Openbaring

Openbaring 20:12-13
De boekhouding van de aanklager

Ik zag de doden, jong en oud, voor de troon staan.
Er werden boeken geopend.
Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven.
De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden.
De zee stond de doden die ze in zich had af, en ook de dood en het dodenrijk stonden hun doden af.
En iedereen werd geoordeeld naar zijn daden.

En ik zag de doden, kleinen en groten, staande voor het aangezicht van God.
En boeken werden geopend en boek (een) ander werd geopend, dat is (dat) van het leven.
En werden geoordeeld de doden op grond van de geschreven (dingen) in de boeken, overeenkomstig de werken van hen.
En gaf de zee de in haar (zijnde) doden en de dood en het dodenrijk gaven de in hen (zijnde) doden en zij werden geoordeeld ieder overeenkomstig de werken van hen.

Johannes ziet hoe de gestorven mensen van alle eeuwen, behalve zij die deel hebben aan de eerste opstanding, uit het dodenrijk worden bevrijd.
Van Christus Jezus wordt gezegd dat Hij over de levenden en de doden zal oordelen (zie 2 Timoteüs 4:1).

Alle levenden zijn al geoordeeld en nu volgen de doden.
Werkelijkheid wordt wat Jezus zegt in Johannes 5:28-29:
Wees hierover niet verwonderd, er komt een moment waarop alle doden zijn stem zullen horen
en uit hun graf
(het dodenrijk) zullen komen: wie het goede gedaan heeft staat op om te leven, wie het slechte gedaan heeft staat op om veroordeeld te worden.

Onze Heer is bij het oordeel betrokken.
Jezus zegt in Johannes 5:27:
En omdat Hij de Mensenzoon is, heeft Hij Hem ook gezag gegeven om het oordeel te vellen.
Jezus doet dit samen met zijn gemeente, want:
Weet u dan niet dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen? (zie 1 Korintiërs 6:2).

Bij de opstanding moet de dood zijn prooien loslaten en worden ziel en geest van alle doden opgewekt.
Daniël moet van deze laatste opstanding opschrijven:
Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd (Daniël 12:2).
Er is sprake van ‘velen’, dus niet allen.
Want er is, zoals gezegd, ook een eerdere opstanding, namelijk van hen die ‘in Christus’ gestorven zijn.

Deze zelfde tegenstelling horen we in de woorden van Jezus:
Hun staat een eeuwige bestraffing te wachten, de rechtvaardigen daarentegen het eeuwige leven (Matteüs 25:46).

Het gaat bij het laatste oordeel om deze twee eeuwige tegenstellingen.
Voor hen die het kwaad liefhebben is een verandering van situatie uitgesloten.
Zij blijven verbonden met de demonen die zij in hun leven bewust hebben toegelaten.
Het idee van een generaal pardon of een algemene verzoening is niet logisch.
Zal iemand die in zijn aardse bestaan bewust in het kwaad leeft en bewust het evangelie verwerpt, dit later wél aanvaarden?
Ditzelfde geldt voor engelen die bewust God de rug hebben toegekeerd en met satan in zijn opstand tegen God zijn meegegaan.
Welk evangelie moet God aan satan en zijn demonen of aan slechte mensen dan wél verkondigen om hen op andere, betere gedachten te brengen ?

Voor beiden geldt:
Want wie ooit door het licht beschenen is, geproefd heeft van de hemelse gave en deel gekregen heeft aan de heilige geest
wie het weldadig woord van God en de kracht van de komende wereld ervaren heeft
en vervolgens afvallig is geworden, kan onmogelijk een tweede maal worden bekeerd …
(zie Hebreeën 6:4-6 ged.).
Let wel, het gaat hierbij nadrukkelijk om hen die een doelbewuste antikeus maken.
En niet om hen die door onkunde of door andere belemmerende factoren nooit de juiste keus hebben kúnnen maken!
Verder moet worden opgemerkt dat Jezus wel neergedaald is in het dodenrijk, maar dat Hij nooit in de vuurpoel is geweest.
Dit terrein van de ‘uiterste of buitenste duisternis’ ligt dus buiten zijn genade.

