Erfzonde

3. De leer van de erfzonde

Orthodoxe kerkleer

Zoals gezegd, is de tegenwoordige dogmatiek demonenblind.
De woorden van Paulus over de geestelijke wereld zijn voor theologen (en allen die hen geloven …) alleen maar een woordenspel en geen realiteit.
De mens zelf is voor hen de auteur, de bewerker en de uitvoerder van de zonde.
In de eerste druk van de ‘Christelijke Encyclopedie’ (J.H. Kok) die naar onze mening de rechtzinnige (…) opvatting het beste weergeeft, lezen we:
‘De erfzonde is de onzalige fontein van alle werkelijke daden en persoonlijke zonden’.
De theologie heeft satan uit haar denken verwijderd en de leerstelling van erfzonde en erfschuld in zijn plaats gesteld.

De vijand van de mens is nu de mens zelf.
Men strijdt niet meer tegen satan en men wil niet meer van hém bevrijd worden, maar ‘van zichzelf’.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis leert in artikel 15:
‘Wij geloven dat de erfzonde in de mens allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel daarvan’.
Je bent dus zondaar, niet omdat je zondigt, maar omdat je als mens zo geboren bent.
Verder gelooft men dat wij en onze kinderen ‘van nature verdorven’ zijn, dat het verwekken van kinderen zonde is (want: ‘in zonden ontvangen en geboren’) en dat mensen niet in staat zijn ook maar iets goed(s) te doen, sterker nog: dat mensen altijd geneigd zijn om het kwaad te doen.
Als we bovenstaande ‘Geloofsbelijdenis’ en andere kerkelijke leerstellingen op dit gebied samenvatten, blijkt dat men in feite gelooft dat de mens even slecht is als satan zelf!

Een meer uitvoerige bespreking van deze leerstellingen kunt u lezen in het originele boekje op de site Rhemaprint.

De camouflage van satan is nu perfect: de mens zelf wordt aangewezen als oorzaak van alle kwaad en hij zelf blijft buiten schot!
Maar in Jakobus 1:14 en 15 NBG staat:
Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte.
Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij de zonde.

Zo is er in Eva het verlangen om verstandig te worden, wat op zichzelf niet verkeerd is, maar juist goed.
Helaas wordt dit verlangen bij haar bevrucht door de infiltratie van satan die haar op de verkeerde weg brengt.
Maar de erfzondeleer stelt dat de bevruchting zich afspeelt als in een cleistogame bloem, dus waar de knoppen gesloten blijven en zelfbestuiving plaatsvindt.

Een rammelende hypothese

Deze hypothese rammelt aan alle kanten.
Ten eerste kan niemand vertellen wat men in wezen onder erfzonde en erfschuld verstaat.
Bovendien past zij niet in het geval van Adam en Eva, waarbij duidelijk is dat de beïnvloeding niet van binnenuit komt, maar van buitenaf
Waarom is dit dan ook niet het geval bij óns?
Bij Kaïn ligt de demon die inspireert om te zondigen aan de deur (zie Genesis 4:7), dus hij is nog buiten.
Als David het volk telt, wordt gezegd dat satan hem hiertoe aanzet (zie 1 Kronieken 21:1).
Tegen Petrus zegt Jezus: Ga terug, achter Mij, satan (zie Matteüs 16:23).
Tegen dezelfde leerling en ook tegen de anderen zegt de Heer: Weet dat satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven (zie Lucas 22:31).

Van Ananias staat dat satan hem misleid heeft om Gods geest te bedriegen (zie Handelingen 5:3).
Op dezelfde manier staat Jezus zelf bloot aan de duivelse verleidingen van buitenaf, zodat Hij net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld (zie Hebreeën 4:15).
Ook al is de mens van nature slecht, zoals de kerk dit leert, is het wel duidelijk dat niet al zijn daden volledig slecht en zondig zijn …!
Er bestaat dan altijd nog zoiets als liefde, naastenliefde, burgerlijke gehoorzaamheid, vriendschap, filantropie, enzovoort.

Maar, leert de kerk, "naar de maatstaf van Gods wet, geoordeeld naar de hoofdsommen daarvan, zijn we metterdaad onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad."
Om dit alles nu weer in te passen bij die totaal verdorven mens, heeft de casuïstiek de ‘leer der zogenaamde gemene gratie’ uitgevonden.
In de volkomen duisternis is er dan weer een licht van de algemene genade:
"En in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had en heeft hij niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen daarvan" (art. 14 der Confessie).
Het meest warrige volgt nog.
Hoe ziet men nu de opnieuw geboren mens die deel krijgt aan de Goddelijke natuur? (zie 2 Petrus 1:4)?

