Openbaring

Openbaring 20:11
Licht altijd sterker dan duisternis

Toen zag ik een grote witte troon en Hem die daarop zat.
De aarde en de hemel vluchtten van Hem weg en verdwenen in het niets.

En ik zag (een) troon witte grote en de Zittende op hem van wie weg van (het) aangezicht vluchtten de aarde en de hemel en (een) plaats niet werd gevonden voor hen.

Johannes ziet een grote, schitterende troon, beeld van heerschappij en oordeel.
Hij is wit, omdat Hij die erop zit, in rechtvaardigheid regeert.
Zeker is dat zich behalve de eeuwige God ook het Lam zich in het midden van (grondtekst) de troon bevindt (zie Openbaring 5:6).
Dit midden geeft zijn centrale plaats aan in de heerschappij, maar ook in het oordeel.
In verband met deze autoriteit zegt Jezus:
Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde (zie Matteüs 28:18).
Wat betreft het oordeel zegt Hij:
De Vader zelf velt over niemand een oordeel, maar Hij heeft het oordeel geheel aan de Zoon toevertrouwd (Johannes 5:22).

In Handelingen 17:31 staat:
Want Hij heeft bepaald dat er een dag komt waarop Hij een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen door een man die Hij voor dat doel heeft aangewezen.
Het bewijs dat het om deze man gaat, heeft Hij geleverd door Hem uit de dood te doen opstaan.

Onze Heer zit op de troon als koning, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft.
De laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood
(zie 1 Korintiërs 15:25-26).

In het laatste oordeel, waarbij de doodsmacht in de vuurpoel geworpen wordt, moet onze Heer dus een werkzaam aandeel hebben.
De troon is groot, want naast haar Heer heeft ook de gemeente deel aan het oordeel, zoals Paulus zegt dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen (zie 1 Korintiërs 6:2).

Niet alleen de zichtbare, maar ook de onzichtbare wereld van de geesten wordt door de zonen van God berecht, want de apostel vervolgt in vers 3 dat wij ook over engelen zullen oordelen.

We begrijpen nu dat voor Hem die op de troon zit, de aarde en de hemel - dat wil zeggen mensen en engelen – wegvluchten.
Natuurlijk gaat het hier over mensen en engelen die met het kwaad verbonden zijn.
Dezen worden verdreven en vluchten, zodat hun plaats niet meer gevonden wordt.
Niets herinnert nog aan hun bestaan.
Het vluchten is niet nieuw, licht is altijd sterker dan duisternis gebleken.
De troon, die een beeld is van Gods heerschappij en macht in de zichtbare en in de onzichtbare wereld, is ook niet nieuw, maar bestaat eeuwig.
Zegt de psalmist niet in 45:7:
Uw troon is voor eeuwig en altijd, o God, de scepter van het recht is uw koningsscepter?

Jezus maakt voor het eerst in de geschiedenis een begin met het verdrijven en het op de vlucht jagen van demonen.
Hij profeteert:
Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden (Johannes 12:31).
Doordat het evangelie van het koninkrijk van de hemel gebracht wordt, wordt satan volledig verdreven.
Het oordeel, de definitieve scheiding tussen goed en kwaad, begint bij het huis van God, de gemeente.
Door veel verdrukking heen zal de gemeente vrijgemaakt worden van elke invloed van het kwaad en zal zij ook anderen kunnen bevrijden.
Besef goed dat de tijd van het oordeel is aangebroken.
Dat oordeel begint bij Gods eigen mensen
(of: huis van God, NBG)(zie 1 Petrus 4:17).

De scheiding tussen goed en kwaad of het oordeel voltrekt zich in de laatste tijd tussen tarwe en onkruid, dus tussen hen die van Christus zijn en hen die Hem níet toebehoren.
Ook vindt die scheiding plaats in de geestelijke wereld, want satan wordt met zijn engelen op aarde geworpen en daarna is er voor hen in de hemel geen plaats meer (zie Openbaring 12:8).
Na de slag van Harmagedon worden het beest en de schijnprofeet in de vuurpoel geworpen en satan met zijn engelen in de afgrond.
Dan wordt, in het duizendjarige rijk, de mensheid op aarde geoordeeld en gezuiverd van het kwaad.
Dit gebeurt opnieuw na een periode van verleiding, als ook de duivel in de vuurpoel is geworpen.
Ook zijn paladijnen worden na de zuivering van de overgeblevenen van Gog en Magog naar deze plaats verwezen.

