Openbaring

Openbaring 21:2-3
God heeft iets beters voor met óns

Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan.
Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht.
Ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen.
Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn.

En ik Johannes zag de stad heilige, (het) Jeruzalem nieuwe, neerdalende van God uit de hemel, gereedgemaakt zijnde als (een) bruid, versierd zijnde voor de man van haar.
En ik hoorde (een) stem grote uit de hemel, zeggende: zie de tent van God (is) met / bij de mensen en Hij zal zijn tent opslaan met / bij hen en zij volken van Hem zullen zijn en zelf God zal zijn met / bij hen (de) God van hen.

Op de nieuwe aarde ziet Johannes nu ook de hele nieuwe herstelde en herstellende mensheid.
Haar streefgetal is bereikt (zie ook bij Openbaring 6:11) en ieder mens krijgt zijn plaats en bestemming.
Zij wordt uitgebeeld als een heilige en nieuwe stad.
Heeft Abraham al niet verlangd naar een stad met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd (zie Hebreeën 6:10)?
Deze plaats wordt het nieuwe Jeruzalem genoemd, omdat het oude, aardse Jeruzalem hiervan een schaduwbeeld is.
In de onzichtbare wereld, de hemel, heeft God vanaf de opstanding van Jezus Christus tot aan het laatste oordeel aan deze stad gebouwd.
In het nieuwe Jeruzalem bevindt zich ook de tent van God, dat is de gemeente van God, die volledig vervuld is met zijn heilige geest.

Jezus belooft aan de gelovigen van het nieuwe verbond in Johannes 14:23:
Wanneer iemand Mij liefheeft zal hij zich houden aan wat Ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en Ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.

Als schaduwbeeld hiervan zegt God tegen het volk van het oude verbond:
Mijn woning zal in jullie midden staan en Ik zal nooit een afkeer van jullie krijgen.
Ik zal in je midden verkeren; Ik zal jullie God zijn en jullie mijn volk
(Leviticus 26:11-12).
Ezechiël profeteert in 37:27-28:
Bij hen zal Ik wonen; Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.
En de volken zullen beseffen dat Ik, de Heer, Israël heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is.

Paulus brengt de gemeente deze teksten in herinnering als hij zegt:
Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: Ik zal bij (grondtekst: in) hen wonen en in hun midden verkeren, Ik zal hun God zijn en zij mijn volk (zie 2 Korintiërs 6:16).

Een luide stem wijst Johannes erop dat de woning van God, de gemeente, bij de mensen of tussen de volken op aarde is.
De aarde is Immanuëlsland geworden, want God is bij de mensen.
God woont in de gemeente, maar bij de volken van het nieuwe Jeruzalem.
Deze volken moeten door de gemeente nog tot volmaaktheid gebracht worden.
Zij zijn rechtvaardigen, bevrijd van demonen, maar zij zijn gered als door vuur heen (zie 1 Korintiërs 3:15).
Hun vroegere gebondenheden hebben nog veel beschadigingen in hen achtergelaten.

Alleen van de overwinnaars in het nieuwe verbond wordt gezegd in Openbaring 2:11:
Wie overwint zal van de tweede dood geen schade ondervinden.
Wie deel heeft aan de eerste opstanding is onbeschadigd.
Nu gaat de God alle tranen uit hun ogen wissen (zie Openbaring 7:17), dit wil zeggen dat alle geestelijke wonden en beschadigingen hersteld worden.
Hoe doet God dit?
In en door zijn gemeente die de volken van rechtvaardigheid naar volmaaktheid en onberispelijkheid zal brengen.

Volledig nagekomen wordt de belofte aan de gelovigen van het oude verbond:
Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan
omdat God voor ons iets beters had voorzien en Hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken
(Hebreeën 11:39-40).

Duidelijk heeft de schrijver van de Hebreeënbrief het hier over een volmaakt worden van de gelovigen van het oude verbond na hun dood.
Dit gebeurt niet automatisch, maar het wordt bewerkt door de gemeente van het nieuwe verbond.
We zien ook hier weer dat nooit en te nimmer bevrijding, genezing en volmaakt worden ‘als vanzelf’ gebeuren.
Altijd zal hiervoor de weg gegaan moeten worden die aangegeven is in het woord van God.

Deze ontmoeting van de gemeente van God, samen met Jezus Christus als haar hoofd, met de rechtvaardige gelovigen van alle tijden en plaatsen wordt voorgesteld als een ontmoeting tussen een bruid en een bruidegom.
De mantel van de rechtvaardigheid maakt de volken tot een versierde bruid, maar hun innerlijke mens, ziel en geest, mogen bovendien nog de volmaaktheid bereiken.
Ik vind grote vreugde in de Heer,
mijn hele wezen jubelt om mijn God.
Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan,
hulde mij in de mantel van de gerechtigheid,
zoals een bruidegom een kroon opzet,
zoals een bruid zich tooit met haar sieraden
(Jesaja 61:10).

Zoals een jongeman een meisje tot vrouw neemt,
zo zullen jouw zonen
(de gemeente) jou (het nieuwe Jeruzalem) ten huwelijk nemen,
en zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid,
zo zal je God
(die woont in de gemeente) zich over jou verheugen (Jesaja 62:5).

Tussen Christus en zijn gemeente bestaat een verhouding als die tussen man en vrouw:
Maar wie zich met de Heer verenigt wordt met Hem één geest (1 Korintiërs 6:17).
Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw en die twee zullen één lichaam zijn.
Dit mysterie is groot – en ik betrek het op Christus en de gemeente
(Efeziërs 5:31-32).
Maar hier gaat het over de verhouding tussen de gelovigen (op basis) van het oude verbond (bruid) en de gemeente van het nieuwe verbond, waarin God woont (bruidegom).
De bruid moet nog de volmaaktheid bereiken en de volle gemeenschap door de geest van God, zodat God alles in allen kan worden (zie 1 Korintiërs 15:28 NBG).

Christus heeft zich eens prijsgegeven voor de gemeente om haar in al haar luister bij zich te nemen, zodat ze zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zal zijn, heilig en zuiver (zie Efeziërs 5:27).
Zo kan nu ook van God de Vader, die door zijn geest in de (leden van de) gemeente woont, gezegd worden dat Hij zich als taak stelt zijn bruid, de rechtvaardigen van het oude verbond, te (ver)volmaken.

Veel gelovigen die wat betreft de tijd waarin ze leven, onder het nieuwe verbond vallen, weten alleen maar dat ze gerechtvaardigd zijn door het offer van Jezus aan het kruis.
Helaas zijn ze niet gedoopt in de geest van God, wat kan komen door onkunde.
Zij zijn dus geen geestelijke woning van God, wonen wel in het nieuwe Jeruzalem, maar ze zijn geen onderdeel van de tempel.
Zij worden dan ook op dezelfde manier hersteld als de rechtvaardigen van het oude verbond.