Openbaring

Openbaring 11:4-6
De bouw van de geestelijke tempel

Zij zijn de twee olijfbomen en de twee lampenstandaards die voor de Heer van de wereld staan.
Als iemand hun kwaad wil doen, komt er vuur uit hun mond, dat hun vijanden verteert; op die manier zal iedereen die hun kwaad wil doen moeten sterven.
Zij hebben de macht om de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt zolang zij profeteren.
Ook hebben ze de macht om water in bloed te veranderen.
Verder kunnen ze de aarde treffen met alle mogelijke plagen, zo vaak ze maar willen.

Dezen zijn de twee olijfbomen en (de) twee kandelaars voor het aangezicht van God van de aarde staande.
En indien iemand hen wil kwaad doen, vuur gaat uit de mond van hen en verteert de vijanden van hen.
En indien iemand hen wil kwaad doen, zó moet hij worden gedood.
Dezen hebben de (vol)macht (om te) sluiten de hemel opdat niet het regent regen in (de) dagen van hen van het profeteren en (vol)macht hebben zij over de wateren, (om te) veranderen hen in bloed en (om te) slaan de aarde elke plaag zo dikwijls als maar zij willen.

Deze getuigen doen ons denken aan twee keer twee medewerkers van God uit het oude verbond.
In de eerste plaats zijn daar Jozua, de hogepriester en Zerubbabel, de landvoogd, een nakomeling van David.
Zij zijn de bouwers van de tempel na de ballingschap in Babylon.
Zij zijn de twee gezalfden die naast de Heer van de hele aarde staan (Zacharia 4:14).

Zij zijn dus uitvoerders van het plan en het verlangen van God voor die tijd.
Ook de gemeente, het geestelijke Israël, heeft eeuwenlang als ballingen in het geestelijke Babylon van verwarring en misleiding gewoond.
Ook zij zal naar haar eigen geestelijke land, het koninkrijk van God, terugkeren.
De geestelijke tempel, de gemeente, zal herbouwd worden volgens bestek en tekening zoals God gemaakt heeft.
Jozua en Zerubbabel worden in de visioenen van Zacharia vergeleken met een kandelaar en twee olijfbomen.
Wie zeggen dat deze mannen in de laatste tijd weer levend zullen worden, hebben geen geestelijk inzicht.

In onze tekst gaat het niet om Jozua en Zerubbabel als personen, maar om de aanduiding van hun inzet voor de tempel zoals die door de Heer wordt geïnspireerd.
Zoals staat in Haggaï 1:14:
Zo zette de Heer ZerubBabylon, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda en Jozua, zoon van Josadak en hogepriester en wie er van het volk nog over waren, ertoe aan te beginnen met het herstel van de tempel van de Heer van de hemelse machten, hun God.

De tweede tempel wordt dus niet alleen gebouwd door deze twee godsmannen.
Zij zijn de leiders van de rest van het volk dat zich ook door Heer laat leiden en inspireren en dat meewerkt aan de bouw.
Duidelijk wijst Haggaï op de bescherming en de aanwezigheid van God door zijn geest als ook in de laatste tijd het geestelijke huis van de Heer wordt gebouwd (zie Haggaï 2:4-5 – zie ook NBG).

Ook hier komt uit dat de profeten Zacharia en Haggaï niet voor zichzelf maar voor de gemeente van het nieuwe verbond profeteren:
Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor u, en nu is deze boodschap u verkondigd door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven door de heilige geest die vanuit de hemel werd gezonden.
Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen
(1 Petrus 1:12).

De twee getuigen vertegenwoordigen dus een categorie gelovigen die tijdens het blazen op de bazuinen het geestelijke huis van de Heer renoveren en afbouwen.
Zij kunnen door in nauw contact te leven met de Mensenzoon ontkomen aan de verleiding, de misleiding en de pressie vanuit het rijk van de duisternis, die snel zullen komen.
Hun ononderbroken contact met Jezus Christus is gebaseerd op een constant gebedsleven; zo kunnen zij vertrouwelijk met Hem omgaan.
Hierbij moeten we vooral denken aan het bidden in geestelijke talen, geïnspireerd door de geest van God.
Wees waakzaam en bid onophoudelijk om te ontkomen aan de dingen die gebeuren gaan en om voor de Mensenzoon te kunnen verschijnen (Lucas 21:36).

