Geestelijk denken

1. De vergelijking van de zaaier

Gezaaid tussen de dorens

Matteüs 13:7:
Weer een ander deel viel tussen de distels en toen die opschoten verstikten ze het zaaigoed.
Matteüs 13:22:
Het zaad dat tussen de distels is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen, maar bij wie de zorg om het dagelijkse bestaan en de verleiding van de rijkdom het woord verstikken, zodat het zonder vrucht blijft.

In het toenmalige Palestina gaat de groei van het zaad meestal gelijk op met die van het onkruid dat zich vaak in de breedte sterk ontwikkelt en het graan dreigt te verstikken.
Het aantal soorten onkruid is groot en voor een belangrijk deel horen ze bij de ‘dorens en distels’ die de aarde als gevolg van de vloek voortbrengt (zie Genesis 3:18).
Vooral de jodendoorn met zijn onuitroeibare wortelstokken bedreigt het goede zaad.

Nog altijd richt de Heer zich tot de mensen die openstaan voor zijn woorden.
Aan hen die een ‘luisterend oor en een ziend oog’ hebben kan Hij de tot nu toe verborgen geheimen van het onzichtbare koninkrijk van de hemel onthullen.
In deze onzichtbare dimensie hebben zowel het goede als het kwaad hun oorsprong.
Het is daarom nodig hier al onze aandacht aan te besteden en er ruime kennis over op te doen.

Toch waarschuwt Jezus de mens die niet direct afwijzend staat tegenover het evangelie van het koninkrijk.
Laat die mens toch niet door de zorgen van het leven en/of door de verleiding van de rijkdom zijn doel missen.
Het is eenvoudig onmogelijk de volmaaktheid in twee werelden tegelijk te realiseren.
Als we ons in het koninkrijk van God willen ontwikkelen, zullen we wat de aardse dingen betreft niet het onderste uit de kan moeten willen halen.
Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden (Matteüs 6:33).

Uitdrukkelijk waarschuwt de Heer ons hier voor een perfectionisme dat zich op de zichtbare dingen richt.
Want het is zo zinloos.
Wie zijn auto elke dag wil laten glanzen, zal zien dat deze bij gebruik toch direct weer vuil wordt.
Ook de Farizeeën zijn zulke perfectionisten in het uitwendige.
Want Jezus noemt hen witgepleisterde graven.
Ze lijken aan de buitenkant wel rechtvaardig, maar aan de binnenkant zijn ze vol van schijnheiligheid en wetteloosheid (zie Matteüs 23:27 en 28).
Later zien we dit verschijnsel zich voordoen bij de schijngemeente of de valse kerk; dit is hierboven al aan de orde geweest.

De Heer wil juist en alleen onze onberispelijkheid in de onzichtbare wereld.
Daarop moet het streven van ons als zijn volgelingen dan ook alleen gericht zijn.
Ook Paulus verklaart in Filippenzen 3:12:
Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt.
Maar ik houd vol
(grondtekst: achtervolgen, najagen, nastreven) in de hoop eens dat te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft.
Tegen Marta zegt Jezus:
Marta, Marta, je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk (over veel dingen).
Er is maar één ding noodzakelijk.
Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen.
(Lucas 10:41 en 42).
Bij ‘het beste deel’ kunnen we denken aan het doel waarvoor iemand of iets geschapen is, b.v. goede vruchtbomen (Matteüs 7:17) of goed land, goede aarde (Lucas 8:8).

Veel aardsgerichte christenen ergeren zich aan deze voor hen zo irritante levensstijl.
Jezus omschrijft deze in de ‘bergrede’ in Matteüs 6:31-33 als volgt:
Vraag je dus niet bezorgd af: Wat zullen we eten? of: Wat zullen we drinken? of: Waarmee zullen we ons kleden?
Dat zijn allemaal dingen die de heidenen najagen.
Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben.
Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.

Veel christenen leven aardsgericht ondanks hun (theoretische) belangstelling voor de zaken die het koninkrijk van God betreffen.
Daarom gaan ze een compromis aan.
Ondanks dat ze wel beter weten (ze hebben immers wel in meerdere of mindere mate kennis van de geestelijke dingen), jagen ze toch naar de rijkdom van deze wereld en de eer van mensen
Zo komen er dorens en distels in veel varianten in hun leven op, zodat het goede zaad verstikt.
Een akker kan wel bewerkt en besproeid zijn, maar wanneer hij uiteindelijk geen goede vrucht opbrengt, maar wel dorens en distels die wetteloos en nutteloos zijn, voldoet de opbrengst niet aan de verwachting van de boer.

De inspanningen van de aardsgerichte christen worden geïnspireerd door onder andere demonen van hebzucht, onreinheid en misleiding.
De tegenstelling is duidelijk.
De christen die zich openstelt voor de invloed van Gods geest in zijn leven brengt ‘nuttig gewas’ voort, maar wie aardsgericht leeft wordt uiteindelijk een prooi van de duistere machten.
Land dat de overvloedige regen opneemt en nuttige gewassen oplevert aan wie het bewerken, ontvangt Gods zegen,
maar land dat dorens en distels voortbrengt, is waardeloos en rijp voor vervloeking; het zal uiteindelijk in vlammen opgaan
(Hebreeën 6:7 en 8).

Paulus schrijft over zulke christenen dat hun aardsgerichte inzet zal verbranden (dit is: onder invloed staan van de demonen) en dat zij zelf hierdoor schade zullen lijden (zie 1 Korintiërs 3:15).
Want ze zullen hierdoor het doel van God met hun leven niet kunnen bereiken.

