Openbaring

Openbaring 2:4-5
De eerste liefde

Maar dit heb ik tegen jullie: jullie hebben de liefde van weleer opgegeven.
Bedenk van welke hoogte jullie gevallen zijn.
Breek met het leven dat jullie nu leiden en doe weer als vroeger.
Anders kom Ik naar jullie toe en neem Ik, als jullie geen berouw tonen, jullie lampenstandaard van zijn plaats.

Maar Ik heb tegen jullie dat de liefde van jullie de eerste hebben losgelaten.
Herinner jullie dan waar jullie uitgevallen zijn en bekeer jullie en doe de eerste werken als maar niet, Ik kom tot jullie spoedig en verplaats de kandelaar van jullie van de plaats van hem als niet jullie zich zullen bekeren.

Liefde en gaven ontwikkelen

Toch moet de Heer hen wijzen op iets wat niet klopt.
Ze zijn namelijk de eerste liefde kwijt, dat wil zeggen Gods liefde die door zijn geest, waarin ook zij gedoopt zijn na hun bekering, in hun hart is uitgegoten.
Romeinen 5:5:
Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige geest die ons gegeven is.
Ze zijn zo druk bezig voor de Heer en de gemeente dat ze het persoonlijke contact met Hem kwijtraken.
Ook jagen zij de liefde niet meer na en richten ze zich niet meer op de gaven van de geest om die liefde uit te kunnen werken.
1 Korintiërs 14:1:
Jaag de liefde na en streef naar de gaven van de geest, vooral naar die van de profetie.

Van geestelijk terug naar uiterlijk

Zo wordt de Goddelijke liefde in hun midden niet meer gevoed en worden ze van geestelijk gerichte christenen, gelovigen die vooral of alleen nog bezig zijn met uiterlijke dingen.
Ze zijn zo gericht op het bestrijden van dwalingen en het inrichten van de gemeente, dat ze uiteindelijk geen oog meer hebben voor het grootse plan van God.
Ze zijn dan ook vanuit de hemel op de aarde terechtgekomen.
Laat ze daar eens goed over nadenken, zegt de Heer.

In het werk van en voor de Heer kunnen bijvoorbeeld (onderwijs-)methoden, organisatie en financiën erg veel aandacht vragen.
Zo veel zelfs dat het leven, gebaseerd op de liefde van en voor God en de naaste erbij inschiet.
Maar alleen die liefde, gekoppeld aan de gaven van Gods geest, bouwt de gemeente op.
Daarbij zijn ook geestelijk denken en leven vanuit het koninkrijk en het doel van God onmisbaar!

In 1 Korintiërs 9:26 zegt Paulus:
Daarom ren ik niet als iemand die geen doel heeft, vecht ik niet als een vuistvechter die in de lucht slaat.
In dit verband gaat het om het deel krijgen aan de belofte van het evangelie (zie vers 23) en die bestaat niet uit een vergankelijke erekrans (zie vers 25) (uiterlijke, tijdelijke dingen).
Maar die bestaat uit een onvergankelijke (geestelijke, eeuwige) erekrans: namelijk van hetzelfde geestelijke niveau worden als Jezus Christus!
Er is niets hogers voor een mens om in zijn of haar leven na te streven en te bereiken!

Aardsgericht doen en denken

De Efeziërs zijn van een hoogte neergestort, namelijk vanuit de onzichtbare wereld naar de zichtbare.
Ze dreigen dus christenen te worden die alleen nog maar met uiterlijke dingen bezig zijn.
En dit ondanks al hun serieuze inspanning en inzet.
Ze verliezen hierdoor het zicht op het plan van God.
De Heer raadt hun aan zich ervan bewust te worden welke veranderingen er plaatsgehad hebben.
Ze leven niet meer vanuit de liefde en de kracht van God, maar ze zijn op een aards niveau van denken en doen beland.
Hij raadt hen aan zich te herbezinnen en opnieuw hun licht te laten schijnen door goede werken, namelijk die van Jezus, te doen, zoals in het begin.
Dan zal ook hun gemeente als het echte lichaam van Christus groeien, want dat wordt alleen opgebouwd in en door deze Goddelijke liefde.

Als ze niet op deze woorden van de Heer ingaan, zullen ze geen lichtdragers meer kunnen zijn, wát ze in feite al niet meer zijn!
Ze zullen moeten terugkeren naar het oorspronkelijke model, zoals de Heer dit bij het begin van het nieuwe verbond laat zien.
Hun kandelaar of luchter wordt van zijn plaats verwijderd, want de Heer kan zijn gemeente niet bouwen met onzuivere bestanddelen.
Hij kan niet werken waar de invloed van satan aanwezig is.
Het verwijderen van de kandelaar is niet een gerichte actie van de Heer, maar een onvermijdelijk gevolg van het denken en doen van de Efeziërs zelf.
Zij ‘doen zelf het licht uit’ en komen zo ‘automatisch’ en onvermijdelijk in de duisternis terecht.