Geestelijk denken

7. De vergelijking van het sleepnet

Het beeld van het sleepnet

Het is met het koninkrijk van de hemel ook als met een sleepnet dat in een meer werd geworpen en waarmee allerlei soorten vis werden gevangen.
Toen het net vol was, trok men het op de oever en ging men zitten om de goede vis in kuipen te doen; de slechte vis werd weggegooid.
Zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: de engelen zullen erop uittrekken en de kwaadwilligen van de rechtvaardigen scheiden,
en ze zullen hen in de vuuroven werpen, waar ze zullen jammeren en knarsetanden.
Hebben jullie dit alles begrepen? ‘Ja,’ antwoordden ze
(Matteüs 13:47-51).

Bij de zevende vergelijking die betrekking heeft op het koninkrijk van de hemel sluit Jezus heel nauw aan bij de kennis van zijn leerlingen.
Want sommigen van hen zijn vissers geweest en ze worden door deze vergelijking aan hun vorige bestaan herinnerd.
Petrus, Andreas, Jakobus en Johannes worden tijdens het uitoefenen van hun beroep bij het meer van Galilea door Jezus geroepen om Hem te volgen en ‘vissers van mensen’ te worden.

Vis is altijd een goedkoop volksvoedsel geweest, tenminste waar ze gemakkelijk gevangen kan worden.
In Palestina vist men in de Jordaan en ook de zee van Tiberias of het meer van Galilea is een goed viswater.
Dit meer is iets groter dan vroeger de Haarlemmermeer en zeer diep.
Zelfs in droge tijden, wanneer het peil van de Jordaan laag is, kunnen de vissen laag zwemmend een veilige schuilplaats vinden.
Zeker kent men vroeger ook het inzouten van vis.
Zelfs een van de poorten van Jeruzalem heet de Vispoort, waarschijnlijk omdat daar vlakbij een vismarkt gehouden wordt.
Uit Nehemia 13:16 blijkt dat ook Syrische handelaars hun vis op de markt in Jeruzalem verkopen.

De twee manieren waarop vis gevangen wordt en die we al op oude Egyptische afbeeldingen kunnen zien, zijn die met een hengel of met een net.
Bij het woord ‘hengel’ kunnen we denken aan Petrus die deze gebruikt om een vis te vangen die een zilverstuk in zijn bek blijkt te hebben voor de tempelbelasting (zie Matteüs 17:27).

In het nieuwe testament komen drie woorden voor netten voor:
Eerst het algemene woord voor net, dan het werpnet en tenslotte het treknet.
Als Jezus op zeker moment langs het meer loopt, ziet Hij Petrus en Andreas een werpnet in het water gooien.
Als Hij hen daar uitkiest om vissers van mensen te worden, laten ze direct hun netten (algemeen woord voor vistuig) liggen en volgen zij Hem (zie Matteüs 4:18-22).

Maar in deze vergelijking gaat het over de ‘sagènè’, waaruit ons woord voor een groot visnet, namelijk ‘zegen’ is ontstaan.
Hiermee kan men een grote oppervlakte water afvissen.
Als dit net uitgezet wordt, zinkt de onderste rand met stenen of kogels verzwaard naar de bodem, terwijl het boveneind door kurken boven of net onder de oppervlakte blijft drijven.
Zo wordt het net door twee vissersboten over het meer van Tiberias gesleept.

Op dit meer wordt vaak ‘s nachts gevist omdat het water diep is, het net de bodem niet bereikt en de vissen dichter bij de oppervlakte zwemmen.
Het breed uitgespannen net jaagt alles voor zich uit en terwijl de beide kanten voortgesleept worden, krijgt het net meer de vorm van een zak waarin de vis zich verzamelt.

Met dit net vangt men over een grote oppervlakte allerlei soorten vissen, goede en slechte of onreine.
Onreine vissen hebben geen schubben of vinnen en deze mogen volgens de wet niet gegeten worden (zie Leviticus 11:9-12).

Het net wordt niet in het schip getrokken, maar langs de glooiende zeebodem op het land gesleept.
Dit kunnen de vissers zelf doen, zoals we bijvoorbeeld kunnen lezen bij de verschijning van Jezus aan het meer van Tiberias, maar ook met de hulp van andere vissers.
Dit staat niet zo in deze vergelijking, maar het woordje ‘men’ kan betekenen dat de vissers dit samen met anderen doen.

Men trekt het net op de oever en gaat dan rustig op het strand zitten, omdat er toch niets meer van de vangst verloren kan gaan.
De goede vis wordt verzameld in vaten, kuipen, tonnen of manden maar de onbruikbare wordt weggegooid.

We kunnen ons voorstellen hoe Joodse vissers uit Galilea bij het uitzoeken van hun rijke vangst met een zekere walging alles weggooien wat geen schubben of vinnen heeft en wat dus volgens de wet van Mozes onrein is.
Maar het hebben van zo’n afkeer van deze dieren, die van generatie op generatie is doorgegeven, komt ons nogal vreemd voor.
Maar bij het vlees van honden en katten hebben wij wel hetzelfde gevoel, hoewel deze afschuw niet eens gebaseerd is op een religieuze overtuiging.

Men gooit het onreine weg op het strand, waar de roofvogels erop azen, zoals in Ezechiël 32:3 en 4 staat in een vergelijking over de farao van Egypte:
Dit zegt God, de Heer: Ik zal mijn vangnet over je uitspreiden; vele volken zullen samenstromen en je ophalen in mijn sleepnet.
Daarna gooi Ik je neer op de grond, Ik laat je achter in het open veld; alle vogels van de hemel strijken op je neer en de wilde dieren van heel de aarde doen zich aan je tegoed.

De farao is hier het beeld van satan in zijn ondergang.