Erfzonde

4. Geen aangeboren zonden

Door de mond van kinderen en zuigelingen

In Matteüs 21:16 vraagt Jezus aan de hogepriesters en de schriftgeleerden:
Hebben jullie dan nooit gelezen: Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt U zich een loflied laten zingen?
Natuurlijk kennen zij de tekst uit Psalm 8:3.
Geestelijke blindheid is er de oorzaak van dat zij de spelende peuters in de tempel de mond willen snoeren.
In hun oren klinkt het zingen van de kinderen als godslasterlijke taal, als zij Jezus eren met de woorden: Hosanna voor de Zoon van David! (zie Matteüs 21:15).
Onverwacht worden de religieuze leiders dan door Jezus geconfronteerd met de uitspraak van David:
met de stemmen van kinderen en zuigelingen
bouwt u een macht op tegen uw vijanden
om hun wraak en verzet te breken.

De vraag wordt er dan bij gesteld: Hebben jullie dan nooit gelezen?
Het is opvallend dat ook nu bovenstaande tekst nooit door theologen aangehaald wordt.
Zij gebruiken om de geestelijke status van een kind aan te geven maar één tekst, namelijk:
Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen (Psalm 51:7 NBG).
Deze uitroep van David is voor hen (trouwens op grond van een foutieve uitleg, zie verderop) het bewijs dat alle kinderen ‘aan de verdoemenis zelf onderworpen zijn’.
Maar hebben deze aanhangers van de erfzondeleer, die alle zuigelingen principieel tot hellekinderen verklaren, nooit gehoord wat dezelfde David hierboven in Psalm 8 jubelt?

Hoe kan een baby God lof toebrengen?
Hoe spreekt dit kindje dan?
Geldt voor het kleine kind niet: Wat daarentegen de mond uitgaat komt uit het hart en die dingen maken een mens onrein? (Matteüs 15:18).
Wat uit het innerlijk van de baby, uit zijn hart voortkomt, is niet onzuiver maar tot eer van God.
De lof die de kleine zijn Schepper toebrengt, toont aan dat de natuur van de zuigeling gaaf en goed is.
Waarom citeert Jezus nu wel deze tekst en nooit de woorden uit Psalm 51?
Omdat Hij positief tegenover de mens staat en weet dat David het in deze psalm over een persoonlijke zaak heeft en hier geen dogma voor de hele mensheid formuleert.

De moeder kijkt vol liefde naar haar baby die in de wieg vrolijk ligt te kraaien.
Heeft zij dit kind nu ‘in zonde ontvangen’, dit wil zeggen: is de gemeenschap tussen haar en haar man eigenlijk verkeerd geweest?

Onlogica van een theoloog

Augustinus, de grondlegger van de leer van de erfzonde, schrijft dat de zonde culmineert of haar hoogtepunt bereikt in de seksuele lust.
Hij leert dat de zonde wordt overgeërfd langs de weg van de coïtus.
Maar het huwelijk en de voortplanting zijn door God zelf ingesteld.
Zegt ook Jezus niet dat man en vrouw één worden? (zie Matteüs 19:5).
In een visie dat kleine kinderen pretendenten zijn voor de ‘verdoemenis’ in plaats van troonpretendenten, kan alleen de hel geïnteresseerd zijn.

Men kan moeilijk beweren dat het uiterlijk van een gezond kindje niet deugt.
Met wat voor blijdschap en liefde kijkt de moeder naar haar kind.
Wat een ongelooflijke schoonheid en levensvreugde straalt de spartelende en kraaiende baby uit.
Maar de gaafheid die in de zichtbare wereld niet te ontkennen valt, ontkent men voor het innerlijke wezen.
Men beweert dat dit gezonde, harmonische schepseltje vanbinnen door en door verdorven is.
Het gaat niet naar de verdoemenis, maar het hééft er al deel aan, zegt het ‘doop’formulier.
Wij vragen de aanhangers van deze leer hetzelfde wat Jezus vraagt aan de theologen in zijn tijd:
Hebben jullie dan nooit gelezen: Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt U zich een loflied laten zingen?
In Psalm 19:2-5 beschrijft David de majesteit en de eer van God die zijn schepping uitstraalt:
De hemel verhaalt van Gods majesteit,
het uitspansel roemt het werk van zijn handen,
de dag zegt het voort aan de dag die komt,
de nacht vertelt het door aan de volgende nacht.
Toch wordt er niets gezegd, geen woord
gehoord, het is een spraak zonder klank.
Over heel de aarde gaat hun stem,
tot aan het einde van de wereld hun taal.

Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar, schrijft Paulus in Romeinen 1:20.
De schepping looft God niet door woorden, maar door te functioneren naar de wetten of wetmatigheden die God in haar heeft gelegd.
Als een precisie-uurwerk draait de aarde om haar as, verschijnt de zon aan de hemel en is er afwisseling tussen de seizoenen.

De macrokosmos loopt niet achter en niet voor.
Een kleine wijziging in de snelheid van de aswenteling van de aarde zal al rampzalige gevolgen hebben.
Satan heeft kans gezien veel in de schepping op aarde te verstoren, maar hij kan niet aantasten wat staat in Genesis 8:22:
Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht – nooit komt daar een einde aan.
Dit alles blijft naar Gods scheppingswetten functioneren.

