Openbaring

Openbaring 20:4
De gezalfde (messias) van de Heer

Ook zag ik tronen, en aan hen die erop zaten werd recht gedaan.
Het zijn de zielen van hen die onthoofd waren omdat ze van Jezus hadden getuigd en over God hadden gesproken; zij hadden het beest en zijn beeld niet aanbeden en ook zijn merkteken niet op hun voorhoofd of hun hand gekregen.
Zij waren tot leven gekomen en heersten duizend jaar lang samen met de messias.

En ik zag tronen en zij zijn gaan zitten op hen en (het) oordeel werd gegeven aan hen en de zielen van de onthoofden vanwege het getuigenis van Jezus en vanwege het woord van God en degenen die niet aanbeden hebben het beest, noch het beeld van hem en niet ontvangen hebben het merkteken op het voorhoofd van hen en op de hand van hen.
En zij leefden / kwamen tot leven en zij regeerden met Christus de duizend jaren.

Wie zijn zij die op tronen zitten en aan wie het oordeel gegeven wordt?
Het is de gemeente van Jezus Christus die met Hem gestreden heeft in de geestelijke wereld en met Hem heeft overwonnen (zie Openbaring 19:19-20).

Na de overwinning bij Harmagedon gaat de belofte in vervulling:
Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit (zie Openbaring 3:21).

De schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt over deze situatie in Hebreeën 2:8-9:
… alles hebt u aan Hem (Jezus Christus en zijn gemeente) onderworpen.
Doordat Hij alles aan Hem onderworpen heeft, rest er niets dat niet onder zijn gezag is gesteld.
Dat alles aan Hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet;
wel zien we dat Jezus – die voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst was opdat zijn dood door Gods genade iedereen ten goede zou komen – vanwege zijn lijden en dood nu met eer en luister gekroond is.

Onze Heer bevindt zich al in zijn opstandingslichaam op de troon van de Vader.
In onze tekst nemen de opgestane gelovigen ook deze positie in.
Jezus zegt: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde (zie Matteüs 28:18) en deze macht oefenen zij nu samen met Hem uit.
In de periode van het plan van God waarin wij nu leven bezit de gelovige alleen (de van Jezus afgeleide) autoriteit in de geestelijke wereld.
In het duizendjarige rijk gaat hij met Jezus ook heersen op aarde, dat wil zeggen: zich in liefde volledig inzetten voor het herstel van mens en overige schepping.

Deze troonverwervers zijn volgelingen van Jezus Christus, in woord en daad.
Jezus belooft aan hen die Hem onvoorwaardelijk volgen:
Ik verzeker jullie: wanneer de tijd aanbreekt dat alles vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in zijn majesteit zal zetelen op zijn troon, zullen ook jullie die Mij gevolgd zijn plaatsnemen op de twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël (Matteüs 19:28).

Want door hun woorden, daden en getuigenis wordt het geestelijke Israël gevormd en het hemelse Jeruzalem gebouwd.
Alléén wat zij van Jezus leren en op hun beurt weer doorgeven is maat- en richtinggevend.
Op hun woorden en leven, geïnspireerd door de geest van God, is de gemeente van het nieuwe verbond gebaseerd.
In de vergelijking van de koning en de drachmen (NBG: gelijkenis van de ponden) – zie Lucas 19:11-27 - wordt verteld dat een man van voorname afkomst naar een ver land gaat om koning te worden.
In Johannes 12:31 noemt Jezus satan de heerser van deze wereld, die verbannen zal worden.
Nu dit is dit gebeurd, staat in Openbaring 11:15 dat de heerschappij van onze Heer en die van zijn messias (gezalfde) over de wereld is gekomen.
De gezalfde van de Heer is zijn gemeente, het geestelijke volk Israël.
Zij zullen samen heersen tot in eeuwigheid.
In bovenstaande vergelijking krijgen de dienaren van de koning nu de ‘heerschappij over een aantal steden’ naar verhouding van hun trouw en inzet.
Aan hun ‘eeuwige statuur’ hebben zij tijdens hun aardse leven met volledige toewijding gewerkt.

Hun opdracht is om deze steden (groepen van mensen in wie God woont) te besturen en de vijanden (de demonen) voor de ogen van de koning te slachten.
De invloed van de demonen wordt in alle opzichten teniet gedaan door ze te verbannen naar de vuurpoel.
De gelovigen volgen ook hierin Jezus, die zegt:
Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven … (zie Marcus 16:17).

De tronen zijn het symbool van de heerschappij van de zonen van God.
In de geestelijke wereld is de macht van Jezus mede door hun trouw en inzet gevestigd en is de vijand verslagen.
Nu volgt voor hen het koningschap op de aarde en het herstel van de schepping die als in barensweeën zucht en lijdt (zie Romeinen 8:22).
De verleider is gevangengezet, maar op aarde zijn nog veel geestelijk gebonden en beschadigde mensen die bevrijd en genezen moeten worden.
Dit geldt ook voor alle gestorven mensen die geleefd hebben zolang er mensen hebben bestaan, voor hen die verlangd hebben naar het goede van God.
Ook zij zullen deel kunnen krijgen aan het koninkrijk van God.
Als mensen nog gebonden zijn door inwonende demonen, kunnen ze Gods vrede en gerechtigheid niet of niet volkomen ervaren.

Tussen deze koningen valt één groep in het bijzonder op.
Zij is die van hoofdstuk 6:9, het zijn de martelaars van het nieuwe verbond:
… zag ik aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis.
Vers 11 zegt van hen:
Ieder van hen kreeg witte kleren.
Verder werd hun gezegd nog een korte tijd geduld te hebben, totdat ook de andere dienaren, hun broeders en zusters die net als zij zouden worden gedood, zich bij hen gevoegd zouden hebben.

Nu is deze tijd aangebroken, want hun andere broers en zussen hebben zich bij hen gevoegd.
Het zijn zij die het beest en zijn beeld niet aanbeden hebben en ook zijn merkteken niet op hun voorhoofd of hun hand gekregen hebben.
Johannes ziet de zielen van deze martelaars: hij herkent dus hun innerlijke mens zoals hij die aan de voet van het altaar heeft gezien.

Wanneer gezegd wordt: Zij waren tot leven gekomen, wijst ‘zij’ terug op hen over wie het begin van het vers spreekt, dus op hen die op tronen zitten.
Ieder die in Christus gestorven en opgewekt is, neemt dan weer deel aan het leven op aarde om de schepping te herstellen.
Vóór die tijd zijn zij machthebbers in de geestelijke wereld en wonen ze in een sterfelijk lichaam.
Met hun opstandingslichaam heersen zij nú met Christus als koningen ook op de aarde, in het zichtbare.
Opnieuw wordt de tijdsperiode van duizend jaar genoemd, om aan te tonen dat dit vrederijk een door God vastgestelde tijd duurt.
Zes keer wordt de uitdrukking duizend jaar gebruikt, maar het blijft symboliek.
Want: … de Vader heeft de tijd en het ogenblik vastgesteld waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden (zie Handelingen 1:7).