Openbaring

Openbaring 20:7-8
Geen verzoening voor satan en zijn engelen

Wanneer de duizend jaar voorbij zijn, zal satan uit zijn gevangenis worden losgelaten.
Dan gaat hij eropuit om de volken aan de vier hoeken van de aarde, Gog en Magog, te misleiden.
Hij brengt hen voor de strijd bijeen, een menigte zo talrijk als zandkorrels aan de zee.

En wanneer voleindigd zijn de duizend jaren, zal worden losgemaakt de satan uit de gevangenis van hem.
En hij zal uitgaan (om te) misleiden de volken in de vier hoeken van de aarde, Gog en Magog, (om te) verzamelen hen tot (de) oorlog van wie (is) het getal als het zand van de zee.

In de ‘duizend jaar’ hebben de zonen van God hun werk voltooid.
In de kracht, de liefde en de wijsheid van God hebben zij de schepping hersteld.
Dan kan van de aarde gezegd worden dat het een oord van vreugde is en gejuich, waar muziek en lofzang klinken (zie Jesaja 51:3).
Zij is als de hof van de Heer: vruchtbaar en vredig en de schepping functioneert dan naar de wetten (of: wetmatigheden) van God.

Na de duizend jaar is er opnieuw een volheid van de tijd, een afronding van een periode.
Satan wordt uit zijn kerker losgelaten en voor de aarde breekt weer een tijdperk van beproeving aan.
Direct na zijn ontketening wordt de duivel actief.
Massaal en wereldomvattend herhaalt zich wat eens in het paradijs heeft plaatsgevonden.
Satan trekt met zijn legers erop uit; dan niet om een enkel mensenpaar te verleiden, maar om de volken die op de hele aarde in vrede en gerustheid wonen, ten val te brengen.

Hij probeert alle volken aan God ongehoorzaam te maken en tot opstand te bewegen.
We weten niet hoe lang deze afschuwelijke periode zal duren, maar de Bijbel heeft het over een korte tijd (zie vers 3).
Na een tijdperk van duizendjarige vrede breekt de oorlog in de geestelijke wereld opnieuw en feller uit dan ooit.
Zijn lange gevangenschap heeft satan niet veranderd, waaruit wel blijkt dat hij onverbeterlijk is.
Een verzoening tussen God en satan zal dan ook nooit tot stand komen.

Een afbeelding van het duizendjarige vrederijk vinden we in de regering van Salomo.
In zijn dagen wordt van de tempel een centrale plaats gemaakt voor het dienen van God.
De gemeente is in het duizendjarige rijk het middelpunt van de hele herstelde mensheid.
Als afbeelding daarvan bestemt Salomo de tempel tot het geestelijke centrum voor het volk Israël.
Salomo getuigt:
Maar mij gunt de Heer, mijn God, rust aan al mijn grenzen.
Er zijn geen tegenstanders meer en er dreigt geen gevaar
(1 Koningen 5:18).

De tijd van koning David is de afbeelding van de periode waarin wij nu leven.
Hij heeft zijn hele leven moeten strijden om een bestaan in vrijheid voor het volk Israël mogelijk te maken.
God zegt van deze situatie:
Ik heb aan mijn volk Israël een gebied toegewezen.
Daar heb Ik het geplant en daar kan het nu onbevreesd wonen.
Het wordt niet langer door misdadige volken onderdrukt, zoals toen het er pas woonde
(2 Samuël 7:10).

Aan het einde van het vrederijk van Salomo valt deze vorst in handen van de verleidende demonen.
Hij dient Astarte, Milkom, Kemos, Moloch en veel andere goden, samen met zijn vele buitenlandse vrouwen (zie 1 Koningen 11:5-8).
Met hem valt het volk Israël af en ontbrandt opnieuw de strijd.

Zo volgt op de verleiding door satan na het duizendjarige rijk ook verdeling en strijd.
De woorden Gog en Magog worden plotseling tussengevoegd.
De zin luidt:
Om de volken aan de vier hoeken van de aarde, Gog en Magog, te misleiden.
Hij brengt hen voor de strijd bijeen.
Uiteraard zijn Gog en Magog hier geen nadere aanduidingen van de volken op aarde.
Maar deze twee tussengevoegde namen zijn wel een herinnering aan de profetieën van Ezechiël over de laatste tijd.
Wij vinden deze in de hoofdstukken 38 en 39, waar de profeet door de Heer aangespoord wordt zijn profetieën tegen Gog en Magog te richten.