Kunstige werkjes

Ook in Psalm 8 horen we dezelfde juichtoon, niet alleen over de hemellichamen, maar ook baby’s loven God door hun volmaakte bestaan.
Ze liggen daar als een kunstig werk van hun Maker en ze ontwikkelen zich volgens zijn (natuur)wetten.
Dit betreft hun oogjes, hun oortjes, hun handjes en hun voetjes, maar ook hun zieleleven.
Hun geestje is al aanwezig, maar dit moet net als hun lichaampje, hun gevoel, hun verstand en hun wil zich nog ontplooien.
In deze kleine kinderen toont God zijn wijsheid en kracht.
Door hun existeren maken zij hun Schepper groot.
De mens wordt goed en gaaf geboren, als satan tenminste zijn slag niet al slaat in de moederschoot.

Maar het lukt de ‘heerser van deze wereld’ maar al te snel sommige wetten (wetmatigheden) van God in dit kleine mensje die op deze duistere aarde geboren is, te verstoren.
In het vrederijk zullen er geen wezenlijk andere kinderen geboren worden dan nu.
Alleen zijn dan de pressie en de verleiding rondom de kleine niet meer aanwezig, want de satan is dan gebonden.
Kinderen zullen dan onbeschadigd opgroeien en God zo volkomen kunnen eren met hun gaaf bestaan.
Psalm 8:3 NBG zegt in dit verband:
Uit de mond van kinderen en zuigelingen
hebt U sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt,
om vijand en wraakgierige te doen verstommen.

Als men aanneemt dat de ziel en de geest van de zuigeling al verdorven zijn, begrijpen we dat ook geleerd wordt dat de innerlijke mens eerst moet worden ‘verbroken’ voordat Gods geest zich in hem kan openbaren.
Zijn zieleleven moet dan verbrijzeld worden en de geest verslagen, voordat God iets met de mens kan beginnen.
Wanneer de mens dan op de grond ligt, kermend en overstelpt door ellende, geen enkele uitweg meer ziet, dán kan pas het echte geluk beginnen (…).

God moet dan eerst de mens verwoesten, ruïneren en beschadigen.
Zo schrijft men aan de (uitsluitend) goede God dingen toe die de satan doet, want vernielen is duivelswerk.
Jezus zegt in Lucas 9:25:
Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schaadt?
Zichzelf verliezen is het allerergste wat iemand kan overkomen, maar dit is wél het doel van de religieuze demonen, de ‘vrome geesten’.
God wil ons juist herstellen als onze geest ‘verbroken’ is en ons hart ‘verbrijzeld’ door de invloed van de demonie.
Bij ons opnieuw geboren worden dat zijn basis heeft in het geloof in het woord van God, begint er voor ons een nieuw leven.
Daarna doet de Heer ook zijn geest in ons wonen, zodat wij uiteindelijk gelijkvormig kunnen worden aan Jezus Christus.
Zo wordt tijdens het toenemen van de luister van God in ons leven, dit is zijn onmetelijke liefde en grootheid, vervuld wat in het vervolg van onze tekst (Psalm 8:6 NBG) staat:
Toch hebt U hem (door middel van uw heilige geest) bijna Goddelijk gemaakt en hem met heerlijkheid en luister gekroond.

In Hebreeën 2:6-7 wordt de Griekse versie van Psalm 8 aangehaald:
Wat is de mens dat U aan hem denkt,
het mensenkind dat U naar hem omziet?
U hebt hem voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst;
U hebt hem met eer en luister gekroond.

Voor de gevallen engelen heeft God geen reddingsplan opgesteld, want Hij is niet begaan met het lot van (de slechte) engelen (zie Hebreeën 2:16).
De Psalmdichter verwondert zich erover dat God wél aan de mens blijft denken en naar hem omziet, hem redt en herstelt.

Voor zulke mensen

Na zijn val is de mens onder de demonen komen te staan, die in plaats van hem te dienen, hem misbruiken en over hem heersen.
De mens is een slaaf geworden van de demonen die hem verleiden om te zondigen en zijn beschermengelen werden werkeloos aan de kant gezet.
Maar over de kleine kinderen staat geschreven dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van de Vader die in de hemelen is (zie Matteüs 18:10 NBG).
Hier bestaat dus nog een onafgebroken contact met God.

Een volwassene komt pas, nadat hij aan zijn nieuwe leven begonnen en opnieuw geboren is, terug in contact met God.
Dan wordt hij door God vernieuwd in zijn gedachten en krijgt hij van Hem de volmacht (door de vervulling met Gods geest) om samen met Jezus, te heersen over alles wat God gemaakt heeft.

Jezus zegt (ook nu nog):
Laat ze bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij (zie Lucas 18:16).
Het koninkrijk van God is voor wie is zoals zij, voor zulke mensen, dus voor onschuldigen en mensen zonder zonde.
Onze Heer hecht er grote waarde aan dat ze bij Hem worden gebracht.
Daarom moeten de ouders hun kinderen heiligen, dat is: beschermen tegen de demonen, zodat dezen buiten het kind blijven.
Ook in het natuurlijke doen ze dit tegen zichtbare belagers en verkeerde invloeden.

Jezus waarschuwt zeer ernstig de mensen die kinderen (ook die in het geloof) verleiden om te zondigen en die dus het tegengestelde doen van heiligen.
Van zo’n mens zegt Hij: die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken (zie Matteüs 18:6).