Erfzonde

9. De opdracht om het duivelswerk te verbreken

De leer van Jezus

Het is wel merkwaardig dat christenen of zij die zich zo noemen, in het algemeen veel verschillende visies hebben, maar het evangelie dat Jezus zélf heeft gebracht, helemaal negeren of zich er zelfs tegen verzetten.
Jezus benadert de mens niet met een erfzondetheorie en Hij zoekt het kwaad niet in de persoon zelf, maar Hij laat de verborgen werkelijkheid van de geestelijke wereld zien.
Hij onderwijst niet alleen, maar tegelijkertijd trok Hij als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij (zie Handelingen 10:38).

Hij wordt juist als Zoon van God herkenbaar omdat Hij de daden van satan (in de mens) tenietdoet (zie 1 Johannes 3:8).
Bij zijn opname in de geestelijke wereld geeft Jezus aan zijn leerlingen en over hun hoofden heen aan ons, de opdracht om zijn evangelie overal te brengen.
En Jezus brengt niet alleen een evangelie van woorden, maar hij brengt een ‘leer met gezag’!
In welke kerken, kringen of gemeenten wordt Hij hierin nagevolgd?

Paulus schrijft in dit verband in Romeinen 15:18-19:
Ik zal over niets anders spreken dan wat Christus door mij tot stand brengt om de heidenen tot gehoorzaamheid te brengen: door wat ik zeg en doe,
door zijn macht waarmee ik tekenen en wonderen verricht door de macht van Gods geest.
Zo heb ik vanuit Jeruzalem en helemaal tot aan Illyrië het evangelie van Christus verspreid.

Paulus heeft niet alleen het evangelie óver Jezus gebracht, maar vooral ook dat ván Jezus.

De juiste richting vasthouden

Jezus heeft ons geen praktische handleiding nagelaten, waarin wij kunnen opzoeken hoe wij de confrontatie met de demonen kunnen aangaan om zo het herstelproces uit te werken.
Maar Hij geeft ons wél Gods heilige geest die ons inzicht geeft in de geestelijke wereld en die ons te binnen brengt hoe wij onder bepaalde omstandigheden moeten handelen.
Het weinige dat ons in het nieuwe testament over de onzichtbare wereld meegedeeld wordt, is wel onze toetssteen waardoor wij in de juiste richting kunnen blijven gaan.

In de geest houden we daarbij ons oog gericht op Jezus en willen we vanuit zijn denkwereld en inzichten de door satan aangetaste mens benaderen, herstellen en opbouwen.
Zo kunnen wij Jezus concreet en daadwerkelijk volgen.
Als volgelingen van Jezus hebben wij de zekerheid dat wij bij het spreken en schrijven geleid worden door de geest van God die ook de apostelen eens heeft geïnspireerd.
Ook wij mogen weten dat wij uit God en niet uit de duivel zijn.
Als wij leven vanuit hemels of geestelijk perspectief, kunnen ook wij zeggen:
Wij komen uit God voort.
Wie God kent luistert naar ons.
Wie niet uit God voortkomt luistert niet naar ons.
Hieraan kunnen we de geest van de waarheid en de geest van de dwaling herkennen
(1 Johannes 4:6).

In onze tijd mogen we opnieuw demonen binden, ze uitdrijven en in de (geestelijke) afgrond werpen.
Er zijn veel soorten demonen: geesten die werken vanuit het voorgeslacht, geesten van de dood, geesten die aanzetten tot zelfdoding, occulte geesten, leugengeesten, antichristelijke geesten, geesten van dwaling en schijnprofetie, enzovoort.
In de Bijbel worden we hierover niet uitvoerig ingelicht, maar wij leren ze kennen omdat we ons inleven in het wezen van het koninkrijk van de hemelen.
En van daaruit kunnen we ons een idee hierover vormen, daarbij gesteund door praktische ervaringen.

Verder zijn er demonen of geesten die iemand verhinderen te kunnen spreken (stomme geesten), analoog hieraan zijn er dove geesten, onreine geesten, waarzeggende geesten en andere waar de Bijbel het wél over heeft.
Als mensen zonde en kwaad niet herkennen als afkomstig uit de geestenwereld, binden zij de strijd aan tegen vlees en bloed, dus tegen zichzelf of anderen.
Daarom gaan ze uit van erfzonde, erfschuld en erfsmet, want ze houden geen rekening met de echte veroorzakers van kwaad en ellende.

Maar wij willen alleen rekening houden met het evangelie van Jezus zelf!
Dan komen we zeker niet bedrogen uit.
Vraagt Jesaja in 53:1 wat dit betreft niet:
Wie kan geloven wat wij hebben gehoord?
Aan wie is de macht
(grondtekst: arm) van de Heer geopenbaard?

Wie gelooft ook de samenvattende opdracht waarin het evangelie van Jezus resulteert en die Hij geeft voordat Hij wordt opgenomen in de hemel?
Jezus zegt: Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend.
Dat is het evangelie zoals Hij dat zelf gebracht heeft en niet iets anders.
Wie dit gelooft en zich laat dopen, wordt behouden, dat wil zeggen: kan het doel van God met de mens bereiken.
Wie dit evangelie als richtlijn voor zijn leven gebruikt, zal zich ook laten dopen om aan te geven dat hij een nieuwe manier van denken heeft gekregen.
Door zijn doop (in water en in de geest van God) geeft de christen aan dat hij van de duisternis overgeplaatst is in het licht, van de wrede macht van satan in de liefdevolle aanwezigheid en leiding van God.

Ondanks de duidelijke uitspraak van onze Heer besprenkelt men baby’s die nog niet kunnen geloven met water.
Men geeft daarbij zelfs aan dat zij ‘zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn’.
Dit betekent dus dat onze kinderen alleen al door hun geboorte als mens, deel hebben aan de verdoemenis, dus aan satan en zijn rijk.
Deze constatering berust niet op het evangelie van Jezus Christus, maar op de erfzondetheorie.
De laatste woorden van onze Heer hier op aarde worden door veel ‘christenen’ niet serieus genomen.
Men vindt ze voor deze tijd verouderd.
Men zegt dat niemand kan overwinnen op het kwaad in zichzelf.
Want, zegt men, we erven de zonde van onze ouders en we zijn op onze beurt weer de erflaters van de zonde voor onze eigen nakomelingen.
Een blijvende barricade dus op de weg naar het herstel!