Openbaring

Openbaring 20:5-6
Zalig en heilig

De andere doden kwamen niet tot leven voordat de duizend jaar voorbij waren.
Dit is de eerste opstanding.
Gelukkig en heilig zijn zij die deelhebben aan de eerste opstanding.
De tweede dood heeft geen macht over hen.
Zij zullen priester van God en van de messias zijn en duizend jaar lang samen met Hem heersen.

De nu overigen van de doden niet kwamen tot leven totdat voleindigd waren de duizend jaren.
Dit (is) de opstanding eerste.
Zalig en heilig (is) de hebbende deel aan de opstanding eerste: over dezen de dood tweede niet heeft (vol)macht, maar zij zullen zijn priesters van God en van Christus en zij zullen regeren met Hem duizend jaren.

De heersers die op de tronen plaatsnemen, zijn geestelijke koningen en priesters.
Zij zijn de eersten in Gods schepping, zoals Jakobus 1:18 aangeeft:
Hij wilde ons door de verkondiging van de waarheid tot leven roepen, om ons de eersten te maken in zijn schepping.
Van hen wordt ook gezegd dat zij uit de mensheid vrijgekocht zijn om als de eerste opbrengst te worden aangeboden aan God en aan het Lam (zie Openbaring 14:4).

Ze zijn onberispelijk, er valt niets op hen aan te merken (zie Openbaring 14:5), ze zijn dus zonder zonde.
Geen leugen (dwaling) komt over hun lippen..
Ze zijn volgelingen van Christus, ze hebben een zuiver geweten en ze zijn volledig op de hoogte van het plan van God.
Zij horen bij het Lichaam van Christus en zij zijn het eerst opgestaan, voordat de achterblijvenden de Heer zullen ontmoeten in zijn koninkrijk.
1 Tessalonicenzen 4:16-17:
Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen.
Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan,
en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet.
Dan zullen we altijd bij Hem zijn.

In Openbaring 11 is het voorgaande al aan de orde geweest.

De andere doden uit onze tekst zijn dus zij die niet bij de gemeente van Jezus Christus horen.
In de eerste plaats zijn dit dus alle mensen die niet in het boek van het leven staan opgeschreven.
Zij hebben niet in de enige God en ook niet in zijn Zoon geloofd en zij zijn daarmee onder de macht van de demonen gebleven.
Maar ook de gelovigen van het oude verbond staan nog niet op.
Tegen Daniël wordt gezegd:
Maar jij, ga het einde tegemoet.
Je zult te ruste gaan en aan het einde van de dagen opstaan om je bestemming te bereiken
(Daniël 12:13).

Martha belijdt op oudtestamentische manier ten aanzien van Lazarus: … ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan (zie Johannes 11:24).
Dit is dus bij het eindoordeel.
Als Daniël opstaat, is zijn bestemming het nieuwe Jeruzalem.
Daaraan hebben ook deel de geesten van de rechtvaardigen die tot volmaaktheid gekomen zijn (zie Hebreeën 12:23).

De gemeenschap van eerstgeborenen die in de hemel ingeschreven zijn (het geestelijke volk Israël) uit dit vers, is de gemeente, verenigd in de geestelijke tempel.
De gelovigen van het oude verbond zien uit naar een stad met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd (zie Hebreeën 11:10).
De gelovigen van het nieuwe verbond worden door Christus samengevoegd tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook zij samen opgebouwd worden tot een plaats waar God woont door zijn geest (zie Efeziërs 21 en 22).
Hoewel de geestelijke tempel bij het nieuwe Jeruzalem hoort, vormt hij (nog) een afgezonderd deel van de stad, speciaal aan God gewijd.

De profetische lijn van het herstel is:
eerst het altaar (schuldvergeving en rechtvaardiging door het geloof),
dan de tempel (de gemeente als woonplaats van God door zijn geest in de mens)
en vervolgens de stad zelf (de gelovigen of rechtvaardigen van alle tijden).
De herbouw van de tempel en de stad in de dagen van Ezra en Nehemia komt als voorafschaduwing overeen met de hemelse werkelijkheid.

In de tijd van het nieuwe verbond zijn er veel gelovigen die wel in de schuldvergeving geloven op grond van het offer van Jezus op Golgotha.
Maar zij zijn totaal niet op de hoogte van de belofte van God dat Hij zijn geest ook in hen wil laten wonen.
Daarom kennen zij ook geen overwinning op de demonen.
Met hun oudtestamentische visie en met de wet van de Sinaï in plaats van de wet van de geest, horen zij in feite nog bij de gelovigen van het oude verbond.
Zij zijn geen geestelijke mensen omdat zij niet door Gods geest leven en geen rekening houden met de geestenwereld.
Hun denken is aardsgericht, ze houden (vrijwel) alleen rekening met uiterlijke dingen.

De eerste opstanding begint bij de innerlijke mens die na het opnieuw geboren worden een nieuw (d.w.z. geestelijk) leven gaat leiden.
Jezus zegt in Johannes 5:25:
Ik verzeker u: er komt een tijd, en het is nu al zover, dat de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en dat wie Hem horen, zullen leven.

Wat hun lichaam betreft kunnen deze gelovigen wel sterven, maar wanneer ze in het nieuwe leven standgehouden hebben, zal hun innerlijke mens (geest en ziel) de dood nooit ontmoeten.
Jezus zegt in Johannes 8:51-52:
Als iemand mijn woord bewaart zal hij de dood nooit zien.
Wie mijn woord bewaart zal de dood nooit proeven.

Om deel te hebben aan de eerste opstanding gaat het erom of men (aan) de woorden van Jezus blijft vasthouden.
Ook moeten en kunnen we trots en zonder schroom vasthouden aan datgene waarop wij hopen (zie Hebreeën 3:6).

Er zijn mensen die geloven in het idee van de ‘zielenslaap’; zij beweren dat een gelovige bij zijn sterven ‘ophoudt te leven in elke vorm’.
In feite is deze gestorvene dan gewoonweg verdwenen (..) naar geest, ziel en lichaam.
Dit komt niet overeen met de woorden van Jezus.
Wie bij zijn opnieuw geboren worden uit de geestelijke dood opgestaan is, hoeft naar zijn innerlijke mens nooit opnieuw op te staan.
De leer van de zielenslaap zet een streep door de namen die in het boek van het leven opgeschreven staan.
Want men zegt dat deze mensen dood zijn, ook naar hun innerlijke mens!

Bij hun opnieuw geboren worden zijn hun geest en ziel uit de dood opgestaan.
Bij het verlaten van hun aardse, stoffelijke lichaam nemen zij hun intrek bij Jezus.
Hun geestelijke lichaam zal bij het zichtbaar worden van de Heer in zijn gemeente (‘wederkomst’ of ‘parousia’) zich ook met Hem in de natuurlijke wereld kunnen openbaren.
Daarmee is de eerste opstanding voltooid.

Uitdrukkelijk wordt vermeld dat zij die hieraan deel hebben, gelukkig (zalig) en heilig zijn.
Zalig is: volkomen functionerend naar de wil van God.
Heilig is: afgezonderd van het kwaad en hersteld.
De gelovigen hebben het einddoel bereikt, dat is de zaligheid van de zielen (zie 1 Petrus 1:9 NBG).
Dit betekent niet alleen hun redding, zoals wel vertaald wordt, maar ook hun bevrijding (van de demonen), hun herstel en het worden van het evenbeeld van Jezus Christus (zie Romeinen 8:29).

De tweede dood of de vuurpoel is de eeuwige dood.
Dit betekent dus de eeuwige of eindeloze scheiding van God.
Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit (2 Tessalonicenzen 1:9).

De tweede dood heeft geen macht over de gelovigen die in Christus zijn en die deel hebben aan de eerste opstanding, want zij hébben (al) eeuwig leven.
De tijdelijke of lichamelijke dood heeft wel macht over de meesten van hen gehad, zo goed als de dood ook (korte tijd) over Jezus heeft geheerst.
Wanneer wij met Christus zijn gestorven, geloven we dat we ook met Hem zullen leven, omdat we weten dat Hij, die uit de dood is opgewekt, niet meer sterft.
De dood heeft geen macht meer over Hem
(Romeinen 6:8-9).

In hun aardse, tijdelijke lichaam bewijzen de gelovigen dat zij koningen en priesters zijn in de geestelijke wereld.
Nu heersen zij op aarde met Christus in een door God bepaalde tijd, om mens en schepping volledig te herstellen.
Want Hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd (1 Korintiërs 15:25).
Als priesters doen zij een reinigend en verzoenend werk en als koningen geven zij leiding aan het herstel van de schepping.
Zij brengen de schepping, eens veroordeeld tot zinloosheid en vruchteloosheid, weer in haar oorspronkelijke staat terug.
Romeinen 8:19-21:
De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen (grondtekst: zonen) zijn.
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem (Adam, na verleiding door satan, via Eva) die haar daaraan heeft onderworpen.
Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.

