Openbaring

Openbaring 14:19-20
Voedingsbodem in Gods koninkrijk

Toen wierp de engel zijn sikkel op de aarde en hij oogstte de druiven in de wijngaard op de aarde en gooide ze in de grote perskuip van Gods woede.
De wijnpers werd buiten de stad getreden.
Er kwam een grote stroom bloed uit, zestienhonderd stadie lang en zo hoog als het bit bij een paard.

En wierp de engel de sikkel van hem op de aarde en hij zamelde in de wijnstok van de aarde en hij wierp (die) in de wijnpersbak van de grimmigheid van God grote.
En werd getreden de wijnpersbak buiten de stad en kwam naar buiten bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, op een afstand van stadiën duizend zeshonderd.

De engel oogst van de aarde of zoals we ook kunnen lezen: … hij snijdt met een sikkel de druiventrossen van de wijnranken af.
Niet alleen de vruchten worden verwijderd, maar ook de wijnstok zelf wordt weggedaan.
Als het beest uit de afgrond en de schijnprofeet levend in de vuurpoel gegooid worden, houdt daarmee ook de kracht van de dwaling op.
Deze dwaling heeft welig in het aardsgerichte christendom getierd, maar haar voedingsbodem heeft ze altijd gehad in de afgrond.

De antichrist met zijn gemeente vormt de ‘schijnwijnstok’ met zijn ranken en zijn trossen.
Zo staat zij tegenover de echte wijnstok Jezus Christus met zijn gemeente, die zijn voedingsbodem heeft in het koninkrijk van God.
Alles wat hoort bij de wijnstok van dwaling en wetteloosheid wordt in de grote persbak van ‘Gods woede’ geworpen.
Deze ‘woede van God’ is hier het beeld van de concentratie van de demonen die door Gods woord machteloos gemaakt worden.
2 Tessalonicenzen 2:7-8:
Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst degene die hem tegenhoudt verdwijnen.
Pas dan verschijnt hij – en dan zal de Heer Jezus hem doden met de adem van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst.

Johannes ziet ook hoe deze druiventrossen platgetrapt worden om de wijn eruit te persen.
En de ongerechtigheid komt uit de persbak, de gevolgen van wat de demonen hebben aangericht.
Ze lasterden de God van de hemel, vanwege hun pijn en hun zweren en ze braken niet met het leven dat ze leidden (Openbaring 16:11).

Wie is het die de druiven in deze persbak plattrapt?
Het antwoord vinden we in Jesaja 63:2- 4:
Hoe komen uw kleren zo rood,
als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?
Ik heb de perskuip alleen getreden,
geen van de volken hielp Me daarbij.
Ik trad hen in mijn woede,
vertrapte hen in mijn toorn.
Hun bloed spatte op mijn kleren,
al mijn kleren werden besmeurd.
Ik had besloten tot een dag van wraak,
het jaar van vergelding was aangebroken.

Ook de profeet Joël beschrijft deze gebeurtenis in de onzichtbare wereld met de woorden:
Sla de sikkel erin, want de oogst is rijp.
Kom, treed, want de perskuip is vol; de wijnbakken stromen over.
Want hun boosheid is groot
(Joël 3:13).

We zien ook hier weer duidelijk dat deze laatste serie oordelen het volk van God niet treffen.
De druiven in deze persbak worden buiten de stad van God, het hemelse Jeruzalem, platgetrapt.
Als Johannes wat beter kijkt naar het druivensap, ziet hij dat het bloed is.
Het bloed, beeld van het leven, stroomt weg en de dood blijft over.

De gemeente van de antichrist wordt volkomen een prooi van het vuur, dat is van de demonie.
Zij wordt nu volledig geïnspireerd door satan en is zo totaal een prooi van de wetteloosheid geworden.
Haar leden kunnen zelfs niet meer als gewone natuurlijke mensen leven.
Enorm van omvang is deze serie plagen.
Het beeld spreekt van een afgrijselijk slachtveld, waar bij wijze van spreken paarden tot aan hun koppen door het bloed kunnen waden.
Het is een zee van bloed, van driehonderd kilometer lengte.
Dit is alleen als geestelijk beeld voor te stellen van de enorme impact die dit heeft op de religieuze aardsgerichte mensheid.

Miljoenen mensen zijn slachtoffer en een volledige prooi van de geestelijke dood.
Er is sprake van zestienhonderd stadiën, een volheid van veertig maal veertig.
Kerkgeschiedenis …!
Bij de zonen van God maakt zijn geest, die in hen woont, hun sterfelijke lichamen levend.
Zo zijn de zonen van het verderf zo gedemoniseerd, dat dit ook in hun lichamen doorwerkt.
Tenslotte worden ook dezen een prooi van de laatste vijand: de dood.