Openbaring

Openbaring 10:2-4
Het geheim van de volkomenheid

Hij hield een kleine boekrol geopend in zijn hand.
Hij zette zijn rechtervoet op de zee en zijn linkervoet op het land.
Hij riep met een luide stem, zoals een leeuw brult, en daarna lieten de zeven donderslagen hun stem horen.
Ik wilde opschrijven wat ze gezegd hadden, maar een stem uit de hemel zei tegen mij: ‘Wat de zeven donderslagen gezegd hebben, moet je geheimhouden.
Schrijf het niet op.’

En hij had in de hand van hem (een) boekje geopend; en hij zette de voet van hem de rechter op de zee, de nu linker op de aarde.
En hij riep met (een) stem luide zoals (een) leeuw brult; en toen hij riep, spraken de zeven donderslagen de voeten van hen stemmen.
En toen spraken de zeven donderslagen de stemmen van hen wilde ik (het) opschrijven; en ik hoorde (een) stem uit de hemel, zeggende tot mij: verzegel welke (dingen) zij spraken de zeven donderslagen en niet deze (dingen) schrijf op.

De engel heeft een geopend boekje, een kleine boekrol, in zijn hand.
Bij de grote boekrol uit Openbaring 5:2 roept deze engel:
Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?
Het boekje uit dit hoofdstuk is een onderdeel van de rol in Openbaring 5 en het is dus geopend.
Hierin staat het woord van God dat de voltooiing van de gemeente beschrijft.
Deze staat op het punt de volmaaktheid te bereiken.
Ze is dan ook niet ver meer van de eindfase die beschreven wordt in 1 Tessalonicenzen 4:16:
Wanneer het signaal (of: bevel) gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen.

Jezus daalt neer, dat wil zeggen: God bereikt zijn doel in de gelovigen en zij worden op aarde zichtbaar als zonen van God, gelijkvormig aan Jezus Christus.
Ze hebben hetzelfde geestelijke niveau bereikt als Jezus Christus heeft, ze zijn zijn evenbeeld geworden.
Ze gaan de aarde vol liefde, kracht en ontferming regeren, dat wil zeggen: op deze manier dienen.
Satan die de aarde eeuwenlang heeft getiranniseerd, moet zijn illegale gezag overdragen aan deze nieuwe ‘regering’.
De overheersing van de mensheid door satan bestaat uit:

De regering, het dienen van de mensen door de zonen van God bestaat uit:

Deze wisseling van macht wordt gesymboliseerd door de engel die zijn rechtervoet op de zee zet en zijn linker op de aarde.
De voet ergens op zetten betekent over iets heersen.
Zo zijn de aarde en de zee onderworpen aan de voeten van de benen die als zuilen van vuur zijn (zie Openbaring 10:1).
Door het vuur, de pressie door de demonen, zijn de zonen van God als gezuiverd goud geworden: zeer kostbaar en eeuwig duurzaam.
Zo valt satan in zijn eigen kuil.

Maar wat niet uit God is en geen rekening met Hem houdt, verbrandt als waardeloos geworden kaf.
De tijd is gekomen dat Jezus Christus (en in Hem: zijn gemeente) de zichtbare en de onzichtbare, de natuurlijke en de geestelijke wereld gaat bevrijden en erover gaat regeren.

Daarvoor zal Hij eerst de gemeente gereedmaken.
Zij wordt verzameld uit ieder volk en iedere natie en taalgroep.
Naar dit openbaar worden van de zonen van God ziet de hele schepping al eeuwenlang met groot verlangen uit.
Deze mijlpaal in het plan van God wordt door de engel met een machtige stem, zoals een leeuw brult, aangekondigd.
Het gebeurt dan ook niet ergens in een uithoek, maar het is wereldwijd zichtbaar en merkbaar.

Tijdens het proces van de definitieve scheiding tussen goed en kwaad, de oordelen die ingeluid worden door de zes bazuinen, laat de Heer zijn stem klinken voor zijn volk.
De zeven donderslagen zijn de stem van Jezus, die het oordeel en de bevrijding begeleiden.
Het is als met de doortocht van Israël door de Rode Zee of Rietzee, door David met de volgende woorden geschilderd:
De wolken stortten water,
de hemel dreunde luid,
uw pijlen flitsten heen en weer,
uw donder rolde dreunend rond,
bliksems verlichtten de wereld,
de aarde trilde en schokte.
Door de zee liep uw weg,
door de wijde wateren uw pad,
maar uw voetsporen bleven onzichtbaar.
U leidde uw volk als een kudde
door de hand van Mozes en Aäron
(Psalm 77:18-21).

