Openbaring

Openbaring 22:12
De vreugde die voor ons ligt

‘Ik kom spoedig, en heb het loon bij Me om iedereen te belonen naar zijn daden.

En zie, Ik kom spoedig en het loon van Mij (is) met Mij (om te) vergelden ieder zoals het werk van hem zal zijn.

Opnieuw zegt de Heer dat Hij spoedig komt en dat Hij zijn beloning meeneemt om iedereen te belonen naar zijn daden.
De voltooide gemeente is zijn beloning, zoals staat in Jesaja 40:10-11:
Ziehier God, de Heer!
Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen.
Zijn loon heeft Hij bij zich, zijn beloning gaat voor Hem uit.
Als een herder weidt Hij zijn kudde:
zijn arm brengt de lammeren bijeen,
Hij koestert ze en zorgzaam leidt Hij de ooien.

In het oude verbond is het (gelovige deel van het) volk Israël het eigendom van God, zijn erfdeel.
In het nieuwe verbond is het geestelijke Israël, de gemeente, het eigendom van God.

Christus heeft dit erfdeel verworven als beloning voor zijn werk op aarde, dat uitmondt in het geven van zijn leven in ruil voor de zondeschuld van de mensheid.
Voor dat zware lijden heeft de Vader Hem beloond, zoals staat in Johannes 17:6:
Ik heb aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt uw naam bekendgemaakt.
Zij waren van U, maar U hebt hen aan Mij gegeven.

Jezus heeft zich laten kruisigen om veel zonen in Gods luister te laten delen, dit is: brengen op het door God beoogde geestelijke hoge niveau, namelijk dat van Hem zelf.
Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof: denkend aan de vreugde die voor Hem in het verschiet lag, liet Hij zich niet afschrikken door de schande van het kruis.
Hij hield stand en nam plaats aan de rechterzijde van de troon van God
(Hebreeën 12:2).

Ook Mozes ziet uit naar de beloning van God en daarom kan hij de smaad van Christus hoger waarderen dan de schatten van Egypte (zie Hebreeën 11:26).

Er staat niet dat ons loon bij Hem is, maar zijn loon!
Jezus komt terug met zijn gemeente om de levenden en de doden te oordelen.
Met zijn gemeente zit Hij op de troon en een ieder wordt geoordeeld op grond van wat in de boeken geschreven staat (zie Openbaring 20:12).
Beantwoord wordt de vraag in 1 Korintiërs 6:2:
Weet u dan niet dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen?