Openbaring

Openbaring 19:5
Wie overwint, hem zal Ik geven …

Vanaf de troon klonk een stem, die zei: ‘Loof onze God!
Laat al zijn dienaren die ontzag voor Hem hebben, jong en oud, Hem loven!’

En (een) stem uit de troon ging uit, zeggende: prijst de God van ons al de dienstknechten van Hem en de vrezenden Hem én de kleinen én de groten.

De stem van de troon is die van de hersteller (‘heiland’) van alles, Jezus Christus.
Opnieuw worden de medewerkers van de Heer opgeroepen God te loven.
Zij zijn Gods medewerkers omdat zij het werk van de Heer uitvoeren, Hem tot het einde toe gehoorzamen en doorgaan met hun taak, ondanks druk en tegenstand.
Zij bouwen de gemeente van de levende God en ze brengen satan onder de voeten van de Heer.
Hebreeën 10:12-13:
… terwijl Hij, na zijn eenmalig offer voor de zonden, voorgoed zijn plaats aan Gods rechterhand heeft ingenomen,
waar Hij wacht op het moment dat zijn vijanden voor Hem tot een bank voor zijn voeten zijn gemaakt.

Zij hebben diep ontzag voor God, want zij hebben Hem lief en ze zijn met grote eerbied voor Hem, de Schepper van alles, vervuld.
Onder hen zijn kleinen en groten.
Bij groten denken we aan Daniël 12:3:
De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd.
Er staat niet dat deze groten (of: verlichten of verstandigen) in het koninkrijk van God velen tot bekering of nieuw leven gebracht hebben, maar: tot gerechtigheid.
Zij hebben deze bekeerlingen ook leren leven naar de wetten van God volgens de opdracht van Jezus.
Dat wil zeggen dat zij deze bekeerlingen ook hebben leren leven naar de wetten van God, die uitsluitend inhouden: onze naaste liefhebben als onszelf en God boven alles.

Van deze groten wordt ook gezegd:
Wie overwint:
(2:7) zal Ik laten eten van de levensboom die in Gods paradijs staat
(2:11) zal van de tweede dood geen schade ondervinden
(2:17) zal Ik van het verborgen manna geven en ook een wit steentje waarop een nieuwe naam staat die niemand kent, behalve degene die het ontvangt
(2:26) en Mij navolgt tot het einde, zal Ik macht geven over alle volken
(2:28) Ik zal hem de morgenster geven
(3:5) zal zich ook in het wit kleden.
Ik zal zijn naam niet uit het boek van het leven schrappen, maar juist voor hem getuigen ten overstaan van mijn Vader en zijn engelen

(3:12) maak Ik tot een zuil in de tempel van mijn God.
Daar zal hij voor altijd blijven staan.
Ik zal op hem de naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen en ook mijn eigen nieuwe naam

(3:21) zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit
(21:7) komen al deze dingen toe.
Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind
(zoon) zijn.

Hoezo, de mens ‘zondaar tot aan zijn dood’ en ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’?
De geestelijke mens leeft niet vanuit het zichtbare (‘naar het vlees’), maar hij wordt geleid door de geest van God.
Hij is voor zijn taak berekend en voor elk goed doel volledig toegerust (zie 2 Timoteüs 3:17).
In hem werkt ‘de wet van God’ helemaal door.
Hij hoort bij de groten in het koninkrijk van de hemel.
Geen jota of tittel van de (bovenstaande) wet wordt door hem genegeerd, maar hij voldoet er in alle opzichten aan.
Matteüs 5:18-19:
Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn.
Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel.
Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan.

Hij heeft op het geloofsfundament gebouwd met goud, zilver en edelstenen (zie 1 Korintiërs 3:12).

De kleinen zijn zij die op het fundament gebouwd hebben met hout, hooi en stro.
Veel van wat ze doen wordt door het vuur verbrand, is geïnspireerd door de religieuze demonen.
Zij worden gered, maar (als) door het vuur heen (zie 1 Korintiërs 3:15).
In hun leven hebben zij zich niet in alle opzichten door de geest van God en zijn wetten laten leiden.
Wat ze in hun (geestelijke) leven hebben verricht schiet tekort in Gods ogen (zie Openbaring 3:2), het voldoet niet of nauwelijks aan zijn plan met de mens.
Wat ze aan gerechtigheid hebben opgebouwd is beperkt en hun ‘eeuwige statuur’ in het koninkrijk van de hemel is daarom klein.