Openbaring

Openbaring 18:11-13
De wetteloze mens

De handelaars op aarde treuren en rouwen om haar, want er is niemand die hun waren nog wil kopen:
goud en zilver, edelstenen en parels, linnen, purperen stoffen, zijde, scharlaken stoffen, cipressenhout, allerlei voorwerpen van ivoor en van dure houtsoorten, van brons, ijzer en marmer,
kaneel en kardemom, reukwerk en balsem, wierook, wijn en olijfolie, meel en tarwe, runderen en schapen, paarden en wagens, slaven en lijfeigenen.

En de kooplieden van de aarde wenen en treuren om haar omdat de (scheeps)lading van hen niemand koopt niet meer.
(Scheeps)lading goud en zilver en gesteente kostbaar en parel en fijn linnen en purper en zijde en scharlaken en allerlei hout welriekend en allerlei gerei ivoren en allerlei gerei van hout zeer kostbaar en koper en ijzer en marmer en kaneel en reukwerk en welriekende (zalf)olie en wierook en wijn en olie en meelbloem en tarwe en lastdieren en schapen en paarden en wagens en lichamen en zielen van mensen.

Na de koningen van de aarde rouwen nu de ‘handelaars’ op aarde om het verdwijnen van de schijngemeente.
Deze handelaars zijn zij die op cultureel, economisch, kunstzinnig en wetenschappelijk vlak de eeuwen door in de behoeften van de schijngemeente hebben voorzien.
Deze ontrouwe gemeente heeft nooit verlangd naar geestelijke rijkdom, maar zij heeft zich voornamelijk uitgestrekt naar aardse zaken als status, macht en genoegens.
Zo is er altijd een wisselwerking geweest tussen de afgevallen gemeente en hen die haar hebben voorzien van deze uiterlijke zaken, de handelaars.

De genoemde handelswaren beelden de rijkdommen uit, waarnaar de schijngemeente zich altijd heeft uitgestrekt.
In Babylon is namelijk vrijwel alles op het uiterlijke en op de wereld gericht.
In zijn zendingsbrief schrijft dezelfde apostel Johannes:
Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief.
Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, want alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht –, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld.
De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid
(1 Johannes 2:16-17).

Opvallend is hier toch wel de uitspraak dat in het vervolg niemand meer de waren van de handelaars koopt.
De gemeente van de antichrist die Babylon verwoest en zijn organisaties overneemt, staat onverschillig tegenover bezit van uiterlijke dingen, waaronder macht, eer, status en cultuur.
Zij heeft geen behoefte aan dingen die de zinnen strelen.
Vaak wordt de antichrist als een supermens voorgesteld die de natuurlijke rijkdommen beheerst en verdeelt.
Men ziet in hem ook wel een verfijnd kunstenaar die door schoonheid en weelde de mens verlokt.
Maar de handelaars kunnen aan de gemeente van de antichrist hun schatten van wetenschap, kunst en cultuur niet meer kwijt.
Zij treuren en rouwen omdat niemand hun waren nog wil kopen.

De antichristelijke gemeente is niet geïnteresseerd in kathedralen, uiterlijk vertoon, ceremonies, pracht en praal, titels, universiteiten of genot.
Deze gemeente is een imitatie van de echte gemeente en haar volgelingen doen zich voor als zonen van God.

Zoals de echte zonen van God het niet van de aardse zaken verwachten, zo ook zoeken de volgelingen van de antichrist hun doel en bestaan in de geestelijke wereld.
Maar ze houden zich daarbij niet aan het plan van God, want ze zijn volkomen wetteloos.
Hun gemeente wordt slechts door één verlangen gedreven: in de geestelijke wereld en via occulte weg de heerschappij zien te krijgen.
Zo willen zij de echte gemeente overwinnen en haar door God bedoelde plaats innemen.
In dit opzicht zal deze gemeente anders dan alle andere koninkrijken zijn, niet (alleen) politiek, maar bovenal religieus (zie Daniël 7:23).

De antichrist is de wetteloze mens die zich keert tegen de scheppingsorde van God, dus tegen alles wat mooi en harmonieus is.
Aan het eind van de opsomming van de kostbare handelswaar worden ook slaven en lijfeigenen genoemd.
De schijngemeente wil de mensen met ziel en lichaam aan zich binden en ze wat het zichtbare leven betreft een ‘goed bestaan’ bezorgen.
Want ze bevordert de zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid en pronkzucht.
Ze geeft niets om de geest van de mens.

Al haar bemoeienissen liggen op het natuurlijke vlak.
Ze speculeert op het verstand en het gevoel.
Zij evangeliseert en doet aan zending om mensen bij de zichtbare kerkelijke organisatie te voegen en ze op een hoger cultureel niveau te brengen.
Maar haar bedoeling is niet om een geestelijk volk te vormen.
In haar bevinden zich daarom de volks- en familiekerken en andere (grote) gemeenten die prat gaan op hun aantal leden.
Het gaat daar over natuurlijke mensen en men heeft geen belangstelling voor de opnieuw geboren, geestelijke mens.

Jezus heeft met zijn leven de geest, de ziel en het lichaam van de mens gekocht, om deze te herstellen en te genezen, zodat hij kostbare zaken in de geestelijke wereld kan verzamelen.
Dit zijn met name de vrucht en de begaafdheden van de geest van God en het uiteindelijk volstromen met Gods volkomenheid: het bereiken van het geestelijke niveau van Jezus Christus.