Geestelijk denken

1. De vergelijking van de zaaier

Gezaaid op de weg en door de vogels opgegeten

Matteüs 13:4:
Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg en er kwamen vogels die het opaten.
Matteüs 13:19:
Bij ieder die het woord van het koninkrijk hoort maar het niet begrijpt, komt hij die het kwaad zelf is (satan) en rooft wat hun in het hart is gezaaid; bij hen is op de weg gezaaid.
Waar, zoals in Palestina van toen het geval is, de paden van mensen en muildieren dwars door de akkers lopen, is het niet te vermijden dat een deel van het zaad ook hierop terechtkomt.
Het zaad valt dan niet in de geploegde grond en het wordt dus ook niet bedekt voor de ogen van de vogels.
Het graan dat in dit land gezaaid wordt, is uiteraard winterkoren, omdat de winter die hier zacht en vorstvrij is, de groei niet belemmert.
De trekvogels uit het noorden op weg naar zuidelijker, warme streken en de wintergasten zoals de spreeuwen, vinden op de pas ingezaaide akkers overvloedig te eten.
Ze zijn dan ook erg schadelijk voor de boer.

Dit is het beeld dat Jezus schetst om ons te laten begrijpen wat er gebeurt met de mens die wel luistert naar wat over het koninkrijk van de hemel gezegd wordt, maar het niet begrijpt.
Hij hoort of leest wel de woorden van Jezus, maar hij kan ze niet overzetten in de geestelijke wereld, in zijn innerlijke mens.
In Lucas 24:25 zegt Jezus van deze mensen:
Hebben jullie dan zo weinig verstand en zijn jullie zo traag van begrip dat jullie niet geloven in alles wat de profeten gezegd hebben?
Paulus schrijft:
Een mens die Gods geest niet bezit (NBG: een ongeestelijk mens) aanvaardt niet wat van de geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid.
Hij kan het ook niet begrijpen, omdat het geestelijk moet worden beoordeeld
(1 Korintiërs 2:14).

De ongeestelijke mens redeneert vanuit het zichtbare, vanuit de situatie waarin hij zich bevindt, die hij wel met zijn natuurlijke verstand kan begrijpen.
De geestelijke mens denkt vanuit zijn geloof in Gods woord en vanuit wat Gods geest hem openbaart.
De zekerheden van de natuurlijke mens liggen daarom in zijn aardse bezit en in het nemen van maatregelen in de zichtbare wereld.
Maar de geestelijke mens leeft vanuit de beloften van God.
De natuurlijke mens ziet zonde, ziekte en gebondenheid vanuit natuurlijke oorzaken en hij strijdt ertegen met natuurlijke middelen.
Maar de geestelijke mens ziet de werkelijke veroorzakers van de wetteloosheid in de onzichtbare wereld.
En hij bestrijdt deze met geestelijke wapens.

De natuurlijke mens ontdekt in veel gevallen dat zijn Bijbeluitleg niet sluitend en logisch is en onderling tegenstrijdige gedachten oplevert.
Daarom is zijn zinspreuk met een predikant-dichter van de vorige eeuw: "Met begrijpen zal het niet gaan, neem het onbegrepen aan."
Vol kinderlijke naïviteit gelooft hij dat God ons slechts ‘de warrige onderkant van zijn borduurwerk’ laat zien.
Maar het punt is dat hij zich niet ‘naar boven’ kan verplaatsen, zodat hij het échte patroon kan zien.
Geen wonder dat de woorden van de Heer door deze verwarring en dit onbegrip dwaasheid voor hem zijn.
Hij probeert dit dan weer aannemelijk te maken met de ‘vrome’ opmerking:
"Er moet toch nog wat overblijven om te geloven", of
"Je moet het maar aannemen zoals het er staat", of
"Zalig zijn de armen van geest."
Maar de Bijbel zegt:
De verlichten (of: verstandigen, zij die inzicht hebben) zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf en zij die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd (Daniël 12:3).

Een kind zal men het gemakkelijk maken om te gehoorzamen door hem het hoe en het waarom uit te leggen.
Zal dan de hemelse Vader niet alles in het werk stellen om ons op alle mogelijke manieren duidelijk geestelijk inzicht te verschaffen?
Geeft Hij ons daarom behalve zijn woord ook niet zijn heilige geest die ons zijn diepste gedachten leert kennen (zie 1 Korintiërs 2:10)?
Zo kan hij ons leiden naar het einddoel dat Hij met ons heeft.
Efeziërs 3:18,19:
Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen,
ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.

Nee, de armen van geest zijn niet gezegend omdat zij het woord van God niet begrijpen, maar omdat Jezus komt om hen te herstellen en om hun tekort weg te nemen.
Hij doet dit door hun inzicht te geven in het koninkrijk van de hemel, de geestelijke wereld.

In de tijd dat Jezus op aarde is begrijpt het religieuze volk niets van de geestelijke betekenis van de offerdienst, van de ceremoniën, van het priesterschap en van de stad van God.
Hun denken blijft bepaald bij de zichtbare dingen.
Zo horen ook nu veel gelovigen over beelden als: tempel, stad, volk en paradijs van God, Israël, straten van goud en water en bomen van het leven.
Maar zij kunnen die beelden niet overzetten naar de geestelijke werkelijkheid of anders gezegd: deze vergeestelijken.
Zij klemmen zich vast aan het beeld zelf, evenals het oude Israël.
Ze geloven in de voorafschaduwing van de geestelijke dingen, in plaats van deze laatste zélf voor waar te houden.

Het koninkrijk van de hemel is voor hen niet de onzichtbare wereld, maar in feite een materiële, zichtbare zaak, opgebouwd uit de elementen van de aarde.
Zij spreken over de troon van God als iets tastbaars en van de hemelse stad, het nieuwe Jeruzalem, alsof deze een afgebakende ruimte in de (stoffelijke) kosmos is.
Omdat ze niet geestelijk kunnen denken, kan het goede nieuws over het koninkrijk van de hemel niet in hen doordringen.
En daardoor zijn ze afgesloten voor de doop in Gods heilige geest en het ontplooien van zijn geestelijke begaafdheden.
En nemen zij ook geen deel aan de strijd in de hemelse gewesten, tegen satan en zijn demonen.

Jezus vertelt in deze vergelijking ook over vogels die het goede zaad wegroven.
De Heer zet dit beeld over naar de onzichtbare wereld, dus naar het koninkrijk van de hemel, als Hij uitlegt: Satan komt en rooft wat in zijn hart gezaaid is (zie vers 19).
De Heer wijst dus de vijand aan: de satan of de duivel.
Ook in de andere evangeliën kunnen we hierover lezen.

De vogels zijn hier het beeld van de demonen, met wie ieder mens te maken krijgt, of hij dit nu (geloven) wil of niet.
Zij zijn de onreine vogels die genoemd worden in Openbaring 18:2.
Deze onreine geesten kunnen niet anders dan roven en doden (zie Johannes 10:10).
Zij nemen de woorden van God weg die aan de mens geest en leven geven en zo blijft de mens die hoort en vergeet (zie Jakobus 1:25) arm van geest.

Het evangelie van Jezus Christus, dat van het koninkrijk van de hemel, is een oneindig heerlijke visie met rijke perspectieven voor ons geestelijke leven.
Dat iemand dit evangelie niet wil of kan aanvaarden, komt omdat zijn hart verhard is en hij geen oren heeft om te horen of ogen om te zien.
Zo hoort hij bij hen bij wie het zaad (woord) op de weg gezaaid is en die daardoor niet het leven van God in zich hebben en die dus geestelijk dood zijn.