden?
De leerlingen erkennen eerlijk dat zij deze ervaring missen en dat zij bovendien helemaal niet weten dat de heilige geest bestaat of zou zijn uitgestort.
Wij hebben zelfs niet gehoord van het bestaan van een (…) heilige geest.

Het dogma dat iedere gelovige vanzelfsprekend en automatisch de heilige geest krijgt, is hun ook onbekend …
Ze begrijpen in ieder geval dat het (ver)krijgen van de heilige geest een reële ervaring moet zijn.

Direct komt de apostel met de volgende vraag in vers 3: Hoe zijn jullie dan gedoopt?
Hun antwoord is: Met de doop van Johannes.
De doop in water moet toch altijd volgen op een fundamenteel onderwijs.
In Matteüs 28:19 zegt Jezus:
Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen …

Paulus’ antwoord in vers 4 is dan ook:
Johannes doopte de mensen om hen een nieuw leven te laten beginnen en zei tegen hen dat ze moesten geloven in Degene die na hem kwam, in Jezus.
Zo goed als zeker heeft Paulus na deze aanhaling hun het plan van God nauwkeuriger uitgelegd, zoals ook Priscilla en Aquila dit bij Apollos gedaan hebben (zie Handelingen 18:26).

Want het vervolg is in vers 5:
Toen ze dat gehoord hadden, lieten ze zich dopen in de naam van de Heer Jezus en toen Paulus hun de handen had opgelegd daalde de heilige geest op hen neer, zodat ze (in) klanktaal of geestelijke talen gingen spreken en profeteerden_

Johannes de Doper heeft door zijn onderwijs de mensen bij Jezus gebracht die als het Lam van God de zondeschuld van de wereld wegneemt.
Hij zei: Ik doop jullie in water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt Iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor Hem te dragen.
Hij zal jullie dopen in de heilige geest en in vuur
(Matteüs 3:11).

In aansluiting op het onderwijs van de apostel Paulus kunnen de gelovige Efeziërs na de doop in water (in de naam van Jezus) ook de doop in de heilige geest en in vuur verwachten.
Petrus maakt dit al duidelijk met de oproep:
Keer je af van je leven van vandaag en laat je dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor je zonden.
Dan zal de heilige geest je gegeven worden
(zie Handelingen 2:38).

Jezus Christus is het echte fundament van ons geloof; als we op Hem ons geestelijke huis bouwen, zal dit blijven staan in de storm!

De doop in water en in de heilige geest horen elkaar op te volgen.
De ene vindt plaats in de zichtbare wereld en de andere in de onzichtbare.
Daarom is er sprake van een leer over het dopen, waarbij in de grondtekst een meervoudig zelfstandig naamwoord voor dopen wordt gebruikt (zie Hebreeën 6:2).
De doop van Johannes is gebaseerd op bekering of het tot inkeer komen en heeft het vergeven van de zondeschuld als doel.
Wanneer de zondaar met het kwaad breekt en zich naar God keert, wordt zijn schuld weggedaan en vergeven.
Zijn doop gaat samen met het opbiechten van zonden, om zondaars tot rechtvaardigheid te brengen en zo het volk gereed te maken voor de Heer (zie Lucas 1:17).

Johannes biedt het vergeven van de zondeschuld al aan op een nieuwtestamentische manier, zonder zichtbare offers.
Hij wijst daarbij op het Lam van God en naar de liefdevolle barmhartigheid van onze God (zie Lucas 1:78).
Deze door Gods geest geleide boodschapper van God kent het plan van God alleen maar voor zijn tijd.
Maar daardoor veroorzaakt hij wel een grote geestelijke omwenteling.
De traditionele en conservatieve Farizeeën en wetgeleerden weigeren echter in te gaan op het plan van God, want zij hebben zich niet door Johannes laten dopen (zie Lucas 7:30).
Hun visie op basis van de traditie is in strijd met die van de ‘nieuwlichter’ Johannes.
Hij heeft het over de komst van het onzichtbare koninkrijk van God, dat niets te maken heeft met wat voor uiterlijke zaken dan ook.
In hun afkeer van deze Godsman behoren deze godsdienstige leiders ongetwijfeld bij hen die Johannes aan Herodes overgeleverd hebben (zie Matteüs 4:12).
Zelfs al in die tijd brengt de bijbelse doop verdrukking met zich mee!

Maar de doop van Johannes voldoet de apostel Paulus nu al niet meer.
Hij moet plaatsmaken voor de doop die Jezus zelf instelt en die in zijn naam wordt uitgevoerd.
Paulus kent voor zijn tijd het volledige plan van God en bij dit nieuwe licht weigert hij daarom de doop van Johannes nog langer te handhaven.
Deze is (dan al) verouderd en door de feiten achterhaald en wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning (zie Hebreeën 8:13 NBG).
Met nadruk wordt gezegd dat Johannes bij het oude verbond hoort.
Zijn doop die alleen op inkeer en vergeving van zonden berust, schiet in het nieuwe verbond tekort.

Paulus brengt, net als Jezus, het evangelie van het koninkrijk van God, waarvan Johannes slechts de (voor)aankondiger is.
Paulus is radicaal, evenals Johannes de Doper, want ook hij is door God geroepen.
Hij begint zijn brieven met de aanhef: ‘Paulus, een geroepen apostel van Christus Jezus.’

De volgelingen van Johannes moeten zich daarom aan zijn apostolische gezag onderwerpen, want Jezus moet groter worden en Johannes kleiner (zie Johannes 3:30).
Het nieuwe moet toenemen en het oude verdwijnen.
Als zij daar niet op ingaan, zullen zij verliezen zelfs wát zij hebben.
Zij moeten die prijs betalen om het koninkrijk van God binnen te gaan.

Opnieuw worden deze gelovigen ondergedompeld.
Voor de tweede keer in hun leven sluit het water zich boven hen.
Voor hen behoort de doop van Johannes in het vervolg bij een afgesloten periode.
Johannes zelf is het licht niet geweest, maar hij is gekomen om van het échte licht te getuigen (zie Johannes 1:6-8).

Paulus heeft een opdracht die groter en rijker en van een andere dimensie dan die van Johannes.

Dit opnieuw dopen (deze ‘herdoop’) zal wel een enorme opschudding veroorzaakt hebben.
Is de doop van Johannes dan niet meer voldoende?
Weet Paulus het dan alleen?
Moeten de duizenden volgelingen van Johannes zich dan allemaal opnieuw laten dopen?
De twaalf mannen aanvaarden de nieuwe tijd met een daad van gehoorzaamheid en God bevestigt dit opnieuw gedoopt worden met een uitstorting van zijn geest op dit twaalftal.
Ze kunnen hierdoor nu allemaal als teken of bewijs hiervan in geestelijke of nieuwe talen bidden en ze krijgen de begaafdheid van de profetie.

Johannes hoort bij het oude verbond en daarmee ook zijn doop waarmee hij, zoals zijn naam ‘de Doper’ aangeeft, onafscheidelijk verbonden is.

Duidelijk wordt erop gewezen dat Johannes de grootste is van het oude verbond.
Er is onder allen die uit een vrouw geboren zijn nooit iemand opgetreden die groter was dan Johannes de Doper; maar in het koninkrijk van de hemel is de kleinste nog groter dan hij (zie Matteüs 11:11).

Van Johannes wordt geprofeteerd dat hij zijn volk bekend zou maken met hun redding door de vergeving van hun zonden (zie Lucas 1:77).
Johannes zelf brengt niet de redding of het herstel, maar wel stelt hij de mensen ervan op de hoogte.
In Jezus wordt het herstel zichtbaar, want Hij zegt in Matteüs 11:4 en 5:
Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat (melaatsheid) worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het Goede Nieuws bekendgemaakt.

De doop van Johannes sluit het oude verbond af en vormt het hoogtepunt ervan, maar door zijn doop blijft hij de wegbereider voor het nieuwe verbond.
De doop van Johannes hoort bij de periode in het plan van God, die voorbijgegaan is.
En die daarom spoedig helemaal verdwijnen zal.

In Handelingen 18:24-28 wordt over een man geschreven, die goed onderlegd was in de Schriften.
Hij had onderricht gekregen in de weg van de Heer en verkondigde geestdriftig de leer over Jezus, die hij zorgvuldig uiteenzette, ook al was hij alleen bekend met de doop zoals Johannes die had verricht.
Maar juist daarom is wat hij als ‘Goed Nieuws’ brengt achterhaald en moet het echtpaar Priscilla en Aquila hem de (geestelijke) weg van God nauwkeuriger uitleggen.
Apollos moet bij zijn onderwijs over de doop in het vervolg overschakelen naar de betekenis die deze in het nieuwe verbond heeft.
Men heeft het als een manco in hem gezien dat hij alleen maar verstand had van de doop van Johannes, terwijl deze onder de eerste christenen niet meer geaccepteerd werd.
Dat niet expliciet vermeld wordt dat Apollos opnieuw gedoopt wordt, zegt verder niets.

Zo lezen wij ook in Handelingen 4:4 dat … van de mensen die naar de toespraak hadden geluisterd, velen zich bekeerden, zodat het aantal gelovigen aangroeide tot ongeveer vijfduizend.

Over dopen wordt hier niet gesproken, terwijl toch in Handelingen 2:41 duidelijk aangegeven wordt dat de leerlingen van Jezus niet tegen massale doopdiensten opzien.
Op één dag worden drieduizend mensen gedoopt.
Het zal wel vreemd zijn als daar geen volgelingen van Johannes de Doper bij geweest zijn.
Dat de doop van de twaalf volgelingen van Johannes in Efeze vermeld wordt, is niet te danken aan het bijzondere van hun ‘herdoop’, maar wel aan het feit dat deze mannen daarna zonder uitzondering in geestelijke of nieuwe talen kunnen bidden en kunnen profeteren.