Openbaring

Openbaring 11:1
Een nieuw verbond met het geestelijke Israël

Vervolgens kreeg ik een rietstengel als meetstok, met de opdracht:
‘Neem de maten op van Gods tempel en van het altaar en tel degenen die God daar aanbidden’.

En er werd gegeven aan mij (een) meetriet gelijkend op (een) staf, zeggende: sta op en meet de tempel van God en het altaar en de aanbiddenden in het.

Bij de verklaring van deze tekst gaan we opnieuw uit van het principe dat de openbaring van Jezus Christus door en in zijn gemeente plaatsvindt.
Christus is namelijk nooit van zijn ‘lichaam’, waarvan Hij het hoofd is, te scheiden.
Daarom laten we ons niet afleiden van de essentie van dit laatste Bijbelboek door allerlei visies en verklaringen die ingaan tegen dit principe.

Wat in het oude testament beschreven en voorzegd wordt, is alleen maar een schaduwbeeld of een voorafspiegeling van de toekomstige dingen.
Zie hiervoor ook de toelichting bij Openbaring 7.
Alle profeten hebben over het voor óns (= de gemeente) bestemde herstel geprofeteerd (zie 1 Petrus 1:10).
Herstel niet alleen in de zin van: terugbrengen in de vorige, goede situatie.
Maar juist herstel in de zin van: het brengen in de situatie zoals God die met ons voorheeft: de volmaakte mens, op het niveau van Jezus Christus!

Nu wij van dit ‘herstel’ geproefd hebben willen we zeker niet teruggaan naar de voorafspiegeling of het schaduwbeeld van deze werkelijkheid.
Als de Heer ons een nieuw verbond, een nieuwe overeenkomst toezegt, verklaart Hij daarmee dat het oude niet meer geldig is.
Op het moment dat Hij spreekt over een nieuw verbond heeft Hij het eerste als verouderd bestempeld.
Welnu, wat verouderd is en versleten, is de teloorgang nabij (Hebreeën 8:13).

Dit nieuwe verbond geeft dus veel grotere mogelijkheden en betere perspectieven dan het oude.
Het heeft ook veel rijkere beloften.
Het is dus geen wonder dat wanneer God dit verbond met de mensheid laat ingaan, Hij het oude laat vervallen.
Dat heeft zijn tijd gehad en zijn betekenis verloren.
De rechtvaardigheid van de mens wordt nu op een andere manier gerealiseerd.
Het doel van het oude verbond is de rechtvaardigheid van de mens, terwijl deze rechtvaardigheid op zich de basis of het beginpunt vormt van het nieuwe verbond.
Hierdoor is het oude verbond met zijn uiterlijke wetten en geboden overbodig geworden.
De wet is verouderd omdat haar tijd voorbij is en de nieuwe wet van de geest van God ervoor in de plaats is gekomen.

Vandaar de conclusie: het oude verbond is niet ver van verdwijning of is de teloorgang nabij.
Ter vergelijking: we reizen nu niet meer met de trekschuit, maar met het vliegtuig.
Het zijn allebei (goede) vervoermiddelen, maar met het tweede halen we doelen die met het eerste niet haalbaar zijn.

Helaas heeft Paulus een zware strijd te voeren tegen mensen die naast het nieuwe verbond de wetten en de regels van het oude willen handhaven.
Hetzelfde vinden we ook in onze tijd, waar veel gelovigen nog op een oudtestamentische manier denken.
We kunnen hier denken aan de visie op een natuurlijk volk Israël en het houden van de zondag min of meer zoals het houden van de sabbat.
Verder: het voorlezen van de wet, het hebben van een foutief Godsbeeld, het geen rekening houden met de gaven en de vrucht van de heilige geest van God, een niet-geestelijk denken en het niet voeren van een geestelijke strijd tegen de demonen, enzovoort.

Israël is het volk van God in het oude verbond en de gemeente is dat van het nieuwe.
Trouwens niet eens niet alle Israëlieten (…) horen bij Israël, maar alleen de nakomelingen van Isaäk horen bij het volk van God (zie Romeinen 9:6-9).
Dat wil zeggen: het gaat bij God niet om een natuurlijke afkomst (nakomelingen van Abraham, zie vers 7), maar bij God horen we alleen als we geloven in wat Hij ons belooft (zie vers 8).
En door de hele Bijbel en de ‘kerkgeschiedenis’ heen zien we altijd weer dat er maar een kleine groep mensen is die het plan van God begrijpt en er ook naar wil leven.
Romeinen 9:27:
Al zou het volk van Israël zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, slechts een klein deel zal worden gered.
De meerderheid richt zich op het uiterlijke, het zichtbare en houdt (hierdoor) geen rekening met de geestelijke werkelijkheid.

De eerste gemeente (het gelovige deel van Israël) is een voorafspiegeling en heeft dus geen betekenis meer nu de werkelijkheid is gekomen.
De tweede gemeente is die blijvende werkelijkheid.
De eerste is natuurlijk, aards.
De tweede is geestelijk, hemels.
Het hogepriesterschap van Aäron is het tijdelijke en dus het verdwijnende.
Dat van Jezus Christus is eeuwig en blijvend.
Ook de priesters in het oude verbond zijn een voorafschaduwing van het echte, geestelijke priesterschap.

