Geestelijk denken

2. De vergelijking van het onkruid in de akker

Het onkruid wél herkenbaar

Het meest opvallende wat religieuze demonen doen is ervoor zorgen dat de gelovigen te weinig of geen kennis hebben van de geestelijke wereld.
Doordat demonen (meestal via mensen) de sleutels van het koninkrijk van de hemel bij hen wegnemen, worden christenen aardsgericht.
Dat wil zeggen dat ze geen rekening (meer) houden met wat zich in de geestelijke wereld afspeelt.
Dat ze daar geen strijd voeren tegen satan en zijn demonen en dus ook niet (kunnen) overwinnen op het kwaad.
Dat ze daar niet de inspiratie van Gods geest ervaren in kracht, liefde en wijsheid.
Dat ze daarom niet (kunnen) geloven in het plan van God, dat erop gericht is dat ze zichtbaar of openbaar worden als zonen van God.

Objectieve maatstaf

Jezus zegt tegen Petrus en via hem tegen zijn leerlingen dat Hij hen de sleutels zal geven van het koninkrijk van de hemel (zie Matteüs 16:19).
Als we een dwaling willen herkennen, zullen we een objectieve maatstaf moeten hebben.
Als dit niet zo is, hebben we geen enkele zekerheid en zijn we overgeleverd aan het sentiment, aan vastgeroeste ideeën of aan een natuurlijke manier van denken.
Dan zullen wij de ‘volledige’ waarheid nooit kunnen bezitten, omdat het ‘ja’ van de een even veel waarde heeft als het ‘nee’ van de ander.

Misschien overbodig om te zeggen, maar het onkruid dat door satan tussen de goede tarwe gezaaid wordt en eerst bijna niet te herkennen is, is geen beeld van de zonden of ziekten die onder hen die in God geloven, voorkomen.
Want deze zijn gemakkelijk herkenbaar doordat zij wetteloze zaken in de zichtbare wereld zijn.
Maar de dwaling groeit in de onzichtbare wereld en daarom zullen wij de sleutels van het koninkrijk van de hemel moeten gebruiken om haar te kunnen ontmaskeren.

Elke ‘christelijke’ religie die zich niet met de geestelijke wereld van het koninkrijk van God bezighoudt, is een dwaling.
Johannes, de apostel van de liefde zegt:
Geliefde broers en zussen, vertrouw niet elke geest.
Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen
(1 Johannes 4:1).

In of door deze valse of schijnprofeten zijn de demonen van leugen werkzaam.
We kunnen ze alleen ontmaskeren met de kennis die we hebben van de onzichtbare wereld.
Door het regelmatig en intensief gebruiken van deze sleutels van het koninkrijk van de hemel kunnen we daar schatten, geestelijke rijkdommen, verzamelen.
Als (de leden van) een kerk of gemeente geen kennis hebben van de geestelijke wereld, van de wetmatigheden die daar gelden en van het plan van God, gaan zij te gronde (zie Hosea 4:6).

Jezus beschuldigt de theologen in zijn tijd dat zij de sleutels van het koninkrijk van de hemel, die van de kennis ervan, weggenomen hebben (zie Lucas 11:52).
De kerkelijke leiders sluiten het koninkrijk van God voor de mensen toe.
Ze geven wel Bijbelstudies en houden wel preken, maar ze houden het volk geestelijk dom.
Ook zelf verdiepen zij zich niet in dit geestelijke koninkrijk en anderen die dit wél willen, houden ze tegen (zie Lucas 11:52).
Hun religie is op het zichtbare gericht.
Ze houden zich vooral bezig met uiterlijke zaken, zoals voedsel, sabbat, wetten en regels, ceremonies, plechtigheden, dragen van toga’s en andere kerkelijke kleding, gebedsriemen en kwasten en het uitspreken van lange gebeden.
Jezus veroordeelt deze uiterlijke religie en vergelijkt de ‘geestelijke’ leiders van zijn tijd met witgepleisterde graven.
Deze lijken aan de buitenkant wel mooi, maar van binnen (beeld van de onzichtbare innerlijke mens) zijn ze vol doodsbeenderen en onreinheid. (zie Matteüs 23:27 en 28).