Men belijdt dat de erfzonde "ook door de doop niet ganselijk teniet is gedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt, gelijk uit een onzalige fontein" (art. 15).
Door de leer van de erfzonde en het gebrek aan inzicht in de geestelijke wereld komt men tot de conclusie dat de natuurlijke mens nog wel iets goeds heeft, namelijk ‘kleine overblijfselen’.
En dat "de allerheiligste nog maar een klein beginsel der gehoorzaamheid heeft" en "de zonde in hem opspringt als uit een onzalige fontein."

In wezen verschilt dus het leven van de niet opnieuw geboren mens weinig of niets van dat van een mens die wél opnieuw geboren is en die een nieuwe schepping is geworden.

Filosofie van mensen

In de praktijk komt het hierop neer dat men allemaal belijdt tot de dood toe een zondaar te blijven.
Men blokkeert met deze leer de weg van het herstel die naar het doel van God leidt, om echte geestelijke mensen te vormen die door Gods heilige (= herstellende) geest geleid worden en die van zijn kracht voorzien zijn.
Men accepteert dus niet dat God zijn woord en zijn geest heeft gegeven, zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust (2 Timoteüs 3:17).
Men ontkent dat Jezus gekomen is om allen te bevrijden die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood (zie Hebreeën 2:15).
Verder leert de kerk:
"De zonde heeft geen eigen orgaan, bezit geen eigen kracht, ze hecht zich aan alles wat aan en in de mens is, en doet hem zondige mens zijn in de volle zin van het woord."
Dit is nu filosofie van mensen.
De zonde heeft geen eigen orgaan, maar zij hecht zich toch aan en in de mens.
Wij vragen dan: waarmee?

Hoe kan iets dat geen kracht heeft, zich ergens aan hechten?
Wat is ‘een zondige mens in de volle zin van het woord’?
Omdat men in de praktijk het bestaan van demonen ontkent, moet men het antwoord schuldig blijven.
Als de zonde dan geen kracht heeft, waarom is er dan sprake van ‘de kracht van de zonde’ (zie 1 Korintiërs 15:5 NBG)?
Er staat: Maar de zonde heeft van het gebod gebruikgemaakt om begeerten in mij op te wekken (zie Romeinen 7:8).
De zonde is zelfs zo sterk dat de apostel schrijven moet:
De zonde heeft gebruikgemaakt van het gebod: ze heeft mij misleid en mij door het gebod gedood (Romeinen 7:11).
Gedood wil zeggen: afgesneden van het contact met de levende God.

Want de zonden, de demonen die hiertoe inspireren, maken scheiding tussen God en de mens (zie Jesaja 59:2).
Niemand kan twee heren dienen!
Zo goed als de heilige geest van God de kracht van God om te leven is, zo vormen de demonen de kracht om te ontbinden en te verderven.

Daar men blind is voor de eenvoudige voorstelling die de Bijbel geeft, probeert men de oplossing te vinden vanuit het natuurlijke denken.
Omdat men geen inzicht heeft in het wezen van de zonde en haar openbaring in de praktijk van het leven, zoekt men het in een veelheid aan woorden en begrippen:
erfzonde, erfschuld, erfsmet, aangeboren en werkelijke zonden, zonden van bedrijf en verzuim, ergerlijke zonden en zonden van zwakheid, doodzonden en vergeeflijke zonden, ethische en cultische zonden (die ingaan tegen bepaalde religieuze ceremonies).

Occulte zonden, dus die met waarzeggerij, spiritisme, magnetiseurs, yoga, meditatie, mindfulness en (uitwassen van) andere religies te maken hebben, worden meestal niet genoemd.
In plaats dat men de oorsprong van de zonde ziet bij de demonen, als krachten met een gerichte persoonlijkheid, definieert men alleen (een aantal van) de gevolgen en de resultaten van de werkzaamheden van deze boosaardige geesten.
Maar het woord van Jezus blijft van kracht, dat satan de zaaier van al het onkruid is en dat hij ook nu nog rondgaat als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij kan verslinden.