Openbaring

Openbaring 12:7-8
De troon van God

Toen brak er oorlog uit in de hemel.
Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak.
De draak en zijn engelen boden tegenstand maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer.

En er ontstond oorlog in de hemel; Michaël en de engelen van hem voerden oorlog tegen de draak en de draak voerde oorlog en de engelen van hem.
En niet waren zij krachtig (genoeg) noch (een) plaats werd gevonden van hen meer in de hemel.

In de onzichtbare wereld barst de strijd los.
Want de zonen van God zijn geopenbaard en zij hebben hun geestelijke posities ingenomen.
Zij zijn de medewerkers en de medestrijders van God.
Ze zijn weggevoerd naar God en zijn troon.
De troon is het beeld van de mogelijkheid om te heersen over de duisternis.
Het zitten op de troon is óók het symbool van het dienen van de gebonden en zieke medemens, door deze te bevrijden en te genezen.
Daarvoor is nodig de ‘leer met gezag’, zoals Jezus die heeft gebracht én gepraktiseerd.
De zonen van God regeren niet om te heersen, maar om zo de voorwaarden te scheppen waaronder ook andere gelovigen kunnen toegroeien naar het niveau van Jezus Christus.
Daarom moeten we de troon van God niet lokaliseren als een plaats ergens in het heelal, waar God zijn zetel heeft.
Want visioenen geven in natuurlijke beelden de geestelijke werkelijkheden weer.

De zoon is een verzamelnaam voor de zonen van God.
leder gemeentelid openbaart voor zijn deel en op zijn manier de liefdevolle heerschappij van God.
En samen als gemeente laten ze zijn volle rijkdom van liefde, wijsheid en kracht zien.
Ze zijn uitgerust met een ijzeren staf waarmee ze de demonen aan zich onderwerpen.
Ze hebben door Gods woord en geest de macht om geestelijke slangen en schorpioenen te vertrappen en het hele leger van de vijand te overwinnen.
Lucas 10:19:
Bedenk wel: Ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en om de kracht van de vijand te breken, zodat niets jullie kan schaden.

De grote opdracht van Jezus is:
… in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen onbekende talen spreken … (zie Marcus 16:17).
De eeuwen door heeft de schijngemeente deze opdracht niet opgevolgd.
Ze heeft oorlogen gevoerd in de zichtbare wereld en heeft zich zo op aarde willen handhaven.
Maar een oorlogsfront tegen de geestelijke overheden, tegen de demonen, tegen de heersers uit het rijk van de duisternis heeft zij nooit gevormd.
De schijngemeente heeft geen inzicht in het rijk van de hemel.
Zelfs wordt door haar het geloof in het bestaan van de onzichtbare wereld, van engelen en duivelen naar het land van de sprookjes (…) verwezen.
Menig moderne theoloog haalt er meewarig glimlachend zijn schouders over op.

Johannes schrijft:
De hemel scheurde los en rolde zich als een boekrol op (zie Openbaring 6:14).
In het gedachten- en geloofsleven van de gelovigen wordt de onzichtbare wereld een gesloten boek.
Het aardsgerichte volk van God heeft geen kennis meer van het rijk van de hemel en de oorlog die daar gevoerd wordt, ontgaat het.
Maar toch komt er oorlog in de hemel, volgens onze tekst.
De echte gelovigen hebben altijd wel schermutselingen en voorhoedegevechten met het rijk van de duisternis geleverd.
In de laatste tijd ontbrandt de oorlog in zijn verschrikkelijke realiteit en totaliteit.
Maar de echte gemeente heeft dan de sleutel van de kennis en van het inzicht teruggevonden.
Tot die tijd heeft zij zich moeten behelpen met de wetten van het oude verbond, zoals die van de Sinaï.
Maar in de laatste tijd functioneert de wet van de geest van God in haar.
Dan gaan in haar de krachten van de komende nieuwe eeuw, het duizendjarige rijk, werken.
Zo wordt Jezus herkenbaar in zijn volk.
Zij worden als Hij.

