Openbaring

Openbaring 14:9-11
De vuurpoel die van zwavel brandt

Zij werden gevolgd door een derde engel, die met luide stem riep:
‘Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of zijn hand krijgt, zal hij de wijn van Gods woede moeten drinken, die onverdund in de beker van zijn toorn is geschonken.
Hij zal in vuur en zwavel worden gepijnigd, onder de ogen van de heilige engelen en van het Lam.
De rook van die pijniging zal opstijgen tot in eeuwigheid.
Wie het beest en zijn beeld aanbidden, of wie het merkteken van zijn naam draagt, ze krijgen geen rust, overdag niet en ‘s nachts niet.’

En (een) derde engel volgde hen, zeggende met een stem grote: indien iemand het beest aanbidt en het beeld van hem en hij ontvangt (een) merkteken op het voorhoofd van hem of op de hand van hem ook hij zal drinken van de wijn van de grimmigheid van God, de gemengd zijnde ongemengd in de beker van de toorn van Hem en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel voor het aangezicht van de heilige engelen/ [van engelen] en voor het aangezicht van het Lam.
En de rook van de pijniging van hen stijgt op in (de) eeuwigheden van (de) eeuwigheden; en niet hebben rust dag en nacht de aanbiddenden het beest en het beeld van hem en indien iemand ontvangt het merkteken van naam van hem.

Openbaring 14 beschrijft het begin van het einde.
De periode van de laatste plagen wordt ingeluid.
Babylon, de grote verwarring, is uit het godsdienstige leven weggevaagd.
Het vlees van de grote hoer, haar uiterlijke verschijning, is door de antichristelijke macht verslonden, dat wil zeggen: er is niets meer van over (zie Openbaring 17:16).
Haar rijkdom, haar organisaties en haar invloed zijn overgenomen door de wetteloze mens, een verzamelnaam van de zonen van het verderf (zie 2 Tessalonicenzen 2:3).
De scheiding tussen licht en duisternis is nu voor iedereen duidelijk te zien.
Het Lam met zijn vrijgekochten staat aan de ene kant en de antichrist met zijn gemeente aan de andere.
De eersten staan in het volle licht, de anderen in de totale duisternis.

Beide groepen hebben een duidelijk kenmerk:

Er wordt op hoog niveau gestreden:
Geest tegenover geest, geloof tegenover geloof en geestelijke kracht tegenover geestelijke kracht.
Doordat ze verbonden zijn met het beest, worden de wetteloze zonen bij elkaar gevoegd en komt zo uit wat Jezus zegt:
Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal Ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen:
Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het.
Breng dan het graan bijeen in mijn schuur
(Matteüs 13:30).

Wie het beest aanbidt en gedoopt wordt in zijn geest, zal de wijn van ‘Gods woede’ moeten drinken.
In de hele Bijbel zien we dat de woede of de toorn van God een beschrijving is van de onstuimige werking van demonen.
Dit is altijd een gevolg van het feit dat mensen zich bewust van God afkeren en dus zijn bescherming niet meer (kunnen of willen) genieten.
Het loon van de zonde is de dood, (zie Romeinen 6:23) dit is het voor altijd gescheiden zijn God!
De demonen hebben dan vrij spel.

Johannes 3:36:
… wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten.’
Romeinen 2:5:
Doordat u zo hardleers bent en niet tot inkeer wilt komen, maakt u dat de straf (NBG: toorn) waartoe God u veroordeelt op de dag dat Hij zijn rechtvaardig vonnis uitspreekt en uitvoert, alleen maar zwaarder wordt.
Efeziërs 5:6:
Laat u door niemand met loze woorden misleiden, want wie God ongehoorzaam is, wordt getroffen door zijn toorn.
Kolossenzen 3:6:
… want om deze dingen treft Gods toorn degenen die Hem ongehoorzaam zijn.

God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis, volgens 1 Johannes 1:5.
De tegenstelling tussen God die licht is en de duisternis wordt hier in het Grieks sterk benadrukt.
Er staat in feite een dubbele ontkenning:
in God is absoluut geen duisternis, geen spoortje van duisternis.
Als wij in de duisternis leven, kunnen we geen contact met God onderhouden.
Toorn of woede hoort bij duisternis, dus niet bij God!
Ook ziekte en ellende die in ons leven duisternis veroorzaken, komen nooit van God, maar uitsluitend van de vorst van de duisternis.
Dat blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit wat Jezus gedaan heeft.
Handelingen 10:38 zegt:
… Jezus uit Nazaret met de heilige geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed.
Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij.

Ook kan God geen gebruik maken van duisternis, bijvoorbeeld om ons terecht te wijzen.
Veel mensen denken dat God mensen ziek maakt of andere rampen stuurt om hen weer in het rechte spoor te krijgen.
Maar dit is wel in grote tegenspraak met wat de Bijbel zegt in Romeinen 12:21:
Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.
Als God dit principe aan óns voorhoudt, zal Hij zich zélf daar ook zeker aan houden!

De laatste zeven plagen beschrijven de ondergang van het rijk van de antichrist.
De wijn moet onvermengd gedronken worden, dat wil zeggen gemengd met kruiden, zonder dat hij met water aangelengd is.
Het resultaat is een krachtige, koppige wijn, beeldspraak van de hevigheid van de werking van de demonen.
In deze plagen is niets dat hun uitwerking verzacht.
Iedere vorm van liefde en genade ontbreekt bij dit oordeel of scheidingsproces.
Maar deze stortvloed van duisternis komt niet over de gemeente van Jezus Christus.
Want de schalen met de ‘toorn van God’ worden uitgegoten over:
Alle mensen die het merkteken van het beest droegen en zijn beeld aanbaden … (zie Openbaring 16:2).

De doop in de geest van het beest maakt de mensen immuun voor welke positieve invloed dan ook vanuit het koninkrijk van God.
Het merkteken van het beest maakt hen één met het rijk van de duisternis.
Zoals de zonen van God het niveau van Jezus Christus bereikt hebben, zo ook de zonen van het verderf dat van hún meester.
Daarom is hier geen sprake meer van Goddelijke verdraagzaamheid en zachtmoedigheid.
De dienaren van de antichrist ‘leven en bewegen zich’ (vergelijk Handelingen 17:28) buiten God.
Daarom wordt zijn rijk meegesleurd tot diep in de hel.

Ook bij de verwoesting van de steden Sodom en Gomorra regent het vuur en zwavel (zie Genesis 19:24-25).
De bewoners bedrijven hooghartig en met dichtschroeien van hun geweten grove onnatuurlijke en perverse zonden.
Hierop volgt hun ‘loon’ in de zichtbare wereld.
Vergelijk hiermee Romeinen 6:23, waar staat dat het loon van de zonde de dood is.
Straf komt dus niet van God, maar van satan, die zijn (negatieve) ‘loon’ uitbetaalt aan de mensen die voor hem ‘werken’, dat wil zeggen: die zijn duistere daden doen.

Bij de antichrist ligt de zonde veel dieper: zij wordt daar geboren uit een bewust contact met het beest uit de afgrond.
Daarom zal voor de steden Sodom en Gomorra de oordeelsdag beter te verdragen zijn dan voor hen die het merkteken van het beest dragen.
In Matteüs 10:15 gaat het in dit verband over mensen die het evangelie bewust niet willen accepteren:
Ik verzeker jullie: de dag van het oordeel zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan voor die stad.
De bewoners van Sodom en Gomorra hebben het evangelie nooit gehoord.
De wereld van de laatste tijd heeft de tekenen en de wonderen van de zonen van God wél gezien en toch komen haar bewoners niet tot inkeer.
Zij hebben de leugen lief boven de waarheid en de dwaling boven het eeuwige evangelie van God, die puur licht is en die een onvoorstelbaar mooi plan met de mens heeft.

Tegen Jezus roepen de demonen:
Ben je hier gekomen om ons pijn te doen nog voordat de tijd daarvoor is aangebroken? (zie Matteüs 8:29).
De antichrist met zijn gemeente ondervindt in deze periode al de intensiteit van de helse folteringen.
Haar leden worden compleet overgeleverd aan het vuur en aan de zwavel, beelden van de demonische machten met hun ontbindende, vergiftigende en verstikkende werking.

Er is een eeuwig evangelie zonder einde, dat van toepassing is in alle tijdperken.
Maar aan de andere kant is er ook een eeuwig vuur waarvan de rook opstijgt.
Dit is de dodelijke hitte en de verstikkende werking van de demonie.
Bij de laatste plagen wordt deze walm steeds dichter.
De bewuste en fanatieke volgelingen van de antichrist leven (nu) al in de hel en zij blijven voor altijd in deze toestand.
Als ze geen keus maken voor God bij het horen van het rijke evangelie van Jezus Christus, wie kan hen er dan nog toe brengen om wél de juiste keus te maken?
Zelfs al worden de zonen van God openbaar, zal dit hen dan op andere gedachten brengen?
Helaas kunnen we in de Bijbel vaak lezen dat mensen zelfs niet tot inkeer komen als ze grote wonderen en tekenen zien, zowel bij Jezus als bij de apostelen.

Ze zijn één in het kwaad geworden, zoals de duivel en het beest hier één in zijn.
In hen is geen verlangen naar herstel, geen dorst naar rechtvaardigheid en geen wil om naar God te gaan.
Ze moeten heel bewust niets van het evangelie hebben en zo kunnen ze ook niet gered worden van de ondergang.

Van de vier wezens in Openbaring 4 wordt gezegd dat ze dag en nacht bezig zijn met de lof en de aanbidding van God.
Ze zijn voortdurend vol eerbied en ontzag voor de grote Schepper van alle dingen en voor zijn machtige en prachtige plan met zijn schepping en vooral met de mens.
Als tegenhanger daarvan achtervolgen de angst en de ontzetting de wetteloze zonen, dag en nacht.
Deze aanbidders van het beest en van zijn beeld liggen onder een eeuwige vloek.
Ze dragen de naam van het beest en daarin bezitten ze ook zijn wezen.
Waar het beest is in woord en daad, daar zijn ook zij en ze blijven met hem verbonden in de vuurpoel die van zwavel brandt.
Dit is: ze kunnen niet meer loskomen van de demonen met wie zij bewust contact hebben gezocht.