Het laatste oordeel betreft nu nog de scheiding die in het dodenrijk plaatsvindt.
We merken eerst op dat zich daar geen doden bevinden die in Christus zijn gestorven.
Want zij zijn al opgestaan bij de eerste opstanding, op het moment van de terugkeer van de Mensenzoon vóór de slag bij Harmagedon.
Het gaat hier over de gestorvenen van alle eeuwen, die niet opnieuw geboren zijn, dus over miljarden mensen vanaf Adam tot en met hen die met Gog en Magog ten onder zijn gegaan.

Onder hen zijn goeden en slechten: mensen die als rechtvaardigen hebben geleefd, maar ook velen die tot de goddelozen moeten worden gerekend.
Er zijn er die honger en dorst naar de rechtvaardigheid hebben gehad, maar die het evangelie van Jezus Christus nooit gehoord hebben.
Maar ook zijn er die in hun aardse bestaan de duisternis van de demonenwereld liever hebben gehad dan het licht van de ingeschapen wet van God.
Dit is de stem van hun geweten.

Met de vergelijking van de rijke man en de arme Lazarus laat Jezus zien dat er een absolute scheiding bestaat in het dodenrijk.
Er ligt een niet te overbruggen kloof tussen hen die door de Vader gezegend zijn (zie Matteüs 25:34) en hen die vervloekt zijn (zie Matteüs 25:41).
Lazarus (God is mijn hulp) is beeld van de zuchtende schepping die reikhalzend verlangt naar het openbaar worden van de zonen van God (zie Romeinen 8:19-22).
Daarom wordt Lazarus in de Hades vertroost met de zekerheid dat er een opstanding van de rechtvaardigen is (zie Lucas 14:14).
Dit houdt in dat hij uitzicht heeft op het kunnen verlaten van het dodenrijk.

Maar de rijke man slaat in de Hades zijn ogen op onder hevige kwelling, omdat hij geen medelijden heeft gehad met de minsten van de mensen.
De demon van hebzucht die hem tijdens zijn leven overheerst, moet met hem mee naar het dodenrijk en doet hem daar onophoudelijk zijn demonische sfeer ervaren.
Het leven van de rijkaard is door zijn gebondenheid niet in lijn geweest met de ontferming vanuit het evangelie van Jezus Christus.
Deze levenshouding, deze mate van ontferming, is de ‘meetlat’ of de maatstaf bij het oordeel over alle mensen.

De onoverbrugbare kloof betekent dus een eeuwige scheiding die bij het laatste oordeel gehandhaafd zal blijven.
Het gaat er dan om of de mens in zijn wezen één is geworden met satan of niet.
Onder de ‘heidenen’ die Jezus niet kennen, is de Romein Cornelius, een centurio van de Italiaanse cohort, de bezettingsmacht in Israël.
Van deze hoge militair wordt gezegd dat hij vroom (of Godvruchtig) is, iemand die God vereert, net als zijn huisgenoten.
Bovendien doet hij veel aan liefdadigheid voor het volk en bidt hij geregeld tot God.
Deze instelling maakt hem waard dat Jezus hem een grote gunst bewijst: hij en zijn gelovige huisgenoten worden gedoopt in Gods heilige geest (want Petrus hoort hen geestelijke talen spreken) en daarna gedoopt in water (zie Handelingen 10:1-48).

Duidelijk wordt in het laatste deel van de toespraak van Jezus op de Olijfberg de uiteindelijke bestemming van zulke rechtvaardigen en barmhartigen.
Ze krijgen als geschenk of beloning het eeuwige leven.
Zo zijn zij voor altijd verbonden met God en met Jezus Christus.
Maar voor de onrechtvaardigen en onbarmhartigen is de eeuwige straf, zij komen terecht in de eeuwige dood.
Zo zijn zij voor altijd verbonden met satan en de schijnprofeet.

We weten dat alle zonden hun oorsprong vinden in het contact met demonen.
Maar er zijn wel twee categorieën zondaars:
zij die het kwaad doen hoewel ze dit (eigenlijk liever) niet willen, en
zij die bewust zondigen, het kwaad zoeken, zich ervoor openstellen.

Paulus hoort in zijn onbekeerde staat bij hen die moeten toegeven:
Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik.
Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?
(Romeinen 7:19 en 24).
Als zulke mensen sterven, gaan de demonen die hen doen zondigen, niet met hen mee naar het dodenrijk.
Want de bestemming van deze geesten is het eeuwige vuur (de vuurpoel) dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is (zie Matteüs 25:41).

