Geestelijk denken

3. De vergelijking van het mosterdzaadje

Betekenis van bomen in de profetie

De grondgedachte van deze vergelijking is:
Wat bij het zaaien het kleinste onder de tuinkruiden is, wordt het grootste van alles en lijkt veel op een boom zonder een echte boom te zijn.
Deze ‘boom’ is hier de uitbeelding van het koninkrijk van God in zijn voltooide vorm.

In het oude testament worden grote wereldrijken vaak door kolossale bomen uitgebeeld.
In Daniël 4:10-12 en 20 en 21 wordt het Babylonische rijk in de persoon van Nebukadnezar vergeleken met een enorme woudreus die zijn invloed laat gelden over de hele wereld (zie de verzen 17 en 19).
Zijn bladerdek is prachtig, zijn vruchten zijn overvloedig, zodat allen ervan kunnen eten.
De wilde dieren zoeken schaduw onder zijn takken, waarin de vogels hun nesten bouwen.
Zo vergelijkt Ezechiël de koning van Assyrië en de koning van Egypte als vertegenwoordigers van hun rijken, met een ceder.
Maar de profeet voorzegt de ondergang van Assyrië dat een typisch beeld is van het rijk van de antichrist.

In de hof van Eden, beeld van de koninkrijken van de aarde, nemen deze machtige ceders een opvallende plaats in.
Omdat ze er zo goed, gezond en weelderig uitzien, zijn de andere bomen van Eden die in Gods tuin staan er, zinnebeeldig gesproken, jaloers op (zie Ezechiël 31:9).
Maar elke (geestelijke) wereldmacht gaat voorbij, want door hun hoogmoed vallen ze om en worden ze als prooi van de dood in het dodenrijk geworpen.

Om in het beeld te blijven: de machtige ceders uit de hof van Eden worden alle geveld.
Maar uit de ‘stronk van Isaï’ zal een loot groeien die zich zal ontwikkelen tot het koninkrijk van de Messias, Jezus Christus (zie Jesaja 10:34 en 11:1).
Op die dag zal de telg van Isaï als een vaandel voor alle volken staan.
Dan zullen de volken Hem zoeken en zijn woonplaats zal schitterend zijn
(Jesaja 11:10, zie vanaf 10:33).
In deze laatste dagen of de dag van de Heer gaat het oordeel, de scheiding tussen goed en kwaad, als een orkaan door de geestelijke wereld, die de machtige bomen van het bos velt.

Wanneer het volk Israël gelijk wil zijn aan alle andere volken, met de groten der aarde omgaat en zich met hen verbindt, wordt ook deze boom geveld.
Maar de ware kerk, de gemeente van Jezus Christus, het geestelijke Israël, heeft de belofte dat God een dun takje van de bovenste takken van die ceder af zal breken en in de grond zetten.
Dit zegt God, de Heer:
Ikzelf zal uit de top van de hoge ceder, tussen de bovenste takken, een teer twijgje wegplukken en dat zal Ik planten op een hoge en verheven berg.
Op de hoogste berg van Israël zal Ik het planten, het zal takken dragen en vruchten voortbrengen en een prachtige ceder worden.
In die boom, in de schaduw van zijn takken, zullen vogels wonen, alle soorten vogels die er zijn
(Ezechiël 17:22 en 23).

Deze laatste boom stelt dus hetzelfde voor als het eeuwige koninkrijk van God, waarover in de vergelijking van het mosterdzaadje gesproken wordt.
Het is hetzelfde koninkrijk waarvan door de oudtestamentische profeten gezegd wordt dat het geplant is op een hoge en verheven berg, de berg Sion, beeld van Gods heilige geest (vergelijk hiermee ook Daniël 2:44).
Ook in het oude testament wordt dus op dezelfde manier over het planten en groeien van het koninkrijk van God gesproken als Jezus doet in de vergelijking van het mosterdzaadje.