Openbaring

Openbaring 11:3
Woord en geest als de twee getuigen

Ik zal mijn twee getuigen opdracht geven om te profeteren.
Gedurende twaalfhonderd zestig dagen zullen ze dat doen, gehuld in een boetekleed.

En Ik zal geven aan de twee getuigen van Mij en zij zullen profeteren dagen duizend tweehonderd zestig, bekleed zijnde (met) zakken.

Hoe wordt de gemeente tijdens het blazen op de zes bazuinen volmaakt?
Dit is het mysterie of het geheim van de zeven donderslagen.
Natuurlijk gebruikt de Heer zijn zonen hiervoor en door hun werk komt er een scheiding tussen voorhof en tempel.
Ze brengen het woord van God in de wereldwijde schijngemeente die onder leiding staat van het beest uit de afgrond.
Hun oproep is:
Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen (zie Openbaring 18:4).

Door hun woorden gebeurt hetzelfde als in de begintijd van de gemeente.
Een klein deel van Israël (een ‘overschot’ of rest) maakt zich los van de geestelijk dode religie.
Daarna worden ze gedoopt in en vervuld met Gods heilige geest.
De opdracht van deze zonen is nu om de gedachten van God met de mens bekend te maken in de straten of op het plein van het geestelijke Jeruzalem.
Zij brengen in de laatste tijd het volledige evangelie en roepen de mensen op tot inkeer te komen en zich met hart en ziel te richten op het doel van God.
Petrus roept op de Pinksterdag uit:
Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht (zie Handelingen 2:40 NBG).
Dit verkeerde of ook wel verdraaide geslacht bestaat uit de demonen die het plan van God verkeerd voorstellen.
Het zijn leugengeesten.

Paulus schrijft na zijn bekering over zo’n getuige in Handelingen 22:20:
Ook toen Stefanus zijn getuigenis over u met de dood moest bekopen, was ik erbij.
De geschiedenis herhaalt zich ook hier.
De gemeente van het nieuwe verbond begint met een exodus uit het natuurlijke Jeruzalem en zal eindigen met een uittocht uit het geestelijke Jeruzalem.
Het natuurlijke Jeruzalem is ooit door een heidens volk verwoest en heidenen zullen ook de geestelijke heilige stad in de laatste tijd vertrappen en beheersen.
De gemeente begint met een groots Pinksteren en eindigt met een klein aantal mensen.
Maar dezen zijn net als Stefanus en zijn broers en zussen in de begintijd: vol van geloof en kracht en ze doen grote wonderen en tekenen onder het volk (zie Handelingen 6:8).

De getuigen hebben rouwkleren aan, zoals ook vertaald kan worden.
Deze zijn gemaakt van grof dierenhaar, vooral van geiten maar ook wel van kamelen.
De kleur hiervan is van nature donker of zelfs zwart (vandaar de vergelijking in Openbaring 6:12).
Als iemand zo gekleed gaat, betekent dit dat hij in grote rouw is, die hier veroorzaakt wordt door verdriet en zware geestelijke pressie waaronder hij het woord van God brengt.
Met David kunnen ze zeggen:
Om U moet ik smaad verduren
en bedekt het schaamrood mijn gezicht.
Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden,
een onbekende voor de zonen van mijn moeder.
De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd,
de smaad van wie U smaadt, is op Mij neergekomen.
Ik huilde tranen toen Ik vastte,
maar wat Ik oogstte was hoon,
ik hulde Mij in een boetekleed
(NBG: rouwgewaad)
maar verachting werd mijn deel (Psalm 69:8-12).

Ze hebben veel verdriet omdat ze zien dat op zich fijne en goede mensen worden misleid, terwijl ze denken de wil van God te doen en zelfs de ‘ware kerk’ te vormen.
We zien dit bijvoorbeeld ook bij Paulus als hij ziet hoe maar een klein deel van het volk Israël de weg met God wil gaan.
Romeinen 9:2-3:
… ik ben diepbedroefd en word voortdurend door verdriet gekweld.
Omwille van mijn volksgenoten, de broers en zussen met wie ik mijn afkomst deel, zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van Christus gescheiden te zijn.

De totale scheiding tussen goed en kwaad, zoals aangekondigd door de zes bazuinen, is wereldwijd bezig plaats te vinden.
In deze periode profeteren deze zonen van God, vol van liefde, geloof en kracht in de schijngemeente en werkt God met hen mee door tekenen, wonderen en krachten (zie Marcus 16:20).

Het is hun opdracht te profeteren, dat is: uitleggen wat het plan van God daadwerkelijk inhoudt, hoe het zich ontwikkeld heeft in het verleden en wat de toekomst zal brengen.
Ze doen dit twaalfhonderdenzestig dagen lang.
Deze afgebakende tijd herkennen we in het beeld van tweeënveertig maanden in vers 2, waar het wijst op een periode van bijzonder grote afval.
In deze tijd van drie en een half jaar (tijd, een dubbele tijd en een halve tijd) leeft de gemeente in de ‘woestijn’, buiten zicht en bereik van de slang.

De echte christenen stellen zich helemaal onder de leiding van Gods geest en ze hebben gebroken met elke vorm van ongerechtigheid.
Er komt een scheiding tussen hen en de mensen die met de wetteloosheid in welke vorm dan ook heulen.
Het is een periode van de zware geestelijke pressie (zie Openbaring 13:5).

Deze tijdsduur herinnert ons ook aan de goddeloosheid onder Achab en Izébel en het tijdperk van grote droogte tijdens het optreden van de profeet Elia.
Elia was een mens als wij en nadat hij [vurig] had gebeden dat het niet zou regenen, is er drie-en-een-half jaar lang geen regen gevallen op het land (Jakobus 5:17).
Deze vermelding is meer bedoeld om aan te geven wat voor resultaat het gebed kan hebben, dan God af te schilderen als iemand die droogte kan geven met zulke desastreuze gevolgen.
De periode van drie en een half jaar heeft ook een symbolische betekenis (3½ is de helft van 7) als een tijd van ongeluk en oordeel.