Er zijn veel pogingen zijn gedaan om van Gog en Magog in de laatste tijd vorsten van deze aarde te maken.
In Ezechiël 38:2 staat: Gog, oppervorst van Mesech en Tubal.
Voor het woordje ‘opper’ in de samenstelling oppervorst of hoofdvorst staat in de grondtekst ‘rosj’.
Het woord oppervorst betekent dan volgens sommige verklaarders ‘vorst van de Russen’.
Wie dit op deze manier verklaart, moet bijvoorbeeld ook het oudtestamentische woord kohen-rosj vertalen als ‘priester van de Russen’ en niet als hoofdpriester of hogepriester!

De populaire volksetymologie gaat op de klank af en maakt van Mesach en Tubal: Moskou en Tobolsk.
Dit alles met nog andere verklaringen om koste wat kost te doen geloven dat de Russen eenmaal in Palestina oorlog zullen voeren als vertegenwoordigers van de antichrist.
Maar in Openbaring 20 worden Gog en Magog aan het einde van het duizendjarige rijk genoemd.
Dat de antichrist en het beest dan al eeuwenlang in de vuurpoel zijn, wordt door deze uitleggers ontkend of genegeerd.
Nogmaals, de namen Gog en Magog staan niet in Openbaring 19, maar in 20!

Bij zijn verklaring van de volkenlijst in Genesis 10 schrijft Baarslag in ‘De Bijbelse geschiedenis’:
"Van alle soms zeer fantastische pogingen om deze naam (Magog) te verklaren, geeft nog het meeste licht in het duister deze omschrijving voor een bepaald land af te leiden uit het Soemerisch: ma (land) en kug (donker).
Dus een ‘land van de buitenste duisternis’, een ver in het noorden gelegen land met lange, donkere winters."
In profetische taal is dus satan, die in het begin een engel van het licht genoemd wordt, de koning van het rijk van de duisternis.

De historische koningen van Babel, van de Meden en Perzen en van Assyrië, zijn allen typen van geestelijke grootmachten.
Zo ook hier Gog, de vorst van Magog, eens de grootvorst van Mesech in het westen van Klein-Azië en Tubal in het uiterste oosten ervan.
Hij heeft dus geregeerd over heel Klein-Azië ten noorden van Palestina.
Opgemerkt wordt dat Mesech en Tubal horen bij de zonen van Jafeth die verspreid over de kustgebieden wonen (zie Genesis 10:5 en Jesaja 66:19), wat van Moskou en Tobolsk bepaald niet gezegd kan worden.

Wanneer er staat dat satan losgelaten zal worden, heeft Ezechiël dit geprofeteerd in Ezechiël 38:4 en 8 met de woorden:
Ik kom je halen, ik sla haken door je kaak en laat je wegtrekken met heel je leger.
Over lange tijd, in de verre toekomst, zul je bevel krijgen om op te trekken tegen een land dat zich nog maar net van de oorlog hersteld heeft
(= de herstelde schepping).

In de verzen 10-12 zien we nog de bedoeling van satan:
Als het zover is, zul je boze plannen uitdenken.
Je denkt: Dat land van niet-ommuurde steden zal ik aanvallen; ik zal optrekken tegen die argeloze mensen die zo onbezorgd leven in hun steden zonder muren, grendels of poorten.
Je gaat erheen om te plunderen, te roven en buit binnen te halen, om de puinhopen die weer bewoond worden
(= herstelde schepping) aan te vallen.
Daar woont een volk
(de gemeente, het Israël van God) dat uit vele volken (uit elke generatie, taalgroep en natie) bijeen is gekomen, dat vee en bezit verworven heeft en nu de navel van de wereld bewoont.

Deze profetie komt overeen met:
Dan gaat hij eropuit om de volken aan de vier hoeken van de aarde te misleiden, hij brengt hen voor de strijd bijeen.
Het lukt satan om na duizend jaar Godsregering, uit alle volken velen te verleiden, waarover Ezechiël verder in beeldspraak profeteert:
… en dan nog de soldaten uit Perzië, Nubië en Libië, met hun schilden en helmen en Gomer met al zijn troepen, Bet-Togarma uit het uiterste noorden met al zijn troepen: heel veel volken zijn het! (zie verzen 5-7).