Als (in de grondtekst) gesproken wordt van kleinen en groten, moet ook dit geestelijk worden gezien.
Klein of groot in de geestelijke wereld staat in verband met de goede, rechtvaardige en barmhartige daden die de mensen gedaan hebben.
Voor een nadere uitleg hiervan, zie bij Openbaring 19:8.

Het gaat hier dus niet over verloren mensen die met grotere of kleinere demonen zijn verbonden.
Zij staan niet voor de troon van God, maar vluchten met deze demonen direct naar de vuurpoel.

Jezus zegt in Marcus 10:43-44:
Zo mag het bij jullie niet gaan.
Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn.

In Matteüs 5:19 zegt Jezus:
Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel.
Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan.

En in Matteüs 11:11:
Er is onder allen die uit een vrouw geboren zijn nooit iemand opgetreden die groter was dan Johannes de Doper; maar in het koninkrijk van de hemel is de kleinste nog groter dan hij.

We kunnen concluderen dat Johannes de Doper de grootste is onder de rechtvaardigen die voor de grote witte troon staan.
Of hij moet al horen bij de heiligen die met Jezus het dodenrijk hebben verlaten en overgezet zijn in het nieuwe Jeruzalem (zie Matteüs 27:53).

Er wordt meegedeeld dat de doden vóór God ‘staan’, ze zijn dus opgestaan, er is dus sprake van een opstanding.
Wij zien al dat de goddeloze mensen door de vluchtende demonen zijn meegenomen naar de vuurpoel.
Zij kunnen niet verschijnen voor de Mensenzoon (zie Lucas 21:36).
Zij zijn het door hun eigen schuld en keus niet waard!

Ook wordt vermeld waar de doden vandaan komen.
Het eerst wordt de zee genoemd en wel in één adem met de dood en het dodenrijk.
Met de zee wordt de verzamelnaam van het religieuze leven van de mensen bedoeld.
In deze zee bevinden zich ook de wetteloze en ontbindende machten.
De echte gelovigen stijgen, als ze opnieuw geboren worden, op uit de zee, om als (onderdeel van) een wolk hun plaats in te nemen in de geestelijke wereld.
Bij hun sterven zien zij de dood niet, maar worden zij losgemaakt van de aarde.
Ze nemen hun intrek bij de Heer die met de wolk (de gemeente) verbonden is.
2 Korintiërs 5:8:
We blijven vol goede moed, ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen.
Openbaring 14:14 ged.:
Toen zag ik dit: een witte wolk en daarop zat iemand die eruitzag als een mens.

Iemand die eruitziet als een mens is daar verbonden met de verloste mensheid!
Wie geen deel hebben aan Christus tijdens hun aardse leven, verliezen bij hun sterven hun band met de natuurlijke wereld, de aarde en blijven in de zee achter.
Ze zijn tijdens hun aardse leven al in de dood (want: niet met God verbonden) en blijven daarin ook na hun sterven.
Hoe meer de mens contact met de demonen heeft gehad, hoe verder hij wegzinkt in de diepte van de zee, de afgrond, waar absolute duisternis heerst.

In het bovenste deel van de zee is nog licht en lucht, dus nog leven.
Zo zijn de oudtestamentische gelovigen niet opgestegen naar de wolk in het koninkrijk van God.
Ze horen dan nog niet bij de gemeente van Jezus Christus, maar ze worden ook niet neergetrokken naar de diepten van de bodemloze put, de afgrond.
De zee is hier dus de verblijfplaats van de doden die geen deel hebben aan het nieuwe verbond.
Het dodenrijk is geen fysieke plaats, maar een verzameling van geesten onder heerschappij van de dood, de koning van het dodenrijk.
De machten van de dood houden de ziel en de geest, dus de innerlijke mens, in de zee vast, maar bij de opstanding moeten zij hun prooien loslaten.

In het beeld dat de apostel ziet, worden de ‘boeken’ geopend, de dossiers van de duivel.
Het zijn de boeken van de dood, waarin de namen staan en de werken zijn opgesomd die bij de doden tot veroordeling leiden.
Maar er is ook een boek van het leven met daarin de namen en de werken van hen die niet in de vuurpoel zijn geworpen, omdat deze doden nog leven claimen.
Zij staan in het dodenrijk aan de goede kant van de onoverbrugbare kloof.

