Openbaring

Openbaring 18:5-7
Denken de ware kerk te zijn

Want haar zonden reiken tot aan de hemel en God zal haar onrecht vergelden.
Doe met haar wat zij met anderen deed, ja laat haar dubbel boeten.
Laat haar het dubbele drinken uit de beker waaruit zij anderen te drinken gaf.
Geef haar net zo veel pijn en rouw te dragen als zij zich luister en overvloed heeft gegund.
Ze zegt bij zichzelf: Ik zit hier als een koningin, niet als een arme weduwe.
Mij zal niets gebeuren!

Omdat zijn gevolgd van haar de zonden tot aan / in de hemel en heeft Zich herinnerd God de ongerechtigheden van haar.
Vergeldt haar zoals ook zij vergolden heeft jullie en verdubbelt haar dubbel(e) overeenkomstig de werken van haar in de beker die zij gemengd heeft, mengt haar dubbel.
Zoveel als zij verheerlijkt heeft zichzelf en losbandig is geweest, zoveel geeft haar pijniging en rouw, omdat in het hart van haar zij zegt: ik zit (als) koningin en weduwe niet en ben ik en rouw geenszins zie ik.

Als een steeds hoger wordende vuilnisbelt heeft de zonde van Babylon zich opgestapeld.
Het heeft zich bovendien in het koninkrijk van God geen schatten verzameld in de eindtijd, waarin de demonie haar hoogtepunt bereikt.
In dit stadium van het plan van God worden nu aan de zondige schijngemeente al haar onbetaalde rekeningen gepresenteerd.
Satan kan daardoor vrijwel onbelemmerd zijn gang in haar gaan en zo zijn sfeer van angst, somberheid en dood op haar leggen.

Lezer, deze geestelijke stad Babylon bestaat, zij is eeuwenoud en iedereen heeft wel met haar te maken (gehad).
In haar is alle kwaad bedreven dat aan een duivels brein ontspruiten kan.
Bij de bestudering van haar geschiedenis verliest men het respect voor en het geloof in haar.
Iedere vorm van sadisme is in haar gevonden.

Zij heeft veel ‘godsdienst’-oorlogen gevoerd, niet in de hemelse regionen, maar op aarde, met geweld van wapens, tegen vlees en bloed.
Vooral tegen de echte volgelingen van God!
Haar slachtoffers zijn op pijnbanken bekentenissen ontlokt en zij heeft de massa beheerst door bijgeloof, door haar dom te houden en door angst.
Ook heeft ze gebruik gemaakt van filosofie en wetenschap en zo heeft ze haar leden niet opgevoed in de waarheid van het plan van God.
Ze heeft wel gesproken óver het evangelie van Jezus Christus, maar dit evangelie zélf niet gebracht.

De maat is nu vol en aan haar wordt nu uitbetaald wat zij zelf altijd aan haar leden ‘betaald’ heeft.
Het onkruid is helemaal rijp geworden.
Aan de voet van het altaar roepen de zielen van de martelaars:
O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult u de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?
De echte volgelingen van God wonen ‘in de hemel’, ook al tijdens hun aardse leven.
De leden van de schijngemeente wonen ‘op de aarde’, dit is: hun denken is alleen gericht op het zichtbare.

De tijd van wraak is nu aangebroken.
De leiders in onze tijd nemen wel afstand van de gruwelijke daden die hun voorouders hebben bedreven.
Zij zeggen met de Farizeeën uit de tijd van Jezus:
Als wij geleefd hadden in de tijd van onze voorouders, zouden wij ons niet zoals zij schuldig hebben gemaakt aan de moord op de profeten
(Matteüs 23:30).
En ook niet aan het vervolgen en vermoorden van martelaars, vermeende heksen en zogenaamde ketters.
Maar ook zij maken de maat van hun voorouders vol (zie Matteüs 23:32).
Want nog nooit zijn geestelijke onverschilligheid en wereldsgezindheid in de schijngemeente zo groot en zo algemeen als in deze laatste tijd.

God zegt via de profeet in Jesaja 13:3-5:
Ik heb mijn heilige legers bevel gegeven,
mijn krijgshelden opgeroepen mijn wraak te voltrekken,
juichend over mijn majesteit.
Hoor het rumoer in de bergen,
de opmars van een groot leger,
hoor het tumult van de koninkrijken,
de volken die zich aaneensluiten:
de Heer van de hemelse machten monstert zijn troepen.
Daar komen ze, uit een ver land,
van de verste plaats onder de hemel:
de Heer komt heel het land verwoesten
met de werktuigen van zijn toorn.

De Meden en Perzen worden opgeroepen om de oude stad Babylon te verwoesten.
Zij zijn een beeld van de antichristelijke macht die in de laatste tijd het religieuze Babylon vernietigt.
Er wordt gesproken over wraak of vergelding, omdat de schijngemeente altijd het echte volk van God verdrukt (heeft) en de geestelijke erfenis van de Heer plundert.
Zoals zij het Israël van God in ballingschap brengt, zo gaat zij nu zelf in ballingschap.
Haar wordt alles waaraan zij waarde hecht en wat voor haar op aarde van belang is, afgenomen.

In haar beker zijn de meest afgrijselijke dwalingen gemengd.
In de beker die zij drinken moet, bevindt zich als wraak een dubbele hoeveelheid van dit mengsel.
Zij wordt nu door een demon overspoeld, die zijn kracht en activiteit rechtstreeks aan het rijk van de duisternis ontleent.
Zij komt in een situatie van pijniging omdat zij gekweld wordt door demonen en rouw doordat uiterlijk bezit en eer van haar afgenomen worden.
Ze heeft altijd genoten van aanzien en rijkdom van de wereld, maar nu krijgt somberheid de overhand.
Als de weelde van de zichtbare dingen van haar afgenomen wordt, is zij zonder God en zonder hoop in de wereld (zie Efeziërs 2:12).
Alle invloed, eer, rijkdom en macht zijn voorbij, want zij heeft deze in de verkeerde richting gezocht.

De echte gemeente zoekt ook glorie en eer, want er staat in Romeinen 2:7:
Aan wie het goede doet en daarin volhardt, aan wie glorie, eer en onsterfelijkheid zoekt, schenkt Hij het eeuwige leven.
De glorie van de zonen van God is de overvloedige rijkdom van Gods liefde in de eeuwige wereld.

De hoer zegt bij zichzelf:
Ik zit hier als een koningin, niet als een arme weduwe.
Mij zal niets gebeuren!

Zij meent dus nog de vrouw van God te zijn en ze noemt zich dan ook de ware, de zuivere of de alleenzaligmakende kerk.
Zij neemt in de zichtbare wereld een belangrijke plaats in.
In Jesaja 47 wordt van haar gezegd dat ze meesteres over koninkrijken is, maar daar wordt ook aangegeven wat haar lot zal zijn: niemand die haar redt.

Wat een wezenlijke tegenstelling met de echte gemeente die een volk van koningen in de onzichtbare wereld vormt, hoewel dat in het natuurlijke leven onderdrukt wordt.
Babylon meent geen weduwe te zijn omdat zij zich als het eigendom van de ware God presenteert.
Zij denkt nog altijd de ware kerk te zijn.
Maar het komt niet in haar hoogmoedige hart op dat zij verstoten is en dat ze haar positie verloren heeft en dat zij zo in rouw gedompeld wordt.