Hun handen leggen de fundering van het huis van God en ze voltooien het daarna (zie Zacharia 4:9).
Zij zijn de priesters en koningen die gezalfd zijn met de heilige geest en met kracht.
Zij spreken zoals Jezus en doen dezelfde daden als Hij en zelfs nog grotere.
Johannes 14:12:
Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie op Mij vertrouwt zal hetzelfde doen als Ik, en zelfs meer dan dat, Ik ga immers naar de Vader.

De lampenstandaards of kandelaars wijzen op het licht dat de gemeente van de laatste tijd door deze zonen van God verspreidt.
De olijfbomen produceren de olie die het beeld is van de genezende en bevrijdende kracht van Gods geest.

Naast hun functie als tempelbouwers hebben de getuigen ook een taak ten opzichte van de afvallige schijngemeente.
We denken daarbij aan twee andere figuren uit het oude testament, namelijk Mozes en Elia.
De profeet Maleachi voorzegt:
Voordat de dag van de Heer aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur Ik jullie de profeet Elia … (zie Maleachi 3:23).

Elia leeft in de tijd van de grote afval onder Achab en Izébel.
Zo omvangrijk is deze afval van God, dat Elia denkt alléén overgebleven te zijn.
Hij herstelt het altaar van de Heer dat er verwoest bij ligt en op zijn gebed valt het hemelvuur erop, opdat Israël zich zal bekeren.
God wekt deze ‘geest van Elia’ opnieuw op in de laatste profeet van het oude verbond: Johannes de Doper.
Van hem wordt gezegd:
En voor wie het wil aannemen: hij is Elia die komen zou (Matteüs 11:14).
Maar nadrukkelijk wordt in vers 15 gezegd: Laat wie oren heeft goed luisteren!
Luister dus goed wat dit betekent!

Maar ook wijst Jezus erop dat Elia opnieuw zal komen om alles te herstellen.
Direct daarna zegt Hij dat Elia al gekomen is en dat ze met hem gedaan hebben wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat (zie Marcus 9:12-13).
Bij de getuigen herhaalt zich de historie.
Het woord van God, dat zij in al zijn volledigheid brengen, wordt weerstaan en gehaat door de religieuze leiders.
Men probeert hen te beschadigen, dus hen te doen struikelen, van hun opdracht af te brengen en hun rechtvaardigheid aan te tasten.
Het beschadigen van de innerlijke mens, het geweten, gebeurt altijd door de influistering en de infiltratie door demonen.
De schijngemeente brengt deze, als het moet, langs occulte weg tegen de zonen van God in stelling.

Maar de gemeente is in de woestijn buiten zicht en bereik van de slang (zie Openbaring 12:14).
Daardoor gaat het werk van Gods heilige geest in haar in de laatste tijd onbelemmerd door.
Het evangelie van het koninkrijk van God wordt door deze belangrijke getuigen over de hele wereld bekendgemaakt aan alle volken, naties en taalgebieden.
De religieuze wereld probeert hen te imponeren door de schijnwonderen en -tekenen van de antichrist.
Ook wil men door foutieve visies en gedachten de gemeente beschadigen en haar in haar ontwikkeling afremmen.
Als reactie komt er vuur uit de mond van de getuigen, dat hun vijanden verteert.
Dit vuur is het machtswoord dat zij mogen gebruiken om de tegenstanders (de demonen) aan het rijk van de dood, de afgrond over te geven.
Hun woorden zijn sterker dan die van hun vijanden, zoals licht duisternis verdrijft.

In 2 Tessalonicenzen 2:8 staat:
Pas dan verschijnt hij – en dan zal de Heer Jezus hem (de antichrist) doden met de adem van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst.
Het woord van de zonen van God heeft kracht gekregen door zijn geest.

Tegen de profeet Jeremia zegt de Heer:
Daarom – dit zegt de Heer, de God van de hemelse machten:
Omdat zij dit durven te zeggen,
maak Ik dit volk tot brandhout,
maak Ik mijn woorden in jouw mond
tot een vlam die hen verslindt
(Jeremia 5:14).

