Openbaring

Openbaring 15:1-4
De zee als van glas (‘glazen zee’)

Ik zag in de hemel opnieuw een indrukwekkend, wonderbaarlijk teken: het waren zeven engelen met de zeven laatste plagen, waarmee aan Gods woede een einde komt.
Toen zag ik iets als een zee van glas, vermengd met vuur.
Op de glazen zee stonden zij die het beest, zijn beeld en het getal van zijn naam hadden overwonnen.
Ze hadden lieren om daarop te spelen voor God.
Ze zongen het lied van Gods dienaar Mozes en het lied van het Lam:
‘Groot en wonderbaarlijk zijn uw werken, Heer, onze God, Almachtige,
rechtvaardig en betrouwbaar is uw bestuur, vorst van de volken.
Wie zou U, Heer, niet vereren, uw naam niet prijzen?
Want U alleen bent heilig.
Alle volken zullen komen en zich voor U neerbuigen,
want uw rechtvaardige daden zijn geopenbaard.’

En ik zag (een) ander teken in de hemel groot en wonderbaar: engelen zeven, hebbende plagen zeven de laatste, want met deze is voleindigd de toorn van God.
En ik zag (iets) als (een) zee glazen gemengd zijnde met vuur en de overwinnenden van het beest en van het beeld van hem en van het merkteken van hem, van het getal van de naam van hem, staande aan/op de zee glazen, hebbende lieren van God.
En zij zingen het lied van Mozes, dienstknecht van God en het lied van het Lam, zeggende:
Groot en wonderbaar (zijn) de werken van U, Heer God Almachtige, rechtvaardig en waarachtig (zijn) de wegen van U, Koning van de heiligen.
Wie geenszins vreest U, Heer en verheerlijkt de naam van U? Want (U) alleen bent heilig.
Want al de volken zullen komen en zullen aanbidden voor het aangezicht van U, want de rechtvaardige oordelen van U zijn openbaar geworden.

In Openbaring 12 ziet Johannes het teken van de vrouw en van de draak.
Johannes ziet nu een ander, groot en bijzonder opvallend teken in de hemel.
Hij ziet de overwinning van het volk van God en de ondergang van de vijand in een ontzagwekkend beeld, ontleend aan het oude testament.
We worden teruggeplaatst naar de tijd waarin het volk Israël onder aanvoering van Mozes uit de slavernij onder Farao wegvlucht.
Nadat zware plagen deze tiran en zijn volk getroffen hebben, trekt het volk Israël door de Rode Zee, waarin de Egyptische koning met al zijn soldaten verdrinkt.

Johannes ziet eerst zeven engelen die de laatste zeven plagen moeten uitvoeren.
Deze zijn de zwaarste van alle plagen en hiermee heeft ‘Gods woede’, zijn enorme tegenkracht, zijn toppunt bereikt.
Na de tweede wee is het volk van God met ‘droge voeten’ door de zee getrokken en staat het nu veilig en wel aan de overkant.
Het moment van de derde of laatste wee is aangebroken.

Als het volk van God in het oude verbond op de oever van de Rietzee staat, strekt Mozes, de godsman, zijn hand uit over de zee.
Het water stroomt weer samen en bedekt de vijanden van het volk.
Nu is het de engel van de Heer die aangeeft dat God niets meer kan doen voor de mens die bewust voor het kwaad heeft gekozen.
God moet zich dan wel terugtrekken omdat Hij zich niet met geweld kan en wil opdringen aan de mens.
Zo wordt de aarde, dus de religieuze mensheid die geen leven en denken heeft in en vanuit het koninkrijk van God, overspoeld door de demonen.

Johannes ziet iets ‘als de zee’ tot rust komen of stollen.
Ze lijkt op een glazen knikker met vurige strepen vanbinnen.
Het water is hard geworden als glas, want het karakter van de demonen die in deze zee zijn, is hard, vol geweld en gruwelijk.
De stolling van het water betekent dat de demonen niet meer actief kunnen zijn, maar dat ze veroordeeld zijn tot een eeuwige inactiviteit.
Ze kunnen nooit meer de mens verleiden, misleiden, intimideren, ziek maken of naar de dood voeren.

In dit glas spelen de vuurvlammen die een beeld zijn van het geestelijk verterende karakter van de demonen.
De hitte van dit vuur heerst in de laatste tijd over de Farao van de antichristelijke gemeente en deze gaat uiteindelijk dan ook met zijn trawanten onder in deze vuurzee.

Het volk van God staat op het droge.
Het heeft altijd geweigerd het beest te aanbidden of lid van zijn gemeente te zijn.
Het heeft de doop in Gods heilige geest gekozen boven die van het beest uit de afgrond en het gaat nu de overwinning vieren.

De zonen van God hebben een lier in hun handen en ze zingen een nieuw lied vóór de troon en vóór de vier wezens en de oudsten (zie Openbaring 14:3).
Ze zingen het bevrijdingslied van de betere Mozes die de bemiddelaar is van het betere verbond.
Hebreeën 7:22:
Daardoor staat Jezus garant voor een veel beter verbond.
Hebreeën 8:6:
Maar Jezus is dus aangesteld voor een eerbiedwaardiger dienst, in die zin dat Hij bemiddelaar is van een beter verbond, dat zijn wettelijke grondslag heeft gekregen in betere beloften.

Ze zingen het lied van het Lam omdat Dit staat tussen de honderdvierenveertigduizend, de vrijgekochten van de aarde.
Zijn leven dat Hij heeft gegeven en de kracht van Gods geest daarna, zijn de basis van hun bevrijding.
Zoals Mozes en het volk God verheerlijken in de periode van de voorafschaduwing, zo prijzen hier het Lam en zijn vrijgekochten samen God, de Almachtige, als Koning van de volken.
Ze uiten hun geweldige bewondering voor zijn plan én hoe Hij de uitvoering ervan heeft bewerkt en nog steeds bestuurt.
Zijn plan is gebaseerd op recht en rechtvaardigheid, op waarheid en betrouwbaarheid.
Geweld is er geen onderdeel van, de mens kan alleen deelhebben aan dit plan op basis van volledige vrijwilligheid.

In dit visioen zien we dus de periode van de zevende bazuin.
Bij het begin ervan heeft de gemeente de luister van God verkregen en is ze onaantastbaar voor de duisternis geworden.
In deze tijd komt de gemeente van de antichrist doordat de schalen van ‘Gods toorn’ worden leeggegoten, tot totale wetteloosheid.
Het oproepen van en het zich openstellen voor de werking van de demonen hebben hun hoogtepunt bereikt.
Dit tijdperk eindigt met een treffen in de geestelijke wereld tussen het woord van God en zijn met zijn geest vervulde gemeente en de antichrist met zijn gedemoniseerde leger.
In de slag bij Harmagedon wordt de eindstrijd beslist.