Openbaring

Openbaring 12:9
De tempel van God

De grote draak werd op de aarde gegooid.
Hij is de slang van weleer, die duivel of satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt.
Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid.

En werd geworpen de draak de grote, de slang oude de genoemd wordende duivel en de satan, de misleidende de bewoonde wereld hele, hij werd geworpen op de aarde en de engelen van hem met hem werden geworpen.

De vrouw, de gemeente in haar zichtbare vorm op aarde, bestaat in die tijd uit leden die ieder hun positie in de geestelijke wereld ingenomen hebben.
De grote opdracht van Jezus Christus om de demonen te verdrijven, wordt door hen uitgevoerd.
Tegenover deze bevrijde zonen van God staat nu een schijngemeente waarin de demonen zich steeds sneller en krachtiger manifesteren.
In geval van verleiding staan de duistere machten nog aan de buitenkant.
Dan ligt de zonde(macht) nog, net als bij Kaïn, als een belager of roofdier aan de deur van ons hart.
Dan is het nog mogelijk om over hem te heersen of sterker te zijn dan hij (zie Genesis 4:7).
Maar nu breekt de tijd aan dat de mens zonder God volledig in beslag genomen wordt door de zonde(machten).
Hij wordt bezet gebied.

Door spiritisme, occultisme, heidense godsdiensten en de werking van geestverruimende middelen en methoden kunnen mensen met hun innerlijke mens sterk gebonden worden aan demonen.
Zoals de echte gelovigen in de laatste tijd gedoopt worden in Gods heilige geest, zo bestaat er ook een doop van satan.
Zoals wie zich met de Heer verbindt één geest met Hem wordt (zie 1 Korintiërs 6:17), zo worden deze mensen één (van) geest met satan.
Paulus schrijft in 2 Tessalonicenzen 2:3 in dit verband over het verschijnen van de wetteloze mens.
In hem openbaart zich de zoon van het verderf, de tegenstander, de geest van de antichrist, van wie gezegd wordt:
Hij zal alles wat Goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf
(2 Tessalonicenzen 2:4).

De tempel van God is de mens.
God wil in hem wonen door zijn heilige geest.
Andere geesten mogen deze woning, die God voor zichzelf bestemd heeft, niet betrekken.
Daarom is het een onrechtmatige en wetteloze daad van de demonen als zij hun eigen woning, de geestelijke wereld, verlaten en in de mens trekken.
Als satan met zijn engelen op de aarde geworpen wordt, demoniseert hij de schijngemeente.
Alleen zij die de naam van de Heer aanroepen, dat wil zeggen: in de autoriteit van of namens Jezus bevrijd en hersteld worden, zullen dan nog gered kunnen worden.
Alleen zij kunnen ook het doel bereiken: de volledige luister van God in hun leven.

Een gigantische overstroming van vuur (demonen) komt over de aardsgerichte gelovigen.
Deze mensen komen onder een geweldig zware geestelijke pressie te staan.
Alleen zij die in Gods geest gedoopt zijn en die geen enkele band hebben met de duisternis, kunnen deze druk weerstaan.
Het gaat in die tijd als bij het vertrek van het volk Israël uit Egypte:
aan de ene kant een manifestatie van de levende God door middel van zijn toegewijde medewerkers
en
aan de andere kant een demonstratie van bovennatuurlijke krachten van het rijk van de duisternis.

Jezus profeteert dat de hemelse machten zullen wankelen (zie Lucas 21:26).
Satan en zijn engelen worden uit de hemel verdreven, dat wil zeggen: vanuit de onzichtbare wereld zullen zij de mens rechtstreeks aangrijpen en overweldigen.
Ook de mens zelf roept deze machten naar zich toe, namelijk door de zonde van spiritisme en occultisme.
Deze zullen in die dagen een afschuwelijke omvang en intensiteit bereiken.
Als de zonen van God de blijverraste uitroep van de leerlingen van Jezus kunnen overnemen:
Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons bij het horen van uw naam
zal ook het antwoord van Jezus uitgekomen zijn:
Ik heb satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen! (zie Lucas 10:18).

In de onzichtbare wereld is geen plaats meer voor de demonen, want Michaël en zijn engelen verdrijven hen daaruit en de zonen van God weerstaan hen daar.
Ze moeten dus een onderkomen zoeken in de ‘zichtbare’ wereld, het liefst in de mens, om als Gods tegenstanders nog iets te kunnen bereiken.
Satan zet dan zijn grote offensief in om de menselijke geest zó nauw aan zich te binden dat scheiding met de demonen niet meer mogelijk is.
Dit mondt uiteindelijk uit in de definitieve scheiding met God en Jezus:
Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen (Matteüs 25:41).

Deze nauwe band tussen de mens en de demonen blijkt uit het feit dat de schijnprofeet gelijk met het beest uit de zee in de vuurpoel gegooid wordt.
In Openbaring 19:20 lezen we:
Het beest werd gevangengenomen, samen met de valse profeet die in zijn bijzijn tekenen had verricht, waardoor hij iedereen had misleid die het merkteken van het beest droeg en zijn beeld aanbad.
Levend werden ze in de vuurpoel met brandende zwavel gegooid.

Als de demonen niet van de mens gescheiden worden, zal deze laatste samen met hen ten onder gaan.