Openbaring

Openbaring 17:1-2
Liefde voor de wereld

Een van de zeven engelen met de offerschalen kwam op me af en zei:
‘Ik wil je laten zien hoe de grote hoer die aan talrijke waterstromen zit, veroordeeld wordt.
De koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd en de mensen die op aarde leven hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht.’

En er kwam één uit de zeven engelen de hebbende de zeven schalen en hij sprak met mij, zeggende tot mij: hierheen, ik zal tonen u het oordeel van / over de hoer de grote, de gezeten zijnde op de wateren de vele.
Met welke gehoereerd hebben de koningen van de aarde en zijn dronken geworden van de wijn van de hoererij van haar de bewonenden de aarde.

De hoofdstukken 17,18 en 19 geven nu een ruimere omschrijving van de laatste periode van het bestaan en de ondergang van Babylon.
Het begin van de geschiedenis van Babylon vinden we in Openbaring 6 bij de beschrijving van de vier ruiters.
In het laatste Bijbelboek gaat het aan de ene kant om de gemeente van Christus, de vrouw van het Lam, die tot volmaakte gerechtigheid komt.
Aan de andere kant wordt de schijngemeente, de hoer, beschreven.
Zij wordt volkomen slecht doordat ze totaal gedemoniseerd wordt.

Zonder enige verzachting wordt het diepste wezen van de verbasterde gemeente blootgelegd.
Johannes tekent het ontwikkelingsproces van de gemeente van Christus in de vrouw die zwanger is en die met heel veel pijn en moeite de ‘mannelijke zoon’ baart.
Aan de andere kant wordt hier de overspelige gemeente geschilderd die haar dieptepunt bereikt in de gemeente van de antichrist.
De schijngemeente heeft haar wettige man, Christus, verlaten en verhoudingen aangeknoopt met de koningen op aarde.

In laatste instantie zijn deze koningen dan de tien die in één uur met het beest de macht krijgen.
De schijngemeente heeft de wereld liefgekregen en alles wat deze te bieden heeft:

De koningen op aarde zijn de demonische inspirators van de machthebbers in het anti-Goddelijke religieuze, politieke, wetenschappelijke en culturele leven.

De uitdrukking grote hoer geeft aan dat deze gedegenereerde gemeente enorm veel macht en invloed heeft.
Zij is overal aanwezig en toch heeft men dat niet altijd even goed door(gehad).
Want wie spreekt of schrijft over haar en wie durft haar te identificeren?
Natuurlijk is het gemakkelijk om de rooms-katholieke kerk voor de grote hoer te houden, zoals veel mensen doen.
Er zijn boeken mee vol te schrijven om de misstappen van deze kerk te tonen, maar tegelijk kunnen we dan blind zijn voor de vele dwalingen van andere kerken en gemeenten.
En die dwalingen als geheel zijn de zuilen waarop Babylon rust.

Een dwaling is elke visie die niet als doel heeft de volmaakte mens die hetzelfde geestelijke niveau bereikt als van Jezus Christus.
Een dwaling blokkeert op allerlei manieren de weg naar dit Goddelijke doel.
De hoer zit niet aan de rivier van het water dat leven geeft en die zijn oorsprong vindt in de troon van God in de geestelijke wereld.
Nee, zij wordt gevoed door veel stromingen van verschillende oorsprong.
De Bijbel noemt dit een luisteren naar misleidende geesten en leerstellingen van demonen (zie 1 Timoteüs 4:1, grondtekst).

Niet de echte vrouw wordt groot genoemd, maar de hoer.
Deze laatste domineert de geschiedenis van de gemeente op aarde, dus van de aardsgerichte niet geestelijk denkende gelovigen.
De wereld heeft het beeld (de afbeelding) van Jezus in haar niet kunnen ontdekken en zij heeft de grote opdracht om de mensheid namens Hem te redden, te bevrijden en te herstellen, niet uitgevoerd.
Zij is Jezus niet gevolgd in het verrichten van wonderen van genezing en herstel.
Zo zijn de mensen die op de aarde wonen misleid, want zij hebben het onkruid niet van de tarwe kunnen onderscheiden, laat staan: scheiden.

Zij zijn dronken geworden van de wijn van haar ontucht.
Hun geest is bedwelmd door de dwalingen van de schijngemeente en ieder helder geestelijk inzicht ontbreekt daardoor.
Ongelooflijk scherp wordt hier aan Johannes het mysterie van de overspelige gemeente getoond.
Omdat zij nooit heeft geleerd dat de mens al tijdens zijn aardse bestaan het niveau van Jezus Christus kan bereiken of daar in elk geval met positief resultaat naar kan streven, heeft zij zich aan het niveau van de wereld aangepast.
Maar die wereld staat wél onder inspiratie van satan en zijn demonen.
Daarom komt ze bij de definitieve scheiding tussen goed en kwaad (= het oordeel) aan de verkeerde kant (= de vloek) terecht, in dezelfde periode waarin de zonen van God hun luister verkrijgen.