Daarom zeggen de demonen tegen Jezus in Matteüs 8:29:
Wat hebben wij met jou te maken, Zoon van God?
Ben je hier gekomen om ons pijn te doen
(door ons in het dodenrijk te werpen) nog voordat de tijd daarvoor is aangebroken?

Als de mens sterft, laten de demonen hem graag los.
Zo’n gestorvene komt dan aan de lichtzijde van de kloof, ‘waar ook Lazarus zich bevindt’.
Daar is nog een vorm van genade, een restant van leven, want er is ‘water’ aanwezig, een beeld van verkwikking en leven (zie Lucas 16:24).

Een ander beeld van het dodenrijk is de zee.
In vers 13 van ons hoofdstuk staat: De zee stond de doden die ze in zich had af …
In het bovenste deel van de zee zijn nog licht en lucht aanwezig.
De gestorven gelovigen die daar zijn, hebben nog leven in zichzelf.

Maar er zijn ook mensen die bewust en opzettelijk zondigen.
Zij hebben de duisternis liever dan het licht.
Voor hen geldt: wie zich met de duivel verenigt, wordt met hem één geest, analoog aan: Wie zich met de Heer verenigt, wordt met Hem één geest (1 Korintiërs 6:17).
Als zij sterven, weigeren zij de demonen die met hen verbonden zijn, los te laten.
Zij kunnen dit ook niet, omdat ze er door en aan gebonden zijn.
Zij nemen deze geesten tegen hun wil mee naar het dodenrijk.

Zo wordt van Judas gezegd dat hij een duivel is.
Als hij sterft, gaat hij met zijn demon zijn ondergang tegemoet of zoals de grondtekst aangeeft: naar zijn ‘eigen plaats’ of de plaats waar hij thuishoort, in de diepte van het dodenrijk (zie Handelingen 1:25).
Hij komt dus aan de duistere kant van de onoverbrugbare kloof, waar de demonen die de mensen verleiden om te zondigen, de eeuwige scheiding tussen mens en God vormen.
Want uw ongerechtigheden (vrucht van de werking van demonen) zijn het die scheiding brengen tussen u en uw God (Jesaja 59:2).

Jezus vertelt eens over een man die maar beter met een molensteen om zijn nek in zee kan worden geworpen om zo in de diepte te verdrinken (zie Matteüs 18:6).
Dit is een treffend beeld van een mens die in de Hades met een demon verbonden is.
De onoverkomelijke kloof is dus de scheiding in het dodenrijk tussen de mensen die met ‘hun’ demonen zijn verbonden én hen die bij of vóór hun sterven nog bevrijd worden van de duistere geesten.

Wat gebeurt er nu bij het laatste oordeel?
De zonen van God staan in verband met de bevrijding van de zuchtende schepping nu voor hun laatste en grootste opdracht om de laatste vijand, de dood, te vernietigen (zie 1 Korintiërs 15:26).
In deze oorlog tegen de machten van de dood geeft Jezus weer het voorbeeld.
Tijdens zijn leven op aarde overwint Hij demonenlegers, maar na zijn sterven dringt Hij de Hades binnen om de dood zijn kracht en macht af te nemen (zie 2 Timoteüs 1:10).

De dood moet Hem loslaten en van Jezus wordt gezegd:
Oorsprong is Hij,
eerstgeborene van de doden,
om in alles de eerste te zijn
(Kolossenzen 1:18).
God heeft Hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van Hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over Hem niet behouden (Handelingen 2:24).

Allen die in Hem zijn, hebben deel aan zijn opstanding en komen niet in de dood of in het dodenrijk.
Ze zijn door de verkondiging van de waarheid tot leven geroepen en zo de eersten in zijn schepping geworden (zie Jakobus 1:18) die beantwoorden aan het plan van God.

Bij het laatste oordeel doen de zonen van God iets wat zij tot dan nooit hebben gedaan en wat hun ook nooit eerder is toegestaan.
Zij trekken net als Jezus dit heeft gedaan, als overwinnaars het dodenrijk binnen, om de zuchtende schepping daar te bevrijden.
Zij hebben de antichrist en zijn krijgsmacht in het geestelijke Harmagedon verslagen, zodat hij met het beest uit de afgrond in de vuurpoel is geworpen.
Zij hebben overwonnen op Gog en Magog, waarna satan met zijn demonen ook in de hel is gegooid.