Hoe zijn nu de eerstgenoemde boeken als verzameling schulden ontstaan en van wie zijn ze?
Het is duidelijk dat de inhoud ervan gebruikt wordt als aanklacht om de veroordeling te rechtvaardigen.
Er blijken dus ‘dossiers’ te zijn, waarin heel precies alle strafbare feiten van de doden zijn opgeschreven.
Direct komt de vraag op wie dit allemaal heeft genoteerd en wie er zo’n enorm belang bij heeft dat geen enkele verkeerde daad door de vingers wordt gezien.

Als we ons deze rechtszitting voorstellen, ligt het voor de hand dat de rechter niet de aangewezen persoon is om tegelijk als aanklager te fungeren.
In elk normaal strafproces zijn rechter, aanklager en verdediger aparte figuren, ieder met zijn eigen rol.
De rechter spreekt recht in naam van de wet, hier dus God, de wetgever.
Het is daarom een onlogische gedachte dat Hij steeds in actie komt om iedere kleine of grote overtreding van de mens direct vast te leggen.

Maar het is logischer om aan satan deze accurate ‘boekhouding’ toe te schrijven, want alleen hij heeft er belang bij dat de mens verloren gaat.
Van God staat in tegendeel dat Hij wil dat alle mensen worden behouden (zie 1 Timoteüs 2:3-4).
Daarom laat de Heer immers voortdurend zijn ogen over de aarde rondgaan en biedt iedereen hulp die Hem met heel zijn hart is toegedaan (2 Kronieken 16:9).

Wij moeten aan God geen ongerijmde dingen toeschrijven, Hem geen enkel verwijt maken, zoals ook Job niet doet (zie Job 1:22).
Hij is heilig en Hij heeft dus geen enkel contact of raakvlak met het kwaad en Hij houdt dat ook niet bij.
Maar de duivel zoekt tijdens zijn rondzwerven over de aarde nauwkeurig naar alle door de mensen verrichte slechte daden en ‘noteert deze in zijn boek’.
Ook hier moeten we geestelijk denken en ons hierbij uiteraard geen letterlijk papieren boek voorstellen.

God vraagt aan satan:
Heb je ook op mijn dienaar Job gelet?
Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad
(Job 1:8).
God heeft namelijk alleen het boek van het leven en daarin staat Job hoog genoteerd.
Maar duidelijk zegt de Bijbel dat de mens die zondigt, satan dient.
Wanneer u zich als slaaf in iemands dienst stelt, weet u toch dat u hem moet gehoorzamen?
Wanneer u de zonde dient, leidt dat tot de dood; wanneer u God gehoorzaamt, leidt dat tot vrijspraak
(Romeinen 6:16).

Een geestelijke wetmatigheid is dat op elke overtreding en ongehoorzaamheid een rechtmatige straf (of: loon) volgt (zie Hebreeën 2:2).
Al het eerste mensenpaar maakt hiermee kennis, als God hen waarschuwt: wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven (zie Genesis 2:17).

Satan keert altijd loon uit aan ieder die voor hem werkt.
Hij is een werkgever die niets onbeloond laat.
We zeggen wel eens van iemand die iets verkeerds doet, dat hij zijn verdiende loon zal krijgen of ‘Boontje komt om z’n loontje’ …
De ene wetteloosheid wordt zo beloond met de andere: aanklacht, ellende, pijn, angst en dood, dus met de sfeer van het rijk van de duisternis.
Vergelding, wraak en straf horen bij het loon dat satan uitkeert.
De notities die hij in zijn boeken maakt, zijn in feite overzichten van uit te betalen negatief loon.

Van God staat in Romeinen 3:25 dat Hij in zijn verdraagzaamheid voorbijgaat aan de zonden die in het verleden zijn begaan.
Wanneer God begane zonden niet toerekent, kunnen we ons toch moeilijk voorstellen dat Hij ze tegelijk nauwkeurig noteert.
Vooral omdat Hij in zijn Goddelijke plan heeft opgenomen alle zonden door één offer te verzoenen.

