Openbaring

Openbaring 12:3-4
Op de proef gesteld

Er verscheen een tweede teken in de hemel: een grote, vuurrode draak, met zeven koppen en tien horens, en op elke kop een kroon.
Met zijn staart sleepte hij een derde van de sterren aan de hemel mee en smeet ze op de aarde.
De draak ging voor de vrouw staan die op het punt stond haar kind te baren, om het te verslinden zodra ze bevallen was.

En er werd gezien (een) ander teken in de hemel en zie, een draak grote rode, hebbende koppen zeven en horens tien; en op de koppen van hem diademen zeven.
En de staart van hem sleept mee het derde (deel) van de sterren van de hemel en hij wierp hen op de aarde.
En de draak stond voor het aangezicht van de vrouw de op het punt staande (om te) baren, opdat wanneer zij maar gebaard heeft, het kind van haar hij opeet.

De tegenstander van de vrouw in de geestelijke wereld is de draak.
De vijand van de gemeente is niet de zogenaamde oude mens of de eigen zondige natuur, dus niet iets dat uit haar zelf komt.
Maar zoals Jezus het uitlegt door de vergelijking van het onkruid tussen de tarwe:
… de tegenstander is de duivel, of zoals Openbaring 20:2 zegt: de draak, de slang van weleer die ook duivel of satan wordt genoemd.
In Matteüs 13:39 staat:
… het onkruid zijn de kinderen van de boze; de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel …
Daarom bidt de vrouw niet dat ze ‘van zichzelf bevrijd mag worden’ maar ‘bevrijd mij van satan’.
Als deze de gemeente van de laatste tijd niet meer kan verleiden om te zondigen of haar het geloof kan ontfutselen, dan zal hij haar op alle mogelijke andere manieren proberen onder druk te zetten.

Jezus zegt in dit verband in Openbaring 2:10 tegen de gemeente van Smyrna:
Wees niet bang voor wat u nog te wachten staat.
Sommigen van u zullen door de duivel in de gevangenis worden gegooid en zo op de proef worden gesteld.

Op de proef gesteld worden gaat dus niet van God uit, maar altijd van de tegenstander.
In de geestelijke gevangenis van leugen en bedrog ervaren we veel beperkingen en het afgesneden zijn van het echte leven in de vrijheid, dat hoort bij het koninkrijk van God.

De vuurrode kleur van de draak wijst op die van vuur, beeld van het verterende werk van de demonen.
Hij heeft zeven gekroonde koppen en tien horens als een prehistorisch reptiel.
Van dit vreselijke monster wordt in Psalm 104:26 gezegd:
Daar bewegen de schepen zich voort,
daar gaat Leviatan, door U gemaakt om ermee te spelen.

Het woord ‘spelen’ houdt niet in dat God zich met dit beest ‘vermaakt’, maar wel geeft het aan dat het God en ook de gemeente die vol is van zijn geest geen enkele moeite kost hem in toom te houden.
Al in Psalm 74:14 en Jesaja 27:1 wordt geprofeteerd dat God dit veelkoppige monster zal elimineren:
… u hebt de schedels van Leviatan verbrijzeld, hem als voedsel gegeven aan de dieren in de woestijn … en
Op die dag zal de Heer ingrijpen: Hij trekt zijn groot en machtig zwaard tegen Leviatan, de snelle, kronkelende slang en Hij zal Leviatan doden, het monster in de zee.
In het boek Job wordt dit intimiderende monster de koning van alle trotse dieren genoemd (zie Job 41:26).

In zijn verschijningsvorm tegenover de gemeente vertoont hij zich als de geestelijke kracht uit de afgrond of het rijk van de dood.
Hij wordt dan gezien als het beest uit de zee of uit de onderaardse diepte (of: afgrond) (zie Openbaring 11:7, 13:1 en 17:8).
Dit beest uit de afgrond is de tegenhanger van Gods heilige geest.
In de laatste tijd openbaart de staart van de draak zich als de antichrist of als de schijnprofeet.
… de profeet die leugen onderwijst, die is de staart (zie Jesaja 9:14 NBG).
De antichrist is het tegenbeeld van de Zoon en de zonen van God.
Zoals de Vader werkt door zijn heilige geest in de Zoon en in de gemeente (de zonen), zo werkt de draak door het beest uit de zee in de antichrist en in zijn gemeente.

Het venijn of het gif van misleiding zit in de staart.
Hierdoor zal de staart van de draak, de antichrist, in de laatste tijd een derde van de sterren uit de hemel kunnen meeslepen en ze op aarde gooien.
Dit betekent dat zeer veel gelovigen het geestelijk gerichte evangelie over het koninkrijk van God loslaten of afwijzen, door zich bezig te houden met een zichtbare, aardsgerichte religie.
De gemeente die wél haar plaats vasthoudt in het koninkrijk van God, staat in de laatste tijd op het punt de zonen van God tevoorschijn te laten komen.

Altijd heeft de draak de vrouw bedreigd, geïntimideerd en tegengewerkt.
Deze baart nu onder grote krachtsinspanning de zonen van God, die hun positie in de geestelijke wereld als overwinnaars gaan innemen.
Maar de antichrist zal nog veel gelovigen kunnen verleiden en pressen en achter zich aantrekken.
Zij zullen daardoor hun plaats en taak in de onzichtbare wereld opgeven.
Zo worden ze door de antichrist teruggeworpen naar een bestaan ‘op de aarde’, onder het regime van de heerser over deze wereld.
Jezus profeteert en waarschuwt in Matteüs 24:21 al over deze tijd:
Want het zal een tijd zijn van enorme verschrikkingen (grondtekst: verdrukking), zoals er sinds het ontstaan van de wereld tot nu nooit geweest zijn en er ook niet meer zullen komen.
De schijnchristussen en schijnprofeten zullen zich aandienen en indrukwekkende tekenen en wonderen verrichten om ook Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden
(zie Matteüs 24:21-24).

De sterren aan de hemel zijn hier niet de demonen, evenmin als die in vers 1.
Want in vers 9 lezen we dat het demonische leger door de zonen van God op de aarde wordt gegooid.
Satan verleidt een derde deel van de geestelijk vergevorderde christenen om een tegengemeente te vormen van wetteloze mensen.
2 Tessalonicenzen 2:7:
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst degene die hem tegenhoudt verdwijnen.
Ook de antichrist, de aanvoerder van dit leger, hoort bij hen die afkomstig zijn uit de gemeente van Jezus Christus.
Ook hij is een van hen die op de aarde geworpen is.
Hij laat, net als satan, zijn oorspronkelijke positie en de hem toegewezen plaats los (zie ook Judas:6).

Is het wonder dat de vrouw het uitschreeuwt van pijn en moeite om de zoon (zonen) te baren?
Ze roept vanuit het diepst van haar hart tot God om bevrijding van de druk, de verwarring en de intimidatie.
Het is voor haar door deze tegenwerkingen niet gemakkelijk om de rijpe vrucht voort te brengen.
Het is voor de gemeente bijzonder moeilijk om het volk van God geestelijk volwassen te laten worden.
Die druk en die tegenstand zijn voor haar de oorzaak van een moeilijke periode en een zware strijd in die dagen.
Maar ondanks dat of juist daardoor zullen zij die standhouden en doorzetten, doorgroeien naar de volwassenheid.