Openbaring

Openbaring 21:12-14
Uit haar worden de zonen van God geboren

Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel.
Op de poorten waren namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen.
Vanuit het oosten gezien waren er drie poorten, vanuit het noorden drie, vanuit het zuiden drie en vanuit het westen drie.
De stadsmuur had twaalf grondstenen, met daarop de namen van de twaalf apostelen van het Lam.

Hebbende ook (een) muur grote en hoge, hebbende poorten twaalf en op de poorten engelen twaalf.
En namen (daar) op geschreven, welke zijn (die) van de twaalf stammen van de zonen van Israël.
Uit (het) oosten poorten drie, uit (het) noorden poorten drie, uit (het) zuiden poorten drie, uit (het westen) poorten drie.
En de muur van de stad hebbende fundamenten twaalf en in hen (de) namen van de twaalf apostelen van het Lam.

Bij de beschrijving van het voltooide hemelse Jeruzalem mogen we niet vergeten dat deze stad beeld is van een geestelijke realiteit.
We moeten daarom niet proberen de symboliek als zichtbare, aardse werkelijkheid voor te stellen.
We kunnen zeggen dat deze geestelijke stad een afbeelding is van het koninkrijk van God.
Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn (Hebreeën 12:22).
De Herschepper bouwt zijn stad in de onzichtbare wereld niet met goud en edelstenen, maar met levende stenen die worden samengevoegd tot één geheel.
Hiermee wordt eerst de tempelmuur gebouwd en daarna de stad zelf.

Omdat er geen tempel meer staat in het voltooide nieuwe Jeruzalem, is er alleen sprake van een tempelmuur die rust op twaalf fundamenten.
Is bij het oude Jeruzalem de tempelmuur alleen maar een deel van de stadsmuur, nu is de hele muur tempelmuur en daardoor is de heilige stad tempelstad geworden.
Deze symbolische plaats is samengevoegd uit gelovigen met een opstandingslichaam; in hen woont de geest van God in al zijn volheid.
Daarom wordt er gesproken van ‘Ievende stenen’.

Jezus zegt in Johannes 14:2: In het huis van mijn Vader zijn veel kamers.
Hij bedoelt hiermee dat de vele gelovigen samen de woning vormen, waarin de Vader zijn intrek heeft genomen.
Door het offer aan het kruis van onze Heer is de weg vrijgemaakt voor Gods geest om in gelovigen te komen wonen, doordat zij gedoopt worden in deze geest.
Daarom is het nieuwe Jeruzalem alléén de stad van de grote Koning.
De majestueuze muur wijst op een afgesloten geheel, een voltooid plan.

Eerder ziet de apostel de ondergang van de stad Babylon, beeld van de verworden, gedegenereerde gemeente.
Nu ziet hij de laatste fase van de voltooiing van de heilige stad.
Zoals onder de muur van het aardse Jeruzalem van die tijd veel zichtbare fundamenten zijn, zo is ook in de geestelijke stad van God de onderbouw van de muur duidelijk herkenbaar.
De twaalf lagen waaruit het fundament bestaat, dragen als waarmerk de namen van de twaalf apostelen.
Want op wat zij onderwezen hebben over het evangelie, is de gemeente van Jezus Christus, voorgesteld door de tempelmuur, gebouwd.

Hun namen vertegenwoordigen dan weer de vele fundamentleggers die door de eeuwen heen net als de apostelen zelf, de gedachten van Jezus hebben overgenomen en doorgegeven.
De veelkleurige wijsheid van God wordt vanaf het begin zichtbaar gemaakt in de keus van de twaalf apostelen.
Op hun onderwijs én leven is de echte gemeente van Jezus Christus gebouwd.
Zij zijn het die bij Jezus zijn gebleven in al zijn verdrukkingen; ook Johannes hoort bij hen.

Ook de poorten van de stad horen bij de allegorie of uitgewerkte beeldspraak waarmee Johannes het resultaat van het eeuwige plan van God om de mensheid te herstellen, uitbeeldt.
De poorten zijn de toegangen waardoor het Israël van God de stad binnengaat.
Het is logisch dat inwoners van Jeruzalem Israëlieten worden genoemd.
Dit geestelijke Israël komt uit alle volken, want:
Uit het oosten en het westen en uit het noorden en het zuiden zullen ze komen, en ze zullen aan tafel genodigd worden in het koninkrijk van God (Lucas 13:29).

De naamplaat op de poort laat zien dat binnen de stadsmuur het geestelijke Israël woont.
Het gaat nu niet om een selectieve groep ‘uit’ de stammen van Israël, om de honderdvierenveertigduizend die de muur vormen, maar om ‘alle’ stammen van het volk Israël.
Het nieuwe Jeruzalem is een vol-geestelijk-joodse stad, want:
Jood is men niet door zijn uiterlijk en de besnijdenis is geen lichamelijke besnijdenis.
Jood is men door zijn innerlijk en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis.
Het is het werk van de geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God
(Romeinen 2:27-28).