Om in zijn boekhouding geen fouten te maken, maakt satan gebruik van de wet van het oude verbond.
Paulus concludeert in Romeinen 7:9-13:
Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven
en daardoor stierf ik.
Het gebod, dat tot leven had moeten leiden, bleek juist tot mijn dood te leiden.
De zonde heeft gebruikgemaakt van het gebod: ze heeft mij misleid en mij door het gebod gedood.
Kortom, de wet zelf is heilig en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed.
Is het dan het goede dat mij heeft gedood?
Natuurlijk niet, het is de zonde.
Maar om mij te doden heeft ze van het goede gebruikgemaakt; alleen zo kon duidelijk worden wat de zonde is.
Door het gebod te gebruiken laat de zonde zien hoe verderfelijk ze is.

Met de wet in zijn hand kan satan de zonde van de mens verifiëren en inboeken, om ze later als aanklacht de rechtvaardige Rechter voor te houden.
Door deze boeken van de dood wil satan de mens naar zich toetrekken en een claim op hem leggen en houden.
Hij wil de mens in zijn invloedssfeer hebben en houden.
Satan wil dus dat God, de rechtvaardige Rechter, controleert wie voor hem gewerkt hebben en dat Hij zo tot een veroordeling komt.

De rechtvaardige Job staat niet in de boeken van de duivel.
Hij daagt zijn beschuldiger zelfs uit de aanklacht tegen hem maar op schrift te zetten, want hij weet dat hij niet op zijn loonstaat voorkomt.
Hij zegt zonder enig schuldgevoel, met een zuiver geweten:
O, wilde er maar iemand luisteren!
Ik sta in voor wat ik heb gezegd.
Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven,
laat mijn tegenstander
(satan) zijn klacht boekstaven!
Dan zou ik die op mijn schouders dragen,
als een krans zou ik hem om mijn hoofd vlechten.
Ik kan van al mijn gangen rekenschap afleggen,
fier als een vorst treed ik hem
(satan) tegemoet (Job 31:35-37).

Het woord ‘hem’ staat hier terecht niet met een hoofdletter.
Want zelfs voor een rechtvaardige geeft het geen pas om God als een vorst te naderen.

Job heeft een zuiver geweten en hij weet dus dat hij niet in de boeken van satan voorkomt.
Daarom wil hij zijn dossier wel op zijn schouders leggen en zich ermee omhangen als met een erekrans.
Hij is niet iemand als Adam die zijn zonden wegmoffelt, als iemand die uit angst voor mensen ze niet durft te belijden.
Job weet dat hij nauwkeurig met God leeft en als hij al eens struikelt weet hij dat zijn schuld door God vergeven wordt door het brengen van een brandoffer.
Zo doet hij dit ook voor zijn kinderen.

In Kolossenzen 2:13-14 schrijft Paulus:
U was dood door uw zonden en door uw onbesneden staat, maar God heeft u samen met Christus levend gemaakt toen Hij ons al onze zonden kwijtschold.
Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen.
Als iemand zich afwendt van zijn huidige leven kan hij tot God terugkeren om vergeving te krijgen voor zijn zonden
(zie Handelingen 3:19).

Het document van satan klaagt de mens aan, het getuigt tegen hem.
In zijn boeken heeft satan wel al onze overtredingen genoteerd, maar Jezus Christus heeft met zijn bloed (of leven) onze hierdoor ontstane zondeschuld (het negatieve loon) betaald.
We hebben nu dus geen schulden meer!
Zijn bloed is in geestelijk opzicht zijn leven.
Satan heeft hiermee genoegen genomen als betaling voor de hele schuld van de hele mensheid.
Als hij ons nu aanklaagt, terwijl wij een beroep gedaan hebben op de betaling door Jezus, is deze aanklacht onwettig en kunnen wij haar met een gerust hart naast ons neerleggen.

Zo kunnen wij de aanklager overwinnen:
Want de aanklager van onze broeders en zusters, die hen dag en nacht bij onze God aanklaagde, is ten val gebracht.
Zij hebben hem dankzij het bloed van het Lam en dankzij hun getuigenis overwonnen.
(Openbaring 12:10 en 12 ged.).
In vers 10 van ons hoofdstuk staat dat satan vóór het laatste oordeel in de poel van vuur en zwavel wordt geworpen.
Maar zijn dossiers laat hij als een testament achter, want daarin staat nauwkeurig vermeld wie volgens hem als schuldige de eeuwige dood verdient.
Wie volgens hem dus geen deel mag hebben aan het eeuwige leven.

