Geestelijk denken

4. De vergelijking van de zuurdesem (het zuurdeeg)

De oude zuurdesem

De geestelijke betekenis van de zuurdesem die vóór voor het Paasfeest opgeruimd wordt en van de desem die met Pinksteren gebruikt wordt, is dus totaal verschillend.
Bij het Paasfeest wordt er in ongunstige zin over gesproken en op het Pinksterfeest in een gunstige.
Er is een oude zuurdesem van de vorige oogst die verwijderd moet worden en er is een nieuwe zuurdesem van de nieuwe oogst die de pinksterbroden moet doortrekken!

We noemen nu een paar teksten waarin de zuurdesem als negatief wordt voorgesteld.
In Matteüs 16:6 zegt Jezus:
Wees terdege op je hoede voor de zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën.
Maar de leerlingen begrijpen dit verkeerd.
Ze zijn van mening, zoals ook nu nog veel christenen, dat je moet ‘lezen wat er staat’ en dat je de uitspraken in de Bijbel niet mag ‘vergeestelijken’.
Ze denken dan ook dat Jezus hen waarschuwt geen brood bij de Farizeeën te kopen of van hen te lenen, zoals in het verhaal over de man die midden in de nacht drie broden van zijn vriend wil hebben.
Ook gaat het bij Jezus niet om gedesemde of ongedesemde broden, want Hij verklaart al het voedsel ceremonieel rein (zie Marcus 7:19).
Hier gaat het dan ook niet om een rein zijn van zichtbaar voedsel (want wat moet dat dan inhouden?), maar om het eten van geestelijk voedsel (zie Openbaring 3:20).

Zichtbare cultus voorbij

Daarom herhaalt Jezus zijn uitspraak en voegt eraan toe dat zij moeten oppassen voor de op het uiterlijke gerichte léér van de Farizeeën en de Sadduceeën.
Zij moeten inzien dat de tijd van het zichtbaar religieuze voorbij is:
de ceremoniën, de offers, het geven van tienden, het lange bidden, het vasten, het uiterlijk vertoon, de voorschriften, de gewijde kleding en de geboden van de voorouders.
Heel deze cultus heeft zijn tijd gehad.
Jezus brengt geen nieuw ritueel en geen nieuwe voorschriften die als nieuwe lasten op de schouders van zijn volgelingen komen te rusten.
Het koninkrijk van God waarover Hij vertelt, begint in de innnerlijke mens en het ontwikkelt zich in de onzichtbare wereld.

Ook in Lucas 12:1 waarschuwt Jezus voor deze zuurdesem en Hij zegt heel duidelijk dat de liefde tot plechtigheid en ernst, tot het zichtbaar religieuze, altijd uitloopt op huichelarij.
Ook in onze tijd vinden we deze alles doortrekkende zuurdesem terug, waar de orthodoxie of de evangelische richting het leven met God gaat verbinden en vermengen met uiterlijkheden.
Te denken valt aan: gewijde kleding, plechtig taalgebruik, extreem langzaam of juist extatisch zingen of aanbidden, liturgie, gebouwen, organisaties, geld, natuurlijke kennis, titels, rangen en standen, cultuur, politiek en allerlei andere activiteiten in de zichtbare wereld.

Dit alles verhindert gelovigen om in het onzichtbare koninkrijk van God te komen.
In 1 Korintiërs 5:6-8 lezen we:
Weet u niet dat al een beetje desem het hele deeg zuur maakt?
Doe de oude desem weg en wees als nieuw deeg.
U bent immers als ongedesemd brood omdat ons pesachlam, Christus, is geslacht.
Laten we daarom het feest niet vieren met de oude desem van kwaad en ontucht, maar met het ongedesemde brood van reinheid en waarheid.

Met de oude zuurdesem bedoelt Paulus allereerst de invloed van het judaïsme en dus hier het teruggrijpen van de christenheid naar het oude verbond.
Naar Joodse voorschriften zoals besnijdenis, het vieren van allerlei sabbatten, het onderscheid maken tussen rein en onrein voedsel.

In het algemeen dus: het zich plaatsen onder de slavernij van de wet, wat een terugkeer betekent naar het geestelijke Egypte, naar het slaaf zijn van de zonde(macht), zodat men moet uitroepen:
Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? (Romeinen 7:24).
Paulus zegt van de predikers die deze oude zuurdesem in de gemeente brengen:
Schijnapostelen zijn het, die zich door oneerlijk te werk te gaan voordoen als apostelen van Christus (2 Korintiërs 11:13).
De NBG vertaalt:
Want zulke lieden zijn schijnapostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus.

Radicaal zijn geen wet, maar noodzaak

De andere verkeerde zuurdesem (zie 1 Korintiërs 5:8) is die van ‘slechtheid en boosheid’ (NBV: ‘kwaad en ontucht’), dus de doorwerking van het oude, zondige leven.
Daarom schrijft Paulus in verband met de droevige toestand in de gemeente van Korinte:
Weten jullie niet dat wie onrecht doet geen deel zal hebben aan het koninkrijk van God?
Vergis je niet
(1 Korintiërs 6:9 en 10 ged.).

We moeten een radicale breuk maken met het oude leven en dus ‘de oude mens totaal afleggen’.
Ook al houden we nog in minimaal opzicht vast aan het vorige leven (een beetje oude zuurdesem), dan zal dit op den duur toch onze hele innerlijke mens vuil (onrein) maken.

Paulus bepaalt de gelovigen dan bij twee waarheden van het nieuwe verbond: Jullie zijn immers als ongedesemd brood … (NBG: Gij zijt immers ongezuurd …) en hier oorzakelijk mee verbonden:
… omdat ons pesachlam, Christus, is geslacht (zie 1 Korintiërs 5:7).
Het laatste restant van de oude zuurdesem, namelijk de zondeschuld, is door Jezus Christus weggenomen.
Daarna begint er een nieuw tijdperk.
Na het eten van het Pascha neemt Jezus een brood en zegt: Neem, eet, dit is mijn lichaam (zie Matteüs 26:26).
Ook laat Hij onder zijn leerlingen de beker met wijn rondgaan en zegt:
Drink allen hieruit, dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden (zie de verzen 27 en 28).

Opvallend is dat in veel kerken en gemeenten men hier weer een uiterlijke ceremonie van heeft gemaakt, namelijk het ‘vieren van het avondmaal’, met een slokje wijn en een stukje brood.
Om het maar niet te hebben over de nog grotere dwaling van de rooms-katholieke leer van de ‘transsubstantiatie’.
Ze hebben niet begrepen dat Jezus spreekt over een geestelijk eten en drinken, namelijk het eenworden met Gods woord en geest.
Ze hebben evenmin begrepen dat ook deze uitspraak van Jezus een vergelijking is om een geestelijke zaak mee uit te beelden.

Door zijn lijden en sterven is onze schuld betaald en kunnen wij met een zuiver geweten de contacten met het oude (verbond) verbreken.
Het gordijn van de tempel scheurt en de weg naar het hemelse heiligdom wordt hierdoor voor ons (zinnebeeldig) geopend.
De gelovigen van het nieuwe verbond zijn ‘ongezuurd’, zij zijn dus rechtvaardigen die bevrijd zijn van hun zondeschuld en die gebroken hebben met het oude verbond en met hun oude zondige leven.
Met deze rechtvaardigen, met dit ongezuurde deeg, kan God zijn doel bereiken, namelijk het realiseren van de ‘volmaakte mens’.