Openbaring

Openbaring 15:7-8
Mens onderwerpt schepping aan satan

Toen gaf een van de vier wezens aan alle zeven engelen een gouden offerschaal, vol met de woede van de God die leeft tot in eeuwigheid.
Gods majesteit en kracht vulden de tempel met rook.
Niemand kon de tempel binnengaan voordat aan de zeven plagen van de zeven engelen een einde was gekomen.

En één uit de vier levende wezens gaf aan de zeven engelen zeven schalen gouden, gevuld zijnde met de toorn van God de levende tot in de eeuwen van de eeuwen.
En werd gevuld de tempel [rook]/met rook vanwege de heerlijkheid van God en vanwege de kracht van Hem.
En niemand kon binnengaan in de tempel, tot voleindigd waren de zeven plagen van de zeven engelen.

In de schepping van God neemt de dierenwereld een aparte plaats in.
Met de mens hebben deze levende wezens in het algemeen gemeenschappelijk dat ze blijdschap en levensvreugde kennen, maar ook lijden en angst.
Ook deze schepping is aan ‘de slavernij van de vergankelijkheid’ onderworpen door de ongehoorzaamheid van de mens.
Door zijn luisteren naar, dus zijn gehoorzamen aan satan heeft de mens (de eerste Adam) de heerschappij over deze wereld aan satan overgedragen.
Want wie we gehoorzamen, zijn dienaar zijn we, zoals Romeinen 6:16 aangeeft:
Wanneer u zich als slaaf in iemands dienst stelt, weet u toch dat u hem moet gehoorzamen?
Wanneer u de zonde dient, leidt dat tot de dood; wanneer u God gehoorzaamt, leidt dat tot vrijspraak.

Maar het is eveneens de mens (de tweede Adam) die de schepping weer zal herstellen.
En de zekerheid dat deze bevrijding zal plaatsvinden, is dat we als zonen van God openbaar zullen worden.
Romeinen 8:19-21:
De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen (zonen) zijn.
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem
(Adam) die haar daaraan heeft onderworpen.
Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.

De treurende en zuchtende bezielde schepping wordt bevrijd van haar lijden en angst als de gemeente van Jezus Christus haar koningschap over deze aarde aanvaardt.
U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd en hen tot priesters gemaakt.
Zij zullen als koningen heersen op aarde
(Openbaring 5:10).
De levende schepping is overal beschadigd, verworden en gedemoniseerd.
Als de zonen van God als priesters en koningen hun werk afgerond hebben, zal blijken wat de echte aard van de dieren is.
Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden
en een kleine jongen zal ze hoeden.
Een koe en een beer grazen samen,
hun jongen liggen bijeen;
een leeuw en een rund eten beide stro.
Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.

In de visioenen vertegenwoordigen de vier wezens Gods levende schepping, zoals de vierentwintig oudsten dit doen voor het voltooide nieuwe Jeruzalem.
Deze stad staat voor de gelovigen, de rechtvaardigen van alle eeuwen en plaatsen, die bij God horen.
Deze uitverkorenen of door God geselecteerden nemen in de gedachten van God en in zijn plan de eerste plaats in.
Daarom worden ze door vierentwintig oudsten vertegenwoordigd.
Zo neemt ook de bezielde schepping in het bevrijdingsplan van God een eigen plaats in.

Jezus is door de Vader ‘uitverkoren’, dat wil zeggen dat Hij de volmacht van God heeft gekregen om zijn plan met mens en schepping verder uit te voeren.
Lucas 9:35:
Er klonk een stem uit de wolk, die zei: Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar Hem!
Als wij in Hem zijn en blijven, zijn ook wij ‘uitverkorenen’, wat wil zeggen dat wij met Jezus mogen meewerken aan de uitvoering van het plan van God.
1 Petrus 2:9:
Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.

Een van de vier wezens geeft een gouden (offer)schaal aan elk van de zeven engelen, de vertegenwoordigers van de gemeenten van het nieuwe verbond.
Deze schalen zijn vol van de gramschap van God of zoals ook vertaald wordt: de toorn of de woede van God.
Wat betreft de gouden schalen kunnen we denken aan de schalen of gouden kommen, waarin het plengoffer gebracht wordt.
In deze schalen bevindt zich de wijn van ‘Gods woede’ die niet verdund is met andere bestanddelen (zie Openbaring 14:10).
Er is geen enkele vorm van licht meer in aanwezig.
De wijn is een beeld van de gruwelijke dingen, de perversiteiten, de wreedheden en de ziekten waardoor de bezielde schepping al eeuwenlang geteisterd wordt als gevolg van de invloed van satan en zijn demonen.

Een vertegenwoordiger van deze bezielde schepping, die vol verlangen heeft uitgezien naar de tijd van haar bevrijding, geeft de schalen nu aan de zeven engelen van de gemeenten.
De ‘woede van God’ is hier een andere uitdrukking voor (de werking van) de demonen van zonde, ziekte, geweld, verleiding en misleiding die de pijniging met vuur en zwavel veroorzaken.
Zij hebben het leven aangetast en dit is een rechtstreekse aanval op het bestaan van God, want Hij is de Levende en de gever van alle leven, vanaf het begin tot in alle eeuwen die nog volgen.
Handelingen 17:25, 28 en 29 ged.:
Hij laat zich ook niet bedienen door mensenhanden alsof er nog iets is dat Hij nodig heeft, Hij die zelf aan iedereen leven en adem en al het andere schenkt.
Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.
Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: Uit Hem komen ook wij voort.

De geestelijke en de natuurlijke dood zijn de principiële vijanden van God, die tegen zijn wezen gericht zijn.
Waar de mens immuun geworden is voor iedere vorm van Goddelijk leven in zich, kan hij alleen nog maar de kwelling naar zijn innerlijk en uiterlijk ondergaan, zoals ook de dierenwereld deze kent.

Dan neemt de Vader met al zijn luister en kracht bezit van zijn tempel en openbaart Hij zich van hieruit.
De gemeente, de tempel van God, wordt tot in al haar vezels, tot in het diepste bestaan van al haar afzonderlijke leden, met grote kracht en luister gevuld.
Zij krijgt de kracht en het inzicht om de laatste oordelen over deze aarde te vellen, dat wil zeggen: om de totale en definitieve scheiding aan te brengen tussen goed en kwaad.
Ook aanvaardt ze het koningschap en wel om te heersen over de vijanden en om de schepping te dienen in en met de liefde, de wijsheid en de kracht van Gods heilige geest.

De persbak wordt nu buiten de stad getreden, dit houdt in dat als de laatste schalen met de toorn van God over de aarde leeggegoten worden, dit de gelovigen niet zal raken.
Maar aan de andere kant kan ook niemand tijdens deze plagen de luister van God verkrijgen.
De scheiding tussen de gemeente vol luister en kracht van God en de gedemoniseerde mensheid die verloren gaat of in feite al is, is duidelijk tot stand gekomen.