Geestelijk denken

2. De vergelijking van het onkruid in de akker

Toename van licht en duisternis in de laatste tijd

Niet alleen de tarwe wordt volledig rijp, maar ook het onkruid.
Tegenover de waarheid staat de dwaling.
Ook deze ontwikkelt zich in alle mensen die in haar geloven, naar een eindstadium.
Veel mensen spreken tegenwoordig over ‘de tekenen van de tijden’.
En dan bedoelen ze meestal zaken uit de zichtbare wereld.
Ze wijzen op natuurrampen als aardbevingen, pandemieën, overstromingen, orkanen en de sterke opwarming van de aarde.
Lucas 21:25 en 26:
Dan zullen er tekenen zijn aan de zon en de maan en de sterren en op aarde zullen de volken sidderen van angst voor het gebulder en het geweld van de zee;
de mensen worden onmachtig van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemelse machten zullen wankelen.

Wij weten dat dit beelden zijn van geestelijke ontwikkelingen, hoewel het wel verleidelijk kan zijn om dit te betrekken op de problemen die we nu wereldwijd met het milieu en andere zaken ervaren.

Wanneer is het ‘nabij’?

Maar we moeten ons niet op een oudtestamentische manier bezighouden met de zichtbare, hoorbare en tastbare dingen en niet verwachten daarin steeds meer superlatieven te beleven.
Of dat we integendeel bang zijn voor de ondergang van ons aardse bestaan.
Omdat we nooit zullen weten wat de grootste aardbeving, de ergste ramp en de zwaarste orkaan is, weten we nooit zeker dat het ‘nabij of voor de deur is’.
Het nieuwe testament houdt zich alleen bezig met de onzichtbare wereld, het koninkrijk van de hemel, de geestelijke dimensie.

Jezus zegt dat dit overeenkomt met iemand die goed zaad op zijn land zaait, waar satan onkruid tussendoor strooit.
De tekenen van de laatste tijd vinden dus hun oorsprong in de geestelijke wereld.
Het ‘wankelen van de hemelse machten en het gebulder van de zee’ zijn daarom tekenen in de onzichtbare wereld (zie voor nadere uitleg: ‘De Olijfbergrede’, Matteüs 24 en 25 op de site Rhemaprint).

Openbaring 12 noemt als teken in de onzichtbare wereld ‘de vrouw’, de gemeente.
Daarnaast ziet Johannes in diezelfde geestelijke wereld het teken van de draak, de duivel.
De laatste brengt door middel van de geest van de antichrist het onkruid tot volledige rijpheid.

In zijn brieven aan de Tessalonicenzen behandelt de apostel Paulus dit dubbele rijpingsproces.
Hierboven staan al teksten die aantonen dat de gemeente de volmaaktheid bereikt of zoals hij in Efeziërs 5:27 schrijft, dat de Heer zijn gemeente voor zich plaatst, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, heilig en zuiver.
Is het niet ons grote verlangen daar deel van uit te maken?
Op die dag, als het ‘licht’ is, wordt Hij gezien in al zijn heiligen (zie 2 Tessalonicenzen 1:10), maar tijdens deze dag van de Heer is er ook een toenemende afval van het geloof.
Dit wil zeggen dat veel mensen het woord van de waarheid (Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn – zie Genesis 1:26) loslaten en kiezen voor een leven van genot in plaats van liefde voor God en zijn plan.

Paulus noemt in 2 Tessalonicenzen 2:9 de parousie, de aanwezigheid of komst van de wetteloze mens.
De afvallige kerk die uitmondt in de gemeente van de antichrist, brengt alleen maar dwalingen waardoor haar leden uitsluitend nog (kunnen) geloven in de leugen.
Zij kunnen nog wel gered worden als ze de liefde voor de waarheid maar accepteren (zie Tessalonicenzen 2:10).
Maar dat doen velen niet omdat ze bewust kiezen voor het onrecht, met andere woorden: ook zij hebben aards genot toch liever dan God.
Zij die ‘onkruid’ als vrucht hebben, zijn de zonen of nakomelingen van satan, zegt Jezus in de vergelijking (zie Matteüs 13:38).

Let erop dat Paulus het in 2 Tessalonicenzen 2 niet heeft over tekenen in de natuurlijke wereld.
Hij brengt ‘de komst van de Heer en onze vereniging met Hem’ niet in verband met het natuurlijke Israël of met welk ander land dan ook en ook niet met natuur- en andere rampen die nog aan de dag van de Heer vooraf moeten gaan.
Jezus zelf zegt dat de laatste tijd lijkt op de dagen waarin Noach leeft.
Het leven dat bestaat uit eten, drinken en trouwen gaat dan gewoon door.
Ook oorlogen, hongersnoden en rampen zijn er altijd geweest en zullen tot het einde blijven.
Daarom zijn de spotters blind voor de geestelijke ontwikkelingen waar wij mee te maken hebben.
Terecht zeggen ze dat er in natuurlijk opzicht niets verandert en ze vragen dan ook spottend:
Waar blijft Hij nu?
Hij had toch beloofd te komen?
De generatie voor ons is al gestorven, maar alles is nog steeds zoals het sinds het begin van de schepping geweest is
(2 Petrus 3:4).

Zwart en wit steeds duidelijker

Wat ze dus niet inzien is dat de laatste tijd de climax vormt van de geestelijke ontwikkelingen die met name in het boek Openbaring aan de orde komen.
Daarin komen goed en kwaad als wit en zwart steeds duidelijker tegenover elkaar te staan.
Deze tijd vormt ook de afsluiting van een gigantische geestelijke worsteling, waaruit de zonen van God als overwinnaars tevoorschijn komen.
Deze strijd vindt zijn hoogtepunt in de slag van Harmagedon, dus in de geestelijke wereld.

In de oogsttijd regeren in de afgevallen kerk of schijngemeente de dwaling en de leugen.
Langs deze weg nestelen de wetteloze demonen zich in de ‘tempel van God’, de mens in wie God wil wonen door zijn geest.
Er komt daardoor in de kerk een nieuwe ‘moraal’ van occultisme, verslaving en onreinheid.
Het groene gras, de nog ‘jonge’ gelovigen, verbrandt, wat wil zeggen dat zij een prooi worden van de demonen die heersen op de hier genoemde terreinen.

Uit het voorgaande kunnen we concluderen dat de oogsttijd, de dag van de Heer en de komst van de Heer (parousie) alle hetzelfde tijdperk aangeven, waarin zowel graan als onkruid rijp worden.
Deze dag van de Heer is de tijd van de polarisatie in de kerk.
De echte zonen van God trekken uit dit Babylon (verwarring) en zij die gebonden zijn door de geest van de dwaling, die van de antichrist, vormen dan samen de gemeente van de antichrist.

Wanneer deze scheiding van de geesten volledig is en zo de tegenstellingen glashelder aanwijsbaar zijn, zal de hemelse Landman het sein geven de sikkel in het onkruid en in de tarwe te slaan, omdat dan de oogst van de aarde rijp geworden is.