Openbaring

Openbaring 10:5-7
Het paradijs van God

Toen hief de engel die ik op de zee en het land zag staan, zijn rechterhand op naar de hemel.
Hij zwoer:
‘Zo waar de Schepper van de hemel en alles wat daarin is, en van de aarde met alles wat daarop is, en de zee met alles wat daarin is, tot in eeuwigheid leeft:
het is de hoogste tijd!
Op het moment dat de zevende engel zijn bazuin zal laten klinken, zal Gods geheim werkelijkheid worden, zoals Hij zijn dienaren, de profeten, heeft beloofd.’

En de engel, die ik zag staande op de zee en op de aarde, hief op de arm van hem naar de hemel.
En hij zwoer bij de Levende tot in de eeuwen van de eeuwen, die heeft geschapen de hemel en de (dingen) in hem, en de aarde en de (dingen) in haar, en de zee en de (dingen) in haar: tijd(sverloop) niet er zal zijn meer.
Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij zal blazen op de bazuin, ook zal worden vervuld de verborgenheid van God, zoals Hij als goed nieuws heeft verkondigd aan de van Hem dienstknechten de profeten.

De definitieve scheiding tussen goed en kwaad is bij de zevende bazuin een feit:
Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten en wie onrein is zal nog onreiner worden.
Wie goeddoet zal nog meer goeddoen en wie heilig is zal nog heiliger worden
(Openbaring 22:11).
Het is de bedoeling van de Schepper dat de mens die met Hem leeft, volmaakt zal zijn en alle goede werken (die van Jezus) kan doen (zie Johannes 14:12 en 2 Timoteüs 3:17).
Alles wat in de hemel, op de aarde en in de zee is, de hele zichtbare en onzichtbare schepping die nu nog kreunt onder het slavenjuk van satan, ziet hier met groot verlangen naar uit.

Als de gemeente in nauwe verbinding met Christus leeft, wordt de theocratie, de Godsregering op aarde mogelijk.
Dan wordt werkelijkheid:
Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit (Openbaring 3:21).

God is eeuwig, Hij verandert niet en Hij laat zijn plan met de mens nooit los.
Voor God de Schepper verklaart de engel van de Heer met een eed dat de eindfase van dit plan niet lang meer op zich laat wachten.
Bij de zevende bazuin wordt het geheim van God onthuld en voltooid.
Wat is dit geheim en waarop heeft het betrekking?
Het antwoord vinden we in de brieven van Paulus.
Aan hem is door openbaring de inhoud van dit geheim bekendgemaakt.
Mij is in een openbaring het mysterie onthuld waarover ik hiervoor in het kort heb geschreven (Efeziërs 3:3).

Het antwoord staat uitgewerkt in Efeziër 3:8-11:
Mij, de allerminste van alle heiligen, is de genade geschonken om de heidenen de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus te verkondigen,
en voor allen in het licht te stellen hoe het mysterie dat in alle eeuwen verborgen was in God, de Schepper van het al, werkelijkheid wordt.
Zo zal nu door de gemeente de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen, naar het eeuwenoude plan dat Hij heeft verwezenlijkt in Christus Jezus, onze Heer.

In Jezus Christus heeft het plan van God: de mens die op God lijkt, vorm gekregen.
Op dezelfde manier zal de gemeente nu (in deze herstelperiode) vormgeven aan dit plan van God dat al bestaat vanaf het begin van de schepping.
Er ontstaat een gemeente die door het winnen van de oorlog in de geestelijke wereld (zie Efeziërs 6:10-18) totaal bevrijd zal zijn van de demonen.

Een gemeente waarvan de leden een leven leiden dat helemaal afgestemd is op de wil van God.
God plaatst deze gemeente dan in al haar luister naast zichzelf (grondtekst) en dat is mogelijk omdat ze zonder vlek of rimpel of iets dergelijks is, heilig en zuiver (zie Efeziërs 5:27).
Aan hen heeft God bekend willen maken hoe glorierijk dit mysterie is voor alle volken: Christus is in u, Hij is uw hoop op Goddelijke luister.
Hem verkondigen wij wanneer we iedereen waarschuwen en in alle wijsheid onderrichten, om iedereen tot volmaaktheid in Christus te brengen
(Kolossenzen 1:27-28).

Op de vraag voor wie de ontsluiering van dit geheim bestemd is, is het antwoord:
voor Jood en heiden, want de muur die scheiding tussen hen heeft gemaakt, is volledig weggebroken (zie Efeziërs 2:14-16 en 3:6).

Ook de profeten van het oude verbond hebben zich met dit geheim beziggehouden.
Ze profeteren iedere keer maar weer over een afvallig volk dat ten onder gaat en van een klein deel (overschot) dat overblijft, maar waaraan God zijn luister zal laten zien.
Petrus zegt ons dat zij niet begrepen hebben wat dit geheim betekent:
U hebt Hem lief zonder Hem ooit gezien te hebben;
en zonder Hem nu te zien gelooft u in Hem en ervaart u een onuitsprekelijke, hemelse vreugde, omdat u het einddoel van uw geloof bereikt: uw redding
(grondtekst ook: herstel, bevrijding, volmaaktheid) .
Wat die redding inhoudt, trachtten de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die u ten deel zou vallen.
Zij probeerden vast te stellen op welke tijd en op welke omstandigheden Christus’ geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze hun zei dat Christus zou lijden en daarna in Gods luister zou delen.
Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor u, en nu is deze boodschap u verkondigd door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven door de heilige geest die vanuit de hemel werd gezonden.
Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen
(1 Petrus 1:10-12).

De profeten van het nieuwe verbond kennen wél de betekenis van het geheim, voor zover geopenbaard.
Zij zijn op de hoogte van de vergeving van de zonden door Christus, van de doop in en de vervulling met Gods heilige geest.
Zij kennen de oorlog in de geestelijke wereld tegen de demonen en zij weten van het doel van God met de gemeente: de volmaaktheid.
De weg waarlangs God deze volmaaktheid zal gaan uitwerken, kennen ze nog niet ten volle.
Deze is voor hen nog deels verborgen.
Paulus jaagt ernaar om dit doel te grijpen.
Filippenzen 3:12 NBG:
Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen (of: krijgen) mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben.

Paulus ziet in een visioen de niet onder woorden te brengen schitterende luister van de voltooide gemeente, het paradijs van God.
Hij kan het niet uitleggen, maar hij mag dat ook niet (zie 2 Korintiërs 12:4).
We weten niet precies waarom niet, maar het kan zijn dat de tijd er dan nog niet rijp voor is.
Na de afgelopen eeuwen die rampzalig geweest zijn voor de gemeente, wacht God in deze tijd op mensen voor wie Salomo in 1 Koningen 8:48 aan God vraagt:
… wanneer ze zich in het land van de vijanden die hen gevangen hebben genomen weer met hart en ziel aan U toewijden en tot U bidden in de richting van het land dat U aan hun voorouders hebt gegeven, van de stad die U hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd …

Ze worden bevrijd van de demonen, ze zoeken God met hart en ziel en stellen Hem in hun leven boven alles.
In hun bidden, denken en spreken zijn ze bezig met het koninkrijk van God (hun ‘land’).
Ze zijn bezig met het hemelse Jeruzalem en de geestelijke tempel, de volmaakte geestelijke stad, de gemeente waarin God eeuwig woont.
Ze werken dit in hun aardse leven uit en bereiken zo wat staat in Openbaring 19:7-8 NBG:
Laten wij blij zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt;
en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen.

Alleen de gemeente van Jezus Christus van de laatste tijd kan, mag en zal het doel van God met haar op aarde (al) bereiken.