Wie in en vanuit het koninkrijk van God werkt, hoeft niet bezorgd te zijn of te zwoegen om iets te krijgen of te bereiken.
In dit koninkrijk zijn alleen maar koningen en priesters.
Daarom is het niet nodig dat zij die God bijvoorbeeld als voorganger dienen langdurig moeten bidden of in het geloof moeten worstelen voor de nieuwe jas voor hun vrouw of schoentjes voor de kinderen.
Dit alles zal hun ‘toegeworpen’ worden als ze zich in de eerste plaats bezighouden met het koninkrijk van God (zie hierboven, Matteüs 6:33).

Zij die werken in dienst van het koninkrijk van God zijn financieel niet afhankelijk van mensen met geld, of van de goedheid van misschien wel ongelovige, medelijdende familieleden die hun wat toestoppen.
Paulus schrijft in 1 Korintiërs 9:7:
Wie gaat er nu op eigen kosten in krijgsdienst?
Wie plant er een wijngaard en eet niet van de vruchten?
Of wie hoedt er een kudde en drinkt niet van de melk?

En in 2 Timoteüs 2:4 zegt hij:
Iemand die in krijgsdienst is, laat zich niet afleiden door het leven daarbuiten, want zijn bevelhebber moet tevreden over hem zijn.

Het is ook sterk af te raden om iemand die ‘geroepen’ is om te bouwen aan een geestelijk werk zich ook intensief met allerlei uiterlijke zaken bezig te laten houden.
De zorgen om de zichtbare en organisatorische zaken zullen dan het goede zaad verstikken.
Zijn persoonlijke leven met God en zijn geestelijk werk komen dan beslist in de knel.
Men moet zich in dit opzicht niet laten bedriegen door schijnredeneringen, want die brengen geen geestelijke vrucht voort.
Men moet zichzelf onderzoeken of men wel in het geloof (in het plan van God) staat, of dat het zichtbare dan wel het geestelijke overheerst.

Onder de vele dorens noemt Jezus nog het bedrog of de misleiding van de rijkdom.
Een rijke kan moeilijk in het koninkrijk van God komen.
Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten.
Jullie kunnen niet God dienen én de Mammon
(Matteüs 6:24).
Horen wij bij die grote groep mensen die zo gehecht zijn aan hun aardse bezit, dat ze er niet (meer) los van kunnen komen?
Zij worden overheerst door hun hebzucht en ze zitten daardoor vast aan de demon (!) Mammon!
Duidelijk zegt de Bijbel hier dat hebzucht het dienen is van een afgod, dus een demon (zie Kolossenzen 3:5).
Of verlangen, zoeken en streven wij, als mensen die met Christus uit de dood zijn opgewekt naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God (zie Kolossenzen 3:1)?

Dorens overwoekeren altijd het goede zaad.
Laten we dus gewaarschuwd zijn, want verstikking van het graan kan vaak de dood tot gevolg hebben.
‘Dood’ betekent hier: afgesneden worden van God, als de Bron van het leven.
Altijd heeft dit onvruchtbaarheid of het nooit vruchtdragen tot gevolg (zie Lucas 8:14).
Want de zonen van God kunnen dan niet openbaar worden.
Over de christenen die niet vastzitten aan hun geld en spullen zegt Paulus in Hebreeën 10:34:
Jullie hebben meegeleefd met de gevangenen onder jullie en toen jullie van jullie bezittingen beroofd werden, hebt jullie dat in vreugde aanvaard, in de wetenschap dat jullie beters bezitten, een blijvend bezit voor jullie zelf.

Al vanaf het begin van de vorming van de christelijke gemeenten gaat de waarschuwing uit tegen de grote misleiding door de demon van de hebzucht (Mammon); dit is de wortel van al het kwaad (zie 1 Timoteüs 6:10).
Miljoenen gelovigen slaan in de afgelopen eeuwen en tot nu toe de waarschuwing in de wind, die zegt:
Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief.
Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem,
want alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht – dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld
(1 Johannes 2:15 en 16).
Ook in Lucas 8:14 is in verband met de dorens sprake van de zorgen, de rijkdom en de genoegens van het leven die het goede zaad kunnen verstikken.

Het laatste Bijbelboek tekent ons het grote Babylon, de stad van de afval van het echte geloof.
Deze schijngemeente is helemaal ingesteld op uiterlijk vertoon, meedoen met de wereld, aardse rijkdom aan geld, kunst, macht, wetenschap en kennis van natuurlijke zaken.
Juist in deze ‘stad’ wordt ook gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen die zich juist helemaal richten op de onzichtbare wereld.
Galaten 4:29 komt uit, waar staat:
Maar zoals de zoon die krachtens de natuur geboren werd de zoon vervolgde die krachtens de geest geboren werd, zo worden nu ook wij vervolgd.
De demon die de mens met zijn hebzucht in zijn macht heeft, inspireert deze om de mens die zich richt op het geestelijke, te vervolgen en te elimineren.
Wat we hiervan kennen, wordt ook wel ‘kerkgeschiedenis’ genoemd.

Wij willen zijn als Mozes van wie gezegd wordt in Hebreeën 11:25 en 26:
Liever werd hij even slecht behandeld als het volk van God dan dat hij vluchtig voordeel had bij de zonde;
omdat hij uitzag naar de beloning waardeerde hij de smaad van Christus hoger dan de schatten van Egypte.