Maar er is nog een ander boek, het boek van het leven.
God is rechtvaardig.
Er zijn altijd mensen (geweest) die het evangelie van Jezus Christus niet hebben gekend, maar die toch de door God ingeschapen wet van nature naleven (zie Romeinen 2:14).
De zedelijke wet van God, de normen en waarden die van Hem afkomstig zijn, ligt vast in hun wil, hun gedachten en gevoelens (zie Romeinen 2:15).
Ze luisteren naar de ingeschapen wet van God en ze hebben daarom een zuiver geweten.
En als ze iets verkeerds doen, werkt hun geweten zo goed dat ze dit terdege beseffen.

Juist als iemands geweten hem beschuldigt, is dit een bewijs dat er nog echt leven (van God) in hem is.
Hij heeft dan nog de gelegenheid zich van het kwaad af te keren.
Hij is er dus niet aan gebonden door demonen die hem dwingen kwaad te doen en die zijn geweten als met een gloeiende pook willen dichtschroeien.

Altijd zijn er mensen (geweest) die de Goddelijke eigenschappen van naastenliefde en barmhartigheid openbaren.
Te denken valt bijvoorbeeld aan de Egyptische verloskundigen Sifra en Pua (zie Exodus 1:15), aan de Ethiopiër Ebed-Melech (zie Jeremia 38:7-13), aan de barmhartige Samaritaan (zie Lucas 10:30-37) en zoveel andere rechtschapen mensen, ook in onze tijd.
Zulke mensen grijpen het evangelie van Jezus Christus ongetwijfeld met beide handen aan, als ze het horen, om zo nog meer goedheid te kunnen bewijzen door de liefde en de gaven van de geest van God.

God heeft hun namen en goede daden opgetekend in het boek van het leven.
In Maleachi 3:16 en 18 (NBG, taalkundig bewerkt) wordt van hen opgemerkt:
Dan spreken zij die de Heer vrezen, onder elkaar, ieder tot zijn naaste:
De Heer bemerkte het toch en hoorde het en er werd een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven, ten goede van hen die de Heer vrezen en zijn naam in ere houden.
Dan zult u tot inkeer komen en het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient en wie Hem niet dient.

Het gaat hier dus niet over de rechtvaardigen die om hun geloof in de schuldvergeving zijn opgeschreven in het boek van het leven van het Lam (zie Openbaring 12:27).
Het gaat over een grote categorie mensen die in hun leven het goede hebben gedaan, maar het echte evangelie nooit hebben gekend.
Voor hen geldt: Wie het goede gedaan heeft staat op om te leven (zie Johannes 5:28-29).

Zij zijn niet verbonden met de demonen en ze hebben het licht, dat is het leven, lief.
Al in het oude testament wordt gesproken over het boek van het leven.
Het wordt daarin voorgesteld dat de (uitsluitend) goede God de mens vanaf zijn prille jeugd in dit boek opneemt.
Wie echter tegen Hem zondigt, wordt uit dit boek verwijderd.
Schenk hun vergeving voor die zonde.
Wilt U dat niet, schrap mij dan maar uit het boek dat U geschreven hebt.
De Heer antwoordde Mozes: Alleen wie tegen Mij gezondigd heeft, schrap Ik uit mijn boek
(Exodus 32:32-33).

Wanneer de vijanden van David schuld op schuld stapelen, bidt hij:
Voeg dit alles toe aan hun schuld,
sluit hen uit van uw genade,
schrap hun namen uit het boek van het leven,
laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen
(Psalm 69:28-29).

Deze rechtvaardigen staat volgens de uitspraak van onze Heer in Matteüs 25:46 het eeuwige leven te wachten.
Ze bezitten dit leven nog niet, maar de gemeente van Jezus Christus zal hen na de opstanding, door de verkondiging van het eeuwige evangelie zover brengen.
Wanneer zij van de Levensboom gegeten hebben, zullen zij het nieuwe Jeruzalem binnengaan, de stad waarnaar Abraham al heeft verlangd.
Zij worden dan opgeschreven in het boek van het leven van het Lam (zie Openbaring 21:27) en ze gaan zo horen bij de volmaakt rechtvaardigen.

