Erfzonde

7. Teksten uit het oude testament over erfzonde

Job 14:4

Kan een mens tot reinheid brengen wat onrein is?
Nee, dat kan hij niet!

of zoals de NBG vertaalt:

Komt ooit een reine uit een onreine? - Niet één!

Men meent dat dit vers gelijkwaardig is aan Psalm 51:7, waaruit men concludeert dat ieder mens onwettig of in zonde verwekt en geboren wordt.
Nu is het woord ‘onreine’ in het Hebreeuws een mannelijke vorm.
Het is dan wel moeilijk om achter ‘onreine’ het woord ‘moeder’ te plaatsen!
Het gevolg hiervan is dat men dan natuurlijk het kwaad bij de vader gaat zoeken en terechtkomt bij de gemeenschap tussen man en vrouw.

Zo te zien zou Augustinus dan gelijk hebben, want hij leert dat "de zonde culmineert in de seksuele lust … en dat zo langs de weg van de coïtus de zonde fysiek wordt overgebracht."
Hij acht het daarom een kostelijke zaak als de hele mensheid door een universeel celibaat (ongehuwde staat) zelfmoord zou plegen.
Maar de gedachte van God die Jezus na de zondeval doorgeeft, is:
Hebt u niet gelezen dat de Schepper de mens bij het begin mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt?
Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw en die twee zullen één worden; ze zijn dan niet langer twee, maar één.
Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden
(Matteüs 19:4-5).

In zijn grote verdriet is Job niet bezig met het formuleren van een theorie over de erfzonde.
Maar hij uit zijn felle klachten over de afstand die hij ervaart tussen God en mens.
De in zijn ogen nietige mens is als een ontluikende bloem die verwelkt, als een schaduw die wegvlucht.
Deze nietige mens wordt nu voor Gods gerecht gedaagd.
Wie is dan Job voor God?
Hij is ook niet beter dan de anderen.
Er is hier sprake van een algemene solidariteit in zwakheid en onmacht, zoals de profeet Jesaja later uitroept:
Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft.
En nu heb ik met eigen ogen de koning, de Heer van de hemelse machten, gezien
(Jesaja 6:5).

Johannes 3:6 zegt:
Wat geboren is uit een mens is menselijk en wat geboren is uit de geest (van God) is geestelijk.
De mens kan uit zichzelf satan niet (afdoende) weerstaan en daarom is het nodig dat hij opnieuw geboren wordt, dat zijn manier van denken verandert van natuurlijk in geestelijk.

We merken nog op dat de Engelse King James-vertaling de gedachte aan een geboorteproces niet heeft:
Wie kan iets reins uit een iets onreins tevoorschijn brengen? Niet één!
De Joden die geen erfzondeleer kennen, geven de tekst in de Septuagint als volgt weer: Want wie is vrij van onzuiverheid? zelfs niet één.
Kan een mens iets reins, iets zuivers voortbrengen?
Kunnen ouders hun kind heiligen en beschermen tegen de omringende demonen, als ze zelf door deze geesten gebonden zijn en overheerst worden?
Het antwoord is: ze zullen zelf eerst rechtvaardigen en gereinigden moeten zijn, willen ze voor hun kinderen in de bres kunnen staan.
Jezus zegt tegen iedereen die vasthoudt aan zijn woorden:
Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd heb (Johannes. 15:3).

Wij komen nu bij de uitspraak van Elifaz: