Erfzonde

5. De zware aanklacht uit Psalm 51:7

Onreinheid is een demon

Wij kunnen zien hoe in Davids huis de demonen van onreinheid vanuit de voorgeslachten hebben gewerkt.
Natuurlijk komen in een gezin de kinderen het meest en het eerst in aanraking met die demonen waardoor vader en moeder (eventueel) gebonden zijn.
David grijpt terug als hij zegt:
Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.
Maar de zonde van zijn moeder is ook de zonde van Isaï.

Onreine demonen uit het voorgeslacht

Als de duisternis zo dichtbij een kind opereert, wordt het een gemakkelijke prooi.
Terwijl Saul slechts één bijvrouw (Rizpa) heeft, begint David al een hele harem te verzamelen.
Als stamvorst van het kleine Juda in Hebron heeft David zes vrouwen.
In Jeruzalem komen er nog wat meer bij.
De oudste zoon van David, Ammon, vergrijpt zich aan zijn zuster Tamar.
David straft zijn zoon niet, want hij heeft hem lief omdat hij zijn eerstgeborene is, vertellen de handschriften van de Septuaginta.
De derde zoon is Absalom die voor het oog van het hele volk gemeenschap heeft met de bijvrouwen van zijn vader.
Hij doet dit waarschijnlijk op hetzelfde dak waarop David eerder staat als hij vol begeerte Batseba begluurt (zie 2 Samuël 16:22).

Van zijn zoon Salomo staat dat hij veel vrouwen liefheeft: zevenhonderd hoofdvrouwen en driehonderd bijvrouwen (zie 1 Koningen 11:3).
Het is niet voor niets dat we zien dat David het in een concrete situatie over concrete dingen heeft.
Hieruit blijkt dat wie de erfzondeleer baseert op de tekst in Psalm 51:7 een zeer wankele (of beter: geen) basis heeft.
Men mag zulke belangrijke stellingen, die bepalend zijn voor het wezen en de natuur van de mens, niet op een uitspraak baseren die onder een bepaalde omstandigheid gedaan is en die zo tijd- en situatiegebonden is.

Zoals bij de verklaring van alle(rlei) andere teksten de regel is dat deze moeten worden uitgelegd tegen hun (historische en geestelijke) achtergrond en (dus) de context waarbinnen ze zijn geschreven.

Zonde is niet iets wat we als een erfenis van ouder op kind meekrijgen, maar zondigen betekent: gehoorzamen aan de demonen en dus voor hen werken.
Satan is de vader of de inspirator van de leugen en de oorsprong van al het kwaad.
Hij heeft het auteursrecht en het patent op elke vorm van wetteloosheid.
Op grond van de wet van de zonde en de dood (zie Romeinen 8:2) betaalt hij (negatief) loon aan wie voor hem werken.
Dit loon kan als straf van God overkomen, als men geen inzicht heeft in het wezen van God en in dat van satan.
Door middel van zijn verleidende en onderdrukkende demonen heeft hij elk mens tot gehoorzaamheid gebracht en aan zich onderworpen.
Niet door overerving, maar door misleiding en pressie gaat de zonde over op alle mensen.

Vaak wordt er gesproken over erfzonde, erfschuld en erfsmet, woorden die in de Bijbel niet voorkomen.
Vrijwel nooit heeft men het over het erfgenaam zijn van God en mede-erfgenaam van Jezus Christus, de hoge positie waarvoor een ieder die in Christus is, wordt geroepen.
Als men over zonde spreekt, elimineert men vrijwel altijd het aandeel van satan hierin: "Je moet niet zoveel over demonen praten!"
Men gelooft liever dat de mens alleen en uit zichzelf de daden van de duisternis voortbrengt.

Over zonde wordt wel veel gesproken, maar altijd in verband met de mens zelf als auteur en acteur.
Hierdoor verdwijnt de mogelijkheid om bevrijd te worden van de demonen en te herstellen naar het evenbeeld van Jezus Christus, achter een mistgordijn.
Zolang de Heer op aarde is, vecht Hij tegen de zonde die Hij toeschrijft aan satan.
Hij is gekomen om de werken van de duivel te verbreken of de daden van de duivel teniet te doen (zie 1 Johannes 3:8, ook NBG).
Ook zij die door Hem van schuld en gebondenheid verlost zijn, hebben hun strijd niet tegen vlees en bloed, dus ook niet tegen hun eigen natuur, maar tegen de demonen van zonde die buiten hen zijn:
Onderwerp je dus aan God en verzet je tegen de duivel, dan zal die van je wegvluchten (Jakobus 4:7).

De erfzondeboom kennen aan de vrucht

Een boom kent men aan zijn vruchten en een leer of dogma ook.
In de negentiende eeuw is het de grote evangelist Finney die fel stelling neemt tegen de leer van de erfzonde.
Tijdens zijn ‘kruistochten’ wordt hij namelijk geconfronteerd met de vruchten van deze leer, die ‘oneindig onterend is voor God en een gruwel voor het menselijk intellect’.
Overal waar hij op zijn reizen komt, vindt hij kerken die hun geestelijke verval goedpraten met de opmerking dat we zondaars zijn tot de dood en dat de erfzonde die we van onze voorouders meegekregen hebben, nu eenmaal een onuitroeibaar kwaad is.

Finney ziet het ingrijpende van deze leer in, want voor haar aanhangers is er namelijk geen bevrijding van zonde mogelijk dan uiteindelijk door de lichamelijke dood.
Zo leert toch ook de Heidelbergse Catechismus in zondag 16 dat onze dood ‘een afsterving is van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven’.
Met onze dood komt er dus een einde aan onze van Adam geërfde zondige natuur.
Niet Jezus Christus, maar de dood mag zo de eer opeisen de volledige overwinning op de zonde te bewerken.

Niet Jezus Christus, maar de dood is dan de doorgang naar het eeuwige leven.
Finney leert: het dogma van de erfzonde ontneemt aan de gelovigen het uitzicht op een volledige overwinning op de zonde.
Zij doet daarmee tekort aan het werk van Jezus Christus en aan de overwinningskracht van Gods heilige geest die in ons woont, als we tenminste in deze geest gedoopt zijn.
Zie hiervoor ook de site Geest van God.

Hij predikt de noodzakelijkheid van een volledige overwinning op de wetteloosheid.

Wie meent dat hij de zonde van zijn ouders geërfd heeft, gelooft ook dat hij deze tot zijn dood aan toe moet meedragen.
Als vanzelf is hij dan een tegenstander van iedere visie die op de mogelijkheid en de noodzaak van een overwinningsleven wijst.
De stelling (…) van de erfzonde is nog steeds voor veel mensen een heilig huisje, waartegen niet geschopt mag worden.
Wie de moed heeft dit op Bijbelse gronden toch te doen, loopt gevaar onmiddellijk voor ketter of valse profeet uitgemaakt te worden.

Finney leert dat de mens geen zondaar wordt door de erfzonde, maar doodeenvoudig door het feit dát hij zondigt.
Hij spreekt niet over een zondige natuur, maar over een morele verwording van de mens.

Je wordt ook niet als verkeerszondaar geboren, maar dit word je alleen door het overtreden van verkeersregels.
De zondigheid heeft niets te maken met onze natuur, maar met een geesteshouding van de mens, die vanaf zijn jeugd vaak misvormd is onder de inwerking en verleiding van satan.