Geestelijk denken

3. De vergelijking van het mosterdzaadje

Begin van de ontwikkeling van het evangelie

Hoe komt het koninkrijk van God met zijn sfeer van gerechtigheid, vrede en blijdschap in deze wereld?
Hoe ontwikkelt het zich in de mens en hoe ondergaat de hele schepping na verloop van tijd de invloed ervan?
Jezus zegt dat ‘iemand’ een mosterdzaadje neemt en dit in zijn tuin zaait.
Deze persoon is de hemelse Vader die zijn eniggeboren Zoon in de wereld brengt.

Zoals de wereldrijken in het oude verbond verpersoonlijkt worden in hun koningen, zo wordt het koninkrijk van God geïdentificeerd met zijn Koning, Jezus Christus.
God zendt geen machtige koning naar de aarde, die omgeven is door een legermacht van engelen ‘die bij ieder verzet vuur doen neerdalen op hun vijanden’.
God stuurt zijn Zoon in het uiterlijk van een eenvoudige knecht, waarvan Jesaja 53:2 zegt:
Onopvallend was zijn uiterlijk, Hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren.
Hij werd veracht, door mensen gemeden, Hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht.

Jezus is geen aardse priester of koning die met olie is gezalfd.
Zijn culturele en religieuze vorming is naar menselijke en godsdienstige maatstaven ver onder de maat.
Hij heeft nooit les gehad van grote geleerden als Gamaliël.
De kennis en de wijsheid die Hij bezit vindt geen enkele aansluiting bij de kerk van zijn tijd.
Daarom lijkt dit op ‘het dwaze en het zwakke’ van God (zie 1 Korintiërs 1:25).

Zijn optreden is heel onopvallend en zijn taal is die van het volk.
Heel andere taal dan de soms middeleeuws aandoende uitdrukkingen die ‘vrome’ mensen en veel theologen vandaag de dag nog gebruiken.
Wie gelooft er nou wat zo’n eenvoudig iemand, de zoon van een timmerman, te vertellen heeft?
Wie begrijpt wat hij zegt over de geestelijke wereld?
Wie neemt de moeite om daarover na te denken?
Het is dan ook gemakkelijk om hem weg te zetten als een misleider of een schijnprofeet.
En er is toch ook niemand van de kerkelijke leiders die in hem gelooft? (zie Johannes 7:48).

Jezus spreekt over een tempel van God in de geestelijke wereld en van een huis van de Vader met zijn vele verblijven (‘woningen’).
Dit zijn uitdrukkingen met een heel andere inhoud dan de godsdienstige leiders gewend zijn.
Want zij kunnen alleen denken aan een tempel, versierd met prachtige stenen en wijgeschenken (zie Lucas 21:5).
Een aardse tempel die vriend en vijand imponeert door zijn architectonische schoonheid en verhevenheid.

Neem eens een mosterdzaadje en leg het op je hand.
Hoe klein is het en hoe ontzettend weinig weegt het!
Jezus geeft geen ‘zwaarwegende’ lijst met voorschriften, wetten, wassingen, celibaat, onthoudingen, voedselwetten, sabbatten, tempeldienst, heilige plaatsen, gewijde ambtsdragers met pronkerige kleding, ernstige boetepreken, uitvoerige gebeden, kloosterleven en geen kerken of kathedralen, enzovoort.
Tegen de serieuze gelovigen die onder deze religieuze lasten gebukt gaan en die naar geestelijke rust verlangen, zegt Jezus:
Kom naar Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal Ik jullie rust geven.
Neem mijn juk op je en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.
Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht
(Matteüs 11:28-30).
Wat moet de mens dán doen om geestelijk verder te komen?
Hoe kunnen we dichtbij God komen zonder vasten en lange gebeden, zonder liturgieën en opgeheven handen in een aanbiddingsdienst?
Hoe eenvoudig is het evangelie van schuldvergeving zonder inspanning en offers, dat alleen maar uitgaat van het aanvaarden van wat het Lam van God voor ons gedaan heeft: de zonde(schuld) van alle mensen wegnemen.
Maar dat we zó (‘gemakkelijk’) rechtvaardig kunnen worden staat wel haaks op het ‘vrome’ religieuze denken dat uitgaat van een tegenprestatie van de (zondige) mens tegenover zijn God.

Ook zijn geestelijke toekomstverwachting spreekt een aardsgericht volk niet aan.
Wél willen ze bevrijd worden van hun (Romeinse) vijanden en gered van allen die hen haten (zie Lucas 1:71).
Maar dit betrekken ze alleen op hun aardse leven en niet op hun overwinning op hun geestelijke vijanden en onderdrukkers.
Daarom ergert de religieuze mens zich mateloos aan Hem en zijn evangelie van de geestelijke wereld.
Zo struikelen ze over en stoten ze zich aan ‘de steen en het rotsblok in Sion’, met andere woorden: men wijst de Christus af, de mens zoals God die vanaf het begin bedoelt.

Hoe dwaas lijkt bovendien het evangelie van Jezus Christus vergeleken met de filosofische wijsheden van de grote wereldleraars!
Hij onderwijst geen yogaoefeningen, predikt geen zelfverlossing en geen concentratie van het gedachtenleven om op een hoger niveau te komen.
Hij richt zich niet tot een geestelijke elite, tot een kleine ontwikkelde bovenlaag in het maatschappelijke en religieuze leven.
Maar Hij heeft een evangelie voor de ‘massa’, de gewone man en vrouw die te maken hebben met hun strijd en moeilijkheden van alledag.
Zij kunnen op een hoger geestelijk niveau komen zonder enige natuurlijke inspanning, maar wel door een onvoorwaardelijk en rotsvast geloof in zijn woorden.

Zo nietig en onopvallend is het begin van het rijk van God op aarde.
En toch zal het eens alle andere ‘rijken’ in macht en heerlijkheid overtreffen.
Eerst klinkt de stem van de ‘roepende in de woestijn’, van Johannes de Doper, de voorloper van Jezus.
Daarna komt Jezus van Nazaret zelf, opgegroeid in het gezin van een timmerman.
Hij verzamelt een twaalftal leerlingen, meest eenvoudige vissers, om zich heen.
Hij wordt later gekruisigd en door iedereen veracht en verlaten.
Daarna gaat het verder met een kleine groep mensen, ergens in een bovenzaal.
Welke garantie is er dat dit opkomende mosterdzaadje in de hele zichtbare wereld zo zal groeien dat ‘onder zijn schaduw genezing zal zijn voor alle volken’?