Openbaring

Openbaring 11:16-18
Niets gebeurt ‘als bij toverslag’

De vierentwintig oudsten op hun tronen bij God wierpen zich neer en aanbaden God met de woorden:
‘Wij danken u, Heer, onze God, Almachtige, die is en die was, want in uw grote macht neemt U nu het koningschap op U.
De volken raasden in woede, maar nu laat U uw woede razen.
De tijd is gekomen om een oordeel te vellen over de doden; en om uw dienaren, de profeten, te belonen, evenals de heiligen en degenen die, jong en oud, ontzag hebben voor uw naam; en ook om hen die de aarde vernietigen nu zelf te vernietigen.’

En de twintig en vier oudsten voor het aangezicht van God zittenden op de tronen van hen, vielen (neer) op de aangezichten van hen en zij aanbaden God,
zeggende: wij danken U, Heer God Almachtige, de Zijnde en de(gene die) was en de Komende, omdat U hebt genomen de macht van U grote en U heeft geregeerd/bent koning geworden.
En de volken werden vertoornd en gekomen is de toorn van U en de tijd van de doden (om) geoordeeld (te) worden en (om te) geven het loon aan de dienstknechten van U de profeten en aan de heiligen en aan de vrezenden de naam van U, de kleinen en de groten en (om te) vernietigen de vernietigenden de aarde.

Tijdens de zes bazuinen wordt het onkruid verzameld en in schoven of bundels bij elkaar gebonden.
Ook de tarwe wordt volledig rijp en is zover om in de schuur opgeslagen te worden.
De tijd van de zevende bazuin is de laatste fase van de afwikkeling van het plan van God (de herstelperiode) waar het gaat om de gemeente, in deze periode.
Bij het blazen van de laatste bazuin is het graan (de zonen van God) veilig in de hemelse schuur (de gemeente) opgeslagen en is het onkruid (de schijngemeente) volkomen aan het vuur (de demonen) prijsgegeven (zie Matteüs 13:30).
De vierentwintig oudsten vertegenwoordigen de gemeente.
Het beeld is afkomstig van de vierentwintig familiehoofden uit het priestergeslacht van Aäron.
Zij zijn dienaren van het heiligdom en van God (zie 1 Kronieken 24:4-5).

Via deze ‘presbyters’ aanbidt de gemeente God, want de strijd is beslecht en de overwinning is behaald.
God is de Almachtige, de Pantokrator.
Dit is: Hij die alle macht en kracht bezit, de beheerser van alles.
Hij is de El Sjaddai, de Almachtige, de God van het verbond, de Alpha en de Omega.
Hij heeft nu een volk in eigendom, waardoor Hij in de geestelijke en in de natuurlijke wereld regeren kan.
Als God het koningschap op zich neemt, betekent dit het begin van de bruiloft van het Lam (zie Openbaring 19:6-7).
Dit is de volledige eenwording tussen God en Jezus Christus, samen met zijn gemeente, zijn vrouw.

Samen met Christus neemt de gemeente haar plaats in óp de troon van God.
Zij vormt voor God het middel om zijn heerschappij ook op aarde te vestigen.
Daarvóór is de macht van de antichrist teruggedrongen en vernietigd.
En is het koninkrijk van God: gerechtigheid, vrede, vreugde en kracht op aarde gevestigd (zie Romeinen 14:17 en 1 Korintiërs 4:20).
Dit is geen hocus pocus, waarbij miljarden mensen en de overige schepping als bij toverslag veranderen, maar het is een proces.
Net als de vorming van de gemeente van Jezus Christus een ontwikkeling is: vanuit het zaad in de moederschoot van Maria tot aan de gemeente zonder vlek of rimpel.

God is natuurlijk altijd al de grote koning van de aarde geweest.
Maar hier aanvaardt Hij zijn heerschappij op een bijzondere manier en met een bijzonder doel.
Hij is nu de koning die regeert door zijn kabinet, zijn volk dat volmaakt één van geest met Hem is.

Wanneer razen volken in woede?
Als ze worden geïnspireerd en geïnfiltreerd door demonen.
Als de duivel naar hen afdaalt en woedend is omdat hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft (zie Openbaring 12:12).
De demonische legers vechten dan tegen elkaar en vervolgen ook en vooral de zonen van God.
De woede van deze volken is hun slechtheid.
Op hen kan voor een groot deel van toepassing zijn:
Omdat ze het beneden hun waardigheid achtten God te erkennen, heeft God hen overgeleverd aan hun eigen onbetrouwbaarheid en doen ze wat verwerpelijk is.
Ze zijn door en door onrechtvaardig en boosaardig, hebzuchtig en slecht.
Ze zijn door en door afgunstig, moordzuchtig en twistziek, doortrapt en kwaadaardig.
Ze roddelen en spreken kwaad, haten God, zijn hoogmoedig, trots en verwaand.
Ze zijn vindingrijk in het kwaad, tonen geen ontzag voor hun ouders, zijn kortzichtig en trouweloos, zonder liefde en onbarmhartig
(Romeinen 1:28-31).

Tijdens de zes voorgaande bazuinen worden de demonen in grote aantallen losgelaten doordat occultisten en spiritisten ze oproepen vanuit het rijk van de dood.
Hun tomeloze woede wordt beschreven als de ‘toorn van God’.
Daardoor is het oordeel of de definitieve scheiding tussen goed en kwaad gekomen.
De geestelijk denkende en levende zonen van God zijn in een ondeelbaar ogenblik, binnen een seconde (een oogwenk) veranderd en opgenomen.
Ze krijgen nu hun opstandingslichaam.
De tijd breekt nu ook aan dat de geestelijk doden worden geoordeeld.
De tijd is ook gekomen dat het loon uitgekeerd wordt aan de rechtvaardigen.
Paulus schrijft in 1 Korintiërs 3:14:
Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond.

Van de vrouw van het Lam wordt gezegd:
Zij mag zich kleden in zuiver, stralend linnen.
Want dit linnen staat voor al het goede dat gedaan is door de heiligen
(Openbaring 19:8).
Wat ze gedaan hebben of hun ‘werken’ bepaalt dus hun loon of beloning.
En dit komt tot uiting in hun zuivere stralende kleding, dus in de grootte van hun geestelijke, eeuwige statuur.
In Daniël 12:3 staat:
De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd.
Elke gelovige krijgt een positie die overeenkomt met wat hij in zijn leven op aarde gedaan heeft in, vanuit en voor het koninkrijk van God.

We kunnen in de vergelijking van Jezus over de 100 drachmen (of: tien ponden) lezen dat de ene dienaar over tien steden en de andere over vijf steden gezag krijgt.
Deze beloning krijgen zij als de ‘man van voorname afkomst’ terugkomt nadat hij het koningschap gekregen heeft (zie Lucas 19:11-27).
Want onder deze heiligen, dienaren en profeten zijn kleinen en groten! (zie o.a. Openbaring 19:5).

De tegenstanders worden vernietigd, ze worden teruggebracht tot niets.
Dat wil zeggen: ze zullen nooit en op geen enkele manier nog hun negatieve invloed kunnen uitoefenen.
Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit (2 Tessalonicenzen 1:9).