Openbaring

Openbaring 11:2
Geen muur van apartheid meer

De voorhof buiten de tempel moet je overslaan.
Meet die niet op, want hij is bestemd voor de heidenen, die de heilige stad tweeënveertig maanden lang zullen vertrappen.

En de voorhof binnen de tempel werp uit naar buiten en niet haar meet, omdat zij is gegeven aan de volken.
En de stad heilige zullen zij vertreden (gedurende) maanden veertig twee.

Het beeld is ontleend aan de tempel van Herodes, een restauratie en uitbreiding van de tempel van Zerubbabel.
Deze bestaat uit het eigenlijke tempelhuis, omringd door de voorhof van de Israëlieten en die van de vrouwen (…).
Daarbuiten ligt de grote voorhof die ook wel voorhof van de heidenen (= de andere volken) genoemd wordt, omdat alleen daar de vreemdelingen toegelaten worden.
Daarom beschouwen de Joden dit plein als niet heilig.
Het is ook de plaats waar de offerdieren verkocht worden en waar de tafels van de geldwisselaars staan, welke tafels door Jezus twee keer omgekeerd worden.
Een soort traliewerk vormt de afscheiding met de ‘gewijde grond’, waar alleen de Joden mogen komen.

Efeziërs 2:14:
Want Hij is onze vrede, Hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap (NBG: tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap) ertussen heeft afgebroken.
Ook dit laat weer duidelijk zien dat God geen twee aparte volken heeft!

Muur van apartheid verwijderd

Na het sterven van Jezus vervalt deze muur die het natuurlijke (maar wel: gelovige deel van) Israël apart zet van de rest van de wereld.
Gelovige Jood en bekeerde ‘heiden’ kunnen nu op dezelfde manier hersteld worden en leven in en vanuit het plan van God.
Deze muur van apartheid en tegenstelling tussen Jood en heiden komt nooit meer terug.
Want de gemeente van Jezus Christus die uit gelovigen uit alle landen, taalgroepen en naties bestaat, is niet gedeeld of verdeeld.
In feite heeft God ook nooit deze tegenstelling gewild.
Eén voorbeeld noemen we hier, maar er zijn veel meer:
God zij ons genadig en zegene ons,
Hij doe zijn aanschijn bij ons lichten;
opdat men op aarde uw weg kenne,
onder alle volken uw heil
(Psalm 67:2-3).

In het beeld van de gemeente in onze tekst wordt wel opnieuw gesproken van een tempel met een voorhof die aan de heidenen gegeven wordt.
Ook zien we hier een scheidsmuur die tussen beide groepen opgetrokken wordt.
Het gaat hier over de gemeente van Jezus Christus die een heilige tempel vormt en daarnaast over een schijngemeente die totaal gedemoniseerd wordt.

Geen automatisme

Wat zijn eigenlijk heidenen?
In Galaten 2:15 staat:
Hoewel wij Joden van geboorte zijn en geen zondaars uit andere volken … (NBG: heidenen).
Heidenen zijn mensen die verbonden zijn met en geleid worden door demonen.
Zo kunnen ook mensen die christen heten, maar daar niet naar leven, heidenen zijn.
Zo is ook de schijngemeente verbonden met het beest dat uit de afgrond opkomt (zie 17:8-9).
De gemeente van de laatste tijd bestaat alleen uit mensen die verzegeld zijn met de geest van God, dat wil zeggen die in deze heilige geest gedoopt zijn en die zich door deze geest laten leiden.
Alleen zij kunnen in de periode van de zware onderdrukking overeind blijven.
Wie ‘alleen maar’ in Gods geest gedoopt is en dus ook geestelijke talen kan spreken, hoort niet automatisch bij de gemeente.
Voor iedereen geldt:
Ik zeg jullie: wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft worden ontnomen (Lucas 19:26).

De doop in de heilige geest van God is een deel van het fundament van het geloof.
Een uitgebreide studie over de doop in Gods geest is te vinden op de bijgevoegde site Geest van God.

Veel mensen krijgen dit geschenk van God, maar ze doen er verder niet veel mee.
Ze denken dat de doop in de geest het einddoel is van het geloof en dat ze daarmee wel kunnen volstaan.
Maar hij is pas een begin en daarná kunnen we ons richten op het einddoel van God met ons leven!

Een gemeente kan op twee verschillende fundamenten gebouwd worden:
Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is.
Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht.
Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is
(1 Korintiërs 3:12-13).