Zo voeren deze getuigen in de autoriteit van Jezus Christus hun geestelijke tegenstanders, de demonen, af naar het rijk van de dood.
Van de mensen die verbonden zijn en willen blijven met deze duistere machten worden geest en ziel dan volledig van de gemeenschap met God en zijn volk gescheiden.
Het woord van God dat de zonen van God brengen is als een zwaard dat aan twee kanten scherp is: of het geeft leven aan wie het accepteert of het leidt naar de dood voor wie het afwijst.
Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten en wie onrein is zal nog onreiner worden.
Wie goeddoet zal nog meer goeddoen en wie heilig is zal nog heiliger worden
(Openbaring 22:11).

Elke tegenstand tegen de medewerkers van God werkt als een boemerang naar de eigen ondergang.

Elia doet vuur vallen op zijn vijanden die hem proberen te arresteren.
Zo worden de tegenstanders van de getuigen van Jezus Christus het slachtoffer van de scheiding tussen goed en kwaad als het woord van God gebracht wordt.
Getuigen van Jezus Christus wil zeggen: mensen proberen te overtuigen van het plan van God dat de mens het niveau van de Mensenzoon kan bereiken!
Wat de profeet Obadja (vers 18) schrijft over de dag van de Heer komt uit:
Jakobs volk zal het vuur zijn, Jozefs volk de vlam en het volk van Esau de stoppels.
De stoppels gaan in vlammen op, het vuur zal ze verteren en niemand van Esaus volk zal ontkomen – de Heer heeft gesproken.

Esau is hier het symbool van de schijngemeente.

Als bij Elia heeft hun geestelijke macht de uitwerking dat het koninkrijk van God wordt gesloten voor hen die zich verzetten en hen vervolgen en willen beschadigen.
Daarom is, nadat zij het woord van God gebracht hebben, in de schijngemeente geen enkele werking en geen enkele vrucht van Gods heilige geest meer over.

Deuteronomium 11:13-17 geeft hiervan een duidelijke schets:
Als u de geboden gehoorzaamt die Ik u vandaag voorhoud, en de Heer, uw God, liefhebt en Hem met hart en ziel dient, belooft de Heer:
Ik zal jullie akkers op de juiste tijd regen geven, in het najaar en in het voorjaar.
Je zult je oogst binnenhalen, koren, wijn en olie, en Ik zal groene weiden geven voor je vee.
Je zult er leven in overvloed.
Maar pas op: laat u er niet toe verleiden een dwaalspoor te volgen, voor andere goden neer te knielen en ze te vereren.
Want dan roept u de woede van de Heer over u af en zal Hij de hemel sluiten.
Er zal geen regen meer vallen en de hele oogst zal mislukken, en spoedig zult u verdwenen zijn uit het goede land dat de Heer u zal geven.

Wij weten nu dat de ‘woede van de Heer’ bestaat uit de werkingen van het rijk van de duisternis.

Ook de profetie van Joël laat twee kanten zien:
De geest van God wordt uitgegoten op al wat leeft, dat wil zeggen: op iedereen die in contact leeft met God, die Hem zoekt.
Maar de hardnekkige schijngemeente wordt een prooi van ‘bloed, vuur en zuilen van rook’.
De twee getuigen hebben ook macht om water in bloed te veranderen en om de aarde te treffen met alle mogelijke plagen.
Deze beelden doen ons denken aan de vlucht van het volk van God uit Egypte, onder leiding van Mozes.
De plagen zijn een pressiemiddel voor de Egyptenaren om het volk van God te laten vertrekken, maar ze betekenen ook de redding van Israël.
Zo trekt onder de zware pressie de gemeente van Jezus Christus uit het geestelijke Egypte, onder leiding van de zonen van God.

Het water is het beeld van het geestelijke leven en het bloed is het beeld van het natuurlijke leven.
In de schijngemeente verdwijnt al het geestelijke, op het koninkrijk van God gerichte leven.
Haar religie bestaat alleen nog maar uit zichtbare en emotionele zaken.
Wat erger is: het is een occulte gemeente geworden.
Men verliest wat men nog heeft aan geestelijk bezit, doordat men totaal geen weerstand meer biedt aan de geesten uit het rijk van de duisternis.