Daarmee nemen zij de vloek weg die door de gevallen mens (Adam) over de aarde is gekomen.
Het oude testament profeteert over dit tijdperk als een grote wereldvrede:
De woestijn zal zich verheugen,
de dorre vlakte vrolijk zijn,
de wildernis zal jubelen en bloeien,
als een lelie welig bloeien,
jubelen en juichen van vreugde.
De woestijn tooit zich met de luister van de Libanon,
met de schoonheid van de Karmel en de Saron.
Men aanschouwt de luister van de Heer,
de schoonheid van onze God
(Jesaja 35:1-2).

Dit herstel beperkt zich natuurlijk niet tot het land Israël, want dit is slechts een symbool van wat over de hele aarde gaat gebeuren.
Ook de dieren worden van hun boosaardige eigenschappen bevrijd, zodat ze niet meer onder de beïnvloeding en pressie van de demonen staan.
Het hele systeem van eten en gegeten worden zal niet meer nodig zijn voor het biologisch evenwicht op aarde.
Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil
op heel mijn heilige berg.
Want kennis van de Heer vervult de aarde,
zoals het water de bodem van de zee bedekt
(Jesaja 11:6-9).

Ook de mens zal niet langer verleid worden, maar verlost kunnen worden van al zijn onderdrukking en gebondenheden.
Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil, omdat de geest van God de alleenheerschappij bezit.
Demonen kunnen mensen niet meer ongestraft aanzetten tot het doen van slechte dingen.
In Jesaja 65:17 wordt van het scheppen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde gesproken.
Wanneer het duizendjarige rijk begint, is de schepping van een nieuwe hemel voltooid.
In de onzichtbare wereld is elke demon geïsoleerd en geëlimineerd: of hij is verbannen naar het dodenrijk of naar de vuurpoel.

De hemel is herschapen na een proces van duizenden jaren en nu is de tijd aangebroken om de aarde te vernieuwen.
Er begint een nieuwe periode waarin de demonen die ziekten en zonden veroorzaken, worden gebonden en uitgedreven.
Zij zijn nog in mensen overgebleven na de slag bij Harmagedon.
Alleen de demon die de macht over de dood heeft, wordt in het duizendjarige rijk niet overwonnen; dit gebeurt pas na het laatste oordeel.

Natuurlijk moeten de mensen zich ook willen láten bevrijden.
Zij die dit niet willen, lopen een groot risico omdat zij bij het zich uiten van de zonde direct door de vloek getroffen worden en sterven.
In Jesaja 65:20 wordt geprofeteerd dat het leven van een zuigeling niet meer bedreigd wordt.
Geen kind zal een ontijdige dood sterven.
Maar ook ieder die bevrijd is, blijft tot in hoge ouderdom functioneren: een grijsaard zal zijn jaren voltooien.
Vers 22 zegt:
Want de jaren van mijn volk
zullen zijn als de jaren van een boom;
mijn uitverkorenen zullen zelf genieten
van het werk van hun handen.

De Septuagint vertaalt: De jeugd zal honderd jaar zijn.
Dit betekent dat iemand tot op honderdjarige leeftijd nog een jong mens is.
Wat de zondaar betreft, als hij op honderdjarige leeftijd sterft, dat wil dus zeggen nog als jong mens, komt dat doordat de vloek hem treft.
Hij is een zondaar omdat er nog een demon in hem woont, van wie hij niet bevrijd wil worden en die zich door hem kan uiten.

In het duizendjarige rijk volgt op iedere manifestatie van de zich verschuilende demon onmiddellijk de sanctie.
In het vrederijk is voor zondaars geen plaats!
Wij vinden nu dus op de hele aarde een volmaakte theocratie.
Het natuurlijke volk Israël heeft vanaf het begin van zijn bestaan een bepaalde periode onder deze regeringsvorm geleefd, een schaduwbeeld dus van die in het duizendjarige rijk.
Ook in die tijd worden door demonen gebonden mensen, die zwaar zondigen, uit het volk uitgeroeid; van bevrijding is dan helaas nog geen sprake, omdat de geest van God nog niet is uitgestort.