Liefde en gaven actief ontwikkelen

Zonder de begaafdheden van Gods geest, waaronder het met God kunnen communiceren in geestelijke talen, kan de opnieuw geboren mens nooit de volmaaktheid bereiken.
Want hij mist dan hét bijbelse ‘instrument’ om zichzelf en de gemeente op te bouwen.
Niet voor niets staat er:
Richt jullie op de hoogste gaven.
Maar eerst wijs ik jullie een weg die nog voortreffelijker is.

En:
Jaag de liefde na én streef naar de gaven van de geest, vooral naar die van de profetie.
(1 Korintiërs 12:31 en 14:1)
En:
Wie in een (andere) taal spreekt, bouwt zichzelf op, maar wie profeteert, bouwt de gemeente op.
(1 Korintiërs 14:4 HSV).
Opm.: wie zichzelf opbouwt, bouwt daarmee uiteraard ook de gemeente op!

De liefde en de kwaliteiten van Gods geest zijn niet los van elkaar te zien.
We kunnen de Vader danken dat we nu in de tijd van de verzegeling met zijn geest leven en dat steeds meer gelovigen beseffen wat hun heilige roeping (ook wat dit betreft) inhoudt.

Maar de afvallige gemeente wordt prijsgegeven aan de ‘heidenen’ uit de voorhof.
We merken hier dat steeds meer gelovigen God vaarwel zeggen.
Duidelijk zien we in onze dagen hoe de leden van de schijngemeente zich meer en meer aan de wereld aanpassen.
Iedere zonde wordt in haar gevonden en vaak goedgepraat.
In haar zijn zelfs mensen (‘godgeleerden’) die leren dat God dood is.
Maar de orthodoxie die met versleten leuzen werkt, heeft geen grip meer op de massa.
Een nieuw leven beginnen (bekering) en het opnieuw geboren worden (vernieuwing van denken) worden vaak gezien als verouderde begrippen.

Tweeënveertig maanden of drie en een halfjaar wordt de heilige stad vertrapt of met de voeten getreden.
De demonen door wie de goddeloze en afvallige leiders gebruikt worden, doen hun werk en beheersen de voorhof en de stad.
De tweeënveertig maanden wijzen op het tijdperk van de zware geestelijke pressie, als er op de bazuinen geblazen wordt.

Drie en een half

Deze periode van blijkbaar drie en een half jaar komt in de Openbaring vaker voor.
Het is het tijdperk waarin het koninkrijk van God op aarde belaagd wordt door de macht van de antichrist die in eerste instantie de afgevallen schijngemeente gebruikt voor zijn eigen doel.
In Daniël wordt de uitdrukking gebruikt ‘tijd, een dubbele tijd en een halve tijd’.
Dit geeft dezelfde periode aan als in 12:14, waar vertaald is met: ‘tijd en twee tijden en een halve tijd’.
In de grondtekst staat geen dubbele of twee, maar alleen: ‘tijden’.
Hierna is de heilige, geestelijke tempel (dit is de gemeente) gezuiverd en voltooid.

Daarop hoorde ik de in linnen geklede man die zich boven het water van de rivier bevond spreken.
Hij hief beide handen op naar de hemel en zwoer bij de eeuwig Levende:
Eén tijd, een dubbele en een halve tijd: wanneer de macht van het heilige volk niet langer verbrijzeld zal worden, dan zullen al deze dingen zich hebben voltrokken
(Daniël 12:7).

Waarom wordt hier van de heilige stad gesproken, terwijl deze toch overgegeven wordt aan de demonische machten?
We zien dat hier sprake is van het geestelijke Jeruzalem, waarin de tempel van God staat.
Die tempel is de ‘categorie’ gelovigen in wie God ten volle kan wonen en werken.
Zij zijn gedoopt in de geest van God en deze heeft zich volledig in hen kunnen ontwikkelen in liefde, wijsheid en gaven.

In de stad bevinden zich ook gelovigen die wel rechtvaardigen zijn omdat ze in de schuldvergeving geloven, maar ze kennen de ‘verzegeling met de geest’ niet of ze zijn hierin niet verdergegaan.
Ze hebben de geest van God in hun leven geen ruimte gegeven of deze zelfs gedoofd.
In velen van hen kunnen de demonen daardoor hun misleidende werk doen en zo geloven ze in foutieve leringen (zie 1 Timoteüs 4:1), waardoor ze het doel van God niet kunnen bereiken.
Satan krijgt deze mensen uiteindelijk volledig in zijn greep.
Want: Zelfs wát ze hebben aan geestelijke rijkdommen (bijvoorbeeld kennis van Gods woord en schuldvergeving), wordt hun nog afgenomen (zie Lucas 19:26).