Het geopende boekje en de zeven donderslagen houden de nog ‘verborgen’ weg in waarlangs de Heer zijn volk naar de volmaaktheid leidt.
In Openbaring 15:2 zien we de gemeente als overwinnaar in de geestelijke wereld en de gelovigen zingen daar het lied van Mozes.
God leidt hen dwars door de zee van strijd en demonie heen, Hij beschermt hen en laat hun geestelijke vijanden omkomen.
Als in Psalm 29 tot zeven keer toe de stem van de Heer in de donder klinkt, eindigt David:
De Heer zal macht aan zijn volk verlenen,
de Heer zal zijn volk zegenen met vrede
(vers 11).
Ook in Openbaring 4:5 en 8:5 lezen we over donderslagen, stemmen en bliksemstralen.

De ondergang van Farao aan de ene kant betekent de bevrijding van het volk van God aan de andere kant.
De ondergang van de schijngemeente wordt de bevrijding van de gemeente.
Vuur gaat voor Hem uit,
rondom verterend wie tegen Hem opstaan.
Zijn bliksems verlichten de wereld,
de aarde ziet het en beeft.
De bergen smelten als was voor de Heer,
voor de Heer van heel de aarde.
De hemel vertelt van zijn gerechtigheid,
alle volken aanschouwen zijn majesteit.
Beschaamd staan zij die beelden aanbidden
en zich beroemen op goden van niets.
Voor Hem moeten alle goden zich buigen.
Sion hoort het en verheugt zich;
de steden van Juda juichen
om uw rechtspraak,Heer,
U, Heer, bent de hoogste op heel de aarde,
boven alle goden hoog verheven
(Psalm 97:3-9).

We zien met groot verlangen uit naar deze periode waarin de bergen ‘als was’ voor de Heer smelten.
Dat wil zeggen: dat de demonen in angst en paniek vluchten voor de kracht van Gods geest die volop in de gemeente werkzaam is.
En dat het over de gemeente en haar prachtige, onvoorstelbaar mooie taak gaat, kunnen we lezen in Jesaja 61:2-3:
… om een genadejaar van de Heer uit te roepen
en een dag van wraak voor onze God,
om allen die treuren te troosten,
om aan Sions treurenden te schenken
een kroon op hun hoofd in plaats van stof,
vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad,
feestkledij in plaats van verslagenheid.
Men noemt hen Terebinten van gerechtigheid,
geplant door de Heer als teken van zijn luister.

De zeven donderslagen kunnen informatie geven over de verdere ontwikkeling van de gelovigen die verzegeld zijn met de geest van God.
Maar hoe en wanneer de Heer zijn volk in de laatste tijd tot volmaaktheid brengt, is nog verborgen.
Het is een geheim, we zien het gebeuren, maar we kunnen het (nog) niet verklaren.
Het is als het koren dat groeit en rijp wordt, zonder dat we weten hoe.
Marcus 4:26-27:
En Hij zei: Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde:
hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe.

En 1 Korintiërs 3:7:
Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, want Hij doet groeien.

Johannes mag wat hij hoort niet opschrijven, maar hij moet dit verzegelen of geheimhouden.
Maar dit mysterie zal bij het zich ontwikkelen van het plan van God steeds verder geopenbaard worden door Gods geest die de gemeente leidt!
In Amos 3:7 staat dat God, de Heer, niets doet zonder dat Hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten.
Zij die dag en nacht met Hem verbonden zijn, zullen zijn diepste gedachten leren kennen, omdat de geest van God zelf in hen woont.
1 Korintiërs 2:9-11:
Maar het is zoals geschreven staat:
Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie Hem liefheeft.
God heeft ons dit geopenbaard door de geest, want de geest doorgrondt alles, ook de diepten van God.
Wie is in staat de mens te kennen, behalve de geest van de mens?
Zo is alleen de geest van God in staat om God te kennen.

De geheimen in het boekje zijn alle eeuwen door een mysterie gebleven, evenals wat de zeven donderslagen gezegd hebben.
In deze laatste tijd begint de Heer door profetieën, visioenen en openbaringen in de gemeente te werken.
Zo laat Hij aan haar zien hoe zij zich moet opstellen en verder moet gaan om de onberispelijkheid of de volmaaktheid naar geest, ziel en lichaam te bereiken.
Dit mondt tenslotte uit in het (ver)krijgen van het opstandingslichaam.