Paulus schrijft aan de gelovigen in Galatië dat het tegenwoordige, aardse Jeruzalem een stad in geestelijke slavernij is.
Galaten 4:25:
Als beeld van dat verbond belichaamt Hagar het huidige Jeruzalem, dat met zijn kinderen in slavernij leeft.
Want zijn inwoners hebben geweigerd te erkennen wat hen vrede kan brengen (zie Lucas 19:42).
Zij hebben zich niet laten vrijmaken door het evangelie van de waarheid, van het koninkrijk van God.
God heeft daarom nooit veel aan dit volk gehad, behalve dan aan het ‘overschot’.
Maar het hemelse Jeruzalem is vrij en dát is onze moeder, want er staat:
Wees verheugd, onvruchtbare vrouw, jij die niet baart.
Jubel en juich, jij die geen weeën kent.
Want zij die zonder man is, heeft meer kinderen dan zij die met een man is.
Daarom dus, broeders en zusters, zijn wij geen kinderen van de slavin, maar van de vrijgeboren vrouw
(Galaten 4:26, 27 en 31).

De voltooide stad is niet iets van de toekomst, maar zij is nú al de ‘plaats’ van alle mensen die opnieuw geboren zijn en die (steeds meer) vervuld worden met Gods geest: de gemeente van Jezus Christus.
Zij is onze moeder, omdat uit haar de in ons hart geschreven wet van God voortkomt en het onderwijs door Gods heilige geest.
Uit haar komt de vrucht van de geest, de liefde, die alleen kan groeien door het ontwikkelen van de gaven van de geest.
Uit haar worden de zonen van God geboren.

Over dit nieuwe Jeruzalem wordt in Psalm 87 gejubeld:
Boven alle steden van Jakob
heeft de Heer de poorten van Sion lief,
zijn vesting op de heilige bergen.
Van u wordt met lof gesproken,
stad van God.
Ik noem Rahab en Babel mijn getrouwen.
Filistea, Tyrus en Nubië
zijn alle hier geboren.’
Met recht kan men van Sion zeggen:
Welk volk ook, het is hier geboren,
de Allerhoogste houdt Sion in stand.
Bij de namen van de volken schrijft de Heer:
Dit volk is hier geboren
En dansend zingen zij:
Mijn bronnen zijn alleen in U.

Het nieuwe Jeruzalem is dus de stad van alle volken.
Toch heten de inwoners nakomelingen van Sion, want God heeft beloofd dat Hij de naam van Israël nooit zal laten uitwissen onder de volken.
Het geestelijke zaad van Abraham is Christus, met allen die in Hem zijn.
Daarom zijn we trots op de naam Israël!
Want weten dat we troonopvolgers zijn, geestelijke Israëlieten of koningen, samen met God (zie Openbaring 5:10 en 20:6).

De poort is een onderdeel van de muur en op de poorten staan twaalf engelen.
De getallen twaalf, twaalfduizend en honderdvierenveertigduizend staan altijd in verband met het geestelijke Israël.
De muurengelen of engelen van de gemeente zijn de poortwachters die door de Heer speciaal zijn aangesteld.
Jeruzalem, Ik heb wachters op je muren gezet
die nooit zullen zwijgen, dag noch nacht.
Jullie die een beroep doen op de Heer,
gun jezelf geen rust
en gun Hem evenmin rust,
totdat Hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest
en haar roem op aarde heeft bevestigd
(Jesaja 62:6-7).
De engelen van de gemeente die op de poorten staan, maken de Heer er voortdurend op attent dat de stad voltooid moet worden.
Zij verheugen zich over iedere rechtvaardige die deze stad binnengaat.
Wie, nadat hij opnieuw geboren is, door de poort binnengaat, komt binnen de bescherming van de muur, dat is van de gemeente.

Deze hoge muur hoeft hier geen bescherming meer te geven tegen wat van buiten komt, want:
Van geweld in je land wordt niets meer vernomen,
noch van verwoesting en rampspoed binnen je grenzen.
Je zult je muren Redding noemen
en je poorten Faam
(Jesaja 60:18).
Binnen de muren, in de gemeente, vindt het herstel plaats en wordt het eeuwige evangelie gebracht door de zonen van God.
Dit gaat samen met het herstel van de gelovigen en het brengen van hen op het niveau van Jezus Christus.
Om een ander beeld te gebruiken: de bladeren van de bomen worden gebruikt om de volken te genezen, te herstellen (zie Openbaring 22:2).
Deze bladeren zijn een beeld van de gaven van Gods geest, die in de gemeente werkzaam zijn.