Tot in onze tijd geeft de schijngemeente een voorstelling van Christus die niet klopt met die we kunnen zien in de evangeliën.
Maar dán wordt de Heer zichtbaar in zijn volk op dezelfde manier als Hij zich eenmaal op aarde heeft geopenbaard.
De ‘bijbelse tijden’ herleven:
gebonden mensen worden bevrijd,
demonen worden uit mensen verwijderd,
zieke mensen worden genezen
en het volledige evangelie (de leer met gezag) van het rijk van de hemel wordt bekendgemaakt.
Dit evangelie is niet meer tegen te houden!
Als het goede nieuws van Jezus Christus zuiver en compleet gebracht wordt, zal de wereld Hem nóg een keer zien zoals Hij werkelijk is:
als bevrijder,
redder,
genezer,
doper in Gods heilige geest en
als hersteller die zijn volk naar de volmaaktheid leidt.

De aanleiding van de oorlog is duidelijk.
Het gaat erom wie op de troon van God komt te zitten.
Het is de bedoeling van God zijn macht te delen met zijn aanstaande vrouw: de gemeente van Jezus Christus.
Aan haar kan Hij zichzelf en zijn luister helemaal kwijt:
Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen.
Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn
(Openbaring 21:3).

Maar de Bijbel vertelt ons ook dat satan vurig naar deze troon verlangt.
Als hoogste geschapen geestelijke wezen wordt van hem gezegd:
Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel,
boven Gods sterren plaats ik mijn troon.
Ik zetel op de toppen van de Safon,
de berg waar de goden bijeenkomen.
Ik stijg op tot boven de wolken,
ik evenaar de Allerhoogste
(Jesaja 14:13-14).
De draak merkt nu dat de eerste zonen als overwinnaars op deze troon hun plaats gaan innemen.
Eerst wil hij de geboorte van de zonen van God verhinderen, daarom sleept hij door misleiding er veel achter zich aan en werpt ze op de aarde (zie vers 4).
Hun religie wordt aardsgericht, een zaak van het uiterlijke.

Nu wil hij beletten dat de trouwe gelovigen hun plaats innemen op de troon.
Hiervoor zet hij al zijn troepen in, maar de tijd van het verbrijzelen van de macht van het heilige volk is voorbij (zie Daniël 12:7).
De heilige engelen van God komen onder aanvoering van Michaël (= wie is als God?) de zonen van God te hulp.
In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de kinderen (NBG: zonen) van je volk terzijde staat (Daniël 12:1).

In de strijd van de zonen van God tegen de demonen van verleiding, misleiding, zonde, ziekte en gebondenheid en geweld of intimidatie helpen de heilige engelen.
Want zij zijn helpende geesten die door God uitgezonden worden om hen te ondersteunen die deel zullen krijgen aan het herstel en de luister van God (zie Hebreeën 1:14).

De taak van de zonen van God is om in de autoriteit van hun Heer, of namens Hem en in zijn kracht, demonen uit mensen te werpen en zieke mensen te genezen.
Dit kunnen engelen niet omdat zij niet in de mens mogen komen, ze mogen zich niet met zijn geest verbinden.
Als demonen wél in de mens komen, dan doen zij dit onrechtmatig, want alleen God heeft recht om bij de mens zijn intrek te nemen.
De heilige engelen kunnen de mens wel beschermen en voor hem in de bressen gaan staan.
Daarom is het goed om na een handoplegging te vragen of de hemelse Vader zijn engelen opdracht wil geven de bevrijde en genezen mens te verdedigen en te beschermen.