Nu trekken zij het dodenrijk binnen en vernietigen daar iedere demonische macht en kracht, zodat elke band met de dood wordt losgemaakt.
Hoelang de voltooiing van dit tijdperk zal duren, is ons onbekend.
Want het gaat hierbij over een eeuwige en absolute scheiding tussen ontelbare vrijgekomen gevangenen en hun belagers.
Duizenden jaren lang heeft het dodenrijk gezegd: geef, geef en nooit is het genoeg (zie Spreuken 30:15-16) maar nu breekt de periode aan dat het zijn gevangenen moet teruggeven.

De exodus van de gestorven mensheid is begonnen.
De dood en zijn demonen, het dodenrijk, zullen dan als laatste vijanden naar de uiterste (meest intense) duisternis worden verbannen.
Helaas worden ook veel mensen die de duisternis hebben liefgehad, dan voor eeuwig verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit (zie 2 Tessalonicenzen 1:9).

Er staat: De aarde en de hemel vluchtten van Hem weg en verdwenen in het niets.
Er zijn mensen die de Bijbel letterlijk in natuurlijk opzicht willen verklaren.
Zij begrijpen niet de geestelijke dimensie van het woord van God.
Zij begrijpen niet dat ze niet moeten lezen wat er staat, maar moeten verstaan of begrijpen wat ze lezen (zie Handelingen 1:30).
Als Paulus het heeft over de (soms nog) verborgen wijsheid van God, het plan van God, hanteert hij een geestelijke en dus geen natuurlijke benadering.

Kortheidshalve in dit verband een paar verzen uit 1 Korintiërs 2:
Toch is wat wij verkondigen wijsheid voor wie volwassen is in het geloof.
Het is echter niet de wijsheid van deze wereld en haar machthebbers, die ten onder zullen gaan.
Waar wij over spreken is Gods verborgen en geheime wijsheid, een wijsheid waarover God vóór alle tijden besloten heeft dat wij door haar zouden delen in zijn luister.
Daarover spreken wij, niet op een manier die ons door menselijke wijsheid is geleerd, maar zoals de geest het ons leert: wij verklaren het geestelijke met het geestelijke.
Een mens die de geest niet bezit, aanvaardt niet wat van de geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid.
Hij kan het ook niet begrijpen, omdat het geestelijk moet worden beoordeeld.

Wie de betreffende delen uit de Bijbel ‘natuurlijk letterlijk’ nemen en deze niet willen ‘vergeestelijken’, stuiten bij hun verklaring op onoverkomelijke bezwaren.
En deze problemen zijn voor hen nu nog groter dan ze al hebben met Openbaring 6:14 en 16:20 waar staat dat geen berg of eiland op zijn plaats bleef staan en dat alle eilanden verdwenen in het niets en van de bergen geen spoor meer te vinden was.
Deze exegeten zetten daarom ‘aarde en hemel’ tussen aanhalingstekenen, waarmee ze bedoelen dat die woorden figuurlijk moeten worden opgevat.
Wat dit vluchten dan wel betekenen moet, wordt er niet duidelijker op.
Maar wij zien ze als beelden van mensen en demonen die letterlijk wegvluchten.
Als de cipiers van de geestelijke gevangenis zijn uitgeschakeld, dus de machten van de dood zijn vernietigd, beginnen de vrijgekomen geesten direct te vluchten voor het licht dat van de grote witte troon afstraalt.

We kunnen dit beeld vergelijken met iemand die met een sterke lamp in een donkere kelder schijnt.
Het ongedierte daar raakt in paniek en vlucht naar alle kanten om weg te kruipen.
Maar voor de demonen die met de slechte mensen verbonden zijn, is nergens plaats meer in Gods schepping.
Zij vluchten daarom naar de buitenste duisternis of het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen (zie Matteüs 25:41).

We denken hierbij aan wat in Gadara gebeurt (Marcus 5:10) als de demonen buiten hun gebied of werkterrein worden gezonden.
Ze trekken in een kudde van ongeveer tweeduizend varkens die zich, volkomen bezeten, in het meer storten.
God werpt de mensen niet in de hel, maar doordat ze verbonden zijn met de duistere demonen, kunnen ze niet in de nabijheid van God komen.
Want God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis (1 Johannes 1:5).

Zij komen samen met de wegvluchtende demonen in het eeuwige vuur of de vuurpoel.
Vóór hen zijn de antichrist met het beest uit de afgrond en de duivel met zijn demonen al daarheen verbannen.
Maar voor hen die laf en trouweloos zijn geweest, die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen, met moord, ontucht, toverij of afgodendienst, voor allen die de leugen hebben gediend: hun deel is de vuurpoel met brandende zwavel, dat is de tweede dood (Openbaring 21:8).