Voor hen die tijdens hun aardse bestaan geen ontferming hebben betoond aan hun lijdende medemens, geldt:
Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen.
Hun staat een eeuwige bestraffing te wachten
(zie Matteüs 25:41 en 46).

De doden worden geoordeeld óf naar wat van hun daden in de boeken van de dood óf in het boek van het leven staat opgetekend.
De hoofdbetekenis van ‘oordelen’ is scheiden of schiften.
Zij die één geest met satan geworden zijn, staan niet in het boek van het leven, want zij missen iedere vorm van rechtvaardigheid en goedheid.
Hun goddeloze daden en gedachten liggen vast in de dossiers van satan.
Beide soorten boeken oordelen hen op grond van verrichte daden: wat ze gedaan hebben en wat ze aan goede dingen nagelaten hebben te doen.
Denk bij voorbeeld aan de rijke man in de vergelijking die Jezus vertelt, ten opzichte van de arme Lazarus.
Het eeuwige oordeel of de eeuwige scheiding voltrekt zich, als deze categorie doden naar de vuurpoel vlucht.

Dan blijven de mensen over van wie de namen alleen in het boek van het leven staan.
Zij hebben niet gezondigd of hun zonden zijn vergeven.
We kunnen hierbij denken aan jong gestorven kinderen en andere onschuldigen die het verschil niet kennen tussen hun linker- of rechterhand.
Maar ook aan rechtvaardigen die vergeving van hun zonden hebben gekregen door ‘schaduwachtige’ offers, Job bijvoorbeeld.
Deze offers zijn later bekrachtigd door het offer van Jezus Christus op Golgotha.

Tot slot is er nog de laatste en grootste groep van goede en barmhartige mensen.
Ondanks hun goedheid zijn ze toch door demonen gedwongen om dingen te doen die ze niet hebben gewild en waarvoor ze zich vaak hebben geschaamd.
Ook zij staan voor de troon en ze vragen zich af wat er met hen zal gebeuren als de boeken worden geopend en ingezien.
Ze zijn nog vertegenwoordigd in het boek van het leven, maar hun zonden zijn nog niet vergeven.

Als onze Heer als barmhartige Rechter vol mededogen naar hen kijkt, vraagt Hij:
Waar zijn nu eigenlijk jullie aanklagers of beschuldigers?
Ik heb hier veel documenten, maar jullie aanklagers zie Ik niet meer.
Wie denkt hierbij niet aan de getuigen à charge bij de overspelige vrouw, die een voor een afdruipen?
Jezus vraagt aan de vrouw:
Waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?
Niemand, Heer zei ze.
Ik veroordeel u ook niet, zei Jezus. Ga naar huis en zondig vanaf nu niet meer
(Johannes 8:10-11).

Voor veel mensen is dit een moeilijk te verteren verhaal dat door hen niet als volwaardig wordt gezien.
Want veel mensen zeggen: dat gaat toch wel te gemakkelijk!
Ze ergeren zich eraan.
Het zet kwaad bloed bij hen dat onze Heer (zo) goed is (zie Matteüs 20:15).
Het is te hopen voor hen dat ze bij het laatste oordeel in hun eigen belang meer ontferming van de Heer zullen ervaren dan die ze zelf aan hun medemens hebben bewezen!
Bij het laatste oordeel is alleen het boek van het leven van belang, want de boeken van satan worden weggeworpen.

In het boek van het leven staan behalve de namen van de groten en de kleinen in rechtvaardigheid, ook al hun goede daden.
Deze bepalen hun plaats of hun statuur in de nieuwe schepping, waarin zij als rechtvaardigen worden geplaatst om verder te worden onderwezen in het eeuwige evangelie.
Ook in het laatste oordeel overwint de barmhartigheid het oordeel (zie Jakobus 2:13), want God is goed!
Het evangelie van Jezus Christus waarnaar de doden geoordeeld worden, is gebaseerd op liefde en ontferming.
Matteüs 12:20-21 zegt:
Het geknakte riet breekt Hij niet af,
noch dooft Hij de kwijnende vlam,
totdat het recht dankzij Hem overwint.
Op zijn naam zullen alle volken hun hoop vestigen.

Daarom kan Petrus vol vertrouwen zeggen:
Maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont (2 Petrus 3:13).