Jesaja 2:3-4 ged.:
Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,
vanuit Jeruzalem spreekt de Heer.
Hij zal rechtspreken tussen de volken,
over machtige naties een oordeel vellen.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,
geen mens zal meer weten wat oorlog is.

De herleefde gemeente van Jezus Christus is het uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht
(zie 1 Petrus 2:9).

Zij regeert met Christus vanuit Sion (beeld van de leiding van de geest van God in de gemeente) en voltooit samen met Christus de stad van God, dit is de gemeente van alle tijden en plaatsen.
In verdrukking en strijd is de gemeente sterk geworden en gevormd tot een koninklijke generatie, een volk van overwinnaars.
We kunnen hen die de gemeente vormen bewindvoerders van God noemen, want zij zullen namens Hem de volken besturen en als koningen regeren.
Door hen wordt de hele schepping volkomen gezuiverd en er kunnen geen nieuwe demonen bij mensen meer binnendringen.
Zij zijn het die zondaars door hun woord veroordelen, omdat dezen zelf dit woord verwerpen.
Maar hen die het eeuwige evangelie aanvaarden, kunnen zij bevrijden en herstellen.
Zo banen zij de weg voor hen dat Gods geest in hen kan komen wonen en werken.

Aan het eind van het duizendjarige rijk is er opnieuw een paradijstoestand aangebroken voor mens en dier.
De bevrijding en het herstel van de mens in deze periode verschillen in wezen niet van die in de tijd waarin wij nu leven.
Alleen is er dan geen verleiding en pressie meer van buitenaf.
Jezus spreekt over deze tijd als over de tijd die komt of over het komende tijdperk (zie Marcus 10:30).

In Matteüs 12:22 staat dat Jezus een blinde die bezeten is en niet kan spreken, bevrijdt.
De Farizeeën beschuldigen Hem dan dat Hij de demonen uitdrijft door Beëlzebul, de leider van de demonen.
De Heer antwoordt dat het koninkrijk van God (dicht)bij de mens komt als door de geest van God de demonen uitgedreven worden (zie vers 28).
Voor wie dit voor zichzelf ontkent, is geen bevrijding mogelijk, want wie kwaadspreekt van de heilige geest zal niet worden vergeven, noch in deze wereld, noch in de komende (zie vers 32).
Het niet worden vergeven betekent dat zo iemand er zelf voor kiest verbonden te blijven met de demonen.

Ook in het vrederijk wordt niemand tegen zijn wil bevrijd en blijft het mogelijk de heilige geest van God te lasteren.
Er is dus ook geloof nodig in de (werking van de) geest van God die in en door de gemeente werkt.
De gaven van Gods geest die nu al aan de leden van de gemeente gegeven worden en die door hen verder ontwikkeld worden, zijn een voorschot op onze toekomstige (totale) geestelijke erfenis.
Dan functioneren (de liefde en) de gaven onbelemmerd en in hun volle kracht.
Ze worden genoemd de kracht (of: krachten) van de komende wereld (zie Hebreeën 6:5).

Ook dan vindt iedere bevrijding plaats in de naam van Jezus, namens Hem, in zijn autoriteit.
Die macht was ook werkzaam in Christus toen God Hem opwekte uit de dood en Hem in de hemelsferen een plaats gaf aan zijn rechterhand,
hoog boven alle hemelse vorsten en heersers, alle machten en krachten en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomstige
(Efeziërs 1:21).

Als er gesproken wordt over priesters, moet zeker niet gedacht worden aan afstammelingen van Levi.
Ook de Hogepriester Jezus Christus stamt niet af van Aäron.
De principiële fout van veel chiliasten is dat zij een natuurlijk volk Israël op de plaats zetten van het geestelijke Israël van God, de gemeente.
De gemeente wordt hierdoor op aarde toeschouwer en zo uitgeschakeld in haar bediening om mensen te redden, te bevrijden en tot volmaaktheid te brengen.

Maar er staat:
U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd en hen tot priesters gemaakt.
Zij zullen als koningen heersen op aarde
(Openbaring 5:10).
Aan de gemeente heeft God de komende wereld onderworpen (zie Hebreeën 2:5).
Dit bestaat uit regeren, onderwijzen, bevrijden en zorgen voor geestelijke groei van een grote menigte mensen.
Hun opstandingslichaam is daarbij van onschatbaar nut en belang.
Dat lichaam is, evenals het lichaam van Jezus na zijn opstanding, namelijk niet aan tijd, plaats en natuurwetten gebonden.