Herkennen van dwalingen

Zo zijn de dwalingen ook in onze tijd altijd aardsgericht.
Daarom zijn ze ook zo gemakkelijk te herkennen.
Want een dwaling is elke visie die niet als doel heeft de volmaakte mens die hetzelfde geestelijke niveau bereikt als van Jezus Christus.
Een dwaling blokkeert op allerlei manieren de weg naar dit Goddelijke doel.
De hoer (Babylon, schijngemeente) zit niet aan de rivier van het levende water die zijn oorsprong vindt in de troon van God in de geestelijke wereld.
Nee, zij wordt gevoed door veel stromingen van verschillende oorsprong.
De Bijbel noemt dit een luisteren naar misleidende geesten en leerstellingen van demonen (zie 1 Timoteüs 4:1, grondtekst).
Zie verder ook de toelichting bij Openbaring 17:1-2.

Er zijn mensen die zeggen dat de mensheid binnenkort ten onder gaat in een aards Harmagedon.
Dat de mens niet hoeft te strijden tegen de demonen in de geestelijke wereld, maar dat hij een zichtbare strijd heeft.
Ook vinden zij het streven naar de gaven van Gods geest niet meer nodig en hebben zij een strakke organisatie opgebouwd, waarbuiten de mensen geen heil van God hoeven te verwachten en dit ook niet mogen.

Er zijn mensen die het accent leggen op het vieren van de oudtestamentische sabbat, hoewel deze een voorafbeelding is van de eeuwige geestelijke rust die God ons geven wil.
Er zijn mensen die een godheid zoeken in beelden van zogenaamde heiligen en die deze vereren en aanbidden; dit vinden we zowel in heidense religies als in die zich ‘christelijk’ noemen.
Er zijn mensen die geloven in de theorie van de zogenaamde zieleslaap.
Ze geloven dat de ziel van de mens na zijn sterven er niet meer is, dus dood is.
Ze zeggen dat sterven ophouden is met leven in elke vorm en zo komt de mens na zijn sterven dus los van Christus.

Waar men de sleutels van het koninkrijk van de hemel niet meer hanteert, richt men zich in religieus opzicht op zichtbare zaken.
Te denken valt aan: het bouwen van kathedralen, gewijde altaren, beelden, een aards priesterschap, allerlei kunstuitingen, riten en wijdingen, zang, muziek en wierook.
Dit zijn allemaal dingen die de natuurlijke religieuze zintuigen strelen, maar die voor het leven met God geen enkele waarde hebben, maar die juist heel schadelijk zijn.

Verder kunnen we nog denken aan:
ambtsgewaden, liturgieën, horizontale preken, kinderdoop, leer van de erfzonde, drie-eenheid en dwepen met een natuurlijk volk Israël.
Meer hierover kunt u lezen in de toelichting op Openbaring 17:9-10a ‘De basis van de schijngemeente (valse kerk)’.

Maar God zegt in zijn woord (Kolossenzen 3:1 en 2):
Als jullie nu met Christus uit de dood zijn opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God.
Richt jullie op wat boven is, niet op wat op aarde is.

Abel, Henoch en Abraham hebben nog enige kennis van de geestelijke wereld, want zij houden zich bezig met de dingen die ‘boven’ zijn.
Daarom is dit ook in de Bijbel opgeschreven als voorbeeld voor de richting van ons geloof (zie Hebreeën 11:2).
Zij zoeken een hemels vaderland (zie Hebreeën 11:16) en verwachten een nieuwe stad, het geestelijke Jeruzalem, door God zelf ontworpen (zie Hebreeën 11:10).

Gouden stad of eeuwige jachtvelden?

Zelfs bij hun voorstelling van de hemel gebruiken veel christenen aardse begrippen.
De beeldspraak uit het boek Openbaring zien zij niet in zijn geestelijke dimensie.
Zij geloven in gouden straten met gouden huizen, waarin zij eens met hun aardse (gelovige) familieleden zullen wonen.
Zij spelen daar op een gouden harp of blazen op een gouden fluit, al missen ze hier iedere muzikaliteit.
Ze begrijpen niet dat het woordje ‘goud’ alleen maar geestelijke zuiverheid en reinheid uitdrukt.

Als wij de inrichting van de hemelse stad op deze manier letterlijk moeten nemen, geven we als natuurliefhebber toch maar de voorkeur aan de eeuwige jachtvelden waar de Indianen of de Batavieren van dromen.
Het wonen in een concreet gouden stad lijkt ons een verschrikking.
Maar als geestelijke mensen zoeken wij net als Abraham een geestelijke stad, waarin de geestelijke tempel van God staat.

Maar er zijn ook dwalingen die de mens in de onzichtbare wereld brengen.
We denken onder andere aan spiritisme, yoga, mindfulness, meditatie, astrologie, waarzeggerij, magnetisme en allerlei andere vormen van misleiding door andere religies, met name de oosterse.
Door hiermee bezig te zijn komt de mens wel in de geestelijke wereld, maar aan de verkeerde kant, waar Christus niet heerst, maar zijn tegenstander satan.
Zo werkt hij met de krachten uit het rijk van de duisternis, hoe mooi en beschaafd zij zich ook mogen voordoen.
De wolven in schaapskleren.

Johannes zegt:
Wij komen uit God voort.
Wie God kent luistert naar ons.
Wie niet uit God voortkomt luistert niet naar ons.

Dit is geen hoogmoed van hem, maar deze uitspraak berust op het principe van het kennen van het koninkrijk van de hemel en het hanteren van de sleutels ervan.
Daarom kan hij vervolgen:
Hieraan kunnen we de geest van de waarheid en de geest van de dwaling herkennen (1 Johannes 4:6).

Grootste van alle dwalingen

De grootste van alle dwalingen is het ontkennen van het plan God met de mens, dat zijn totale herstel en het toegroeien naar de volmaaktheid inhoudt.
Door dit niet te geloven wordt de christen losgemaakt van de gedachte dat het evangelie gegeven is om hem te maken tot een koning en priester die zo mag meeregeren over het werk van Gods hand.
De geest, ook en vooral van deze dwaling is die van de antichrist, die de geest van de mens verleugent (zie 1 Johannes 4:3 en 6).
Deze geest erkent de Vader en de Zoon niet (zie 1 Johannes 2:22).
Dit betekent niet dat hij het bestaan van de Vader of van de Zoon ontkent, want Jacobus zegt dat ook de demonen geloven dat er een God is (zie Jakobus 2:19).
Maar de antichrist (en zijn volgelingen) verzetten zich tegen het plan van God dat Hij laat uitvoeren door de Zoon.
Dit plan houdt in dat de mens met God op zijn troon mag zitten en met Hem mag regeren over alles wat Hij gemaakt heeft.

De mens is de afbeelding van God, maar satan haat dit beeld.
Daarom inspireert hij de christen dat hij ‘het eigen ik doden moet’.
Want als dit gebeurt, heeft het rijk van de duisternis vrij spel doordat zo ieder verzet gebroken wordt.
Dan misleiden de demonen de zoekende mens verder door te zeggen dat ook zijn ‘wil gebroken’ moet worden.
Zo wordt de mens, die hiernaar luistert, een speelbal van de demonen en gaat hij hun wil uitvoeren.
Waar zo’n mens dan uiteindelijk uitkomt is erger dan zijn begin.
Want hij moet dan toegeven: Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet (zie Romeinen 7:18).
Maar de gelovige mens moet zijn wil koppelen aan de wil van God en zich dus met zijn hele innerlijk richten op het goede.
God wil door zijn geest in harmonie met de menselijke geest samenwerken (zie Johannes 16:13-15) om dit te realiseren.

Let in dit verband eens op de vernederingen in veel groepen waar de religieuze dwaalgeesten door kledingvoorschriften en manier van leven van het beeld van God een karikatuur maken.
Dan komt het discriminerende voorschrift van het hoofddoekje voor vrouwen, ook in kerkelijke kringen.
Zo moeten ‘devote zielen’ in een pij lopen of op blote voeten, zodat ze een curiositeit worden of een museumstuk.
Er is dan niets meer te vinden dat aan ongedwongenheid of vorstelijkheid herinnert, of dat erop wijst dat de gelovige op weg is naar het doel van God.

Ook denken sommige christenen dat het nodig is om zich los te maken van het natuurlijke leven dat God de mens gegeven heeft.
Zo menen zij dat het kloosterleven het geestelijke voordeel biedt dat ze God met deze manier van leven beter kunnen behagen.
Maar nergens in de hele Bijbel vinden we voorbeelden van dit zogenaamd ‘godvruchtige’ monnikenleven.
Weer andere mensen gaan in communes leven en men weigert daarmee zijn plaats in het normale leven in te nemen.

In Kolossenzen 2:23 wordt dit glashelder aan de kaak gesteld:
Dat moet allemaal voor wijsheid doorgaan, maar het is zelfbedachte godsdienst, zelfvernedering en verachting van het lichaam; het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging.

Een klein plaatsje in de hemel

Door dit afstand nemen van het normale natuurlijke leven komt de mens niet in het koninkrijk van de hemel.
Zijn strijd blijft op aarde en ook nog eens tegen eigen vlees en bloed!
De zelfvernedering van sommigen gaat zover dat zij in de hemel wel een ‘deurmatje’ willen zijn, maar ze beseffen niet dat dit rechtstreeks ingaat tegen de hoge bedoeling van God met de mens.
Want Hij heeft ons ervoor bestemd om koningen en priesters te zijn, een uitverkoren en verheven generatie gelovigen (zie 1 Petrus 2:9)!

God baant hierom voor de mens de weg vanuit de duisternis naar het licht, vanuit de macht van satan naar Gods troon.
Hij heeft ons denken zo vernieuwd dat wij weten in geestelijk opzicht eerstgeborenen te zijn van de hele schepping.
Deze voorrechten brengen ‘verplichtingen’ met zich mee.
Dus mogen wij ons geestelijke koningschap niet verwerpen door te zeggen: "Als ik maar een laag plaatsje in de hemel bereiken mag."
Zij die zich hiermee tevreden stellen, zijn als Esau die zijn eerstgeboorterecht veracht.
Het streven naar het koningschap houdt in dat men door de kracht van Gods geest overwinnaar wordt op zijn vijanden, de demonen in de geestelijke wereld.

Wat vindt u van de uitspraak dat de christen zondaar blijft tot zijn dood aan toe?
Moeten we hier dan zeggen: Zoals u gelooft, zo zal het ook gebeuren (zie Matteüs 9:29)?
Is het tot eer van God dat Hij een mens maakt die een slechte natuur heeft?
Net zoiets toch als een fabrikant die een prachtige auto maakt, maar met een slechte motor?!
Of is het een leugen van satan om de mens aan de ongerechtigheid vastgeklonken te houden?
De dwaling dat de mens totaal verdorven is, speelt de duivel in de kaart, omdat de mens hierdoor op zijn niveau geplaatst wordt.
De mens is dan niet meer bezet gebied dat van de macht van satan bevrijd moet worden, maar hij is dan zelf identiek aan het rijk van de duisternis.
Voor een toelichting op het voorgaande zie de studie Erfzonde.

We kunnen ons afvragen of de mens dan toch niet klein en nederig moet zijn?
Moet hij zichzelf dan niet volledig wegcijferen bij het volgen van Jezus?
Hij zegt in dit verband toch: Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen (zie Matteüs 16:24)?
Wat bedoelt Hij hier dan mee?
Jezus heeft het hier over hen die een sterk verlangen hebben Hem te volgen.
Dit volgen kan alleen in de geestelijke wereld, want Jezus is niet meer op aarde.
We kunnen alleen achter Jezus aan over de nieuwe en levende weg waarvan sprake is in Matteüs 7:14, 1 Korintiërs 12:31 en Hebreeën 10:20.
De weg in de geestelijke wereld, de weg die leidt naar het doel van God met de mens, de volmaaktheid naar geest, ziel en lichaam.
Dit is: de gelijkvormigheid aan Jezus Christus.

Als een koning leven

Het is dan zo dat wie deel wil hebben aan dit Goddelijke plan waarvoor Hij alle mensen roept, zich in de zichtbare wereld dienend zal opstellen.
Hij zal in het natuurlijke niet boven anderen willen staan, de eerste willen zijn, uit zijn op eer van mensen.
Want dit kan tot hoogmoed leiden en deze komt altijd voor de val.
Hij zal de gezindheid moeten, meer nog: van harte willen hebben om anderen te helpen en te dienen.
Wie de moeilijke kinderen van een zieke buurvrouw liefdevol in huis opneemt, doet dit niet uit eigenbelang.
Wie babysit is bij een jong echtpaar dat graag naar een samenkomst wil, zoekt niet zijn eigen voordeel.
Wie gehecht is aan of streeft naar eigen genot, eigen gemak, eigen eer, eigen belang, is niet geschikt om Jezus te volgen die zelfs zijn eigen leven voor ons heeft gegeven!
Wie in het natuurlijke leven kan afzien, wordt in de geestelijke wereld niet gehandicapt door aardsgezindheid of door de zorgen van het leven.

Maar in de strijd tegen satan op zijn eigen terrein zal de gelovige als een koning zijn van Jezus afgeleide autoriteit laten gelden.
De echte christen is in de zichtbare wereld toegevend en gemakkelijk naar anderen toe, maar in de onzichtbare wereld sluit hij geen enkel compromis, maar neemt hij zijn plaats als machthebber in.

Dwalingen leiden de christen van zijn vaste basis in de geestelijke wereld af en brengen hem in het grote Babylon.
Dit is de stad van de verwarring, de grote hoer die aan talrijke waterstromen zit of aan vele religieuze stromingen.
Maar de zuivere en heilzame (herstel brengende) leer (zie 2 Timoteüs 4:3) van de waarheid brengt hem over de hoge weg naar het doel, de gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus Christus.