Satan zal zeker terug (willen) komen om ‘zijn’ huis opnieuw te bezetten.
Lucas 11:24-26 zegt in dit verband:
Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden op zoek naar een rustplaats.
Maar als hij die niet vindt, zegt hij:
Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.
En wanneer hij terugkeert, merkt hij dat het schoongemaakt is en op orde gebracht.
Dan gaat hij weg en haalt er zeven andere demonen bij, slechter dan hijzelf en ze nemen daar blijvend hun intrek.
En zo is de mens bij wie de demon intrekt er ten slotte veel slechter aan toe dan voorheen.

Bescherming is dus geen overbodige luxe!

Want als wij bij een mens de demonen uitwerpen, is deze bevrijde mens soms nog niet altijd direct genezen.
Een verslaafde is na zijn bevrijding nog niet altijd ogenblikkelijk een sociaal voelend mens geworden.
Alles wat satan gebruikt, wordt door hem geschonden.
De dief komt alleen om te roven, te slachten en te vernietigen (zie Johannes 10:10).
Het geestelijke huis dat zo beschadigd is, geeft de duivel vaak nog de mogelijkheid om opnieuw te infiltreren.
Dus voor de tijd dat genezing en herstel nog niet volledig te zien zijn, bidden wij om de bescherming door de engelen van God tegen de aanrukkende legermacht van de vijand.
Psalm 91:11-12:
Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen,
die over je waken waar je ook gaat.
Hun handen zullen je dragen,
je voet zul je niet stoten aan een steen.

In opdracht van God verenigen de zonen van God zich in de laatste tijd met de engelen voor de grote en laatste oorlog in de geestelijke wereld.
De tijd waarin en het ogenblik waarop het herstel van het Israël van God plaatsvindt, bepaalt Hij op die manier zelf (zie Handelingen 1:7).
In zijn toespraak over de laatste ontwikkelingen in het plan van God profeteert Jezus:
Dan zal Hij zijn engelen uitzenden en onder luid bazuingeschal zullen zij zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeenbrengen, van het ene uiteinde van de hemelkoepel tot het andere (Matteüs 24:31).

Het bazuingeschal is het teken dat wij (nu al) worden opgeroepen om weerstand te bieden aan de duivel en hem zo op de vlucht te jagen (zie Jakobus 4:7).
Dat stemt overeen met het advies uit Joël 2:1:
Blaas de ramshoorn op de Sion,
blaas alarm op mijn heilige berg;
laat alle inwoners van het land beven van ontzetting:
de dag van de Heer komt!
Hij is nabij!

Dit betekent het beieren van de klokken in de geestelijke wereld.
Gods gecombineerde legers trekken eensgezind op tegen de vijand.
Ze forceren een doorbraak, de tegenstander moet wijken en het doel van het herstelplan van God wordt bereikt:
de volmaakte mens zoals God die op het oog heeft, die volledig in staat is om te doen wat God van hem vraagt (zie 2 Timoteüs 3:17).
Zo maakt God zijn volk tot een eenheid doordat het deze geestelijke oorlog voert in de tijd waarin op de bazuinen geblazen wordt.
In Romeinen 8 en 9 kunnen we hier meer over lezen.

De draak en zijn engelen kunnen niet langer standhouden.
Het gebed:
Bevrijd ons uit de greep van het kwaad
(of van satan) is verhoord (zie Matteüs 6:13).
De zonen van God zijn in alle opzichten vrij!
Ieder gedwongen contact met de vijand is verbroken.
In de geestelijke wereld heeft satan de strijd verloren: voor hem en zijn duistere handlangers is in de hemel geen plaats meer.
Dan volgt hun aftocht naar de aarde, de aardsgerichte schijngemeente.
Deze houdt geen rekening met de geestelijke wereld en heeft daarin dus geen inzicht.
Zo wordt zij een gemakkelijke prooi van de demonen omdat haar wijsheid niet van boven komt, maar aards en ongeestelijk, zelfs duivels is (zie Jakobus 3:15).
Voor deze onzichtbare, geestelijke wezens vormen deze mensen hun laatste verschansing.