Petrus zegt van óns:
Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.
Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken
(1 Petrus 2:9 en 10).
Helaas denken sommige mensen nog dat het natuurlijke volk Israël in het Midden-Oosten het echte volk van God is!

Het zijn waarschijnlijk dezelfde mensen die Jesaja 2:2 natuurlijk uitleggen:
Eens zal de dag komen dat de berg
met de tempel van de Heer rotsvast zal staan,
verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.
Alle volken zullen daar samenstromen …

Zij geloven daarom dat in het Midden-Oosten op 31"47 N.B. en 35"15" O.L. van Greenwich op de hoogste berg van de wereld ooit een tempel gebouwd zal worden.
Hierin zullen dan de natuurlijke afstammelingen van Aäron en wel onder leiding van een hogepriester uit de stam van Juda hun dienst opnieuw verrichten.
Ze moeten de bijbelse klok dan wel duizenden jaren terugzetten en het geografisch onmogelijke geloven.

Wat zegt Stefanus ook alweer?
Toch woont de Allerhoogste niet in een huis dat door mensenhanden is gemaakt, zoals de profeet zegt:
De hemel is mijn troon, de aarde mijn voetenbank.
Hoe zouden jullie dan een huis voor Mij kunnen bouwen – zegt de Heer –, een plaats waar Ik kan rusten?
(Handelingen 7:48-49).

In het nieuwe testament lezen we over het nieuwe, geestelijke of hemelse Jeruzalem.
Daarmee worden bedoeld de gelovigen van alle tijden en alle plaatsen in wie God woont door zijn geest.
Hebreeën 12:22-23:
Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn,
voor de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn, voor God, de rechter van allen, en voor de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn.

De tempel in deze stad is het symbool van de gemeente van Jezus Christus, zoals die ontstaan is in de nieuwtestamentische periode.
Van deze gemeente wordt in Efeziërs 2:21-22 gezegd:
Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn geest.
‘Samen’ slaat op vers 19:
Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen en huisgenoten van God …

Ook hier zien we: voor God geldt niet meer het natuurlijke volk Israël, maar samen met de bekeerde (christen-)’heidenen’ vormen de gelovige (christen-)Joden de gemeente van Jezus Christus.
Kan het nog duidelijker?
Dát is: heel Israël, volgens Romeinen 11:26.
Voor wie het nog niet te volgen is, verwijzen we graag naar de website www.rhemaprint.nl, het e-boekje ‘Het geestelijke Israël’.

De schrijvers van het nieuwe testament brengen hun lezers niet in verwarring door op een manier over de tempel te schrijven die we verschillend kunnen uitleggen.
Zij hebben radicaal met de aardse, oude tempeldienst gebroken en kennen nog maar één huis van God: de gemeente van Jezus Christus.
Want God woont (…) in ons (dus zijn huis) door zijn geest.
We krijgen een geestelijke chaos als we het oude verbond vermengen met het nieuwe.
Jezus zegt in dit verband in Matteüs 9:16-17:
Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog niet gekrompen is.
Want dan trekt de nieuwe lap de mantel kapot en wordt de scheur nog groter.
Evenmin giet men jonge wijn in oude leren zakken.
Anders scheuren de zakken, dan wordt de wijn verspild en gaan de zakken verloren.
Maar gaat de nieuwe wijn in nieuwe zakken, dan blijven beide behouden.’

De geestelijke tempel vindt zijn voltooiing bij het einde van de zesde bazuin.
Want dan zijn de zonen van God openbaar geworden.
Gods tempel is dan volmaakt.

Johannes krijgt een rietstengel als meetlat.
We zeggen nu: een duimstok of een rolmaat.
Met deze meetlat moet hij de tempel van God opmeten.
Deze meetlat zal waarschijnlijk hetzelfde betekenen als de gouden meetlat uit Openbaring 21:15.

Er is geen andere meetlat voor de zonen van God dan die staat vermeld in Efeziërs 4:13 NBG:
… totdat wij allen de eenheid van het geloof en van de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom (of: volwassenheid) van de volheid van Christus.
In de NBV-vertaling wordt het woord ‘metron’ = maat, niet afzonderlijk vertaald.
Maar ook daar is het een mooie tekst:
… totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.

De groei (en geestelijke statuur) van de gelovigen en door hen die van de gemeente, wordt naar het geestelijke niveau van Jezus Christus afgemeten en vastgesteld.
Hij is onze ‘maat’ en alleen zijn ‘afmeting’ willen we bereiken.
En dat gebeurt als de gemeente van de laatste tijd tot volmaaktheid komt.

Opnieuw wordt op de functie van het gouden altaar gewezen.
Dit stelt de gemeente voor in haar meest heilige en zuivere gemeenschap met God, waarbij haar lof en aanbidding naar Hem opstijgen.
Dit is geen aanbidding met instrumentale muziek en menselijke emotie.
Nee, God vindt de grootste vreugde in de volmaaktheid van ónze innerlijke mens.
Dit is enigszins vergelijkbaar met het geluksgevoel dat ouders hebben als hun kinderen zich goed ontwikkelen en gezond en gelukkig zijn.

God vindt vreugde in zijn Zoon Jezus Christus.
En uit de hemel klonk een stem: Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde (Matteüs 3:17).
God vindt dezelfde vreugde in zijn zonen, de volgelingen van Jezus Christus.
Omdat ook zij zich willen inzetten voor de uitvoering van zijn eeuwige plan:
Laten Wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken … (zie Genesis 1:26).