Openbaring

Openbaring 16:8-9
Kenmerken van de laatste dagen

De vierde engel goot zijn offerschaal leeg over de zon, waardoor ze de mensen kon verbranden met haar vuur.
De grote hitte verzengde de mensen en ze lasterden de naam van God, die macht heeft over deze plagen.
Ze toonden geen berouw en bewezen Hem geen eer.

En de vierde engel goot uit de schaal van hem op de zon; en werd gegeven aan hem (te) verbranden de mensen met vuur.
En werden verbrand de mensen met hitte grote en zij lasterden/[lasterden] de naam van God hebbende (vol)macht over plagen deze en niet bekeerden zij zich (tot het) geven aan Hem eer.

De laatste dagen kenmerken zich - volgens de profeet Joël – door bloed en vuur en zuilen van rook (zie Openbaring 3:3).
Bloed is het symbool van het zichtbare religieuze leven waarmee de gelovigen alleen nog maar rekening houden als zij hun plaats in de geestelijke wereld verlaten of niet innemen.
Vuur is het beeld van demonische beïnvloeding, overheersing en aantasting van het leven.
Zuilen van rook geven de verstikkende werking aan van deze invloed, waarbij deze het zicht op God, de Zon van de gerechtigheid, belemmeren of zelfs totaal wegnemen.

Na de opname van de gemeente, die dan vol is van de geest van God, blijven er twee categorieën mensen over:
natuurlijk gerichte mensen zonder geestelijke interesse zoals in de dagen van Noach én
zij die vol zijn van de demonische geest van de antichrist.

In de eerste drie plagen zien we de verwording van de mens die een natuurlijk gericht leven leidt.
Bij de vierde plaag zien we hoe de wereld zonder God rechtstreeks overgegeven wordt aan de ontbindende machten uit de afgrond.
De vierde engel giet zijn schaal leeg in de richting van de zon.
In Openbaring 14:18 lezen we dat deze engel macht heeft over het vuur, dat wil zeggen autoriteit heeft over de demonen uit het rijk van de duisternis.
Deze macht kan hij nu activeren.

Het resultaat is dat de lasteringen als een fontein naar de levende God opspuiten (in de richting van de zon).
De engel heeft de macht gekregen om de demonen met hun geweldige haat te ontketenen.
In de schijngemeente wordt nu de duivelse lastering tegen God geopenbaard.
De mensen verwijten God hun ellende, maar de liefde van God die hen kan redden, wordt door hen geminacht en afgewezen.
Dit als gevolg van hun hoogmoed, het niet willen erkennen van God als hun Schepper en Heer.

Hoe heeft de engel deze macht gekregen?
Doordat de gemeente van Jezus Christus groeit in heiligheid en volmaaktheid, neemt ook de weerstand van het rijk van de duisternis enorm toe.
De demonen weten dat ze niet veel tijd meer hebben te verliezen.
Daarom: juich, hemel, en allen die daar wonen!
Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald!
Hij is woedend, want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft
(Openbaring 12:12).
Satan zal alles op alles zetten om alsnog zijn doel te bereiken en daarom trekt hij al zijn duistere registers open.
De mensen die zich voor hem openstellen en met hem heulen, ondervinden daarvan de vreselijke gevolgen.

Nogmaals: ze tonen geen berouw en bewijzen God geen eer.
Hetzelfde zien we nu ook al in de wereld gebeuren als men God de schuld geeft van alle ellende, ziekte, lijden, oorlogen en natuurrampen.
Dit komt aan de ene kant doordat men geen inzicht heeft in wie God werkelijk is: uitsluitend licht en liefde.
Aan de andere kant komt dit doordat men ook het bestaan en het werk van satan ontkent en het geloof hierin verwijst naar het land van de sprookjes.
Mensen hebben geen geestelijk inzicht en ze maken een ‘mix’ van God, dat wil zeggen dat ze aan Hem zowel het goede als het kwade toeschrijven.
Zo krijgt men een onbeschrijflijk onlogisch en verward denkbeeld over God en over het geloof als geheel.
Dit vormt een rijke voedingsbodem voor satan om de mensen te verstrikken in allerlei vormen van misleiding.

De zeven engelen komen uit de tempel (zie Openbaring 15:6), dat wil zeggen: ze worden actief door en vanuit de gemeente van Jezus Christus.
Van de engel die de macht over het vuur heeft, wordt nog specifieker gezegd dat hij uit het altaar komt (zie Openbaring 14:18).
Dit altaar is Jezus Christus en Hij is de doper in Gods heilige geest en in vuur (zie Matteüs 3:11).
Terwijl de zonen van God in zijn geest gedoopt zijn voordat zij de zware geestelijke pressie ondergaan, worden de mensen zonder God gedoopt in vuur.
De oorzaak hiervan is niet het werk van God of Jezus, maar hun eigen keus die uitmondt in onbetrouwbaarheid en verwerpelijke daden.
Romeinen 1:28:
Omdat ze het beneden hun waardigheid achtten God te erkennen, heeft God hen overgeleverd aan hun eigen onbetrouwbaarheid en doen ze wat verwerpelijk is.
Deze keus opent in de geestelijke wereld de poort waardoor satan hen kan infiltreren.
Dat God een verterend vuur is (zie Hebreeën 12:29) is dus een beeld van de destructieve invloed van de demonen in mensen die God willens en wetens afwijzen (zie Hebreeën 12:25).

Al eerder schrijft Johannes:
Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten (Johannes 3:36).

Men komt niet tot inkeer en men toont geen berouw, zoals eenmaal de koning van Ninevé met zijn volk.
Men roept in zijn ellende God niet aan en men heeft geen inzicht in de werkelijke situatie.
Men is verhard in zijn denken en men laat de geest van God niet toe in zijn leven.
2 Korintiërs 3:14:
Hun denken verstarde en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt.
Hij wordt alleen in Christus weggenomen.

Men is niet bezig met het veranderingsproces in zijn leven om hetzelfde geestelijke niveau als van Jezus Christus te verkrijgen.
2 Korintiërs 3:18:
Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.

Men weet niet dat men zich in het voorportaal van de hel bevindt, de vuurpoel die van zwavel brandt.
Men lastert de naam van God:
Moedeloos en hongerig zullen de mensen door het (religieuze) land zwerven.
Ze zullen honger lijden en in hun woede de koning en hun God vervloeken.
Ze kijken omhoog of staren naar de grond, maar overal heerst verstikkende duisternis; donker en somber is het, nacht overal.
En wie daardoor omsloten wordt, zal niet ontkomen
(Jesaja 8:21-23).