Openbaring

Openbaring 15:5-6
Gods wetten in ons verstand

Hierna zag ik de hemelse tempel, de verbondstent, opengaan.
De zeven engelen met de zeven plagen kwamen naar buiten, in stralende kleren van zuiver linnen en met een gouden band om hun borst.

En na deze (dingen) zag ik en zie, werd geopend de tempel van de getuigenis in de hemel.
En gingen naar buiten de zeven engelen, hebbende de zeven plagen, uit de tempel, bekleed zijnde met linnen zuiver en blinkend en omgord zijnde met rondom de borsten gordels gouden.

In Openbaring 11:19 ziet Johannes dat de tempel van God in de hemel opengaat en dat de ark van het verbond verschijnt.
Daar gaat het over het zichtbaar worden van Jezus Christus in zijn gemeente.
Ook in onze tekst is de tempel het beeld van de gemeente.
Het zichtbare Joodse heiligdom wordt genoemd de tent van de getuigenis of de tent waarin de verbondstekst bewaard wordt (zie Exodus 38:21).
Vanuit zijn geestelijke heiligdom openbaart God nu zijn plan met de wereld door middel van de zonen van God.

Op een aantal plaatsen in het oude testament wordt de wet ‘het getuigenis’ genoemd.
De twee platen van het verbond of platen met de verbondstekst (de wet) liggen in de ark (zie Exodus 31:18, 32:15, 2 Kronieken 5:10 en Hebreeën 9:4).
In het nieuwe verbond maakt God zijn plan en zijn wil bekend door zijn geest die in de gelovigen woont, die in deze geest gedoopt zijn en er vol van (geworden) zijn.
Deze legt Gods wetten in hun verstand en schrijft ze in hun hart.
Hebreeën 8:10 zegt het zo:
Maar dit is het verbond dat Ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten – spreekt de Heer:
In hun verstand zal Ik mijn wetten leggen en in hun hart zal Ik ze neerschrijven.
Dan zal Ik hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.

Zoals de platen met de wet in de ark zijn, zo is Jezus Christus de eerste in wie de geest van God uitgegoten is en die zich in alle opzichten aan de wetten van deze geest gehouden heeft.
Daarom heet Hij in het boek Openbaring ‘de betrouwbare getuige’.
Hij is ook hierin de eerste van de vele zonen van God, zijn geestelijke broers.

De verbondstent is het beeld van Jezus Christus.
Het woord ‘tent’ wijst hier op het feit dat in de mens Jezus het leven van God, door zijn heilige geest, zich heeft geopenbaard.
Daarom heet Jezus ook de Christus, dit is: de gezalfde met de geest van God.
Ook deze heeft in een ‘aardse tent’ gewoond, wat hetzelfde betekent als leven in een menselijk lichaam.
In 2 Korintiërs 5:1 en 8 lezen we hierover:
Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel.
We blijven vol goede moed, ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen.

Als er staat dat de hemelse tempel, de verbondstent opengaat, kunnen we zeggen:
de gemeente van Jezus Christus die in de onzichtbare wereld is en functioneert, openbaart zich in de zichtbare wereld.
Bij deze openbaring van de gemeente verschijnen ook de zeven engelen van de gemeenten, waarvan in Openbaring 1:20 gesproken wordt.
In verband met de bruid, de vrouw van het Lam, worden ze ook genoemd in Openbaring 21:9.

Deze engelen vertegenwoordigen in het visioen de gemeente van Jezus Christus van alle tijden en plaatsen.
De stralende kleren van zuiver linnen die zij aan hebben, wijzen erop dat vanuit deze gemeente de geestelijke priesters zijn voortgekomen die veel daden van herstel hebben verricht (zie Openbaring 19:8).
Hiernaar verwijst ook Jesaja 61:10:
Ik vind grote vreugde in de Heer,
mijn hele wezen jubelt om mijn God.
Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan,
hulde mij in de mantel van de gerechtigheid,
zoals een bruidegom een kroon opzet,
zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.

De gouden band of gordel is een teken van het koningschap van de heiligen.
Dat zij de gordels niet om hun middel maar over hun borst dragen, wil zeggen dat ze overwinnaars zijn die niet meer hoeven te werken en te strijden.
Ze hoeven hun middel niet meer te omgorden, dat is: hun kleed optrekken, zoals in die tijd gebruikelijk is bij arbeiders en soldaten.

Vanuit de tempel, dat is de gemeente, begint het definitieve scheidingsproces tussen goed en kwaad, het eindoordeel.
Voor de gemeente geldt in dit verband:
Wie zetelt op de rechterstoel
zal Hij met zuiver recht bezielen,
en heldenmoed schenkt Hij aan hen
die de vijand uit de stad verdrijven
(Jesaja 28:6).

En in 1 Korintiërs 6:2 staat:
Weet u dan niet dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen?